Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026686 nr. 6

26 686
Vaststelling van een kader voor de vereenvoudiging en de vernieuwing van het militaire pensioenstelsel (Kaderwet militaire pensioenen)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 juli 2000

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot vijfde en zesde lid.

2. Na het derde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

4. Prepensioneringsaanspraken vanaf 60 jaar zullen worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht.

3. Het tot vijfde lid vernummerde vierde lid komt te luiden: Aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef- en werkvoorzieningen, worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

4. In het tot zesde lid vernummerde vijfde lid wordt de zinsnede «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

B

Artikel 3 wet wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede en derde lid wordt telkens de zinsnede «artikel 2, vierde lid» vervangen door: artikel 2, vijfde lid.

Toelichting

Het oorspronkelijke vierde lid van artikel 2 van het ontwerp van de Kaderwet militaire pensioenen gaf aan dat een drietal onderwerpen bij algemene maatregel van bestuur zullen worden vastgesteld. Voor de bijzondere militaire voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en overlijden vermeldde de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2, vierde lid, dat, gezien de bijzondere verantwoordelijkheid van ondergetekende voor deze voorzieningen, een overstap naar een privaatrechtelijke regeling hier niet voor de hand ligt, evenmin als de overstap op kapitaaldekking respectievelijk rentedekking. De keuze om prepensionerings-aanspraken eveneens bij algemene maatregel van bestuur vast te leggen, werd niet nader toegelicht. Paragraaf 6 van het algemene gedeelte van de memorie van toelichting gaf slechts aan dat, gezien de stand van zaken op het moment dat dit ontwerp van wet aan de Tweede Kamer werd aangeboden, nog geen keuze kon worden gemaakt omtrent de pensionering vóór het 65-ste jaar. De discussie over het functioneel leeftijdsontslag en de daarop aansluitende aanspraken op uitkering of prepensioen werd daarmee naar de toekomst verplaatst.

In de tijd die is verstreken sinds het aanbieden van het ontwerp van wet is de Defensienota 2000 (Tweede Kamer, 1999–2000, 26 900) in Uw Kamer besproken. De Defensienota geeft in hoofdstuk 4 Het personeelsbeleid de hoofdlijnen weer voor een vernieuwd diensteindestelsel voor militairen. Een van die hoofdlijnen houdt in dat gekomen zal worden tot introductie van een kapitaalgedekt pensioen vanaf 60-jarige leeftijd. Die hoofdlijn geeft een aanzet om te komen tot een toekomstbestendig stelsel, aangezien eerder dan nu het geval is (vanaf 60 jaar) sprake is van een pensioen, dat bovendien kapitaalgedekt is. In dat opzicht is het voorstel ook in de lijn met het proces van omzetting van omslaggefinancierde Vut-regelingen naar kapitaalgedekte prepensioenregelingen, zoals dat de afgelopen jaren in den lande op gang is gekomen. Deze nota van wijziging ziet op de prepensioneringsaanspraken vanaf 60 jaar.

De discussies met de werknemersvertegenwoordigers over de toekomst van het functioneel leeftijdsontslag zijn inmiddels gestart. Vanzelfsprekend zal de uitkomst daarvan afgewacht moeten worden voordat tot concrete uitwerking en invulling kan worden overgegaan. Met deze nota van wijziging wordt in de Kaderwet militaire pensioenen echter al vast de ruimte geboden om, hetgeen op dit punt in de Defensienota is vastgelegd, in de toekomst te kunnen faciliëren. Tot slot dient te worden opgemerkt dat, strikt genomen, een publiekrechtelijke verankering van het prepensioen voor militairen vanaf 60 jaar niet verhindert dat in de toekomst tot kapitaaldekking wordt gekomen. In het kader van de normalisatie van de arbeidsvoorwaarden op post-actief gebied, die ook voor het militaire personeel is ingezet, ligt echter de privaatrechtelijke weg hier meer voor de hand.

De vernummering van het oorspronkelijke vierde lid van artikel 2 heeft tot gevolg dat tevens de verwijzingen naar dat vierde lid zijn vervangen door verwijzingen naar het vijfde lid.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof