Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26674 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26674 nr. 3 |
Op 1 maart 1990 is de Wet van 11 december 1989 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet, de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet (regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen) (Stb. 29, 1990) in werking getreden. Op grond van deze wet kan het bestuur van een pensioenfonds verplicht worden een deelnemersraad met adviserende bevoegdheden in te stellen, indien hiertoe wordt verzocht door ten minste 5% van de deelnemers (actief, gewezen of gepensioneerd) en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. De regeling heeft met name tot doel de medezeggenschapspositie van gepensioneerden te verbeteren.
Deze wettelijke regeling is in het voorjaar van 1996 geëvalueerd in het rapport Evaluatie regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen. In dit rapport is geconstateerd dat in 1995 bij naar schatting 19% van de pensioenfondsen, waar 25% van alle verzekerden bij is aangesloten, een deelnemersraad aanwezig is. Ook wordt geconstateerd dat er bij pensioenfondsen andere vormen van medezeggenschap van met name gepensioneerden zijn ontstaan, zoals een bestuurszetel voor gepensioneerden of een jaarvergadering van deelnemers. Uit het rapport blijkt dat bij 34% van de onderzochte fondsen invloeduitoefening door gepensioneerden via de deelnemersraad en/of participatie in het bestuur voorkomt.
Naar aanleiding van dit evaluatierapport heeft het regering zich op het standpunt gesteld dat de medezeggenschap van gepensioneerden verbeterd zou kunnen worden (brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 augustus 1996, SZW 96.730). In de brief werden hiervoor een aantal mogelijkheden geschetst. In de brief aan de Tweede Kamer van 13 februari 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 XV, nr. 47) zijn deze mogelijkheden nader geconcretiseerd. In die brief werd voorgesteld wettelijk voor te schrijven dat één of meer zetels voor gewezen deelnemers in de pensioenfondsbesturen moeten worden gereserveerd. Een dergelijke zetel zou onderdeel uitmaken van de werknemersgeleding. Omdat de belangen van alle groeperingen in dat geval rechtstreeks in het bestuur behartigd worden, werd voorgesteld de deelnemersraad te vervangen door een verplichte jaarvergadering waar het bestuur zich tegenover de deelnemers verantwoordt.
In het algemeen overleg met de Vaste Commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 mei 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 XV, nr. 60) kreeg het voorstel om de medezeggenschapspositie van gepensioneerden bij pensioenfondsen te verbeteren brede bijval. Alle aanwezige fracties vonden dat de medezeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen een impuls nodig heeft. Blijkens een brief van de Stichting van de Arbeid (STAR) aan de Staatssecretaris en de Vaste Commissie, waren ook sociale partners deze mening toegedaan. In de brief deden zij het aanbod om overleg te voeren met de ouderen-organisaties over de wijze waarop de medezeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen verbeterd kan worden. De leden van de Vaste Commissie hebben de Staatssecretaris daarop gevraagd in te gaan op dit aanbod. De Staatssecretaris heeft dit verzoek ingewilligd en de STAR en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO) de gelegenheid gegeven dit overleg te voeren.
Dit overleg heeft geresulteerd in een op 25 juni 1998 ondertekend convenant getiteld Convenant tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen (zie bijlage 1)1. Naar aanleiding van de totstandkoming van het medezeggenschapsconvenant heeft de regering besloten niet zelf met dwingende wetgeving te komen om de medezeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen te verbeteren maar partijen de gelegenheid te geven dit door middel van het convenant te realiseren. De regering geeft de voorkeur aan zelfregulering van de betrokken partijen boven dwingende wetgeving. Het draagvlak om de medezeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen te verbeteren zal daardoor groter zijn dan bij van bovenaf opgelegde wetgeving. De regering vertrouwt erop dat de uitvoering van het convenant succesvol zal zijn. Het convenant loopt tot 1 juli 2001. In de loop van 2001 zullen de resultaten van het evaluatieonderzoek dat partijen zijn overeengekomen beschikbaar zijn. De regering zal de evaluatie nauwgezet volgen. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt invulling gegeven aan het verzoek van de convenantspartijen om, met het oog op de uitvoering van het convenant, de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) op een aantal punten te wijzigen.
Het onderhavige wetsvoorstel bevat tevens een voorstel tot aanpassing van de Pensioen- en spaarfondsenwet met betrekking tot de positie van de geregistreerde partners. De Tweede Kamer heeft de regering door middel van een motie (Kamerstukken II 1997/98, 22 700, nr. 30) verzocht om ook op het terrein van de aanvullende pensioenen tot een volledige gelijkstelling van gehuwden en geregistreerden te komen. De regering is van mening dat het snelst en het meest effectief aan de wens van de Tweede Kamer tegemoet kan worden gekomen door de benodigde, wetstechnisch gezien eenvoudige en geringe, wijziging op te nemen in het onderhavige wetsvoorstel.
2. Medezeggenschap van gepensioneerden
2.1 Het medezeggenschapsconvenant
Op hoofdlijnen bevat het convenant de volgende afspraken.
De besturen van bedrijfspensioenfondsen worden, voorzover er nog geen deelnemersraad is, opgeroepen zelf het initiatief te nemen tot oprichting van een deelnemersraad. Ondernemingspensioenfondsen die nog geen deelnemersraad of bestuursdeelname kennen worden, voorzover zij een nader omschreven aantal gepensioneerde deelnemers hebben, opgeroepen ofwel een deelnemersraad op te richten ofwel directe bestuursvertegenwoordiging voor gepensioneerden te organiseren. Bij de keuze bij ondernemingspensioenfondsen tussen het creëren van een bestuurszetel of een deelnemersraad zal de voorkeur van de gepensioneerden doorslaggevend zijn, mits meer dan de helft van de gepensioneerden zijn stem uitbrengt. Als dit minder dan de helft is zal de uitslag van de raadpleging meegewogen worden bij het besluit van het fonds over de wijze waarop de medezeggenschapspositie van gepensioneerden wordt verbeterd.
De STAR en het CSO doen voorts aanbevelingen over onder andere de te hanteren verkiezingsprocedures, facilitering van het bestuur bij het oprichten van verenigingen van gepensioneerden, facilitering bij de communicatie met achterbannen, scholing, secretariële ondersteuning, en het introduceren van een beroepsrecht naast een klachtrecht.
Voor de verbetering van de medezeggenschapspositie bij pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij een verzekeraar bevelen partijen aan, mits er een minimum aantal deelnemers is, te komen tot de instelling van een deelnemersvergadering.
Om het convenant daadwerkelijk te kunnen uitvoeren verzoeken de partijen de regering de Pensioen- en spaarfondsenwet op enkele punten te wijzigen. Het gaat onder andere om:
– het mogelijk maken van actief kiesrecht van gepensioneerden voor het verkiezen van een of meer leden van het bestuur van een pensioenfonds die deel uitmaken van de werknemersgeleding;
– het creëren van een volwaardig beroepsrecht van de meerderheid van de deelnemersraad, vergelijkbaar met dat van een ondernemingsraad, waarbij het bestaande klachtrecht, met enige aanpassingen, wordt gehandhaafd voor het geval geen gebruik van het beroepsrecht wordt gemaakt of een minderheid een klacht wil indienen;
– een verbod op leeftijdsdiscriminatie bij bestuursbenoemingen.
Naast deze wijzigingen op verzoek van de convenantspartijen wordt de PSW gewijzigd op het punt van de wijze van benoemen van deelnemersraadsleden bij bedrijfspensioenfondsen. Uit het convenant blijkt dat de partijen ervan uit gaan dat de deelnemersraden door middel van verkiezingen tot stand komen. Voor ondernemingspensioenfondsen is in de PSW niet voorgeschreven op welke wijze de leden van de deelnemersraden moeten worden benoemd. Voor bedrijfspensioenfondsen is dat wel het geval: de verenigingen van in het fonds deelnemende werknemers en van de gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrek-kingen dienen evenredig aan hun ledentallen binnen het fonds te zijn vertegenwoordigd. In de wet moet het mogelijk gemaakt worden dat, conform de voorkeur van de convenantspartijen, benoeming van de zetels plaatsvindt door middel van verkiezingen waarbij de verenigingen kandidaten stellen voor de deelnemersraad.
Met het onderhavige wetsvoorstel wordt invulling gegeven aan het verzoek van de convenantspartijen om de PSW op bovenstaande punten te wijzigen.
2.2. Openen van de mogelijkheid voor bestuursdeelname namens gepensioneerden of andere belanghebbenden (artikel 6 derde lid)
In het wetsvoorstel is gekozen voor een ruime formulering om de mogelijkheid te creëren de bestuurssamenstelling van pensioenfondsen te wijzigen. Voor zowel bedrijfspensioenfondsen als ondernemingspensioenfondsen wordt de mogelijkheid gecreëerd voor stemgerechtigde vertegenwoordiging in het bestuur van andere belanghebbenden dan werkgever(s) of actieve deelnemers. Bij vertegenwoordiging van andere belanghebbenden kan onder meer gedacht worden aan vertegenwoordigers van pensioengerechtigden met een ouderdomspensioen, van pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen of van gewezen deelnemers met een premievrije aanspraak, of van verenigingen van deze groepen belanghebbenden.
Daarbij is bepaald dat de zetel die deze bestuursleden bezetten gelijk wordt gesteld aan een van de werknemerszetels. Door deze bepaling wordt de voorgeschreven pariteit tussen de werkgever(s) en de actieve deelnemers verbreed tot de pariteit tussen werkgever(s) enerzijds en deelnemers (actief, gewezen of gepensioneerd) en eventueel pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen anderzijds. Daarmee wordt voorkomen dat de positie van de werkgever te veel in het geding komt. Overigens was bestuursdeelname van gepensioneerden reeds langer mogelijk, echter alleen als vertegenwoordiger van de werknemers of de werkgever(s). Door de wetswijziging wordt een zelfstandige vertegenwoordiging van deze groep (en andere groepen belanghebbenden) mogelijk gemaakt.
Hiermee is tevens geregeld dat de zetels namens een bepaalde groep belanghebbenden door deze groep belanghebbenden zelf wordt ingevuld, bijvoorbeeld door middel van verkiezingen. Zou dat niet het geval zijn dan zou er geen sprake zijn van vertegenwoordiging.
2.3. Openen van de mogelijkheid voor bedrijfspensioenfondsen om bij deelnemersraden verkiezingen te houden (artikel 6a eerste lid)
In het wetsvoorstel wordt voor de benoeming van leden van deelnemersraden bij bedrijfspensioenfondsen de mogelijkheid geopend verkiezingen te houden. Voor ondernemingspensioenfondsen bestond deze mogelijkheid al, omdat daar geen enkel voorschrift over de wijze van benoemen is opgenomen. Voor bedrijfspensioenfondsen wordt voorts, zoals voor ondernemingspensioenfondsen wel reeds geldt, het voorschrift geïntroduceerd dat de vertegenwoordiging in de deelnemersraad van in het fonds deelnemende werknemers en gepensioneerden evenredig moet zijn aan de verdeling in aantallen van in het fonds deelnemende werknemers en gepensioneerden.
Dit evenredigheidsvereiste is nodig om te voorkomen dat één van de verschillende groepen verzekerden wordt over- of ondervertegenwoordigd in de deelnemersraad. Met name een ondervertegenwoordiging van gepensioneerden zou op gespannen voet staan met het belangrijkste doel van het creëren van deelnemersraden, namelijk het verbeteren van de medezeggenschapspositie van gepensioneerden. Een situatie van ondervertegenwoordiging zou kunnen ontstaan in het geval er verkiezingen worden georganiseerd waar voldoende kandidaten zijn namens werknemers en gepensioneerden, maar meer werknemers dan gepensioneerden gaan stemmen. Omdat een dergelijk effect als onwenselijk dient te worden beschouwd is een evenredigheidsvoorschrift vereist. Door dit evenredigheidsvoorschrift ontstaan er twee geledingen binnen de deelnemersraad. Overigens krijgen de besturen van de bedrijfspensioenfondsen expliciet de mogelijkheid dit evenredigheidsvereiste uit te breiden met gewezen deelnemers met een premievrije aanspraak. Voor ondernemingspensioenfondsen bestond deze mogelijkheid al.
Door het onderhavige wetsvoorstel worden twee mogelijkheden gecreëerd voor de benoeming van de zetels in de twee geledingen in de deelnemersraad. Ten eerste kan, conform de wens van de convenantspartijen, het fonds verkiezingen organiseren. Evenals in de oude situatie blijven verenigingen van belanghebbenden hierbij een rol spelen. Immers bij bedrijfspensioenfondsen is sprake van zeer grote aantallen belanghebbenden die verspreid over het hele land zijn gevestigd. Zonder verenigingen zal bij individuele kandidaatstelling sprake zijn van anonieme kandidaten die per definitie slechts een gering draagvlak hebben. Door het hiervoor omschreven voorschrift van evenredige vertegenwoordiging, waar in het zinsdeel «onverminderd de tweede zin» van de vierde zin van artikel 6a, eerste lid, naar verwezen wordt, zal het uitgangspunt bij verkiezingen zijn dat deze binnen de geledingen plaatsvinden: gepensioneerden (en eventueel gewezen deelnemers met premievrije aanspraken) kiezen vertegenwoordigers van gepensioneerden (respectievelijk gewezen deelnemers met premievrije aanspraken) en actieven kiezen vertegenwoordigers van actieven.
Ten tweede kunnen de twee geledingen van de in het fonds deelnemende werknemers enerzijds en de gepensioneerden en eventueel de gewezen deelnemers met een premievrije aanspraak anderzijds, rechtstreeks bezet worden door vertegenwoordigers van de verschillende verenigingen. De verdeling van de zetels dient in dit geval plaats te vinden binnen de geleding, naar evenredigheid aan de ledentallen van de verenigingen binnen het fonds.
Dat betekent dat de zetels voor in het fonds deelnemende werknemers verdeeld worden over verenigingen met in het fonds deelnemende werknemers als lid evenredig aan hun aantallen werknemersleden in het fonds. De zetels van gepensioneerden worden verdeeld over de verenigingen van gepensioneerden (en eventueel gewezen deelnemers met een premievrije aanspraak) evenredig aan hun aantallen gepensioneerdenleden in de categorie gepensioneerden in het fonds. Deze wetswijziging is een vertaling van het oude voorschrift over de wijze waarop de zetels van de deelnemersraad van bedrijfspensioenfondsen werd bezet naar de situatie waarin vooraf wordt voorgeschreven dat de verdeling van de zetels in de deelnemersraad een afspiegeling moet zijn van de verdeling van in het fonds deelnemende werknemers en gepensioneerden in het fonds.
Overigens zal naar aanleiding van de evaluatie van het convenant worden bezien of de wijze van benoemen van leden van een deelnemersraad bij ondernemingspensioenfondsen wettelijk nader ingevuld moet worden. Als uit de evaluatie blijkt dat er ongewenste situaties kunnen ontstaan kan een wetswijziging op dit punt nodig blijken te zijn.
2.4. Representativiteitscriteria verenigingen van belanghebbenden (artikel 6a eerste en vierde lid)
In het wetsvoorstel wordt geregeld dat aan verenigingen van belanghebbenden die betrokken zijn bij deelnemersraden van bedrijfspensioenfondsen een drietal representativiteitseisen wordt gesteld. Voorkomen moet worden dat willekeurige verenigingen betrokken worden bij het benoemen van leden van de deelnemersraad bij bedrijfspensioenfondsen en dat bepaalde representatieve verenigingen worden uitgesloten.
Ten eerste dienen de verenigingen elk afzonderlijk ten minste 1% van het aantal belanghebbenden bij het fonds, dan wel, indien dat aantal meer is dan 25 000, ten minste 250 belanghebbenden tot lid te hebben. Ten tweede moeten de verenigingen volledige rechtsbevoegdheid hebben. En ten derde moet hun statutair doel mede omvatten het behartigen van de belangen van hun leden als belanghebbenden bij een fonds. Ook hier geldt dat het genoemde voorschrift van evenredige vertegenwoordiging van deelnemende werknemers en gepensioneerden ertoe leidt, dat de in het eerste lid opgenomen representativiteitseisen zullen gelden per geleding. Zou dat niet het geval zijn dan zouden bijvoorbeeld organisaties van gepensioneerden representatief bevonden moeten worden, maar toch kandidaten kunnen stellen voor de werknemersgeleding. Het minimumpercentage en het minimumaantal mogen in statuten en reglementen niet worden verhoogd: daardoor zouden te veel drempels worden opgeworpen. Verenigingen die aan de representativiteitseisen voldoen moeten bij de gehanteerde procedure voor bezetting van de zetels worden betrokken.
2.5. Beroeps- en klachtrecht (artikelen 6c en 6d)
In het wetsvoorstel wordt voor de deelnemersraden de mogelijkheid geopend om tegen een besluit van het bevoegd orgaan ofwel beroep aan te tekenen bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam, ofwel een klacht bij de Verzekeringskamer in te dienen. Beroep kan worden ingesteld als het bevoegd orgaan ten onrechte geen advies heeft gevraagd, als het besluit van het bevoegd orgaan niet in overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad of als het advies wel is gevolgd maar er later zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die, had de deelnemersraad ze gekend, tot een ander advies hadden geleid.
Het gaat hierbij om een marginale toetsing: de Ondernemingskamer dient na te gaan of het fonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen. De Ondernemingskamer krijgt de bevoegdheid de verplichting op te leggen het besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken en handelingen van het fonds te verbieden. Tegen de beschikking van de Ondernemingskamer is uitsluitend beroep in cassatie mogelijk. De kosten van het voeren van een rechtsgeding door de deelnemersraad komen voor rekening van het fonds. Overigens kan geen beroep worden ingesteld tegen een beslissing van het fonds om, na een door de deelnemersraad eigener beweging gegeven advies, geen besluit te nemen. Dat volgt uit de bewoording van artikel 6c tweede lid. Voorkomen moet worden dat het instellen van beroep mogelijk wordt over een onbeperkt aantal onderwerpen.
Het bestaande klachtrecht blijft, op verzoek van de convenantspartijen, naast het nieuwe beroepsrecht gehandhaafd, zij het dat een klacht alleen dan kan worden ingediend als de deelnemersraad niet binnen de maximale termijn van acht weken na inkennisstelling van het besluit van het bevoegd orgaan beroep heeft ingesteld. Om aan de positie van kleinere groepen belanghebbenden binnen de deelnemersraad voldoende recht te doen, wordt het klachtrecht ook opengesteld voor minderheden van tenminste 10% van de deelnemersraad. Als klachtinstantie fungeert op dit moment de Verzekeringskamer. Zowel de Verzekeringskamer als de convenantspartijen hebben aangegeven dit vanuit een oogpunt van functiescheiding tussen de Verzekeringskamer als toezichthouder en de Verzekeringskamer als klachtinstantie, onwenselijk te vinden. Vooralsnog blijft deze situatie gehandhaafd: convenantspartijen hebben in het convenant niet expliciet gevraagd dit te wijzigen. In het kader van de algehele herziening van de PSW zal nader bekeken worden welke andere organisatie eventueel als klachtinstantie zou kunnen fungeren.
Naast deelnemersraden die op grond van artikel 6a van de PSW tot stand komen met behulp van de 5%- drempel, kunnen er ook deelnemersraden tot stand komen op initiatief van de fondsbesturen. Besturen van pensioenfondsen worden in het convenant hiertoe zelfs expliciet opgeroepen. Willen deze deelnemersraden de bevoegdheden krijgen ten aanzien van het klacht- en beroepsrecht dat de reguliere deelnemersraden krijgen, dan dienen de deelnemersraden van bedrijfspensioenfondsen aan een tweetal voorwaarden en de deelnemersraden van ondernemingspensioenfondsen aan één voorwaarde te voldoen (zie artikel 6a derde lid).
Voor beiden geldt dat uit de statuten en reglementen dient te blijken dat de verdeling van de zetels evenredig geschiedt naar het aantal in het fonds deelnemende werknemers enerzijds en gepensioneerden en eventueel gewezen deelnemers met premievrije aanspraken anderzijds.
Aanvullend geldt als voorwaarde voor de deelnemersraden bij bedrijfspensioenfondsen dat uit de statuten en reglementen dient te blijken dat bij de benoeming van zetels alle representatieve verenigingen van belanghebbenden betrokken worden. Of de wijze van benoemen geschiedt op basis van verkiezingen of op basis van verdeling van de zetels evenredig aan de ledentallen binnen het fonds is daarbij niet van belang.
2.6. Advies van de Verzekeringskamer
Het conceptwetsvoorstel is, wat de medezeggenschapsaspecten betreft, voor een uitvoeringstoets ten aanzien van toezichtsaspecten voorgelegd aan de Verzekeringskamer. De Verzekeringskamer heeft bij drie elementen opmerkingen geplaatst.
Ten eerste vraagt de Verzekeringskamer zich af waarom bij een aantal artikelen de term «bevoegd orgaan» in de plaats is gekomen van «bestuur». Naar het oordeel van de Verzekeringskamer is het bestuur steeds het bevoegd orgaan, waarbij delegatie van deze bevoegdheid niet relevant is.
Naar de mening van de regering is het echter wel relevant of een bevoegdheid gedelegeerd is of niet. Vermeden moet worden dat het adviesrecht van de deelnemersraad om die reden in het luchtledige komt te hangen. Daarom heeft de regering aan het verzoek van de convenants-partijen voldaan en de term «bevoegd orgaan» gebruikt waar het gaat om het adviesrecht. Een dergelijk begrip zal het voeren van een goed toezicht van de Verzekeringskamer overigens niet in de weg staan.
Ten tweede vraagt de Verzekeringskamer zich af hoe de huidige en toekomstige bevoegd-heden van de Verzekeringskamer in het kader van het toezicht (voor toekomstige bevoegdheden zie het wetsvoorstel Wijziging van de PSW in verband met toezicht, verbod op uitstel-financiering en waardeoverdracht, Kamerstukken II 1998/99, 26 415), zich verhouden tot de bevoegdheden van de deelnemersraad en de ondernemingskamer. De Verzekeringskamer vraagt zich af of bij een beroepsprocedure de Ondernemingskamer een fondsbestuur kan verplichten tot het intrekken van een reeds genomen besluit waartoe de Verzekeringskamer het fonds middels een aanwijzing toe verplicht heeft te nemen.
De regering wil het toezicht van de Verzekeringskamer voorrang geven boven het beroeps-recht van een deelnemersraad. Het veiligstellen van de pensioentoezegging dient te worden vooropgesteld. Deelnemersraden mogen over een na een aanwijzing van de Verzekeringskamer genomen besluit adviseren, echter over deze besluiten kan geen beroep worden ingesteld bij de Ondernemingskamer (zie artikel 6c derde lid).
Ten derde geeft de Verzekeringskamer er de voorkeur aan het klachtrecht te laten vervallen. Er is al een beroepsrecht. Tevens kan gewezen worden op de volgens de Verzekeringskamer laagdrempelige mogelijkheid naar de administratieve rechter te stappen. Bovendien merkt de Verzekeringskamer op dat zij geen bindende beslissing kan nemen en dat er tegen het oordeel van de Verzekeringskamer geen bezwaar en beroep mogelijk is. Ook vindt de Verzekeringskamer het wenselijk dat er een scheiding komt tussen het houden van toezicht en het fungeren als klachteninstantie. Als de klachtenprocedure in de gekozen vorm blijft gehandhaafd wil de Verzekeringskamer weten aan de hand van welk normenkader getoetst moet worden.
De regering wijst erop dat de wetgeving convenantsondersteunend is. Dat betekent dat de wensen van de convenantspartijen zo nauw mogelijk gevolgd zijn. De convenantspartijen vragen de regering het klachtrecht naast het nieuw in te voeren beroepsrecht als laagdrempelige vorm van klagen, specifiek ook voor minderheden van de deelnemersraad, te handhaven. De regering volgt de convenantspartijen hierin. Voorts wijst de regering erop dat conform het huidige klachtrecht de Verzekeringskamer klachten aan de hand van een zelf te ontwikkelen normen mag behandelen. Bij het onderdeel Beroeps- en klachtrecht is er reeds op gewezen dat in het kader van de algehele herziening van de PSW nader bekeken zal worden welke andere organisatie eventueel als klachtinstantie zou kunnen fungeren.
3. Gelijkstelling positie gehuwden en geregistreerden
3.1. Motie van de leden Dittrich, Van der Burg, Sipkes en Van der Stoel
Op 16 april 1998 heeft de Tweede Kamer een motie van de leden Dittrich, Van der Burg, Sipkes en Van der Stoel aangenomen (Kamerstukken II 1997/98, 22 700, nr. 30) waarin erop wordt gewezen dat sommige pensioenfondsen bij overlijden van een van de geregistreerde partners de hoogte van de pensioenuitkering slechts betrekking laten hebben op de premies betaald na 1 januari 1998, terwijl in geval van een huwelijk de hoogte van de pensioenuitkering wel betrekking heeft op de periode vanaf het begin van deelname aan de pensioenregeling. De Tweede Kamer heeft de regering verzocht met spoed te bevorderen dat dit verschil waar mogelijk ongedaan wordt gemaakt.
De Staatssecretarissen van Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 15 juli 1998 een brief gezonden aan de STAR. Daarin geven zij aan dat zij niet onwelwillend staan tegenover deze motie en dat zij graag nader inzicht zouden willen verkrijgen in de consequenties die aan de uitvoering van de motie zouden zijn verbonden. Het is van belang te weten of en zo ja welke bezwaren er in de praktijk bestaan tegen de mogelijkheid van volledige gelijkstelling en welke kosten daarmee zouden zijn gemoeid.
De STAR heeft op deze brief geantwoord bij brief van 6 oktober 1998. De STAR geeft aan dat er geen unaniem standpunt is bereikt over de wenselijkheid en financiële haalbaarheid van het toekennen van terugwerkende kracht ter zake van aanspraken op nabestaandenpensioen voor geregistreerde partners van deelnemers zoals beoogd met de motie.
Tevens geeft de STAR aan geen inzicht te hebben in de financiële gevolgen die aan een volledige gelijkstelling van geregistreerde partners met betrekking tot de opbouw van aanspraken van nabestaandenpensioen zijn verbonden. De STAR merkt op dat deze gevolgen onder meer afhankelijk zijn van het aantal geregistreerde partners in de toekomst, alsmede van het aantal regelingen waarin op dit moment niet reeds een volledig met het nabestaanden-pensioen voor gehuwden gelijkgestelde toezegging op partnerpensioen is opgenomen. Tot slot voegt de STAR daaraan toe dat de financiële gevolgen per regeling aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.
De reactie van de STAR biedt geen aanknopingspunten met betrekking tot het al dan niet uitvoeren van de motie Dittrich. De regering meent, nu er geen overtuigende bezwaren tegen het uitvoeren van de motie zijn ingebracht, dat de uitvoering van de motie wenselijk is.
Met dit wetsvoorstel worden de aanspraken op nabestaandenpensioen van geregistreerde partners gelijkgesteld aan die van gehuwden met ingang van de inwerkingtreding van de artikelen I, onderdeel A, en II, voor:
– personen die hun partnerrelatie ná de inwerkingtreding van de artikelen laten registreren en
– personen die hun partnerrelatie vóór de inwerkingtreding van deze artikelen hebben laten registreren en die nog deelnemer zijn aan de pensioenregeling op het moment van inwerkingtreding van deze artikelen.
Voor personen, wier deelnemerschap aan de pensioenregeling voor inwerkingtreding van deze artikelen is geëindigd, door ontslag, door pensionering of door overlijden, blijft het oude regiem van artikel 2c PSW van toepassing. De reden hiervoor is dat het verhogen van het verzekerd nabestaandenpensioen alleen mogelijk is voor deelnemers in pensioenregelingen die nog in dienst zijn bij de betrokken werkgever.
Wanneer de deelnemer is overleden, is het niet meer mogelijk de verzekering van het nabestaandenpensioen te verhogen omdat het risico dan al is ingetreden. Ook wanneer iemand inmiddels gepensioneerd is of met ontslag is gegaan en het deelnemerschap in de pensioenregeling is geëindigd, is verhoging van het verzekerde nabestaandenpensioen niet meer te realiseren.
Dit betekent dat een snelle aanpassing van de wet op dit punt gewenst is, omdat dan de groep geregistreerde partners, die geen baat heeft bij deze wijziging zo klein mogelijk blijft.
De regering is van oordeel dat met de onderhavige wetswijziging, waardoor de per 1 januari 1998 in de Pensioen- en spaarfondsenwet in artikel 2c opgenomen bepaling komt te vervallen en waardoor de gelijkstelling van gehuwden en geregistreerden alsnog wordt gerealiseerd zowel recht wordt gedaan aan de motie Dittrich en aan de belangen van de deelnemers in pensioenregelingen enerzijds als aan de belangen van werkgevers en pensioenuitvoerders anderzijds.
De STAR heeft in haar brief van 6 oktober 1998 aangegeven geen inzicht te hebben in de financiële consequenties van de uitvoering van de motie.
Inmiddels is echter meer informatie beschikbaar gekomen over onder meer de aantallen geregistreerde partners. In 1998 hebben in totaal 4551 paren hun relatie laten registreren. (Ter vergelijking, in dezelfde periode zijn ruim 84 600 huwelijken gesloten).
Het invoeren van de mogelijkheid van geregistreerd partnerschap met ingang van 1 januari 1998 heeft niet geleid tot extra financiële lasten in die pensioenregelingen waarin al vóór 1 januari 1998 was voorzien was in een partnerpensioen voor ongehuwde partners, dat qua hoogte en wijze van financiering gelijk was aan dat voor gehuwden.
Uit de Pensioenmonitor stand van zaken 1 januari 1998 kan worden afgeleid dat voor 98,5% van alle actieve deelnemers in de door pensioenfondsen uitgevoerde regelingen een partner-pensioenregeling bestaat. Ter vergelijking: een weduwen/weduwnaarspensioen bestaat voor 99,8% van alle actieve deelnemers. Uit deze gegevens kan niet worden afgeleid of het nabestaandenpensioen voor ongehuwde partners qua hoogte en financiering gelijk is aan dat voor gehuwden.
De pensioenfondsen voeren de pensioenregelingen uit voor zo'n 4,7 miljoen werknemers.
Ten aanzien van door verzekeraars uitgevoerde regelingen zijn geen recente gegevens beschikbaar. In 1995 was er voor 53,5% van de actieve deelnemers een partnerpensioenregeling. De door verzekeraars uitgevoerde regelingen hebben betrekking op zo'n 550 000 werknemers.
Tevens is relevant hoe het nabestaandenpensioen is opgezet, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen een nabestaandenpensioen op basis van het bepaalde partnersysteem en een nabestaandenpensioen op basis van het onbepaalde partnersysteem. Bij het bepaalde partner-systeem wordt een nabestaandenpensioen verzekerd zodra een deelnemer een partner heeft. Daarom is melding van het sluiten van de relatie aan de werkgever en de pensioenuitvoerder noodzakelijk. Bij het onbepaalde partnersysteem wordt voor iedere deelnemer (dus gehuwd, geregistreerd, samenwonend of alleenstaand) een nabestaandenpensioen verzekerd en is de zogenaamde partnerfrequentie relevant. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met de kans dat de deelnemer bij overlijden een partner achterlaat die aanspraak heeft op nabestaandenpensioen.
Het is de regering niet bekend hoe thans de verhouding ligt tussen het aantal deelnemers in een pensioenregeling met een nabestaandenpensioen op basis van het onbepaalde partnersysteem en het aantal in een regeling op basis van het bepaalde partnersysteem. Wel is in verband met het recht op invoering van het recht op waardeoverdracht in 1994 door de STAR de aanbeveling gedaan een toezegging op nabestaandenpensioen te baseren op het systeem van onbepaalde partner (zie Advies inzake rekenregels bij waardeoverdrachten van pensioen-aanspraken, 24 juni 1993; publikatienr. 4/93). Ook in het kader van de invoering van het keuzerecht op grond van artikel 2b PSW is een nabestaandenpensioen op basis van het onbepaalde partnersysteem noodzakelijk. De inschatting lijkt dan ook gerechtvaardigd dat voor de meerderheid van de deelnemers in een pensioenregeling, die voorziet in nabestaandenpensioen, het daarbij gaat om een regeling op basis van het onbepaalde partnersysteem. Het is de regering bekend dat de invoering van de mogelijkheid tot geregistreerd partnerschap niet geleid heeft tot een aanpassing van de partnerfrequentie die wordt gehanteerd door het zg. 4%-circuit en de stichting SDS. Bij het 4%-circuit zijn werkgevers en pensioenfondsen (vrijwel alle bedrijfspensioenfondsen, het ABP en een aantal ondernemingspensioenfondsen) aangesloten met zo'n 3 miljoen werknemers. Binnen het 4%-circuit wordt voor ongehuwde deelnemers die vertrekken uit een regeling waar alleen voor gehuwde deelnemers een nabestaandenpensioen wordt verzekerd, toch een nabestaandenpensioen meegegeven.
De financiële consequenties zullen beperkter zijn naarmate er al meer partnerpensioenregelingen bestaan waarin gehuwden en ongehuwd samenwonenden gelijk werden behandeld én naarmate er meer regelingen zijn op onbepaalde partnerbasis wanneer het partnerpensioen voor geregistreerden daarin zonder extra premie/voorziening is gedekt.
Op basis van het voorgaande lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de totale extra kosten, die voortvloeien uit het onderhavige wetsvoorstel, op macroniveau beperkt zijn. Er kan worden opgemerkt dat de naar verhouding grootste kostenstijging op microniveau zich zal voordoen bij een individuele werkgever met alleen een nabestaandenpensioen voor gehuwden op basis van een bepaalde partnersysteem en waar zich naar verhouding veel werknemers laten registreren (hetgeen aantrekkelijk is omdat daardoor aanspraak op nabestaandenpensioen ontstaat). Indien die betrokken werknemers zouden huwen in plaats van registreren, zouden de daaruit voortvloeiende kosten overigens gelijk zijn.
3.3. Reikwijdte van de wijziging
Zoals hiervoor is aangegeven kan de onderhavige wetswijziging alleen gevolg hebben voor degenen die nog deelnemer zijn in de pensioenregeling op het moment van inwerkingtreding.
Wanneer de deelnemer is overleden (het nabestaandenpensioen gaat dan in), is het niet meer mogelijk de verzekering van het nabestaandenpensioen te verhogen omdat het risico al is ingetreden. Ook wanneer iemand inmiddels is gepensioneerd of met ontslag is gegaan en het deelnemerschap in de pensioenregeling is geëindigd, is de verhoging van het verzekerd nabestaandenpensioen niet meer aan de orde.
Getracht is een inschatting te maken van het aantal personen dat daardoor niet meer gebaat kan worden door de onderhavige wetswijziging.
Uit navraag is gebleken dat bij de vijf grootste pensioenfondsen (hierbij zijn 51% van alle pensioendeelnemers aangesloten) voor 72% van de personen met een nabestaandenpensioen geen onderscheid wordt gemaakt. Omdat de situatie bij de kleinere pensioenfondsen onduidelijk is, moet een breder interval gehanteerd worden. Afgeleid kan worden dat voor minimaal 37% en maximaal 86% van de pensioendeelnemers geen onderscheid wordt gemaakt.
Het aantal geregistreerde partners dat overleden, respectievelijk gepensioneerd is respectievelijk met ontslag is gegaan in het jaar 1998 en 1999 bedraagt naar schatting in totaal ongeveer 100.
3.4. Verhouding wetswijziging en huwelijk voor personen van gelijk geslacht
Ten aanzien van de relatie tussen de hier voorgestelde wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en het wetsvoorstel inzake openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht dat naar verwachting op korte termijn zal worden ingediend bij de Tweede Kamer, kan het volgende worden opgemerkt. Uit de cijfers van de aantallen geregistreerden blijkt dat ongeveer een derde daarvan man/vrouw relaties betreft. Dat betekent dat ook bij personen die wél de mogelijkheid hebben om te huwen behoefte bestaat aan de mogelijkheid voor een geregistreerd partnerschap. Daarbij komt dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel inzake het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht mogelijk niet op zeer korte termijn te realiseren zal zijn terwijl een spoedige inwerkingtreding van de hier opgenomen wijzigingsbepaling zoals hiervoor is aangegeven naar het oordeel van de regering wel wenselijk is.
Met het vervallen van artikel 2c van de PSW wordt bewerkstelligd dat vanaf de inwerkingtreding van dit artikel, geregistreerde partners in pensioenregelingen gelijk worden behandeld met gehuwden. Op het moment dat een deelnemer aan een pensioenregeling komt te overlijden, ontvangt zijn nabestaande, met wie de deelnemer een geregistreerde partnerrelatie had een nabestaandenpensioen gelijk aan dat van de nabestaande die met de deelnemer was gehuwd.
Door de formulering van het nieuwe lid wordt, mede in het licht van artikel 7, vierde lid, duidelijk dat de PSW actief kiesrecht toestaat voor de betrokken groepen belanghebbenden bij verkiezing van bestuursleden. Omdat het in het derde lid om stemgerechtigde vertegenwoordiging in het bestuur gaat, blijft de mogelijkheid van een onafhankelijk voorzitter zonder stemrecht conform huidige praktijk overigens tot de mogelijkheden behoren.
Onder gepensioneerden in de tweede zin van artikel 6a moet worden verstaan: iedere rechthebbende met ouderdoms-, invaliditeits-, weduwen-, weduwnaars-, partner- of wezenpensioen.
Door het zinsdeel «een en ander onverminderd de tweede zin» in de vierde zin van artikel 6a lid 1, wordt bewerkstelligd dat bij de wijze van benoemen van leden van de deelnemersraad bij een bedrijfspensioenfonds, zowel bij verkiezingen als bij benoeming door de verenigingen rechtstreeks, binnen de geledingen plaatsvinden.
Bij verkiezingen kiezen gepensioneerden (en eventueel gewezen deelnemers met premievrije aanspraken) vertegenwoordigers van gepensioneerden (respectievelijk gewezen deelnemers met premievrije aanspraken) en actieven kiezen vertegenwoordigers van actieven. Bij rechtstreekse benoeming door verenigingen worden de zetels van in het fonds namens de werknemers, verdeeld over de verenigingen met in het fonds deelnemende werknemers als lid, evenredig aan hun aantallen werknemersleden in het fonds; de zetels van gepensioneerden worden verdeeld over de verenigingen van gepensioneerden (en eventueel gewezen deelnemers met een premievrije aanspraak) evenredig aan hun aantallen gepensioneerdenleden in de categorie gepensioneerden van het fonds.
Overigens dient de eis in het vierde lid van artikel 6a, dat het statutair doel van de vereniging mede moet omvatten het behartigen van de belangen van hun leden als belanghebbenden bij een fonds, zo gelezen te worden dat vakverenigingen zowel kandidaten kunnen stellen voor de geleding van de gepensioneerden als voor de geleding van in het fonds deelnemende werknemers.
De wijziging van de aanhef van het eerste lid van artikel 6b, is op verzoek van de convenantspartijen opgenomen, om rekening te houden met fondsen, waar een ander orgaan dan het bestuur besluiten kan nemen. De toevoeging aan het tweede lid van artikel 6b is ontleend aan artikel 25, derde lid, van de Wet op de Ondernemingsraden bij welke wet bij de vormgeving van het adviesrecht zoveel mogelijk is aangesloten.
Bij de vormgeving van het beroepsrecht in artikel 6c zijn de in het convenant voorgestelde bepalingen gevolgd, waarbij nauw is aangesloten bij het beroepsrecht zoals ondernemingsraden dat kennen (zie de artikelen 22, 22a en 26 van de Wet op de Ondernemingsraden). Overigens is het beroepsrecht van de ondernemingsraden niet op alle punten overgenomen. Zo is er geen opschortende werking ingevoerd van besluiten van het pensioenfondsbestuur voor de duur van de termijn waarbinnen het instellen van beroep mogelijk is. Opschortende werking is volgens de regering niet noodzakelijk omdat het bij besluiten van pensioenfondsen om minder verstrekkende gevolgen gaat dan mogelijk bij ondernemingen en omdat het de uitvoering van besluiten te lang, namelijk acht weken, zou ophouden.
De wijziging in artikel 7, eerste lid, onderdeel g betreft een technische wijziging. De wijziging in lid 4 van artikel 7 verbiedt het hanteren van een leeftijd in de statuten of reglementen als bovengrens voor het bestuurslidmaatschap.
Voor personen, wier deelnemerschap aan de pensioenregeling voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, is geëindigd, door ontslag, door pensionering of door overlijden, blijft het oude regiem van artikel 2c PSW van toepassing.
Dat betekent voor hen dat de wijzigingen die hebben plaatsgevonden in die regeling als gevolg van de gelijkstelling van geregistreerde partners met gehuwden uitsluitend betrekking blijven houden op perioden vanaf 1 januari 1998, de datum waarop de Wet geregistreerd partnerschap in werking trad, uiteraard onverminderd de mogelijkheid dat de pensioenregeling deze wijzigingen op eerdere perioden betrekking liet hebben (artikel 2c, tweede lid, PSW). Met andere woorden, wanneer het deelnemerschap van een deelnemer met een geregistreerde partnerrelatie is geëindigd vóór de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel, terwijl de hoogte van zijn aanspraak op nabestaandenpensioen lager was dan die van een in alle opzichten vergelijkbare gehuwde deelnemer, dan mag dit verschil op grond van het onderhavige wetsvoorstel in stand blijven.
Deze situatie kan aan de hand van het volgende voorbeelden worden geïllustreerd. Hierbij zij overigens opgemerkt dat de kans dat deze situaties zich voordoen uiterst gering is.
Mevrouw A is sedert 1965 deelnemer aan de pensioenregeling. In 1998 gaat zij een geregistreerd partnerschap aan. De werkgever heeft besloten geen gebruik te maken van de mogelijkheid op basis van artikel 2c PSW om de deelnemers in de pensioenregeling wat betreft het nabestaandenpensioen rechten over het verleden te geven. Zij overlijdt voor de inwerkingtreding van de artikelen I, onderdeel A en II. Haar nabestaande ontvangt nabestaandenpensioen op basis van de rechten, door mevrouw A opgebouwd vanaf 1 januari 1998, de datum waarop de Wet geregistreerd partnerschap in werking trad tot de pensioendatum van mevrouw A. De hoogte van het nabestaandenpensioen kan niet meer worden aangepast omdat het verzekerde risico is ingegaan voor de wetswijziging.
De heer B is van 1975 tot medio 1998 deelnemer aan pensioenregeling X. Hij verandert van baan en komt onder een andere pensioenregeling Y te vallen. Hij maakt geen gebruik van zijn recht op waardeoverdracht. In februari 1998 is hij een geregistreerd partnerschap aangegaan. In 2005 overlijdt hij (artikelen I, onderdeel A, en II zijn inmiddels al enige jaren van kracht). Zijn nabestaande ontvangt nabestaandenpensioen uit hoofde van pensioenregeling X op basis van de rechten vanaf 1 januari 1998 tot medio 1998 en uit hoofde van pensioenregeling Y op basis van de opgebouwde rechten vanaf de start van de deelname aan die regeling tot diens pensioendatum.
In dit artikel is geregeld dat de minister verenigingen kan aanwijzen die voor de verkiezing van deelnemersraden bij bedrijfspensioenfondsen kandidaten mogen stellen, niet aan de gestelde representativiteitsvereisten behoeven te voldoen. De bedoeling is dat de minister bij het CSO aangesloten verenigingen zal aanwijzen. Na 1 januari 2001 vervalt deze bijzondere positie van de aangewezen verenigingen.
In het tweede lid is geregeld dat deelnemersraden die reeds bestaan op het moment dat de wet in werking treedt nog vijf jaar kunnen functioneren alvorens ze aan de nieuwe in deze wet gestelde eisen moeten voldoen.
Aangezien niet op voorhand kan worden vastgesteld of alle elementen uit dit wetsvoorstel op hetzelfde tijdstip in werking dienen te treden, is ervoor gekozen de inwerkingtredingsbepaling op deze wijze te formuleren.
Bijlage 2 bij het wetsvoorstel Wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet met betrekking tot de medezeggenschap van gepensioneerden en de gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden.
Artikelen 6 t/m 7 van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals die luiden na aanvaarding van het wetsvoorstel
1. In het bestuur van een bedrijfspensioenfonds moeten de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersvakverenigingen in de betrokken bedrijfstak in gelijken getale zitting hebben.
2. In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds of van een spaarfonds moeten de vertegenwoordigers van de in het fonds deelnemende werknemers ten minste evenveel zetels bezetten als de vertegenwoordigers van de werkgever.
3. Indien de statuten of reglementen van een fonds voorzien in stemgerechtigde vertegenwoordigers in het bestuur van anderen dan werknemers- of werkgeversvakverenigingen binnen de betrokken bedrijfstak onderscheidenlijk in het fonds deelnemende werknemers of de werkgever, worden die vertegenwoordigers voor de toepassing van het eerste onderscheidenlijk tweede lid gelijkgesteld met vertegenwoordigers van werknemersvakverenigingen onderscheidenlijk vertegenwoordigers van de in het fonds deelnemende werknemers.
4. Ieder der bestuurders van een pensioenfonds of van een spaarfonds is bevoegd een deskundige te raadplegen, alsmede zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste één vierde der bestuurders zich daarvoor heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
5. Bij het vervullen van zijn taak zorgt het bestuur van een pensioenfonds er voor dat alle belanghebbenden zich door het bestuur op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
1. Het bestuur van een bedrijfspensioenfonds is verplicht over te gaan tot het instellen van een deelnemersraad indien dit wordt verzocht door één of meer verenigingen die samen binnen het fonds tenminste een ledental hebben van 5% van het totale aantal van de in het fonds deelnemende werknemers en de gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. In de deelnemersraad zijn de in het fonds deelnemende werknemers en de gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getals-verhoudingen vertegenwoordigd. Op grond van door het bestuur van het fonds vast te stellen criteria kunnen daarnaast ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers met premievrije aanspraken op ouderdomspensioen in de deelnemersraad zitting hebben. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door de belanghebbenden bij een fonds, kunnen slechts kandidaten worden voorgedragen door verenigingen, die elk afzonderlijk ten minste 1% van het aantal belanghebbenden, dan wel, indien dat aantal meer is dan 25 000, ten minste 250 belanghebbenden tot lid hebben; voor zover geen verkiezing door de belanghebbenden plaatsvindt, moeten verenigingen, die voldoen aan deze criteria, evenredig aan hun ledentallen binnen het fonds zijn vertegenwoordigd in de deelnemersraad; een en ander onverminderd de tweede zin. Het in de vierde zin bedoelde percentage en minimumaantal worden in de statuten en reglementen van een fonds niet hoger vastgesteld.
2. Het bestuur van een ondernemingspensioenfonds is verplicht over te gaan tot het instellen van een deelnemersraad indien dit wordt verzocht door tenminste 5% van de personen die behoren tot de in het fonds deelnemende werknemers en de gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. In de deelnemersraad moeten de in het fonds deelnemende werknemers en de gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen zijn vertegenwoordigd. Op grond van door het bestuur van het fonds vast te stellen criteria kunnen daarnaast ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers met premievrije aanspraken op ouderdomspensioen in de deelnemersraad zitting hebben.
3. De artikelen 6b, 6c en 6d zijn van overeenkomstige toepassing op een deelnemersraad, die krachtens de statuten en reglementen van een fonds is ingesteld anders dan met toepassing van het eerste en tweede lid, mits:
a. is voldaan aan de tweede zin van het eerste onderscheidenlijk tweede lid; en
b. in geval van een bedrijfspensioenfonds tevens is voldaan aan de vierde en vijfde zin van het eerste lid en aan het vierde lid.
4. Een vereniging als bedoeld in het eerste lid moet volledige rechtsbevoegdheid bezitten; haar statutair doel moet mede omvatten het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een fonds.
1. De deelnemersraad adviseert het fonds desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden die het fonds betreffen. De deelnemersraad wordt in ieder geval in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door een daartoe bevoegd orgaan van het fonds voorgenomen besluit tot:
a. het nemen van maatregelen van algemene strekking;
b. wijziging van de statuten en reglementen van het fonds;
c. vaststelling van het jaarverslag, de begroting en de bescheiden, bedoeld in de artikelen 10 en 11 voorzover voor het fonds van toepassing;
d. wijziging van de hoogte van ingegane pensioenen indien toepassing wordt gegeven aan het gestelde in artikel 7, eerste lid, onderdeel i;
e. het verlenen van toeslagen hoe ook genaamd of het aanbrengen van wijziging daarin voorzover die besluiten niet reeds onder onderdeel b vallen of verband houden met een toezegging neergelegd in een statutaire of reglementaire bepaling van het fonds;
f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het fonds;
g. liquidatie van het fonds.
2. Het advies van de deelnemersraad moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de in het eerste lid bedoelde besluiten. Bij het vragen van advies wordt aan de deelnemersraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de belanghebbenden bij het fonds zal hebben.
3. Het bestuur van het fonds en de deelnemersraad komen tenminste tweemaal per kalenderjaar in vergadering bijeen. Tijdens deze vergaderingen worden de aangelegenheden aan de orde gesteld waarover het bestuur of de deelnemersraad overleg wenselijk acht.
4. Het bestuur van het fonds is verplicht desgevraagd aan de deelnemersraad tijdig alle inlichtingen en gegevens te verstrekken, die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
1. Het bevoegde orgaan van het fonds deelt de deelnemersraad zo spoedig mogelijk schriftelijk mee, of het een advies inzake de in artikel 6b, eerste lid, bedoelde aangelegenheden niet of niet geheel volgt, waarbij tevens wordt meegedeeld waarom van het advies of van een daarin vervat minderheidsadvies wordt afgeweken.
2. De deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit als bedoeld in de tweede zin van artikel 6b, eerste lid, hetzij wanneer de deelnemersraad met betrekking tot het besluit niet voorafgaand in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad, hetzij wanneer feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij aan de deelnemersraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.
3. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen acht weken nadat de deelnemersraad van het besluit in kennis is gesteld. Het bevoegde orgaan van het fonds wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld. Het verzoek is niet-ontvankelijk, indien met betrekking tot dezelfde aangelegenheid een aanwijzing is gegeven door de Verzekeringskamer.
4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld terzake dat het bevoegde orgaan van het fonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
5. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede bij het fonds werkzame personen horen. Indien de ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, kan zij, indien de deelnemersraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen treffen:
a. het opleggen van de verplichting aan het bevoegde orgaan van het fonds om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;
b. het opleggen van een verbod aan het bevoegde orgaan van het fonds om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan.
6. Het bevoegde orgaan moet aan de getroffen voorziening voldoen; een voorziening kan door derden verworven rechten echter niet aantasten.
7. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien beide partijen daarom verzoeken, dan wel indien het bevoegde orgaan van het fonds op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld, in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit ongedaan te maken.
8. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer, zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. De derde zin van het vijfde lid en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend beroep in cassatie open.
10. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de deelnemersraad komen ten laste van het fonds, indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de deelnemersraad en het fonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. In rechtsgedingen tussen het fonds en de deelnemersraad kan de deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
1. Indien binnen de in artikel 6c, derde lid, bedoelde termijn geen beroep bij de ondernemingskamer is ingesteld, kan de deelnemersraad of een gedeelte van ten minste 10% van de leden van de deelnemersraad een klacht indienen bij de Verzekeringskamer op grond van het oordeel dat het bevoegde orgaan van het fonds bij een aangelegenheid als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, de belangen van belanghebbenden niet op evenwichtige wijze behartigt. De klacht wordt binnen acht weken na afloop van die termijn ingediend volgens door de Verzekeringskamer te stellen regels. Die regels, welke de goedkeuring behoeven van Onze Minister, worden in de Staatscourant bekend gemaakt. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
2. De Verzekeringskamer geeft zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen twaalf weken na dagtekening van de klacht, een oordeel. Zij stelt het bevoegde orgaan van het fonds en de deelnemersraad hiervan onverwijld in kennis.
3. Indien de Verzekeringskamer de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, is het bevoegde orgaan van het fonds verplicht om binnen twaalf weken na dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, zijn zienswijze terzake aan de Verzekeringskamer te berichten.
Door middel van een besluit van het bestuur van het fonds kunnen aan de deelnemersraad verdere bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend. Een zodanig besluit wordt schriftelijk vastgelegd en behoeft de instemming van de deelnemersraad.
1. In de statuten en reglementen van een pensioenfonds en van een spaarfonds worden bepalingen opgenomen betreffende:
a. de bestemming van het fonds;
b. het beheer van het fonds;
c. de soorten van deelnemers;
d. de inkomsten van het fonds;
e. de belegging van de gelden;
f. de aanspraken, welke de deelneming geeft, en het systeem van financiering van deze aanspraken;
g. de wijze, waarop de bestuursleden en – indien krachtens het eerste of tweede lid van artikel 6a de verplichting tot instelling van een deelnemersraad bestaat – de leden van de deelnemersraad worden aangewezen onderscheidenlijk gekozen;
h. de gevallen, waarvoor de werkgever zich de bevoegdheid tot vermindering of beëindiging van zijn bijdrage heeft voorbehouden;
i. de wijziging van de statuten en reglementen, met name ook wat betreft wijziging van de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers en overige belanghebbenden in gevallen, waarin de financiële toestand van het fonds daartoe aanleiding geeft;
j. de liquidatie van het fonds, met name ook wat betreft de verplichtingen van de liquidateuren en de bestemming van de bezittingen van het fonds.
2. In de reglementen van een pensioenfonds en van een spaarfonds wordt tevens de datum van hun inwerkingtreding vermeld en, in geval van wijziging van die reglementen, de datum van inwerkingtreding van de wijziging.
3. De statuten en reglementen van een bedrijfspensioenfonds moeten bovendien een omschrijving bevatten van de bedrijfstak of de bedrijfstakken, of het deel van de bedrijfstak en eventueel het deel van het land, waarvoor het fonds geldt.
4. Het is niet toegestaan in de statuten en reglementen van een pensioenfonds bepalingen op te nemen die het bestuurslidmaatschap onmogelijk maken op grond van de hoedanigheid van gewezen deelnemer of op grond van het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26674-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.