26 674
Wijziging van de Pensioen- en spaarfondswet met betrekking tot de medezeggenschap van gepensioneerden en gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 1 oktober 1999

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

1. Inleiding

De leden van de fracties van de PvdA, de VVD, het CDA, D66 en GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetvoorstel.

De leden van de fractie van de PvdA onderschrijven de doelstellingen van het wetsvoorstel, te weten de verbetering van de medezeggenschap voor gepensioneerden en gelijkstelling van geregistreerde partners aan gehuwden. Op het terrein van de medezeggenschap zijn de leden van de PvdA-fractie met de regering van mening dat de sociale partners primair verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de pensioenregelingen en dat wetgeving op dit terrein niet dwingend, maar ondersteunend dient te zijn. De leden hebben nog een enkele vraag.

Het Convenant dat Stichting van de Arbeid (STAR) en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenbonden (CSO) in juni 1998 sloten over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen is inmiddels ruim een jaar oud. In het convenant hebben de STAR en het CSO afgesproken in 2000–2001 te evalueren. Zijn desondanks al eerste resultaten bekend, zo vragen deze leden. Wat zijn die resultaten? Bij de evaluatie zou rekening gehouden moeten worden met de gevolgen van de vergrijzing, met name ten aanzien van de samenstelling van de medezeggenschapsraden, menen de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het eerste deel van het wetsvoorstel niet alleen uitvoering geeft aan de wensen uit het veld, maar ook aan het recht van gepensioneerden op vertegenwoordiging in de besturen van pensioenfondsen. Deze leden delen de mening van de regering dat het beter is in te zetten op zelfregulering in plaats van dwingende regelgeving. Het tweede deel van dit wetsvoorstel geeft gevolg aan de, door de aan het woord zijnde leden gesteunde, wens van de Tweede Kamer om geregistreerde partners gelijk te stellen met gehuwden. Zij vragen nadere aandacht voor een aantal punten. Deze komen hieronder aan de orde.

De leden van de CDA-fractie hebben waardering voor de inspanningen van de regering om een convenant tussen de STAR en het CSO te bevorderen inzake het stimuleren van medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen.

Deze leden steunen de visie zoals verwoord in de memorie van toelichting dat de voorkeur wordt gegeven aan zelfregulering en hebben tot genoegen kunnen constateren dat het onderhavige wetsvoorstel nauwkeurig het gezamenlijk verzoek van de convenantpartijen uitwerkt om het proces van verbeterde medezeggenschap te ondersteunen. Het wetsvoorstel is een terechte bevestiging van het gegeven dat pensioenregelingen het domein van sociale partners zijn, wat tot uitdrukking blijft komen in het paritair bestuur van de uitvoering van pensioenregelingen.

De leden van de GroenLinks-fractie onderschrijven de achterliggende doelen, te weten medezeggenschap gepensioneerden en gelijkstelling geregistreerde partners, volledig. De wijziging is mede tot stand gekomen naar aanleiding van een breed gesteunde motie van de Tweede Kamer. Gezien de achtergrond van de wetswijziging en de afdoende toelichting door de regering hebben deze leden geen behoefte aan nader commentaar of nadere vragen.

2. Medezeggenschap van gepensioneerden

De leden van de VVD-fractie constateren dat het convenant alleen over bestuursdeelname van gepensioneerden bij ondernemingspensioenfondsen spreekt. De regering gaat een stap verder door dit bij alle pensioenfondsen mogelijk te maken. Kan zij haar keuze hiervoor nader toelichten?

Gepensioneerden zullen bij bestuursdeelname een werknemerszetel bezetten. De belangen van actieve en gepensioneerde deelnemers zullen in een aantal gevallen niet synchroon lopen. Verwacht de regering hier problemen? Zo ja, hoe wordt hiermee rekening gehouden en is het niet verstandig om van tevoren enige spelregels vast te leggen hoe met conflicten om te gaan?

De leden van de VVD-fractie delen overigens de mening dat voorkomen moet worden dat de positie van werkgevers teveel in het geding komt en is het eens met de gedachte dat gepensioneerden een werknemerszetel bezetten.

De leden van de CDA-fractie vragen ter verduidelijking van art. 6, derde lid, nog de vraag voor leggen of in de formulering daarvan inderdaad geen belemmering is voor eventueel verdergaande vormen van medezeggenschap of bestuursbenoemingen. Met andere woorden: blijft het toegestaan dat ook werkgevers iemand die gepensioneerd is kunnen aanwijzen als lid van het bestuur?

De leden van de D66-fractie leggen de navolgende vragen aan de regering voor.

Laat de huidige tekst van de Pensioen- en spaarfondswet (PSW) de mogelijkheid open dat er naast werkgever(s) en werknemers anderen in het bestuur zitten, bijvoorbeeld deskundigen of vertegenwoordigers van andere groepen? Onderschrijft de regering de stellingname en argumentatie van het CSO dat het wetsvoorstel de huidige wetstekst beperkt in plaats van die te verruimen? Acht de regering dit wenselijk?

Moet aan pensioenfondsen zelf de mogelijkheid worden gelaten om eventueel te kiezen voor een eigen geleding voor de gepensioneerden of de gewezen deelnemers, mede gelet op het convenant tussen de STAR en het CSO? Is het voorgestelde artikel 6, derde lid, verenigbaar met deze keuzemogelijkheid, die is vastgelegd in het convenant?

Wordt door het wetsvoorstel de positie van de gepensioneerde aan werkgeverszijde onduidelijk in geval pensioenfondsen hebben gekozen voor het opnemen van vertegenwoordigers van gepensioneerden in het bestuur, waarbij de pariteit is gehandhaafd door zowel een gepensioneerde op te nemen aan de werkgeverszijde als aan de werknemerszijde? Op welke wijze is de regering bereid deze onduidelijkheid weg te nemen?

Vindt de regering het noodzakelijk dat de manier waarop de leden van de deelnemersraad worden gekozen of benoemd wettelijk wordt geregeld in de PSW? Zo ja, op welke wijze zal daar invulling aan worden gegeven? Zo nee, wat indien een organisatie in overleg met het bestuur een onevenredig groot aantal zetels bezet in een geleding ten koste van een andere representatieve vereniging?

Wil de regering het principe met betrekking tot de bedrijfspensioenfondsen, dat het voor wat betreft de aantallen en de evenredigheid steeds gaat om de aantallen in de geleding waarin kandidaten worden gesteld, met het oog op consistentie ook toepassen op de ondernemingspensioenfondsen?

Acht de regering het nodig om, gelijk de representativiteitseisen bij de bedrijfspensioenfondsen, soortgelijke criteria te stellen aan verenigingen van belanghebbenden die betrokken zijn bij verkiezingen van deelnemersraden en/of besturen van ondernemingspensioenfondsen? Hoe zouden die dan luiden?

Aan welke eisen moeten belangenverenigingen voldoen om persoonsgegevens te kunnen verkrijgen ten behoeve van het organiseren van medezeggenschap? Worden deze eisen vastgelegd in de PSW?

Waarom is niet gekozen voor een beroepsmogelijkheid die open staat tegen alle besluiten van het bestuur, conform het convenant tussen de STAR en het CSO, maar voor een beperkt beroepsrecht over besluiten over de punten a tot en met g van het tweede lid van art. 6b? Staan besluiten over zaken als een beleggingsbeleidsplan, een communicatieplan, een fusie van pensioenfondsen etc. niet open voor beroep? Is de regering alsnog bereid dit beroepsrecht in het wetsvoorstel te verruimen tot alle besluiten van het bestuur, ten einde de adviezen van de deelnemersraad meer kracht bij te zetten?

Wordt de medezeggenschap niet ondermijnt door voorrechten van werkgevers, die vaak in statuten van ondernemingspensioenfondsen zijn opgenomen? Voelt de regering er iets voor deze voorrechten expliciet wettelijk te verbieden, zodat de gelijkwaardigheid van de bestuursleden, de zelfstandigheid van het bestuur alsmede de medezeggenschap niet worden aangetast, mede gelet op de opvatting van de Verzekeringskamer, zo vragen de leden van de D66-fractie.

3. Gelijkstelling positie gehuwden en geregistreerden

Ten aanzien van de gelijkstelling van geregistreerde partners met gehuwden geeft de regering aan dat zich op macroniveau bij bepaalde, nader omschreven, werkgevers de grootste kostenstijging zal voordoen. Verwacht zij dat deze bedrijven hierdoor in de (financiële) problemen kunnen komen? Zo ja, wat voor maatregelen staat de staatssecretaris voor om deze problemen te voorkomen of op te lossen?

Het is mogelijk dat het geregistreerd partnerschap zich ontwikkelt tot een «toegankelijker» huwelijk. Dat wil zeggen dat men het sneller en makkelijker sluit en ontbindt dan het huwelijk zelf. In de pensioenwetgeving bestaan regelingen die ervoor moeten zorgen dat men geen huwelijk sluit, slechts met de bedoeling dat de partner recht krijgt op nabestaandenpensioen. In theorie is het mogelijk dat, als het geregistreerd partnerschap makkelijker wordt gesloten en het recht geeft op nabestaandenpensioen, er vaker een relatie wordt aangegaan met als enige doel om de partner recht te geven op nabestaandenpensioen. Dit kan het bestaan van het nabestaandenpensioen in de toekomst in gevaar brengen. Kan de regering haar visie hierop geven?

De leden van de CDA-fractie merken op dat de volledige gelijkstelling van geregistreerde partners met gehuwden in pensioenregelingen hun instemming heeft. In het algemeen geldt weliswaar het uitgangspunt dat wetsvoorstellen geen terugwerkende kracht mogen hebben wanneer er sprake is van lastenverzwaring. Maar, los van het feit dat in de meeste pensioenregelingen volledige gelijkstelling is ingevoerd, wordt ook bij het aangaan van een huwelijk de back service toegepast. Dan ligt het voor de hand dat dit ook van toepassing is wanneer partners overgaan tot registratie van hun partnerschap. Zeker nu geen gegevens ter beschikking zijn gekomen waaruit blijkt dat als gevolg hiervan te grote financiële lasten zouden worden veroorzaakt, is er geen reden om bezwaar te hebben tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel.

De leden van de D66-fractie vragen de regering de schets van de financiële gevolgen van het voorstel uitbreiden met nadere gegevens.

Hoe beoordeelt de regering het advies van de Raad van State dat de in het geding zijnde pensioenrechten veeleer zouden moeten worden bepaald door het algemene belang van volledige gelijkstelling tussen gehuwden en geregistreerden versus het belang van degenen die de back service van de toekenning of de verhoging van opbouwjaren aan geregistreerde partners moeten dragen, zo vragen deze leden.

Tevens willen de leden van de D66-fractie vernemen of de regering bereid is het wetsvoorstel te verruimen naar de groep die respectievelijk gepensioneerd is of met ontslag is gegaan. Hoe groot wordt die groep geschat? Wat zijn de financiële gevolgen van deze verruiming?

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier voor dit verslag,

Nava


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Rosenmöller (GL), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GL), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Orgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA) en Wilders (VVD).

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van Gent (GL), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GL), Mosterd (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA) en De Vries (VVD).

Naar boven