Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-199926718 nr. 3

26 718
Wijziging van de Wet bodembescherming (bijstellen van de financieringssystematiek en wegnemen van enkele onvolkomenheden)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

In de Wet bodembescherming zijn in hoofdstuk VII de financiële bepalingen met betrekking tot de bodemsanering vastgelegd. Geconstateerd is dat met betrekking tot deze financiële bepalingen een aantal artikelen aanpassing behoeft. De aanpassingen zijn voornamelijk van procedurele aard.

Door de voorgestelde wijzigingen wordt het onder meer mogelijk, dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna de minister), het aan de provincies op grond van artikel 76, eerste lid, van de Wet bodembescherming verleende budget, structureel vooraf ophoogt. Deze ophoging van het budget is ter tegemoetkoming van de kosten bedoeld in de artikelen 77, eerste lid, 79, vijfde lid, en 82, vierde lid. Deze financieringssystematiek verschilt in die zin met de huidige regeling, dat de minister niet langer achteraf een bijdrage verleent voor al deze kosten. Bovendien is de minister niet langer verplicht voor de kosten bedoeld in artikel 77, eerste lid, een afzonderlijke bijdrage te verlenen. Hetgeen betekent dat het in principe nog steeds mogelijk is om in bepaalde gevallen een afzonderlijke bijdrage te verlenen.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog een drietal onvolkomenheden in andere hoofdstukken van de Wet bodembescherming weg te nemen. Het betreft de wijzigingen vermeld in onderdelen A, B en C.

De voorgestelde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de rijksbegroting, immers alleen de wijze van financiering wordt anders.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdeel A

De wijziging heeft te maken met de nieuwe naam van het servicecentrum namelijk Service Centrum Grond (voorheen: n.v. Service Centrum Grondreiniging), en de verhuizing van het servicecentrum naar Houten.

Onderdeel B

De huidige formulering van artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming suggereert dat er sprake is van een ernstige verontreiniging. Op het moment dat een melding als bedoeld in artikel 28 wordt gedaan staat het echter nog niet vast of het een geval van ernstige verontreiniging betreft. Immers pas naar aanleiding van die melding stelt het bevoegd gezag vast of er al dan niet sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en wordt de beschikking ernst en urgentie genomen. Het eerste lid wordt nu zo gewijzigd dat er sprake moet zijn van een vermoeden van ernstige verontreiniging.

Onderdeel C

Op grond van artikel 64, eerste lid, van de Wet bodembescherming is het mogelijk om vrijstelling te verlenen van bepalingen uit algemene maatregelen van bestuur die berusten op hoofdstuk III van de wet. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verleent deze vrijstellingen in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Voor een tweetal algemene maatregelen van bestuur, namelijk het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (Boom) (Stb. 1998, 86) en het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (Bgdm 1998) (Stb. 1997, 601, laatstelijk gewijzigd Stb. 1998, 392) is de behoefte gerezen een wijziging in deze verantwoordelijkheidsverdeling aan te brengen, daartoe wordt een derde lid aan artikel 64 toegevoegd.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is namelijk als eerste verantwoordelijk voor het Boom en het Bgdm 1998. Om die reden is het logisch en efficiënt dat de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tevens verantwoordelijk wordt voor vrijstellingen van bepalingen van algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op hoofdstuk III, voor zover deze het Boom en het Bgdm 1998 betreffen. Op deze wijze is het gemakkelijker om bijvoorbeeld te anticiperen op wijzigingen in het Boom of het Bgdm 1998. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan nieuwe landbouwkundige ontwikkelingen die kunnen worden toegestaan als het belang van de bescherming van de bodem zich daar niet tegen verzet.

Ook in geval van vrijstellingsbevoegdheid voor de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, geldt dat advisering door de Technische commissie bodembescherming plaats vindt.

Onderdeel D

De wijziging van artikel 76, eerste en derde lid, onderdeel b, van de Wet bodembescherming houdt verband met de wijzigingen van de artikelen 79, vijfde lid, en 82, vierde lid. Deze wijziging is noodzakelijk om mogelijk te maken dat verrekening (verhoging van het provinciale budget) niet achteraf, na vaststelling door de minister van de te verlenen bijdrage aan de gemeente plaatsvindt, doch dat het provinciale budget structureel vooraf voor dit soort gevallen met een bepaald bedrag verhoogd wordt.

Deze wijziging betekent een administratieve vereenvoudiging.

Door de wijziging van artikel 76, zevende lid, van de Wet bodembescherming wordt nu verwezen naar het verslag op grond van artikel 84, eerste lid.

Artikel 76, zevende lid bepaalt dat renteopbrengsten van de nog niet door de provincie bestede gelden in het jaar volgende op het jaar waarvoor de bijdrage is verleend worden aangewend voor uitgaven als bedoeld in artikel 76, eerste lid, te weten kosten van onderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging. De wijziging beoogt dat op grond van het verslag van artikel 84 gegevens moeten worden verstrekt ten aanzien van die bestede en verplichte gelden in het voorafgaande jaar. Dit in tegenstelling tot het overzicht bedoeld in artikel 78 dat een voortgangsrapportage is waarin de provincie aangeeft hoe in het betrokken kalenderjaar de bedragen zijn besteed, welke verplichtingen zijn aangegaan en welke verplichtingen zullen worden aangegaan in dat zelfde jaar. Met de voorgenomen wijziging zal inzichtelijk worden hoe de renteopbrengsten van de niet-bestede gelden zijn besteed.

Onderdeel E

Door middel van de aanpassing van artikel 77, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt bepaald dat de minister voor een geval waarvan de kosten een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag te boven gaan en voor zover hij met het onderzoek en de sanering van dit geval instemt, een bijdrage aan de provincie kan verlenen. De verplichting van de minister een bijdrage te verlenen als hij instemt met het onderzoek en de sanering komt hiermee te vervallen. Ook hoeft het niet langer een afzonderlijke bijdrage te zijn.

In de praktijk zal dit een administratieve vereenvoudiging opleveren en niet leiden tot problemen. De provincie heeft de gemaakte kosten veelal al gefinancierd uit de bijdrage op grond van 76, eerste lid. In dat geval hoeft de minister dan geen bijdrage meer te verlenen.

Door het laten vervallen van het woord «afzonderlijk» is het nu ook mogelijk dat de financiering van de gemaakte kosten plaatsvindt door een verhoging van de in artikel 76, eerste lid, bedoelde bijdrage (het provinciaal budget).

Verder blijft het nog steeds mogelijk dat de minister een afzonderlijke bijdrage verleent. Bij de keuze een afzonderlijke bijdrage te verlenen of de bijdrage door ophoging van het provinciale budget beschikbaar te stellen, weegt de minister de risico's in financiële en technische zin van het geval af. Denkbaar is dat in een geval waarin de kosten disproportioneel zijn de minister zal kiezen voor een (aanvullende) afzonderlijke bijdrage.

Onderdeel F

Artikel 78, tweede lid, van de Wet bodembescherming regelt de herverdeling van de niet bestede gelden. Als blijkt dat een provincie zijn bijdrage in het betrokken kalenderjaar niet, of niet geheel besteedt kan de minister de bijdrage verlagen. Uit het bedrag van die verlaging kunnen de bijdragen van andere provincies worden verhoogd, indien zij naar het oordeel van de minister meer verplichtingen kunnen aangaan of meer kunnen besteden.

Deze wijziging voorziet in de mogelijkheid dat de minister op grond van het in het eerste lid bedoelde overzicht, ook de bijdragen van de provincies kan verhogen met andere ter beschikking zijnde gelden dan die welke terugvloeien uit de verlaging van bijdragen van andere provincies. Te denken valt bijvoorbeeld aan nog niet door de minister verdeelde gelden voor omvangrijke gevallen (artikel 77 van de wet).

Onderdelen G en H

De wijzigingen van de onderdelen G en H hangen samen met de wijziging van onderdeel D (artikel 76, derde lid, van de Wet bodembescherming). Voor de toelichting wordt dan ook naar dit onderdeel verwezen.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk