26 670
Grensoverschrijdende projecten

nr. 5
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 januari 2001

Op 2 juli 1999 heeft het kabinet de aanbevelingen uit de rapporten «De grens nader verkend» (1999) en «Ondernemen in de grensstreek» (1998) overgenomen (vgl. Kamerstukken II 1998/1999, 26 670, nr. 1). Toen is toegezegd dat het kabinet voornemens is halfjaarlijks te rapporteren over de voortgang betreffende de uitvoering van de aanbevelingen.

Bij brief van 30 juni 2000 is de eerste periodieke rapportage aan u aangeboden. Naar aanleiding van deze voortgangsrapportage en het kabinetsstandpunt Grensoverschrijdende Bestuurlijke Samenwerking (Kamerstukken II 1999/2000, 27 242, nr. 1) heeft de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 november 2000 overleg gevoerd met de staatssecretarissen De Vries (BZK) en Bos (Financiën). Van dat overleg heeft de commissie een beknopt verslag uitgebracht (Kamerstukken II 2000/2001, 26 670, nr. 4).

Tijdens het algemeen overleg is afgesproken dat de eerstvolgende halfjaarlijkse rapportage over de uitvoering van de aanbevelingen in beide rapporten de Kamer in januari 2001 zal worden aangeboden. Per door het kabinet overgenomen aanbeveling treft u hierbij de voortgang en stand van zaken aan.

Tijdens het algemeen overleg werden vanuit de Kamer enkele vragen gesteld die wel een grensoverschrijdend karakter hebben, maar die als zodanig geen betrekking hebben op de aanbevelingen uit de rapporten «De grens nader verkend» en «Ondernemen in de grensstreek».

Waar het vragen betreft over de grensoverschrijdende samenwerking op de terreinen gezondheidszorg en onderwijs zij opgemerkt dat de vakdepartementen de Kamer hierover separaat zullen berichten.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. M. de Vries

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos

Voortgangsrapportage van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake aanbevelingen rapport «De grens nader verkend»

Aanbeveling 1: Gestreefd moet worden naar een beperkt, op praktische punten toegesneden verdrag inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen tussen Nederland, de Bondsrepubliek Duitsland en de Länder Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. De inhoud van een dergelijk verdrag wordt geschetst in de par. 3.2 en 3.3 [van het rapport«De grens nader verkend»].

Aandacht op hoog politiek niveau voor het wegnemen van knelpunten die men bij de ontwikkeling van grensoverschrijdende bedrijventerreinen (voortaan: GOB's) tegenkomt ten gevolge van verschillen in nationale wet- en regelgeving heeft in de afgelopen zes maanden sterk bijgedragen tot het versnellen van de onderhandelingen m.b.t. de voorbereiding van het verdrag inzake de ontwikkeling van grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Door verschillende Nederlandse en Duitse bewindspersonen verantwoordelijk op dit terrein is erop aangedrongen dat wordt gezocht naar praktische oplossingen. Mede hierdoor kon een flinke impuls worden gegeven aan de voortgang van dit dossier. Dit blijkt uit het feit dat het afgelopen half jaar twee Nederlands-Duitse verklaringen op dit terrein werden ondertekend.

De eerste, de gemeenschappelijke verklaring van Nederland en Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende samenwerking1 werd op 16 november 2000 ondertekend door de minister van Binnenlandse Zaken van het Land Noordrijn-Westfalen en de minister en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland. In de verklaring wordt benadrukt dat met de Europese eenwording de belangstelling voor intensivering van grensoverschrijdende samenwerking toeneemt en dat intensivering van de contacten tussen de diverse bestuurlijke niveaus van het Koninkrijk der Nederlanden en het Land Noordrijn-Westfalen de ontwikkeling van het grensgebied op een zinvolle manier bevordert. Tegen deze achtergrond worden alle inspanningen die bijdragen aan de realisering van grensoverschrijdende bedrijventerreinen en intensievere grensoverschrijdende lokale en regionale samenwerking verwelkomd. De tweede, de gemeenschappelijke Nederlands-Duitse verklaring inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen2, werd op 7 december 2000 in Aken ondertekend door de staatssecretaris van het Bondsministerie van Binnenlandse Zaken, de minister van Bonds- en Europa-aangelegenheden van het Land Noordrijn-Westfalen, de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van het Land Nedersaksen en de Nederlandse staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze verklaring wordt in het vervolg aangeduid als het Memorandum van Aken.

Ook op ambtelijk niveau werd het overleg voortgezet. Op 20 september vond in Den Haag de tweede onderhandelingsronde van de Nederlands-Duitse ambtelijke werkgroep, belast met de voorbereiding van het verdrag inzake de ontwikkeling van GOB's, plaats. Bij het verschijnen van de vorige halfjaarlijkse voortgangsrapportage in juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3) waren in deze werkgroep de Nederlandse rijksoverheid, de Duitse federale overheid en het Land Noordrijn-Westfalen vertegenwoordigd. Gelet op het feit dat het beoogde verdrag zal gelden voor de gehele Nederlands-Duitse grensstreek werd ook deelname van het Land Nedersaksen aan het vervolg van de besprekingen van groot belang geacht. Hierin is inmiddels voorzien. De aldus uitgebreide Nederlands-Duitse werkgroep heeft tijdens haar overleg van 20 september een vijf-puntenplan opgesteld om daarmee zo spoedig mogelijk tot praktische oplossingen voor de gesignaleerde problemen bij de realisering van GOB's te komen. Met het vijf-puntenplan, dat is opgenomen in het hiervoor genoemde Memorandum van Aken, wordt beoogd oplossingen te vinden voor de moeilijkheden die het gevolg zijn van verschillen in nationale wet- en regelgeving. Deze vijf punten, die desgewenst parallel kunnen worden doorgevoerd, behelzen het volgende:

1. Het eerste punt betreft de instelling van gemeenschappelijke organen (Duits: kommunale Arbeitsgemeinschaften) voor GOB's, die fungeren als centrale aanspreekpunten en adviesinstanties voor investeerders. Omdat ieder GOB eigen problemen kent, is het noodzakelijk dat voor elk bedrijventerrein een paritaire commissie wordt ingesteld. De verschillende paritaire commissies wisselen hun bevindingen onderling uit. Met het oog op efficiënte besluitvorming zal een paritaire commissie uit ten hoogste 6 personen bestaan. Voor de samenstelling van de commissie zijn de betrokken decentrale overheden aan weerszijden van de grens verantwoordelijk. De vorming van een dergelijke commissie is mogelijk op basis van de op 23 mei 1991 te Isselburg-Anholt ondertekende overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland, de Duitse Bondsregering, en de Länder Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen, volgens welke alleen lagere overheden met eigen bevoegdheden aan een grensoverschrijdend samenwerkingsverband kunnen deelnemen.1 Omdat een Regierungsbezirk geen eigen autonome bevoegdheden bezit, kunnen ambtenaren van een Regierungsbezirk op basis van dit verdrag geen zitting nemen in een grensoverschrijdend samenwerkingsverband en dus ook niet in een paritaire commissie voor een GOB. In tegenstelling tot de Nederlandse gemeenten en provincies is het Duitse Regierungsbezirk namelijk geen lagere overheid met eigen autonome bevoegdheden, maar een gedeconcentreerde dienst van een Land waarin territoriaal een aantal «nationale» taken worden behartigd. Deze uitsluiting van deelname wordt gezien als een belemmering voor het goed functioneren van een paritaire commissie omdat op het niveau van het Regierungsbezirk wel relevante besluiten inzake GOB's worden getroffen.

2. Waar op basis van het Anholt-Verdrag ambtenaren van een Regierungsbezirk formeel niet aan de werkzaamheden van een paritaire commissie kunnen deelnemen, wordt hun deelname op basis van punt 2 van het Memorandum van Aken wel mogelijk gemaakt. Punt 2 van het Memorandum van Aken maakt namelijk de instelling van grensoverschrijdende gemeenschappelijke organen (Duits: grenzüberschreitende Arbeitsgemeinschaften) als tussenstap naar de oprichting van grensoverschrijdende openbare lichamen (Duits: grenzüberschreitende Einrichtung) mogelijk. In deze organen zal worden overlegd over door de nationale bestuursorganen te nemen beslissingen teneinde op basis van de nationale rechtsordes verenigbare/ coherente bestuursrechtelijke beslissingen te nemen voor de planning, inrichting en exploitatie van GOB's. De leden van deze organen worden benoemd door de betrokken overheden op lokaal en regionaal niveau.

3. Punt drie betreft de instelling van in eerste instantie nationale en later binationale groepen van deskundigen die de ontwikkeling van GOB's begeleiden. De experts hebben niet alleen tot taak kennis te nemen van de knelpunten die zijn gesignaleerd door de onder punt 1 en 2 genoemde gemeenschappelijke organen, maar ook te komen met suggesties om de problemen op te lossen. De suggesties kunnen liggen op het vlak van aanpassing van nationale regelgeving, eventueel van Europees recht. Zo kunnen elementen in de Duitse en Nederlandse nationale wet- en regelgeving, die een belemmerende rol spelen bij de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende bedrijventerreinen, waar mogelijk weggenomen worden.

4. Indien aanpassing van nationale regelgeving geen soelaas biedt, is een verdergaande stap noodzakelijk. Dit is geregeld in het vierde punt van het Memorandum van Aken. Hiermee wordt beoogd te komen tot een volkenrechtelijk kader dat de instelling van grensoverschrijdende lichamen (Duits: grenzüberschreitende Einrichtungen), die eigen publiekrechtelijke bevoegdheden kunnen uitoefenen en derden rechtstreeks bindende besluiten nemen, mogelijk maakt. Zoals reeds aangegeven is dit op basis van het Anholt-Verdrag nu niet toegestaan.

5. Het vijfde punt van het Memorandum van Aken behelst de wijziging van de bestuurlijke organisatie van de grensoverschrijdende gemeenschappelijke organen op grond waarvan de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden aan hen kan worden overgedragen.

Met opname van deze vijf punten in het Memorandum van Aken hebben de betrokken regeringen de intentie uitgesproken de grensoverschrijdende samenwerking door middel van de ontwikkeling en het gebruik van GOB's te intensiveren en uit te breiden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan onderdelen uit het kabinetsstandpunt inzake het rapport «De grens nader verkend» (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 670, nr. 1).

Aanbeveling 2: Voor de periode tot de inwerkingtreding van het verdrag dient een paritaire Duits-Nederlandse commissie van deskundigen te worden ingesteld die de vestiging van bedrijven op het GOB Aken-Heerlen bevordert.

In opdracht van Euregio Rijn-Waal voert het bureau Buck Consultants International (hierna: BCI) momenteel het project «Informatievoorziening en stimulering grensoverschrijdende bedrijventerreinen» uit. In het kader van dit project is sinds de vorige voortgangsrapportage (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3) een aantal overlegronden georganiseerd tussen de gemeente Heerlen, de stad Aken, de provincie Limburg en het RegierungsbezirkKeulen over de wijze waarop een paritaire commissie voor Heerlen-Aken kan worden ingevuld. Als resultaat van deze overlegronden is op 7 december jongstleden door de vier eerder genoemde partijen een overeenkomst ondertekend voor de oprichting van de zogenaamde Centrale Ambtelijke Werkgroep Avantis (verder te noemen: CAWA). Deze formalisering van CAWA vond plaats nadat Nederland, Duitsland en de Länder Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen hiertoe de mogelijkheid hadden geopend door middel van ondertekening van het Memorandum van Aken.

De CAWA is samengesteld uit één ambtelijke afvaardiging per partij en:

• fungeert als coördinatiepunt in het kader van de bestuurlijke procedures met betrekking tot het bedrijventerrein Avantis en heeft in het bijzonder ook de taak deze procedures te versnellen;

• adviseert in dit kader bedrijven die zich eventueel op het terrein willen vestigen, projectontwikkelaars en andere aanvragers;

• kan, voor zover het recht van de betreffende staten dit toelaat, juridisch zelfstandige, maar zakelijk samenhangende bescheiden van de verschillende (organen van) partijen coördineren en indien nodig of op wens van investeerders bundelen, zodat in vergunningen eenvoudiger relaties kunnen worden gelegd met (onderdelen van) andere vergunningen en daarop betrekking hebbende regelingen.1

Naast de CAWA zijn de vier partijen overeengekomen dat er een stuurgroep wordt ingericht die bestaat uit de burgemeester van de gemeente Heerlen, de Oberbürgermeister van de stad Aken, de Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg en de Regierungspräsident voor Keulen. De stuurgroep is belast met afstemmingsvragen op het gebied van grensoverschrijdende bestuurlijke aangelegenheden, om:

• fundamentele vragen uit de werkgroep op te pakken;

• richtinggevende besluiten te nemen;

• de hoofdlijnen van het voorlichtingsbeleid af te stemmen;

• de bestuurlijke activiteiten met betrekking tot het realiseren van stedenbouwkundige en economische ontwikkelingen af te stemmen;

• werkzaamheden met de betreffende contactpersonen in een groter kader te coördineren;

• vragen met betreffende regeringen en andere bestuurlijke niveaus af te stemmen;

• het project Avantis te stimuleren, en;

• de grensoverschrijdende samenwerking in haar geheel te stimuleren.

Naast de oprichting van een paritaire commissie voor het GOB Avantis (Heerlen-Aken) is een paritaire commissie ingericht voor het GOB Europark GmbH (Coevorden-Emlichheim). Deze commissie is sinds 28 september 2000 operationeel en werd ingesteld tijdens een werkbezoek van de Europaminister van het Land Nedersaksen en de Nederlandse staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het GOB.

De vlotte operationalisering van beide paritaire commissies illustreert de grote behoefte in de grensstreek aan regelgeving die een intensievere grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking van decentrale overheden mogelijk maakt. De paritaire commissies zullen in 2001 de door hen gesignaleerde knelpunten op regelmatige basis terugkoppelen naar de interdepartementale werkgroep (zie ook aanbevelingen 1 en 3) en naar Buck Consultants International.

Aanbeveling 3: Er dient een kleine, permanente, interdepartementale werkgroep te worden ingesteld die in Den Haag kan fungeren als aanspreekpunt voor vergelijkbare werkgroepen in Düsseldorf en Bonn [Berlijn] en voor de paritaire commissies voor de bedrijventerreinen. Tevens zou deze werkgroep belast moeten worden met de voorbereiding aan Nederlandse kant van het verdrag met de Duitse partners.

De permanente interdepartementale werkgroep Grensoverschrijdende Projecten Nederland-Duitsland coördineert de uitvoering van de aanbevelingen van het rapport «De grens nader verkend». Daarnaast fungeert de werkgroep als aanspreekpunt voor de Duitse partners in Berlijn, Düsseldorf en Hannover en voor de Nederlands-Duitse paritaire commissies voor de afzonderlijke GOB's aan de Nederlands-Duitse grens (vgl. aanbeveling 2). Voorts fungeert de werkgroep als contactpunt voor de realisering van het Grensinfopunt, dat op initiatief van de provincie Limburg ontwikkeld wordt (vgl. aanbeveling 4).

Aanbeveling 4: Op korte termijn zou, liefst in de vorm van een of meer virtuele loketten, een pilot inzake informatievoorziening moeten worden gestart t.b.v. ondernemers die zich op het GOB Aken-Heerlen, het Technologiepark Herzogenrath of in de gemeente Kerkrade willen vestigen. Tijdens de pilot worden voorstellen ontwikkeld om de informatievoorziening structureel te verbeteren.

De provincie Limburg ontwikkelt in regelmatige afstemming met het Rijk een virtueel loket op het terrein van informatieverstrekking en kennisontwikkeling ten aanzien van grensoverschrijdende bedrijventerreinen, grensarbeid en grensoverschrijdend ondernemen ten behoeve van het gehele Nederlandse grensgebied. In de laatste voortgangsrapportage van juni 2000 (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 670, nr. 3) werd de verwachting uitgesproken dat dit zogenoemde Grensinfopunt operationeel zou worden in het najaar van 2000, maar de provincie Limburg heeft aangegeven dat zij daartoe nog wat meer tijd nodig heeft.

Uit een in opdracht van de provincie Limburg samengesteld rapport van het Economisch Technologisch Instituut Limburg (ETIL) over de realisering van het Grensinfopunt blijkt dat het draagvlak voor het initiatief onder instanties die informatie verschaffen over de aandachtsgebieden grensoverschrijdend werken en ondernemen vrij sterk is en dat de bereidheid tot samenwerking aanwezig is. Voorts blijkt dat met name onder particulieren en bedrijfsleven in de grensstreek een duidelijke behoefte bestaat aan de aanwezigheid van een grensinfopunt. Gelet op bovengenoemde onderzoeksresultaten en gelet op het feit dat het hier een initiatief betreft dat zich niet alleen op Limburg maar op het gehele Nederlandse grensgebied richt is het van belang dat additionele financiële steun onder de decentrale overheden en overige actoren aan de Nederlands-Duitse en Nederlands-Belgische grens wordt verkregen. De provincie Limburg heeft aangekondigd zich hiervoor te willen inzetten. Conform mijn toezegging tijdens het algemeen overleg op 8 november heb ik bij de overige decentrale overheden langs de grens reeds een actieve deelname in het Grensinfopunt bepleit.

Uit een aanvullende ETIL-rappportage blijkt dat het zowel financieel als technisch gezien mogelijk is het beoogde Grensinfopunt op korte termijn operationeel te maken. Wel is het dan nodig dat het centrum binnenkomende vragen of data niet zelf verwerkt maar een doorgeleidingsfunctie naar andere kennisdragende instanties vervult. Om die reden heb ik er bij de provincie op aangedrongen dat het Grensinfopunt in maart 2001 van start gaat.

Conform het kabinetsstandpunt (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 670, nr. 1) is het de bedoeling dat het Grensinfopunt en het fiscale Steunpunt Grensstreek hun plannen waar mogelijk onderling afstemmen. Daartoe vindt nu al op regelmatige basis overleg plaats waaraan de belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank (Bureaus voor Belgische resp. Duitse Zaken), de provincie Limburg en de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën deelnemen (zie ook aanbeveling 4 «Ondernemen in de grensstreek»).

Aanbeveling 5: Het Anholt-Verdrag inzake bestuurlijke grensoverschrijdende samenwerking dient te worden aangepast, zodanig dat op basis van dat verdrag ingestelde openbare lichamen de bevoegdheid krijgen besluiten te nemen die burgers rechtstreeks binden. Aldus wordt het Anholt-Verdrag op gelijke hoogte gebracht met het parallelle Benelux-Verdrag, dat deze mogelijkheid reeds kent. Artikel 24 van de Duitse Grondwet, dat destijds aan deze bevoegdheidstoedeling in de weg stond, is inmiddels aangepast.

Op dit moment maakt het Anholt-Verdrag de oprichting van grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden van decentrale overheden mogelijk, maar kunnen deze geen besluiten nemen, die derden, zoals burgers of bedrijven, rechtstreeks binden. Die mogelijkheid bestaat wel bij de grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland en België.1 Het is de uitdrukkelijke wens van de Nederlandse regering dat deze mogelijkheid ook wordt gecreëerd ten behoeve van de mede-overheden langs de Nederlands-Duitse grens. Deze wens leeft ook aan Duitse kant, zoals blijkt uit het Memorandum van Aken van 7 december 2000 en de gemeenschappelijke verklaring van Nederland en Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende samenwerking van 16 november 2000 (vgl. aanbeveling 1).

Aanbeveling 6: Onderdeel van het in aanbeveling 1 bedoelde verdrag zou kunnen zijn een nadere afspraak met Duitsland op grond van artikel 17 van EU-verordening 1408/71, waarin ten behoeve van de rechtspositie van grensarbeiders een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van de verordening. Ten behoeve van grensarbeiders zouden voorts begrijpelijk geformuleerde en goed toegelichte formulieren moeten worden gemaakt, te verstrekken door sociale-verzekeringsinstanties en belastingdiensten.

Volgens de hoofdregel van de EU-verordening 1408/71 is een grensarbeider aan de sociale-zekerheidswetgeving onderworpen in de staat waar hij werkzaam is. Dit kan voor grensarbeiders tot problemen leiden, met name in de situatie dat de sociale-zekerheidswetgeving van de werkstaat en de belastingwetgeving van de woonstaat van toepassing is. De discoördinatie tussen belasting- en premieheffing kan leiden tot jaarlijkse schommelingen in de door grensarbeiders verschuldigde belastingen en premies. Dergelijke ongewenste effecten treden bijvoorbeeld in de relatie tussen Nederland en België op onder de zogenoemde grensarbeidersregeling.

Een mogelijkheid om de eventuele discoördinatie op te heffen is de grensarbeiders voor zowel de belastingheffing als de sociale zekerheid te onderwerpen aan de wetgeving van de werkstaat. Deze benadering vormt het uitgangspunt van het fiscale beleid zoals dat door Nederland wordt gehanteerd in onderhandelingen over belastingverdragen. Voor een nadere toelichting op dit beleid kan onder meer worden verwezen naar de notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal (verdragen)recht», (Kamerstukken II 1997/1998, 25 087, nr. 4).

In de relatie met België is onlangs in het kader van de onderhandelingen over het nieuwe belastingverdrag overeenstemming bereikt over een regeling waarbij de belastingheffing van grensarbeiders in de werkstaat zal plaatsvinden. Na de inwerkingtreding van het verdrag zullen de belasting- en premieheffing voor deze groep niet langer uiteenlopen. Aan de mogelijke nadelige gevolgen van een werkstaatheffing – denk aan het niet langer in aftrek kunnen brengen van hypotheekrente – wordt tegemoetgekomen via een regeling die ertoe zal leiden dat dergelijke aftrekposten de facto effect sorteren. Ook in de relatie met Duitsland – waar thans reeds een werkstaatheffing van toepassing is en het probleem van de discoördinatie zich dus niet voordoet – vinden de onderhandelingen over een nieuw belastingverdrag plaats op basis van de hiervoor beschreven uitgangspunten.

Aanbeveling 7: Nederland en Duitsland zouden in EU-verband aandacht moeten vragen voor de grote verschillen in medezeggenschapsregelingen tussen de lidstaten.

In de raadswerkgroep sociale vraagstukken in Brussel hebben onder Frans voorzitterschap besprekingen plaatsgevonden op ambtelijk niveau over het voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn «tot instelling van een algemeen kader voor informatie en raadpleging van werknemers». De Kamer is reeds in augustus 2000 via een BNC-fiche (SOZA-00–626) geïnformeerd over de inhoud van het voorstel en de eerste beoordeling/inzet van Nederland. Het is het Franse voorzitterschap niet gelukt dit dossier af te ronden. Op de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid op 20 december 2000 is een grote mate van overeenstemming bereikt. Het Zweedse voorzitterschap zal het dossier proberen de eerste helft van 2001 af te ronden.

Met de totstandkoming van deze richtlijn zal een algemeen Europees kader worden gevormd voor de opzet van nationale medezeggenschap en zullen de bestaande verschillen tussen Nederland en Duitsland opgelost worden.

Aanbeveling 8: Tussen de voor arbeidsomstandigheden bevoegde instanties dienen praktische afspraken te worden gemaakt over wie waar en waarop gaat inspecteren.

Gelet op de nieuwe aanpak zoals onder aanbeveling 1 geschetst, ontvalt de grond aan aanbeveling 8, zoals die was verwoord. Immers onder het principe van de «Meistbegünstigung» blijven in Nederland en Duitsland de respectieve arbeidsinspecties volledig bevoegd op het eigen territoir. Zulks neemt niet weg dat ook onder het nieuwe stelsel van «Meistbegünstigung» aanleiding zal zijn voor afspraken over inspecties op de werkplek om te voorkomen dat op tweeërlei wijze het inhoudelijk geldende Europese recht wordt uitgelegd.

Aanbeveling 9: Het rapport EURES dient, wat de problemen betreft op het gebied van ziektekosten, te worden aangeboden aan de minister van VWS, met het verzoek de daarin gedane aanbevelingen te bespreken met haar Duitse ambtgenoot.

In de vorige voortgangsrapportage (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3) die de Kamer bij brief van 30 juni 2000 is aangeboden, wordt onder aanbeveling 9 aangekondigd dat er een verdrag inzake de sociale zekerheid tussen Nederland en Duitsland in voorbereiding is waarin de mogelijkheid wordt geopend dat de bevoegde autoriteiten overeenkomen dat alle verzekerden, inclusief gepensioneerde grensarbeiders en hun meeverzekerde familieleden, op het grondgebied van de andere staat medische zorg kunnen inroepen. Voorzien wordt dat de parlementaire goedkeuringsprocedure voor het «Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale zekerheid ter aanvulling van communautaire regelingen», waarin dit wordt geregeld, op korte termijn in gang wordt gezet.

Aanbeveling 10: Wat de op de grens gevestigde ondernemingen betreft zou het rechtsregime van toepassing moeten zijn van het land waarin het grootste deel van de bedrijfsvestiging ligt, tenzij in het in aanbeveling 1 genoemde verdrag of in een andere bilaterale afspraak anders is bepaald.

Deze aanbeveling wordt meegenomen in het kader van de besprekingen van de Nederlands-Duitse werkgroep die belast is met de uitvoering van de in het Memorandum van Aken gestelde afspraken (vgl. aanbeveling 4 «Ondernemen in de grensstreek»).

Aanbeveling 11: «Bij de Duitse autoriteiten zou moeten worden bepleit mogelijk te maken dat Nederlandse rechtspersonen in Duitsland kunnen ondernemen, zonder dat zij door de Duitse rechter worden aangemerkt als Handelsgesellschaft.»

Volgens de geldende Duitse Sitztheorie zou een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap waarvan de hoofdvestiging in Duitsland is gevestigd, niet rechtsbekwaam zijn. In Duitsland worden de naar Nederlands recht opgerichte BV's en/of NV's met het centrum van hun bestuursactiviteit in Duitsland als Handelsgesellschaft aangemerkt. Deze Duitse rechtsregel is van belang indien Nederlandse bedrijven overwegen zich te vestigen op het Duitse gedeelte van een GOB. Geredeneerd vanuit het concept van een gezamenlijke aanpak voor de GOB's zou idealiter de betekenis van de landsgrens voor bedrijven op een GOB gemitigeerd moeten worden.

Zoals in de voorgaande periodieke rapportage van juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3) reeds werd aangegeven staat de juridische status van deze Sitztheorie ter discussie. Dit in het licht van Europese regelgeving (art. 43 en 48 EG-verdrag) volgens welke vestigingsvrijheid voor ondernemingen gegarandeerd is. Het Bundesgerichtshof heeft in maart 2000 deze kwestie inzake de vestigingstheorie als prejudiciële vraag voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie. Duitsland wacht momenteel het oordeel van het Hof af.

Van Nederlandse zijde wordt intussen bezien of er mogelijkheden bestaan om een specifieke regeling in het kader van een nieuw verdrag inzake GOB's te treffen, zoals bedoeld in aanbeveling 11. Daardoor zou bij vestiging en uitbreiding van bedrijven en ondernemingen op GOB's langs de Duits-Nederlandse grens niet meer rekening hoeven te worden gehouden met verschillen in de Nederlandse en Duitse regelgeving ter zake van de Sitztheorie, en de gevolgen die dat met zich mee brengt voor de bedrijfsuitoefening.

Aanbeveling 12: Met betrekking tot politiële samenwerking en brandweer kunnen nieuwe aanvullende regelingen worden getroffen op basis van bestaande afspraken of overeenkomsten (Nederlands-Duitse bijstands-overeenkomst; Nederlands-Duits Memorandum of Understanding).

De grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van brandweer en rampenbestrijding was een van de onderwerpen waarover de Minister en de Staatssecretaris van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland en de Minister van Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen op 16 november jl. afspraken hebben gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in een onderdeel van de reeds eerder genoemde gemeenschappelijke verklaring inzake intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen. Wij hebben onder meer afgesproken dat wij bestaande belemmeringen binnen het kader van onze bevoegdheden zoveel mogelijk zullen wegnemen. Daarbij willen wij bijzondere aandacht schenken aan de spoedeisende medische hulpverlening en het gebruik door hulpverleningsvoertuigen van bijzondere optische en geluidssignalen. Wij stimuleren een versterking van de samenwerking tussen decentrale overheden op het gebied van de preparatie (planvorming). Er wordt een permanent gremium gevormd van vertegenwoordigers van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland, het ministerie van Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen, van de aan Duitsland grenzende provincies, van de betrokken Regierungsbezirke en van de euregio's. Taak van dit gremium is de wederzijdse verstrekking van informatie over en de uitwerking van probleemoplossingen die niet op lokaal niveau of op het niveau van een euregio verwezenlijkt kunnen worden. Voorts zullen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland en het ministerie van Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen, zo mogelijk tezamen met de ministeries van Nedersaksen en België, een brochure uitgeven waarin de bevoegdheden worden omschreven van de autoriteiten en functionarissen in het grensgebied aan weerszijden van de grens. In de eerste helft van 2001 zal een grensoverschrijdende stafoefening op het gebied van brandweer en rampenbestrijding plaatsvinden. Het Nederlandse ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal hieraan financieel bijdragen. Ook Noordrijn-Westfalen streeft ernaar deze oefening financieel te ondersteunen.

Voor het overige verwijs ik naar de nota «internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding», die bij brief van 7 december 2000 aan de Kamer is aangeboden (vgl. Kamerstukken II, 2000/2001, 27 556, nr.1).

Voor wat betreft de grensoverschrijdende politiesamenwerking met Noordrijn-Westfalen is afgesproken dat een probleemanalyse opgesteld zal worden naar aanleiding waarvan praktijkgerichte wenselijke situaties worden beschreven. In samenwerking met de politieautoriteiten in het grensgebied en het ministerie van Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen zal het Nederlands Instituut voor Politiesamenwerking (NCIPS), in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze gegevens in kaart brengen. Op basis daarvan zullen de departementen voorstellen voor een gemeenschappelijk juridisch kader ontwikkelen, dat uitoefening van politiële bevoegdheden in het grensgebied van het andere land mogelijk maakt, voor zover dringende omstandigheden dit in een bepaald geval vereisen. Deze afspraak is een uitwerking van bovengenoemde gemeenschappelijke verklaring met Noordrijn-Westfalen van 16 november 2000.

Aanbeveling 13: Voor de inzet van een buitenlands particulier beveili-gingsbedrijf moet worden bezien in hoeverre wederzijdse erkenning van vakkwalificaties mogelijk is.

Door het ministerie van Justitie is nader onderzoek ingesteld om vast te stellen in hoeverre deze aanbeveling kan worden gerealiseerd. Voor het onderhavige grensoverschrijdende project met Duitsland wordt daartoe onderzocht welke mogelijkheden er zijn om tijdelijk ontheffing te verlenen. Hierbij zal getracht worden recht te doen aan de diverse belangen die de bestaande stelsels beogen te beschermen. De minister van justitie zal naar verwachting uiterlijk maart 2001 uitsluitsel kunnen geven over deze ontheffing.

Aanbeveling 14: Alle betrokkenen dienen actief mee te werken aan de vorming van een transnationale hogeschoolstructuur van de Hogeschool Limburg en de Fachhochschule Aachen. Zolang een formele fusie nog niet binnen bereik ligt dient die situatie zoveel mogelijk te worden benaderd.

Ten opzichte van de vorige berichtgeving inzake de transnationale hogeschoolstructuur van de Hogeschool Limburg en de Fachhochschule Aachen in de periodieke rapportage van juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr.3) kan worden gemeld dat de Adviescommissie onderwijsaanbod positief heeft geadviseerd over de nieuwe opleiding Communication- and Multimediadesign, waaraan de Hogeschool Limburg (NL), de Fachhochschule Aachen (D) en de Hogeschool Hasselt (VLA) deelnemen. Dat betekent dat de opleiding in het studiejaar 2001–2002 van start kan gaan. Tot dat moment wordt het programma nog aangeboden als specialisatie van een andere opleiding. Wanneer ook formele toestemming is verkregen van het Ministerium für Schule, Wissenschaft und Forschung van het Land Noordrijn-Westfalen is dit een concrete stap in de richting van het doel van beide instellingen om in 2002 de transnationale opleiding te realiseren.

In het kader van door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gemaakte afspraken met de Duitse Länder Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Bremen en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in België (het zogenoemde «grenslandenbeleid») wordt naast bovengenoemd initiatief vanuit de instellingen ook gewerkt aan de vorming van andere transnationale initiatieven. Over deze grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hoger onderwijs zal de Kamer binnenkort apart worden geïnformeerd in de voortgangsrapportage van OCenW inzake de internationaliseringsnota «Kennis: geven en nemen», mede op basis van het onderzoek naar de inventarisatie en evaluatie van de ervaringen met grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van het hoger onderwijs, het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) van de Universiteit Twente in opdracht van OCenW heeft uitgevoerd.

Aanbeveling 15: Er dient gebruik te worden gemaakt van de wettelijke mogelijkheid op het Nederlandse deel van het GOB Aken-Heerlen een dependance van de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule te vestigen.

Sinds de voortgangsrapportage van 30 juni 2000 is de stand van zaken omtrent deze aanbeveling ongewijzigd.

Voortgangsrapportage van de staatssecretaris van Financiën inzake aanbevelingen rapport «Ondernemen in de grensstreek»

In het rapport «Ondernemen in de grensstreek» zijn tien aanbevelingen op het terrein van de fiscaliteit opgenomen. Onderstaand wordt per aanbeveling verslag gedaan van de voortgang bij de uitwerking van de aanbevelingen sedert de halfjaarlijkse rapportage aan Kamer van 30 juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3). Daarnaast wordt nader ingegaan op twee vragen die tijdens het overleg met de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 8 november 2000 opkwamen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 4).

Aanbeveling 1: Fiscale behandeling in de winstsfeer van ondernemingen die op een grensoverschrijdend bedrijventerrein (GOB) gevestigd zijn.

De constructieve samenwerking binnen de Nederlands-Duitse werkgroep heeft ertoe geleid dat inmiddels overeenstemming bestaat over de inhoud van een bijzondere regeling voor de belastingheffing over de winst van ondernemingen die op een GOB gevestigd zijn. De werkgroep is voornemens in het eerste kwartaal van dit jaar nogmaals bijeen te komen. Naar verwachten kan dan de definitieve tekst van de bijzondere regeling worden vastgesteld. Deze regeling zal door middel van een aanvullend protocol worden opgenomen in het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag. Daartoe is besloten teneinde de bijzondere regeling zo spoedig mogelijk in werking te doen treden.

Voor de hoofdlijnen van de regeling zij verwezen naar de voortgangsrapportage van 30 juni 2000. Toepassing van de bijzondere regeling zal voor alle ondernemingen op het GOB regel zijn. Het staat derhalve niet ter keuze van de ondernemer of de bijzondere regeling met betrekking tot zijn onderneming wordt toegepast. Vestiging op een GOB heeft dus tot gevolg dat de bijzondere regeling zal worden toegepast. Invoering van een keuzemogelijkheid zou naar het oordeel van de werkgroep de uitvoering van de regeling in dit stadium te complex maken.

Thans wordt onderzocht in hoeverre controleambtenaren van een land controleactiviteiten kunnen verrichten bij ondernemingen die op het GOB gevestigd zijn aan de andere kant van de landsgrens.

De beslissing of een bedrijventerrein wordt aangemerkt als een GOB in de hier bedoelde zin, wordt genomen door de bevoegde autoriteiten in onderling overleg op de voet van het bestaande Nederlands-Duitse belastingverdrag. Voor zowel de fiscaliteit als de overige regelingen zal de aanwijzing als GOB op dezelfde gronden plaatsvinden en dus ook tot dezelfde resultaten dienen te leiden. Daarom zal voorgesteld worden dat de aanwijziging als GOB in onderling overleg tussen de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën plaats zal vinden.

Aanbeveling 2: In de sfeer van de indirecte belastingen is met betrekking tot de teruggaaf van de door een ondernemer in een ander land betaalde BTW de volgende aanbeveling gedaan:

– een experiment in de relatie met Duitsland;

– voor ondernemers die zijn gevestigd op een grensoverschrijdend bedrijventerrein in Heerlen/Vaals/Kreisfreie Stadt Aachen en Kerkrade/Herzogenrath;

– waarbij teruggaaf van BTW kan worden gevraagd in de staat van vestiging.

In de werkgroep is van Duitse zijde om politieke redenen afwijzend gereageerd op Nederlandse voorstellen om te komen tot een verdere uitwerking van deze aanbeveling. Weliswaar wordt van Duitse zijde erkend dat een gewijzigde teruggaafprocedure voor de BTW waarbij de ondernemer de in het buitenland betaalde BTW in eigen land kan terugvragen, tot een administratieve lastenverlichting kan leiden. De Duitse delegatie heeft zich echter steeds op het standpunt gesteld dat dit vraagstuk primair op Europees niveau moet wordt opgelost. Het voorstel dat de Europese Commissie in 1998 heeft gedaan voor een herziening van de teruggaafprocedure zou in dit verband uitkomst moeten brengen.

De onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie verlopen moeizaam. Om die reden is van Nederlandse zijde voorgesteld om – vooruitlopend op de uitkomsten van de discussie in Europees verband – een tijdelijke regeling op experimentele basis te treffen voor ondernemers op grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Om de hiervoor genoemde redenen bleek echter ook een dergelijke beperkte oplossing voor Duitsland niet bespreekbaar.

Over dit onderwerp zal met België nog contact worden opgenomen.

Aanbeveling 3: Met betrekking tot de BTW die verschuldigd is ter zake van grensoverschrijdend personenvervoer komt de werkgroep tot de aanbeveling:

– een experimentele regeling te treffen in de relatie met België en Duitsland;

– voor ondernemers die gevestigd zijn in de Euregio Maas-Rijn; en

– actief zijn in het personenvervoer;

– waarbij van de BTW die verschuldigd is ter zake van in het andere land verrichte vervoersdiensten aangifte kan worden gedaan in het land van vestiging.

De werkgroep heeft een nadere analyse gemaakt van de problemen die zich bij de heffing van BTW bij het personenvervoer in de Nederlands-Duitse grensstreek voordoen. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat de groep ondernemers die zowel in Nederland als Duitsland aangifte moet doen – dit is de categorie waarop de aanbeveling ziet – uiterst beperkt is. Het merendeel van de ondernemers die lokale vervoersdiensten met openbare lijndiensten en taxi's in de grensstreek verricht, heeft slechts met de belastingdienst van het eigen land te maken bij de afhandeling van de fiscale verplichtingen. Van Duitse zijde is een praktische regeling getroffen waarbij Nederlandse vervoersondernemingen niet in de heffing worden betrokken voor vervoersdiensten tot 10 kilometer op het grondgebied van Duitsland. De lokaal opererende vervoersondernemingen blijken dan ook vooral aangifte in Duitsland te doen indien er een recht op teruggaaf bestaat. Ook van Nederlandse zijde wordt een praktische regeling gehanteerd waardoor de Duitse vervoersondernemingen die opereren in de grensstreek doorgaans niet in Nederland zijn geregistreerd. Slechts enkele busondernemingen die aanspraak maken op teruggaaf van de in Nederland betaalde BTW, zijn bij de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Buitenland in Heerlen geregistreerd. Omdat de analyse van de werkgroep heeft uitgewezen dat zich voor lokale vervoersondernemingen in de Nederlands-Duitse grensstreek geen noemenswaardige problemen voordoen bij de afhandeling van de fiscale verplichtingen, ziet de werkgroep af van het uitwerken van een experimentele regeling.

Wel zal deze aanbeveling nog worden besproken met de Belgische autoriteiten.

Aanbeveling 4: Met betrekking tot de informatievoorziening en de klachtenafhandeling zijn de volgende aanbevelingen gedaan:

– het inrichten van gezamenlijke informatiepunten van de Nederlandse en Duitse belastingdienst in de Nederlandse-Duitse grensstreek, waaronder een informatiepunt op een van de bedrijventerreinen in de Zuid-Limburgse grensstreek, waar ondernemers en grensarbeiders tijdens spreekuren terecht kunnen met vragen over onder meer de fiscaliteit, de sociale zekerheid en het ondernemingsrecht;

– het door de belastingdienst laten ontwikkelen van een brochure in de Nederlandse en Duitse taal ten behoeve van werknemers en ondernemers die grensoverschrijdend werkzaam zijn;

– de ontwikkeling van een Duitse vertaling van het Nederlandse C-biljet en de toelichting daarbij; evenzo zou bij de Duitse autoriteiten moeten worden aangedrongen op de vervaardiging van een Nederlandstalig aangiftebiljet voor grensarbeiders en/of een Nederlandstalige toelichting daarbij;

– het organiseren van periodiek lokaal overleg tussen de Nederlandse en Duitse fiscale autoriteiten om klachten, verzoeken en vragen te behandelen die op fiscaal terrein zijn gerezen. Voor Zuid-Limburg zou daarbij gedacht kunnen worden aan een locatie in het Eurode Business Center dat op de grens tussen Kerkrade en Herzogenrath is gelegen.

• Informatiesteunpunt

In de notitie van 21 juni 2000, nummer AFP 2000-536, is met betrekking tot deze aanbeveling gemeld dat het Team Grensoverschrijdend Werken en Ondernemen (hierna: team GWO) te Heerlen is gestart en beantwoordt aan een behoefte aan informatie op specifieke vragen over het onderwerp «werken en ondernemen in de grensstreek».

Voor Nederland wordt gebruik gemaakt van een gratis telefoonnummer. Vanuit Duitsland blijkt het op dit moment technisch (nog) niet mogelijk om het team GWO te bellen via een gratis telefoonnummer. Mensen die vanuit het buitenland bellen moeten daarom voor het deel van het gesprek dat in het buitenland ligt betalen. Daarnaast is er ook een gewoon telefoonnummer bij de Belcentrale in Utrecht in gebruik genomen. Met de belastingdiensten van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen, ondersteund door het centrale ministerie van Financiën, is overeengekomen om een proef te starten waarbij Duitse ambtenaren in het team GWO zullen werken. Aan de proef wordt voor de periode van 1 november 2000 tot en met 31 december 2001 deelgenomen door ambtenaren van de belastingdienst van Noordrijn-Westfalen. De belastingdienst van Nedersaksen zal de proef kritisch volgen en gedurende 4–6 weken een tweetal ambtenaren ervaring laten opdoen met het werken in het team GWO. De proef wordt gezamenlijk met de Duitse belastingdienst geëvalueerd. Eind juni 2001 wordt een tussenrapportage gemaakt die begin december 2001 wordt gevolgd door een eindrapportage.

• Enquête

Uit de resultaten van een beperkte telefonische enquête blijkt dat het team GWO in het afgelopen jaar voldeed aan een zekere vraag. De vragenstellers blijken over het algemeen tevreden te zijn over de deskundigheid van de ambtenaren alsmede over de duidelijkheid en de snelheid van de gegeven antwoorden. Voor zover dit nodig is wordt men over het algemeen naar de juiste instantie doorverwezen. De meeste vragen worden gesteld door particulieren (ca. 90%). In dit percentage zijn begrepen de ondernemers die namens hun personeel vragen stellen. De aard van de vragen ligt voornamelijk op het terrein van de inkomstenbelasting en de sociale verzekeringen. Vragen die betrekking hebben op het terrein van de heffing en inning van de sociale verzekeringen worden door het team GWO beantwoord. Eenvoudige vragen die betrekking hebben op de uitkeringen van de sociale verzekeringen worden indien mogelijk in overleg met het Bureau Belgische Zaken of het Bureau Duitse Zaken beantwoord, maar complexe vragen worden aan voornoemde bureau's ter behandeling overgedragen. De resterende vragen (ca. 10%) worden gesteld door ondernemers en hebben voornamelijk betrekking op de omzetbelasting (voornamelijk op het gebied van de intracommunautaire transacties, het verrichten van diensten in het buitenland en de teruggaaf van buitenlandse BTW).

• Vertaling bestaande formulieren, aangiftebiljetten en brochures

De werkgroep Schriftelijke Communicatie is in samenwerking met de belastingdienst van Noordrijn-Westfalen, ondersteund door het Duitse Bondsministerie van Financiën, gestart met de ontwikkeling van een tweetalige brochure. Het uitgangspunt is daarbij dat het informatiemateriaal handzaam, leesbaar en laagdrempelig blijft voor Duitse en Nederlandse belastingplichtigen.

• Regionale steunpunten

De werkgroep regionale steunpunten heeft na onderzoek geadviseerd om langs de grenzen met Duitsland en België regionale steunpunten in te richten. Bij deze regionale steunpunten zullen naar behoefte spreekuren worden gehouden voor ondernemers en werknemers in de grensstreek. Met de belastingdiensten van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen is afgesproken om gezamenlijk meerdere regionale steunpunten in te richten.

Inmiddels is reeds een begin gemaakt met de organisatie van de gezamenlijke spreekuren. Wat betreft de organisatie van deze gezamenlijke spreekuren zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de bestaande (informele) praktijk in de regio's Enschede/Winterswijk en Nijmegen en zullen nieuwe initiatieven worden ontplooid in de regio's Coevorden, Venlo/Roermond en Heerlen. Waar mogelijk zal voor wat betreft de sociale zekerheid aan de Duitse grens met het Bureau Duitse Zaken en aan de Belgische grens met het Bureau Belgische Zaken wordt samengewerkt. Daarnaast wordt de samenwerking met de euregio's en de Kamers van Koophandel geïntensiveerd of opgestart. Bij de te organiseren spreekuren worden, op dezelfde wijze als dit thans gebeurt op plaatsen waar reeds informele spreekuren worden gehouden, vragenstellers altijd geholpen. Dit betekent dat, waar het gaat om andere dan fiscale vragen, de vragensteller indien gewenst wordt begeleid tot aan het juiste loket. Dit betekent dat de ambtenaar ervoor zorgt dat tijdens het spreekuur daadwerkelijk een afspraak wordt gemaakt met de juiste instantie.

• België

De aanbevelingen in het rapport van de Commissie-Wöltgens zijn met name gericht op de Nederlandse-Duitse grens. In enkele aanbevelingen wordt echter ook op het belang van een regeling met België gewezen. Dit is onder meer het geval in aanbeveling 3 (BTW en personenvervoer), een terrein waarop de problemen zich vooral in de relatie met België lijken voor te doen. Ook een uitbreiding van de faciliteiten die thans worden opgezet voor de informatievoorziening naar de Nederlands-Belgische grensstreek (aanbeveling 4) lijkt gewenst. Gezien de gevolgen van de belastingherziening (invoering keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen, heffingskorting) en de wijzigingen van het verdrag met België (overgang van woonstaat- naar werkstaatheffing voor grensarbeiders) ligt het voor de hand om op het terrein van de informatievoorziening te komen tot een samenwerking met de Belgische autoriteiten. Het streven is erop gericht om hierover overleg te starten op politiek of hoog ambtelijk niveau.

Aanbeveling 5: Het hanteren van een vaste regel met betrekking tot de vestigingsplaats van op de grens gelegen ondernemingen.

In de bijzondere regeling voor de belastingheffing op GOB's zal ook een beslisregel worden opgenomen voor het bepalen van de vestigingsplaats van ondernemingen die op de landsgrens liggen. In het rapport-Wöltgens is de aanbeveling gedaan om voor de belastingheffing van ondernemingswinsten het zogenoemde v.i.-model in te voeren waarbij een Nederlandse ondernemer die zich op een GOB vestigt geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd (en als gevolg daarvan in eigen land belast blijft), ook als hij zich vestigt op het deel van een GOB dat op het grondgebied van het andere land ligt. Voor ondernemingen van natuurlijke personen die exact op de landsgrens gelegen zijn zal daarbij hetzelfde uitgangspunt worden gehanteerd als voor ondernemingen waarvan de vestiging volledig aan de andere zijde van de grens is gelegen. In die gevallen wordt uitgegaan van de woonplaats van de ondernemer. Problemen lijken zich in deze gevallen alleen te kunnen voordoen als de ondernemer op de grens woont, hetgeen zich bijvoorbeeld zou kunnen voordoen als hij boven zijn onderneming op een GOB woont, die op zijn beurt op de landsgrens ligt. Het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag biedt voldoende instrumenten om te beslissen in welk land een dergelijke ondernemer geacht wordt zijn woonplaats te hebben.

Met betrekking tot ondernemingen van lichamen kunnen zich problemen van dezelfde aard voordoen. In beginsel wordt een lichaam geacht te zijn gevestigd in de staat waar diens feitelijke leiding is gevestigd. Als echter de feitelijke leiding van een onderneming zich fysiek bevindt op het terrein van de onderneming van het lichaam terwijl die onderneming is gelegen op de landsgrens, zou het kunnen voorkomen dat niet kan worden vastgesteld in welk land de feitelijke leiding (en daarmee de vestigingsplaats) van het lichaam is gelegen. Voor die gevallen heeft de Nederlands-Duitse werkgroep een aanvullende en tevens eenvoudig hanteerbare beslisregel in de regeling opgenomen. In die gevallen wordt het lichaam namelijk geacht te zijn gevestigd in het land waar de door de onderneming op het GOB benutte oppervlakte het grootst is (zie ook aanbeveling 11 «De grens nader verkend»). Met betrekking tot de indirecte belastingen is tijdens de laatste bijeenkomst van de werkgroep in september van Duitse zijde toegezegd een briefwisseling tussen de autoriteiten van beide landen voor te bereiden waarin deze problematiek wordt geregeld.

Aanbeveling 6 tot en met 9: Sinds de voortgangsrapportage van 30 juni 2000 is de stand van zaken omtrent deze aanbevelingen niet gewijzigd.

Aanbeveling 10: De werkgroep beveelt aan het heffen van belastingen en premies bij grensarbeiders in één staat (de woonstaat of de werkstaat) te laten plaatsvinden.

Voor het probleem van tekortschietende huidige wet- en regelgeving betreffende de belastingheffing over salarissen van personen die werkzaam zijn in een onderneming die op de landsgrens is gelegen, heeft de werkgroep een oplossing geformuleerd. Deze oplossing bestaat daarin dat alleen voor deze gevallen de hier bedoelde werknemers geacht worden hun dienstbetrekking uit te oefenen in het land waar de desbetreffende onderneming geacht wordt te zijn gevestigd. Eveneens alleen voor deze gevallen zal in de, door de werkgroep voorgestelde, regeling belasting- en premieheffing van het salaris van de betrokken werknemers – vooruitlopend op een dienovereenkomstige regeling in een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag – in hetzelfde land plaatsvinden.

Vragen die tijdens het overleg met de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 8 november 2000 opkwamen

1. Gebruik in België van in Luxemburg ingeschreven wagens:

Mevrouw Van der Hoeven merkte op dat tussen België en Luxemburg afspraken zijn gemaakt ter zake van het gebruik van auto's met een Luxemburgs kenteken in België. Verzocht werd om weer te geven hoe deze regeling luidt en of een dergelijke regeling ook van toepassing zou kunnen tussen Nederland en haar buurlanden.

De regeling in België heeft te maken met de heffing van verkeersbelasting en de zogenaamd «in verkeers stellings belasting». Dit zijn nationale Belgische heffingen. De laatstgenoemde belasting is te vergelijken met de Nederlandse Belasting op Personen- en Motorvoertuigen (BPM). In deze wet is reeds een regeling opgenomen voor de auto's die in een ander land dan Nederland zijn geregistreerd maar worden gebruikt door personen die in Nederland woonachtig zijn. Er zijn in dat verband twee soorten vrijstellingen van de belasting: één voor werknemers die door hun werkgever een auto ter beschikking gesteld hebben gekregen. Deze hebben een volledige vrijstelling van BPM. De tweede vrijstelling geldt voor ondernemers zelf: deze hebben slechts een vrijstelling voor het woon-werk en het zakelijke verkeer dat met de «buitenlandse» auto wordt afgelegd binnen Nederland. De vraag is of het wenselijk is om deze regeling aan te passen voor ondernemers die hun onderneming uitoefenen op een GOB. De vrijstellingen in de Belgische «in verkeers stellings belasting» zijn soortgelijk aan de beschreven vrijstellingen in de Wet BPM.

2. Vraag van de heer Weekers (VVD). Er zou van de zijde van het ministerie van Soziale Zaken en Werkgelegenheid weinig behoefte bestaan om in de huidige informatievoorzieningen in de grensstreek met de belastingdienst mee te lopen. De heer Weekers vroeg zich af of die geringe behoeft bij SoZaWe bestaat of vanuit de maatschappij.

Op dit moment vindt er reeds samenwerking met het ministerie van Soziale Zaken en Werkgelegenheid plaats en deze verloopt langs twee kanalen. In de eerste plaats is er een interdepartementale werkgroep onder voorzitterschap van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en wordt waar nodig op ad-hoc basis samen gewerkt. Daarnaast bestaat er reeds een intensieve samenwerking tussen enerzijds de Belastingdienst (team GWO) en de Sociale Verzekeringsbank, een uitvoeringsorganisatie van SoZaWe, en de Bureaus Belgische en Duitse Zaken anderzijds (zie ook de passage vermeld onder het kopje Regionale steunpunten, aanbeveling 4).


XNoot
1

Gemeenschappelijke verklaring van Nederland en Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende samenwerking 2000 in: Staatscourant nr. 233, 1 december 2000.

XNoot
2

Gemeenschappelijke verklaring van de regering van Nederland en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, met deelname van de regeringen van het Land Nedersaksen en het Land Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen (Memorandum van Aken) in: Staatscourant nr. 249, 22 december 2000.

XNoot
1

Nederlands-Duitse overeenkomst tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten (Anholt-Verdrag) (Trb. 1991, 102).

XNoot
1

NB: De wettelijke taken en bevoegdheden van de betreffende overheidsinstanties worden door deze overeenkomst niet aangetast of beperkt.

XNoot
1

Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten (Trb. 1986, 160).

Naar boven