nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 november 2000
Tijdens de plenaire behandeling van de wetsvoorstellen openstelling huwelijk
(26 672) en adoptie door personen van hetzelfde geslacht (26 673)
stelde het lid Van der Staaij van uw Kamer een vraag over de adoptie door
één persoon van een kind vanuit het buitenland. Ik heb toegezegd
daarop schriftelijk nader te zullen in te gaan. Bij deze geef ik gevolg aan
die toezegging.
De heer Van der Staaij vroeg zich in de eerste plaats af of ermee kan
worden volstaan in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie te preciseren
dat onder echtgenoten alleen echtgenoten van verschillend geslacht wordt verstaan.
In hoeverre kan langs een omweg worden bereikt dat feitelijk een kind wordt
geadopteerd door een paar van gelijk geslacht?
Op die vraag heb ik geantwoord dat het Haags Adoptieverdrag van 1993 (Trb.
1993, 197) mede betrekking heeft op eenouderadoptie. Het verdrag sluit niet
uit, en kan ook niet uitsluiten, dat een eenouderadoptie wordt gevolgd door
een tweede eenouderadoptie van hetzelfde kind, welke tweede adoptie dan geen
interlandelijke adoptie, maar een interne adoptie is. Dat deze mogelijkheid
bestaat, is bij de voorbereiding van het verdrag onder ogen gezien. Verwezen
zij naar het Toelichtende Rapport van prof. Parra Aranguren, Actes et Documents
de la 17e Session de la Conférence de La Haye de droit international
privé, par. 79–85, blz. 559 en 560. Het verdrag sluit trouwens
evenmin uit dat echtgenoten die een kind hebben geadopteerd, uit elkaar gaan
en dat een van hen vervolgens met een partner van hetzelfde geslacht gaat
samenleven, waarna het kind door die partner wordt geadopteerd.
Het overleg met uw Kamer over de wetsvoorstellen ter uitvoering van het
verdrag heeft ertoe geleid dat de Nederlandse wet bij het verdrag aansluit.
Ik verwijs in dit verband naar kamerstukken II 1996–97, 24 811,
nr. 6, blz. 7 en 8.
De heer Van der Staaij vroeg vervolgens waarom op grond van artikel 4
van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, gehuwden samen een
adoptieverzoek moeten indienen, terwijl deze eis voor andere relatievormen
niet geldt. In dit verband verwees hij naar een publicatie in het tijdschrift
Adoptie van december 1999.
De heer Van der Staaij doelt hier op het verzoek om een beginseltoestemming
dat bij de minister van Justitie wordt ingediend. Indien adoptie door één
persoon wordt beoogd, dient de beginseltoestemming door de aspirant-adoptiefouder
te worden aangevraagd en niet ook door diens eventuele partner. De reden voor
dit verschil in behandeling met het geval van adoptie door twee echtgenoten
is gelegen in het feit dat beoogd wordt een juridische band te vestigen tussen
een buitenlands kind en die ene persoon. Niet wordt beoogd een zodanige band
te vestigen met de partner van de aspirant-adoptiefouder.
Om dezelfde reden zijn de in de wet opgenomen vereisten – waaronder
leeftijdsvereisten – die gelden ten aanzien van de persoon of de (gehuwde)
personen die wensen te adopteren, niet mede van toepassing verklaard op de
eventuele partner die niet mee-adopteert. Bij eenouderadoptie is het dus mogelijk
dat een verzoek wordt ingediend door een persoon die voldoet aan de in de
wet opgenomen vereisten, terwijl diens partner niet daaraan voldoet. Dat de
beginseltoestemming door slechts één persoon wordt aangevraagd,
betekent echter geenszins dat diens partner niet wordt betrokken bij het gezinsonderzoek
dat vooraf gaat aan de verlening van een beginseltoestemming. Niet voor niets
spreekt de wet in dit verband van gezinsonderzoek. In het gezinsonderzoek
wordt nagegaan in hoeverre omstandigheden in het gezin als een risicofactor
kunnen worden beschouwd. Wat de partner betreft, zijn voorbeelden van dergelijke
omstandigheden diens zwakke gezondheid of diens gevorderde leeftijd. Aan dergelijke
omstandigheden wordt meer gewicht toegekend naarmate te verwachten is dat
de partner nauwer feitelijk bij de opvoeding van het kind betrokken zal zijn.
Indien de partner daarbij even nauw als een ouder betrokken zal zijn, zullen
genoemde omstandigheden even zwaar meewegen als bij een partner die wel adopteert.
De wet houdt er echter rekening mee – en mag er mijns inziens rekening
mee houden – dat die betrokkenheid niet in alle gevallen dezelfde zal
zijn als die van een partner die wel mee-adopteert. Risicofactoren kunnen
in deze gevallen het beste door de raad worden beoordeeld.
De bevindingen van de raad voor de kinderbescherming, zoals neergelegd
in het gezinsrapport, zijn van zeer groot belang voor de beslissing van de
Minister van Justitie inzake verlening van de beginseltoestemming. Indien
een beginseltoestemming wordt verleend, volgt de fase van bemiddeling. In
die fase wordt het rapport van de raad door de centrale autoriteit en/of andere
instanties in het buitenland gebruikt in verband met de beslissing of een
kind voor plaatsing bij de aspirant-adoptiefouder in aanmerking wordt gebracht.
Anders dan in het tijdschriftartikel wordt gesuggereerd, zullen die instanties
kennisnemen van alle gezinsomstandigheden zoals deze door de raad voor de
kinderbescherming zijn vastgesteld en beoordeeld, met inbegrip van de omstandigheid
dat de adoptant een partner heeft die het kind niet mee-adopteert, maar die
het wellicht in de toekomst wel zou willen adopteren. Ik meen dat het land
van herkomst aldus voldoende informatie wordt verstrekt om tot een weloverwogen
beoordeling van de wenselijkheid van plaatsing te komen.
De ervaring tot dusver heeft geleerd dat landen van herkomst een sterke
voorkeur hebben voor plaatsing van kinderen bij echtgenoten. De kans dat een
verzoek om eenouderadoptie wordt gehonoreerd, moet dus gering worden geacht.
Die kans is echter niet uitgesloten. Verder meen ik dat er een voldoende rechtvaardiging
is voor het verschil in behandeling van verzoeken om een beginseltoestemming
van echtgenoten, onderscheidenlijk van een persoon met een partner die niet
adopteert. Die partner kan niet per definitie op één
lijn worden gesteld met een partner die adopteert.
Ik vertrouw erop de gestelde vragen naar genoegen te hebben beantwoord.
De Staatssecretaris van Justitie,
M. J. Cohen