26 674
Wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet met betrekking tot de medezeggenschap van gepensioneerden en de gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 oktober 1999

1. Inleiding

Het kabinet is verheugd dat de fracties van de PvdA, de VVD, D66 en GroenLinks de doelstellingen van het wetsvoorstel, verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen en gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden, onderschrijven. Verheugend is ook dat de fracties instemmen met het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat verbetering van de medezeggenschap via zelfregulering voorkeur heeft boven dwingende wetgeving.

Ten aanzien van de vraag van de fractie van de PvdA of van het één jaar oude convenant al resultaten te melden zijn, kan op een aantal ontwikkelingen gewezen worden. Zo is bekend dat de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen en de Stichting Opf, de koepels waar de meeste pensioenfondsen bij zijn aangesloten, actief met het convenant aan de slag zijn gegaan. De Stichting Opf heeft bijvoorbeeld een studiedag voor aangesloten fondsen over het onderwerp georganiseerd, de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen heeft een handleiding Medezeggenschap doen laten verschijnen. Voorts kan gemeld worden dat de convenantspartijen regelmatig overleg voeren over de uitvoering van het convenant, onder andere ter voorbereiding van de evaluatie. Uit de evaluatie, die in juli 2001 afgerond moet zijn, zal bekend worden in hoeverre de medezeggenschap bij de pensioenfondsen daadwerkelijk verbeterd is.

2. Medezeggenschap van gepensioneerden

De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom de regering niet alleen bestuursdeelname van gepensioneerden bij ondernemingspensioenfondsen, maar ook bij bedrijfspensioenfondsen mogelijk maakt.

In het Convenant overeengekomen tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen wordt voorgesteld de medezeggenschapspositie van gepensioneerden te verbeteren langs de weg van het instellen van een deelnemersraad dan wel door één of meer vertegenwoordigers van de gepensioneerden in het bestuur op te nemen. Als nadere uitwerking van dit uitgangspunt wordt aanbevolen bij bedrijfspensioenfondsen deelnemersraden op te richten, en bij ondernemingspensioenfondsen ofwel een deelnemersraad ofwel een bestuurszetel voor gepensioneerden te creëren. Het creëren van een bestuurszetel bij bedrijfspensioenfondsen is binnen het convenant niet ondenkbaar. In dat kader kan ook gewezen worden op de in het convenant vastgelegde afspraken dat het in beginsel aan de decentrale partijen is om te bepalen hoe de medezeggenschapspositie verbeterd kan worden en dat het convenant niet beoogt belemmeringen op te werpen voor eventuele verdergaande maatregelen.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie zich af of het kabinet zich realiseert dat de belangen van actieve en gepensioneerde deelnemers in een aantal gevallen niet synchroon zullen lopen, waardoor problemen zouden kunnen ontstaan. De leden vragen zich af of hiervoor niet nadere spelregels vastgelegd moeten worden.

Na de wetswijziging zal het mogelijk worden een of meer afzonderlijke vertegenwoordigers van gepensioneerden in het bestuur zitting te laten nemen. Deze vertegenwoordigers zijn geen onderdeel van de werknemersgeleding, behalve bij het bepalen van de vraag of voldaan wordt aan de pariteitsvoorschriften. Door deze nieuwe mogelijkheid zullen mogelijke tegenstellingen tussen verschillende groepen belanghebbenden explicieter in het bestuur aan de orde kunnen komen, niettegenstaande het voorschrift in de PSW dat bestuursleden er zorg voor dienen te dragen dat alle belanghebbenden zich door het bestuur op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.

Eventuele conflicten zullen uiteindelijk langs de weg van de gebruikelijke regels over hoe een besluit genomen wordt, met welke stemverhouding e.d., opgelost moeten worden. Het kabinet heeft er alle vertrouwen in dat hier door de betrokken partijen in goed overleg vorm en invulling aan zal worden gegeven.

Zowel de leden van de CDA-fractie als van de D66-fractie stellen de vraag of artikel 6, derde lid, geen belemmering vormt voor eventueel verdergaande vormen van medezeggenschap of bestuursbenoemingen. De leden van de D66-fractie vragen in dat kader of het wetsvoorstel een beperking inhoudt ten opzichte van de huidige wetstekst ten aanzien van de mogelijkheid de bipariteit te doorbreken. Voorts vragen beide fracties of het nog mogelijk is aan werkgeverszijde een gepensioneerde op te nemen. De fractie van D66 wil ook weten of het mogelijk is aan werknemerszijde een gepensioneerde zitting te laten nemen.

Om een antwoord op deze vragen te geven is het zinvol aan te geven wat er binnen de huidige wetstekst al mogelijk is. Zo kunnen op grond van de bestaande wet gepensioneerden reeds deel uitmaken van een pensioenfondsbestuur. Lid 4 van artikel 7 verbiedt het in de statuten en reglementen van een pensioenfonds bepalingen op te nemen die het bestuurslidmaatschap onmogelijk maken op grond van de hoedanigheid van gewezen deelnemer. Echter deze gepensioneerde bestuursleden zitten in het bestuur namens de werkgevers respectievelijk de werknemers of de vakorganisaties. De huidige PSW kent immers slechts twee geledingen, te weten die van werkgevers- en vakorganisaties bij bedrijfspensioenfondsen of werkgevers en werknemers bij ondernemingspensioenfondsen. Uit de wetsgeschiedenis van de PSW kan worden afgeleid dat het ook nooit de bedoeling van de wetgever is geweest dat naast deze twee geledingen anderen in het bestuur zitting konden nemen, hoewel het weliswaar strikt genomen niet door de wetstekst verboden wordt.

Door het wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt een geleding gepensioneerden (of andere belanghebbenden) te creëren waarbij de leden van deze geleding namens de gepensioneerden (of de andere belanghebbenden) zitting hebben. Alleen voor wat betreft het bepalen van de pariteit wordt, conform bestaand beleid, expliciet vastgelegd dat de bestuursleden namens de gepensioneerden gelijkgesteld zullen worden met vertegenwoordigers van werknemersvakverenigingen, respectievelijk vertegenwoordigers van in het fonds deelnemende werknemers. Het kabinet hecht eraan het uitgangspunt van bipariteit, zoals dat met name bij bedrijfspensioenfondsen effectief is, te handhaven. De positie van de werkgevers, als een van de partijen die mede financiële risico's dragen, mag niet teveel in het geding komen. Ook in het convenant wordt bij directe vertegenwoordiging van gepensioneerden in het bestuur uitgegaan van handhaving van het bipartiete karakter van het bestuur. Al met al constateert het kabinet dat het wetsvoorstel geen beperking inhoudt ten opzichte van de huidige wet, maar juist nieuwe mogelijkheden creëert.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie of het kabinet het noodzakelijk vindt dat de wijze waarop leden van de deelnemersraad benoemd worden, niet verduidelijkt moet worden. In dat kader vragen de leden van de D66-fractie of verenigingen die betrokken zijn bij de verkiezingen van leden van de deelnemersraad of het bestuur van ondernemingspensioenfondsen, niet aan gelijksoortige representativiteitscriteria als bij bedrijfspensioenfondsen zouden moeten voldoen.

De wijze waarop leden van een deelnemersraad bij een bedrijfspensioenfonds worden benoemd, is in de PSW reeds voorgeschreven. In het wetsvoorstel wordt dit voorschrift gewijzigd waardoor het houden van verkiezingen, zoals de convenantspartijen aanbevelen, mogelijk wordt. De wijze waarop bij ondernemingspensioenfondsen leden van de deelnemersraad worden benoemd, kent veel minder vergaande voorschriften. Het enige voorschrift in de PSW is dat de in het fonds deelnemende werknemers en gepensioneerden evenredig in de deelnemersraad vertegenwoordigd zijn. Hoe de deelnemers worden benoemd staat het fonds verder vrij. Verkiezingen behoren dan ook reeds tot de mogelijkheden bij de ondernemingspensioenfondsen zodat hier om de uitvoering van het convenant mogelijk te maken geen wijzigingen noodzakelijk zijn. Partijen betrokken bij het convenant hebben ook geen verzoek ingediend om op dit punt de regelgeving te wijzigen.

Het kabinet onderkent dat er zich problemen zouden kunnen voordoen bij benoemingen van leden van de deelnemersraad bij ondernemingspensioenfondsen, zoals door de fractie van D66 geschetst. In de memorie van toelichting is dan ook aangegeven dat naar aanleiding van de evaluatie van het convenant zal worden bezien of de wijze van benoemen van leden van een deelnemersraad bij ondernemingspensioenfondsen wettelijk nader ingevuld moet worden. Als uit de evaluatie blijkt dat er ongewenste situaties kunnen ontstaan kan een wetswijziging op dit punt nodig blijken te zijn. Op dat moment kan de vraag worden meegenomen of verenigingen die betrokken zijn bij verkiezingen bij ondernemingspensioenfondsen aan dezelfde representativiteitscriteria moeten worden onderworpen als verenigingen betrokken bij bedrijfspensioenfondsen.

De leden van de D66-fractie vragen aan welke eisen belangenverenigingen moeten voldoen om persoonsgegevens te kunnen verkrijgen ten behoeve van het organiseren van mede-zeggenschap en of deze eisen in de PSW worden vastgelegd.

In het bij de reeds inwerking getreden Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) behorende ontwerp-Vrijstellingsbesluit wordt het voor verenigingen van oud-personeelsleden expliciet mogelijk gemaakt om ten behoeve van het overleg en de organisatie van een medezeggen-schapsorgaan persoonsgegevens bij pensioenfondsen op te vragen. De enige eis die hiermee vanuit de WBP aan de verenigingen gesteld wordt, is dat het opvragen van de persoonsgegevens gebeurt in het kader van medezeggenschap van gepensioneerden. In lijn hiermee wordt in de PSW in artikel 6a, vierde lid, een tweetal eisen aan de belangenverenigingen gesteld: het moet gaan om verenigingen die volledige rechtsbevoegdheid bezitten en het statutair doel moet mede omvatten het behartigen van de belangen van de leden als belanghebbenden bij een fonds. Additionele regelgeving is op dit punt niet nodig. Overigens wijst het kabinet erop dat de Registratiekamer het op dit moment reeds toelaatbaar acht dat, vooruitlopend op inwerkingtreding van het Vrijstellingsbesluit, verstrekking van persoonsgegevens door het pensioenfonds of door de werkgever mogelijk is, indien voorzien is in de mogelijkheid om binnen een bepaalde redelijke termijn bij de werkgever of het fonds bezwaar te maken tegen de verstrekking.

De leden van de D66-fractie vragen waarom het beroepsrecht alleen is opengesteld voor de punten a tot en met g van het tweede lid van artikel 6b. Met name wordt gevraagd of besluiten over zaken als het beleggingsbeleid, een communicatieplan, een fusie van pensioenfondsen e.d. niet open staan voor beroep. Is het kabinet bereid het beroepsrecht te verruimen?

In het wetsvoorstel wordt beroepsrecht geïntroduceerd voor alle voorgenomen besluiten van het pensioenfondsbestuur ten aanzien van de in het artikel 6b eerste lid genoemde punten a tot en met g. Ook de convenantspartijen verwijzen in het convenant naar de in artikel 6b genoemde aangelegenheden. De zes genoemde aangelegenheden zijn zodanig geformuleerd dat alle belangrijke besluiten onder deze aangelegenheden vallen. Dat geldt met name voor punt a, «het nemen van maatregelen van algemene strekking». Besluiten over bijvoorbeeld een beleggingsbeleidsplan, een communicatieplan en een fusie van pensioenfondsen vallen onder deze aangelegenheid: het gaat hierbij immers om besluiten die vrijwel alle deelnemers aangaan.

Wel heeft het kabinet willen voorkomen dat een deelnemersraad beroep aantekent tegen het niet opvolgen van een advies uit eigen beweging, zonder dat over deze aangelegenheid een voorgenomen besluit bestond. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de kritiek van de Raad van State die vindt dat op het punt van het beroepsrecht het wetsvoorstel te vergaand is. Door beroep over adviezen uit eigen beweging uit te sluiten wordt voorkomen dat een deelnemersraad een bestuur kan dwingen een besluit over een bepaald onderwerp te nemen. Stel er is een advies over een onderwerp, het bestuur reageert niet (er komt geen voorgenomen besluit) dan zou de deelnemersraad beroep kunnen aantekenen wanneer het bestuur niet tijdig reageert. Volgens het kabinet dient de lijn te blijven: het bestuur wil iets veranderen, neemt een besluit voor, legt dit voorgenomen besluit voor aan de deelnemersraad, en beslist. De deelnemersraad dient niet via de beroepsgang bestuursbesluiten te kunnen afdwingen.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie of de medezeggenschap niet ondermijnd wordt door vetorechten van werkgevers ten aanzien van bestuursbesluiten en of het kabinet er voor voelt deze te verbieden.

Vooropgesteld kan worden dat het hier om een ander onderwerp gaat dan verbetering van medezeggenschap van gepensioneerden. Bij vetorechten gaat het immers om de bevoegdheden van het bestuur en niet om de samenstelling van het bestuur. Het bestaan van vetorechten bij ondernemingspensioenfondsen is het kabinet bekend. Echter ook de Verzekeringskamer heeft deze praktijk geconstateerd en heeft sinds enige tijd haar toezichtbeleid in dezen aangescherpt. Uitgangspunt daarbij is dat op basis van de huidige wetgeving reeds geconcludeerd moet worden dat het bestuur zelf verantwoordelijk is voor de besluiten die het neemt. Instemming van derden staat daarmee op gespannen voet. Mocht de Verzekeringskamer later nog aangeven dat de wet op dit punt onvoldoende handvatten biedt, dan kan de wet alsnog moeten worden aangescherpt. Het kabinet stelt daarom voor in het huidige wetsvoorstel dit onderwerp buiten beschouwing te laten en zo dat nodig is het onderwerp mee te nemen bij het project Nieuwe PSW.

3. Gelijkstelling positie gehuwden en geregistreerden

De leden van de VVD-fractie merken op dat zich op macroniveau bij bepaalde nader omschreven werkgevers de grootste kostenstijging kan voordoen. Zij vragen of de regering verwacht dat bedrijven hierdoor in financiële moeilijkheden zullen komen en zo ja welke maatregelen de staatssecretaris voorstaat om deze problemen op te lossen of te voorkomen.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat de conclusie gerechtvaardigd lijkt dat de totale extra kosten, die voortvloeien uit het onderhavige wetsvoorstel, op macroniveau beperkt zullen zijn. Tevens is aangegeven dat de grootste kostenstijging op microniveau zich zal voordoen bij een individuele werkgever met alleen een nabestaandenpensioen voor gehuwden op basis van een bepaalde partnersysteem en waar zich naar verhouding veel werknemers laten registreren. Het kabinet verwacht niet dat bedrijven door de voorgestelde wijziging in financiële moeilijkheden zullen komen. In de eerste plaats omdat op basis van de voorgestelde regeling alleen de verplichting bestaat tot het aanpassen van het nabestaandenpensioen wanneer het risico nog niet is ingetreden en de werknemer nog deelnemer is in de pensioenregeling. Bovendien geldt dat wanneer de betreffende werknemers zich niet laten registreren, maar in het huwelijk treden, de werkgever met dezelfde kosten zou worden geconfronteerd.

De leden van de VVD-fractie vragen de visie van de regering op de mogelijke ontwikkeling dat in de toekomst het nabestaandenpensioen in gevaar wordt gebracht omdat het geregistreerde partnerschap zich zou kunnen ontwikkelen tot een «toegankelijker» huwelijk en men sneller en gemakkelijker een geregistreerd partnerschap sluit en ontbindt dan een huwelijk. Dit zou het gevaar kunnen inhouden dat een registratie uitsluitend zal worden gesloten teneinde de partner nabestaandenpensioen te geven.

De VVD-fractie doelt met haar vraag op het zogenaamde «sterfbedhuwelijk» of in dit geval de «sterfbedregistratie». Dit speelt in de situatie dat een deelnemer in een pensioenregeling een slechte levensverwachtig heeft en de deelnemer gaat huwen of zijn relatie laat registreren om te bewerkstelligen dat zijn partner aanspraak krijgt op nabestaandenpensioen. Opgemerkt kan worden dat de door de VVD-fractie genoemde regelingen in pensioenreglementen die zogenaamde sterfbedhuwelijken ten behoeve van het nabestaandenpensioen moeten voorkomen, ook van toepassing zullen zijn op partnerregistraties, zodat het kabinet de vrees van de VVD-fractie dat hierdoor in de toekomst het nabestaandenpensioen in gevaar wordt gebracht, niet deelt.

De leden van D66-fractie vragen de regering de schets van de financiële gevolgen van het voorstel uit te breiden met nadere gegevens.

De leden van de D66 fractie vragen de regering hoe zij oordeelt over het advies van de Raad van State waarin wordt gesteld dat de in het geding zijnde pensioenrechten veeleer zouden moeten worden bepaald door het algemeen belang van de volledige gelijkstelling versus het belang van degenen die de daaruit voortvloeiende lasten moeten dragen.

Tevens vragen de leden van de D66-fractie of de regering bereid is het wetsvoorstel te verruimen naar de groep die gepensioneerd is of met ontslag is gegaan, hoe groot die groep wordt geschat en wat de financiële gevolgen zijn van een verruiming.

Het kabinet heeft in de memorie van toelichting een uiteenzetting gegeven op basis van de relevante beschikbare gegevens en aangegeven waarom het van oordeel is dat op basis van de in het wetsvoorstel gekozen opzet de kosten op macroniveau beperkt zullen zijn.

Ten aanzien van de financiële gevolgen van de verruiming tot degenen die gepensioneerd zijn of met ontslag zijn gegaan, kan worden opgemerkt dat de hoogte van de kosten voor aanvullende verzekering afhankelijk zal zijn van de verhoging die per individuele gewezen deelnemer nodig is. Het kabinet realiseert zich dat op basis van de beschikbare gegevens slechts een ruwe schatting kan worden gemaakt van het aantal personen dat zijn relatie heeft laten registreren, deel heeft genomen in een pensioenregeling waarin nog verschil is gemaakt tussen gehuwden en geregistreerden en dat inmiddels gepensioneerd is of met ontslag is gegaan. Maar ook wanneer dat aantal wél nauwkeurig zou kunnen worden bepaald, rijst naar het oordeel van het kabinet de belangrijkere en meer principiële vraag wie deze kosten van de verruiming zou moeten dragen aangezien er geen sprake meer is van een werkgever/ werknemer verhouding. Het is naar het oordeel van het kabinet niet goed te rechtvaardigen om die lasten voor degenen die reeds met ontslag zijn of gepensioneerd zijn alsnog bij hun voormalige werkgevers en/of pensioenuitvoerders te leggen. Immers, op grond van het op 1 januari 1998 inwerking getreden artikel 2c van de Pensioen- en spaarfondsenwet mocht een onderscheid gemaakt worden tussen gehuwden en geregistreerden. Met de thans voorgestelde wetswijziging wordt het destijds gekozen uitgangspunt herzien.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

Naar boven