Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 26670 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 26670 nr. 4 |
Vastgesteld 11 december 2000
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft op 8 november 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris De Vries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en staatssecretaris Bos van Financiën over:
– de brief van de staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën d.d. 7 juli 2000 inzake het kabinetsstandpunt grensoverschrijdende projecten (26 670, nr. 3);
– de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 juli 2000 inzake het kabinetsstandpunt grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking (27 242, nr. 1).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer De Cloe (PvdA) beschouwt het overzicht dat middels beide aan de orde zijnde brieven wordt gegeven als een nuttig en informatief handvat om verder op pad te gaan met grensoverschrijdende activiteiten. Met betrekking tot de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking (27 242, nr. 1) mist hij evenwel nog steeds een duidelijke departementale coördinatie en afstemming, evenals een heldere visie van de regering om te komen tot verbetering van het bestuurlijk karakter waarbinnen de grensoverschrijdende samenwerking plaatsvindt. Er zouden meer gestructureerde initiatieven ten aanzien van dit onderwerp ontplooid moeten worden. Het mag niet zo zijn dat wanneer zich een volgend aspect aandient, het via een apart verdrag weer een paar jaar duurt voordat vervolgstappen worden gezet. Dat het soms wel degelijk snel kan, bewijst de totstandkoming van het politieverdrag rond EK 2000, dat allerlei bevoegdheden dwars over de grenzen heen regelde.
De heer De Cloe moet verder tot zijn spijt constateren dat tot nu toe weinig gehoor is gegeven door de euregio's aan de oproep van de Tweede Kamer om te komen met een reactie op het kabinetsstandpunt over de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking. De enige die zich wat dat betreft positief onderscheidt, is de provincie Limburg die blijk geeft van volop aandacht en support voor dit onderwerp. Het is van belang dat het kabinet ook de andere gebieden aanspoort om inhoudelijk en financieel een bijdrage te leveren aan met name het Expertisecentrum grensoverschrijdende samenwerking (ECGS) in Maastricht.
Schijnbaar concentreert de structurele samenwerking zich vooralsnog op één hoofdpunt, te weten de euregio's. Daarbij moet overigens weer een onderscheid gemaakt worden tussen euregio's van oudsher, voornamelijk in Duitsland, die al langer bestaan en waar sprake is van goede samenwerking en euregio's, vooral in Brabant, die pas zijn ontstaan op het moment dat de grote gelden van Europa binnenkwamen. Ook de vormgeving van de euregio's is compleet verschillend en leidt tot onduidelijkheid, onder andere waar het gaat om de vraag wie wat controleert. De ene euregio is bijvoorbeeld een openbaar lichaam, waaraan wat gemakkelijker taken kunnen worden overgedragen, terwijl de andere qua vormgeving ongrijpbaar is en de suggestie in zich bergt dat die slechts ingesteld is om genoemd Europees geld binnen te halen. Vanwege de controle en de continuïteit zou de heer De Cloe dan ook graag zien dat er een betere bestuurlijke inbedding komt van de euregio's, waarbij zijn voorkeur uitgaat naar een publiekrechtelijke status.
De provincie Limburg heeft in haar streven naar inhoudelijke optuiging van de euregio's, deze gebieden gevraagd om meer steun wat betreft de cofinanciering. In dat kader doet zij samen met nog twee specifieke euregio's de suggestie om het Arnhemoverleg te reanimeren. Naar verluidt, is de staatssecretaris evenwel voornemens om een splitsing in genoemd overleg aan te brengen. Waarop is dit voornemen gebaseerd en is dit wel de goede weg? In hoeverre vindt hierover overleg plaats met het interprovinciaal overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG)?
Met betrekking tot de grensoverschrijdende projecten heeft de Duitse Bondskanselier Schröder zich positief over de aanpassing van het Verdrag van Anholt uitgelaten. Aangezien hij dit weekend in Nederland is voor onder meer een gesprek met premier Kok, is dat tevens een goede gelegenheid om hem hierop in stimulerende zin nader aan te spreken, juist waar het op dit beleidsterrein nog steeds aan echte voortgang ontbreekt.
In 1998 is door de Kamer verzocht om het opzetten van een experiment in Zuid-Limburg, maar tot nu toe is er formeel nog steeds niets geregeld. In ieder geval dient, ook ten behoeve van eventuele investeerders, helder aangegeven te worden wat de verdere marsroute omtrent de inwerkingtreding van genoemd verdrag is en hoe het nader zal worden ingevuld.
De heer De Cloe zou niet graag zien dat, zoals de staatssecretaris van BZK tijdens de begrotingsbehandeling heeft aangegeven, het ECGS regionaal begrensd is. Het expertisecentrum is destijds opgezet met als uitgangspunt dat het zich zou bezighouden met het totale aspect van de grensoverschrijdende samenwerking en dat het zich dus niet alleen beperkt tot Limburg. Juist waar er meerdere kenniscentra zijn, zoals Informatievoorziening en stimulering grensoverschrijdende samenwerking van EZ en het steunpunt Grensstreek van Financiën, geeft de heer De Cloe de voorkeur aan meer eenduidigheid en bundeling van alle kennis in het ECGS in plaats van allerlei centra in stand te houden die naast elkaar werken.
Hij zet vraagtekens bij de eerder gedane uitspraak van de staatssecretaris van BZK geen heil te zien in de grenslandtoets omdat die de wetgeving terzake alleen maar zou vertragen. Op het moment dat getoetst wordt, kan bijvoorbeeld boven water komen dat iets voor Nederland in totaliteit goed is, maar voor de grensstreek nadelig. Het resultaat van een dergelijke toets behoeft weliswaar niet altijd even gunstig uit te pakken, maar het is wel van belang die te plegen. Bovendien behoeft die niet vertragend te werken op wetgeving, want bij de opstelling ervan kan wel degelijk aangegeven worden wat het gevolg en de doorwerking ervan is voor de grensstreek.
De heer Weekers (VVD) heeft op zichzelf waardering voor de brieven, maar constateert evenals de heer De Cloe dat daarin vooralsnog een duidelijke visie van het kabinet ontbreekt op de grensoverschrijdende samenwerking, met name de toekomstige rol, plaats en samenstelling van de euregio's. Hoe kijken de bewindslieden bijvoorbeeld aan tegen de verschillen in structuur van de regio's en wat is naar hun oordeel de meest wenselijk structuur in dit verband?
Wat betreft de samenwerking met andere departementen op dit beleidsterrein is meer coördinatie nodig. Op dit moment worden knelpunten nog te zeer ad hoc opgepakt. Het lijkt erop dat soms de ene hand van het kabinet niet weet wat de andere hand doet.
De uitspraak in het kabinetsstandpunt over de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking d.d. 13 juli jl. dat voor een goede grensoverschrijdende samenwerking en voor het bestaansrecht van de euregio een hechte bestuurlijke inbedding noodzakelijk is, roept de vraag op hoe het kabinet hieraan invulling wenst te geven.
Aangezien op grond van het Beneluxverdrag er wat betreft grensoverschrijdende samenwerking meer mogelijk is dan op basis van het Verdrag van Anholt, is de staatssecretaris van BZK bezig om laatstgenoemd verdrag aan te passen. Worden de bevoegdheden conform het Beneluxverdrag in de praktijk ook daadwerkelijk gebruikt en, zo ja, wat zijn de ervaringen daarmee? Waarom reageert Duitsland tot nu toe zo terughoudend waar het aanpassing van het Verdrag van Anholt betreft?
Met betrekking tot het grensoverschrijdend bedrijventerrein (GOB) Avantis (Aken en Heerlen) verneemt de heer Weekers graag of het inderdaad zal lukken om, zoals eerder aangegeven door het kabinet, nog dit jaar met een ontwerpverdrag te komen en wanneer het feitelijk tot uitvoering kan worden gebracht.
De staatssecretaris van BZK is voornemens om samen met zijn collega's in Duitsland en België een gids uit te brengen, waarin de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden op organisatorisch gebied, met name ten aanzien van de rampenbestrijding, worden vermeld. Wat is de reactie van zijn ambtgenoten daarop en hoe participeren andere betrokken overheden daarin? Staan de neuzen wel dezelfde kant op?
Op blz. 20 van het kabinetsstandpunt over grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking wordt melding gemaakt van nog bestaande problemen op het gebied van wet- en regelgeving, problemen van technische aard en problemen door cultuurverschillen. Op welke wijze worden die problemen aangepakt?
De heer Weekers sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer De Cloe over het Arnhemoverleg en de grenslandtoets.
Met het oog op de expertise en de invloed van met name lagere overheden op de Europese besluitvorming is het een goede ontwikkeling dat op 30 maart jl. het Nederlandse huis der provincies te Brussel is geoperationaliseerd.
De permanente vertegenwoordiging die de voorstellen van de Europese Commissie beoordeelt, werkt op dit moment nauw samen met IPO en VNG. Kan reeds enig inzicht gegeven worden in de resultaten ervan? Uit reacties van met name de provincie Limburg blijkt dat er behoefte bestaat bij provincies die grenzen aan het buitenland om hierin te participeren. Ziet de staatssecretaris van BZK daartoe mogelijkheden, zonder dat dit de snelheid van de processen frustreert? Het zou in ieder geval goed zijn wanneer bij de beoordeling van de voorstellen van de Commissie ook mensen worden betrokken met een meer praktische blik.
Hoewel het niet de bedoeling is om de plaatsen waar op dit moment bepaalde kennis aanwezig is, over te hevelen naar het ECGS, zou dit centrum wel heel goed kunnen functioneren als een soort grenslandportaal dat in staat is om eenieder met vragen door te geleiden naar de juiste vraagbaak.
Het rapport «Ondernemen in de grensstreek» dat anderhalf jaar geleden is uitgebracht, beschrijft een aantal praktische ervaringen met de wat terughoudende Duitse opstelling terzake van grensoverschrijdende projecten, met name waar het gaat om de fiscale aspecten. Hoe ervaart de staatssecretaris van Financiën zelf de samenwerking met de Bondsrepubliek op dit punt?
Er worden tot nu toe intensieve pogingen gedaan door het kabinet om grensoverschrijdende arbeid gemakkelijker te maken. Het nieuwe belastingstelsel leidt er terecht toe dat bepaalde belastingvoordelen ook ten goede komen aan grensarbeiders. Daarnaast is het een goede ontwikkeling dat in de Veegwet een aanpassing is verricht ten aanzien van de overdracht van de heffingskorting van de niet-werkende partner. Wellicht dat de staatssecretaris van Financiën de bij sommige grensarbeiders aanwezige ongerustheid over voor hen eventuele nadelige effecten van het nieuwe belastingregime weg kan nemen.
Het stemt tot tevredenheid dat het kabinet ook hard werkt aan een betere coördinatie tussen fiscaliteit en sociale zekerheid. Begin dit jaar is aangekondigd dat er met België overeenstemming is over een nieuw belastingverdrag. Wanneer kan de Kamer daarvan kennis nemen en kan al iets meer duidelijkheid gegeven worden over een in het vooruitzicht gestelde compensatieregeling in verband met de effecten van dat verdrag? Komt er ook een regeling om mensen die in Nederland wonen en in Duitsland werken te compenseren en zo ja, wanneer? Wat is overigens de stand van zaken rond het zogenaamde kapstokartikel en het aanvullend protocol?
In februari jl. is in Heerlen het steunpunt Grensstreek geopend dat fungeert als belastinginformatiepunt. Wat zijn de tot nu toe daarmee opgedane ervaringen en is de beoogde proef waarbij Nederlandse en Duitse belastingambtenaren als vraagbaak dienen, reeds gestart? Wordt bij die proef ook het aspect van arbitrage ingebouwd, opdat cliënten klip en klaar vernemen wat hun rechtspositie is in fiscale zin en op het gebied van sociale zekerheid? Indachtig de eerdere toezegging van toenmalig staatssecretaris Vermeend over het aangaan van samenwerking op dit punt met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde genoemd steunpunt uit te breiden met expertise op het gebied van sociale zekerheid, vraagt de heer Weekers naar de voortgang op dit punt.
Tijdens het algemeen overleg d.d. 16 december 1999 (26 670, nr. 2) is door de staatssecretaris van BZK aangegeven dat de minister van VWS zou werken aan een verdrag met Duitsland over grensoverschrijdende gezondheidszorg. Is dat verdrag inmiddels gereed en wordt een vergelijkbaar verdrag met België gesloten? Wanneer komt er een concreet plan van aanpak voor grensoverschrijdende spoedeisende medische hulpverlening? Overigens zou er naar het oordeel van de heer Weekers in zijn algemeenheid een plan van aanpak moeten komen dat betrekking heeft op alle in de voortgangsrapportage genoemde aanbevelingen, inclusief tijdpad.
Mevrouw Van der Hoeven (CDA) constateert dat in deze stukken een achterliggende visie ontbreekt op de vraag hoe om te gaan met grensoverschrijdende samenwerking in het Europa van morgen, hetgeen te betreuren is aangezien de overheid juist ook op dit terrein tot keuzes wordt gedwongen. Als er geen met elkaar afgesproken kader is waarbinnen die samenwerking kan worden geplaatst, is het wel heel erg moeilijk om genoemde keuzes te maken. Het roept het gevaar op dat die keuzes arbitrair worden.
De Europese Unie als zodanig mag dan wellicht gezien worden als een voorbeeld van voortschrijdende samenwerking en integratie, maar gelet op de haarvaten van Europa in de vorm van onder meer de euregio's blijkt het toch lastig om alle verordeningen en richtlijnen om te zetten in tastbare resultaten waar de burgers profijt van hebben. Er bestaan dus wel degelijk nog praktische barrières. In dat licht is het niet verwonderlijk dat met name de desbetreffende grensbewoners weinig enthousiasme kunnen opbrengen voor Europa.
Beide nota's die nu ter bespreking voorliggen, geven een onthutsend beeld van de traagheid en stroperigheid van de grensoverschrijdende samenwerking op bijna elk terrein. Mevrouw Van der Hoeven doet in dit verband een oproep aan beide bewindslieden om waar mogelijk tot versnelling van de verdere uitvoering te komen, waarbij zij bijzondere aandacht vraagt voor de versterking van de politie in Zuid-Limburg en voor de reeds meermalen aangevraagde bestuurlijke proefprojecten in de Limburgse euregio.
Met betrekking tot grensoverschrijdende projecten is inmiddels een verdrag tussen Nederland en Duitsland in het vooruitzicht gesteld, maar nog steeds is niet duidelijk wanneer dat daadwerkelijk tot stand zal komen. Het is te hopen dat het een feit zal zijn voordat de korenwolven het gehele Avantisterrein in Limburg hebben gekraakt. Hoe ver staat het daarnaast met de voorbereidingen inzake het desbetreffende verdrag tussen Nederland en België? Zou het Beneluxverdrag op dit punt niet een kader kunnen bieden?
Voorwaarde voor totstandkoming van het ECGS dient naar het oordeel van mevrouw Van der Hoeven te zijn dat het een duidelijke meerwaarde heeft in de vorm van een soort helpdesk dat via een eenloketfunctie kanaliserend kan optreden waar het gaat om de verschillende projecten.
Het Anholtverdrag zal volgens het kabinet worden aangepast om onder andere de instelling van een gemeenschappelijk grensoverschrijdend publiekrechtelijk lichaam mogelijk te maken. Wanneer zal dat geëffectueerd worden en welke bevoegdheden zal dat publiekrechtelijk lichaam dan krijgen? De indruk bestaat vooralsnog dat met name de competentieverschillen tussen de Bond en de deelstaten tot veel problemen leiden.
Inzake de verschillen in medezeggenschapsregelingen wordt in de brief over de grensoverschrijdende projecten verwezen naar het Europese niveau. Hoewel er op dat niveau inderdaad een aantal zaken moeten worden opgepakt, betreft het hier bij uitstek een onderwerp dat om meer praktische oplossingen vraagt, waarbij onder meer verwezen kan worden naar de oplossing waarmee Esso Benelux inmiddels is gekomen.
Wat betreft de grensoverschrijdende politiële samenwerking wil mevrouw Van der Hoeven graag nader geïnformeerd worden over de voortgang in het kader van Dinxperlo/Suderwick en Baarle-Nassau/Baarle-Hertog.
Binnenkort wordt tussen Nederland en België een verdrag gesloten waardoor de transnationale universiteit Limburg een stap dichterbij lijkt te komen, hetgeen een goede ontwikkeling is. Biedt dit overigens niet tevens een aanzet om de transnationale faculteit Nederland/Duitsland mogelijk te maken?
Met betrekking tot het zogenaamde kapstokartikel in het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland zou mevrouw Van der Hoeven graag vernemen hoe het staat met de nadere uitwerking en de acceptatiegraad aan Duitse zijde. In het bijzonder zijn hierbij aandachtspunten de BTW-kwestie en het rijden in een auto met een kenteken van een ander land.
Op blz. 23 van de voortgangsrapportage over de grensoverschrijdende projecten (26 670, nr. 3) staat met betrekking tot het heffen van belastingen en premies bij grensarbeiders onder meer, dat het nog niet vaststaat in hoeverre de Nederlandse pendelaar die in Duitsland werkzaam is, aldaar een beroep op behandeling als inwoner van Duitsland kan doen en dat het volgens de Duitse nationale wetgeving in elk geval wel mogelijk is als ten minste 90% van het wereldinkomen van de pendelaar (voor gehuwden 90% van het gezamenlijke inkomen) ter belastingheffing aan Duitsland toekomt. Hoe vaak komt het echter voor dat gehuwden beiden pendelaars zijn? Als de een pendelaar is en de ander niet, zou deze regelgeving wel eens niet toepasbaar kunnen zijn, met alle gevolgen van dien. Relevant hierbij dient veeleer te zijn dat in de betrokken landen dezelfde keuze wordt gemaakt waar het gaat om woonstaat of werkstaat, dat er sprake is van een integrale opzet en dat bij wijzigingen in de wetgeving aan beide kanten een grenslandeffecttoets plaatsvindt.
Het kabinetsstandpunt over de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking bevat weliswaar veel informatie die evenwel niet altijd even veelbelovend is. Zo is er reden tot zorg over de naleving van de Europese regelgeving op decentraal niveau. Uit onderzoek blijkt dat de mate van naleving bij gemeentes slechts 25% is. Hoe wordt dit probleem aangepakt en welke positie is hierbij weggelegd voor het kenniscentrum Europadecentrale overheden?
De grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking kent zowel een privaatrechtelijke variant, euregio Maas-Rijn, als een publiekrechtelijke variant, euregio Rijn-Waal. Wat zijn de mogelijkheden en eventueel belemmeringen voor een verdere uitgroei bijvoorbeeld waar het gaat om een hechte en bestendige bestuurlijke inbedding?
Tijdens de onlangs gehouden Beneluxconferentie in Baarle-Nassau/Baarle-Hertog over grensoverschrijdend ambulancevervoer is onder andere naar voren gekomen dat er heel veel behoefte bestaat aan het inrichten van een helpdesk op dat punt om zodoende beter in te kunnen spelen op de verschillende praktische problemen en vragen. Zien de bewindslieden mogelijkheden om die helpdeskfunctie te faciliëren?
Het Gemeenschappelijk orgaan Baarle is in 1998 opgericht en heeft een eigen statuut, maar onduidelijk is welke feitelijke bevoegdheden dit orgaan heeft en over welke financiële faciliteiten het beschikt. Daarnaast verneemt mevrouw Van der Hoeven graag wat de meerwaarde, de agenda en de doelstellingen zijn van het bestuurlijk overleg tussen Nederland en Duitsland en dat tussen Nederland en België.
Ten aanzien van de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking ligt een indrukwekkende waslijst van initiatieven en projecten voor, maar de opgave is vervolgens om gezamenlijk die samenwerking duidelijker op de maatschappelijke en politieke kaart te zetten. Wil men mensen interesseren voor Europa, dan moet begonnen worden in de regio. Geconstateerd moet evenwel worden dat, alle goede bedoelingen ten spijt, er juist ten aanzien van het probleemoplossend vermogen van de euregio's, nog sprake is van een groot aantal knelpunten.
De heer Hoekema (D66) heeft uit de lappendekken en wirwar aan gegevens die beide brieven bevatten als hoofdpunten kunnen destilleren: stimuleren, synchroniseren, weghalen van belemmeringen en informeren. Er zijn op z'n minst vijf niveaus waarop die vier taken aangepakt kunnen worden, te weten Brussel, rijksoverheid, provincie, de gemeentes en de grensoverschrijdende lichamen. Een en ander levert aldus een nogal ingewikkelde matrix op. Hoewel meer visie en coördinatie ten aanzien van dit beleidsonderwerp nodig zijn, heeft de heer Hoekema tegelijkertijd het gevoel dat in dezen het oude Chinese spreekwoord «laat duizend bloemen bloeien» ook wel van toepassing is. De overheid moet weliswaar aanjagen, belemmeringen weghalen en informeren, maar daar behoeft niet strikt vanuit de mal van Den Haag een eenduidig model op te worden toegepast. Is het bijvoorbeeld echt een probleem dat sommige euregio's publiekrechtelijk van karakter zijn en andere privaatrechtelijk? Is wat dat betreft synchronisatie echt gewenst?
Het eerste aandachtspunt betreft de, ook tijdens een enige tijd geleden plaatsgevonden werkbezoek van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan Limburg, duidelijk naar voren gekomen problemen op het gebied van de grensoverschrijdende samenwerking op medisch terrein. Deze problemen die zowel het ambulancevervoer betreffen als meer praktische kwesties, zoals verschillen in ziektekostenverzekering, met alle administratieve belemmeringen van dien, vragen om een snelle oplossing.
Daarnaast is het van belang dat bij grensoverschrijdende rampen en ongevallen gekomen wordt tot een zeer goede afstemming. Hoewel er in de stukken al een en ander over wordt gemeld, zou de heer Hoekema van de staatssecretaris van BZK graag vernemen op welke specifieke punten er te dien aanzien nog belemmeringen zijn. Zijn bijvoorbeeld de belemmeringen waarvan destijds sprake was bij de AWACS-ramp bij Geilenkirchen inmiddels weggenomen?
Het project met betrekking tot Baarle-Nassau/Baarle-Hertog is deels een voorbeeld van hoe het wel moet en deels een voorbeeld van hoe het juist niet moet. Ook hierbij moet de rijksoverheid in ieder geval haar eigen beperkingen kennen, aangezien de gemeentes het uiteindelijk zelf moeten doen, hetgeen onverlet laat dat diezelfde rijksoverheid samen met de provincie Noord-Brabant de taak heeft om beide gemeentes aan te jagen en te stimuleren, ook met subsidie voor ambtelijke bijstand. De vraag rijst in dit verband of wat betreft Baarle niet uitgegaan zou kunnen worden van een hoger ambitieniveau in de vorm van een grensoverschrijdend openbaar lichaam in plaats van het huidige gemeenschappelijk orgaan, zodat haar kansen om werkelijk tot een Europese gemeente door te groeien worden vergroot. Tevens is van belang dat de betrokken gemeentes zelf vaart zetten in het proces met name door een gezamenlijk raadhuis te laten bouwen.
Refererend aan de opzet in Dinxperlo-Suderwick, waarbij sprake is van een gemeenschappelijk politiebureau, is de heer Hoekema benieuwd te vernemen of de staatssecretaris van BZK van plan is dezelfde werkwijze toe te passen op andere grensgemeentes en zo ja, wat daartoe de mogelijkheden zijn.
Treffend is overigens de uitspraak van dezelfde staatssecretaris over de harmonisatie van nationale medezeggenschapsregelingen, ook gegeven de subsidiariteit. Los van zijn Europese achtergrond dringt zich overigens wel de vraag op wat hij als liberaal van een dergelijke harmonisatie vindt.
De heer Hoekema vraagt vervolgens aan de staatssecretaris van Financiën of er met betrekking tot de fiscale harmonisatie, onder andere met het oog op het weghalen van fiscale belemmeringen voor grensarbeid, een taak is weggelegd voor Europees commissaris Bolkestein dan wel of dit iets is wat Nederland bilateraal met België en Duitsland tot stand dient te brengen. Het is ter stimulering van grensarbeid in ieder geval van belang dat het beginsel van het in de werkstaat in aanmerking laten komen voor belasting- en premieheffing wettelijk geïmplementeerd wordt.
De schriftelijke uiteenzetting over het vennootschapsrecht geeft aan dat er met name ten opzichte van Duitsland nog de nodige verschillen bestaan op dit punt. Op welke manier zullen die worden weggenomen?
Tijdens een dit voorjaar afgelegd werkbezoek aan Sluis-Aardenburg is de heer Hoekema er door de plaatselijke autoriteiten op gewezen dat er weliswaar sprake is van een sterke oriëntatie op België maar dat er tot nu toe wat betreft de grensoverschrijdende samenwerking weinig resultaat wordt geboekt. Hij verzoekt de verantwoordelijk staatssecretaris om Zeeland in stimulerende zin te wijzen op de mogelijkheden van deze samenwerking.
Met name vanwege zijn voorlichtende en informerende rol richting gemeentes en provincies is het van enorm belang dat het kenniscentrum coördinatie Europadecentrale overheden verder goed van de grond komt. Waar tegelijkertijd gemeentes en provincies via IPO en VNG dan wel rechtstreeks in Brussel verkeren, moet er in die zin voor worden opgepast dat in Nederland activiteiten worden overgedaan die reeds in Brussel plaatsvinden. Tevens is er het risico dat gemeentes en provincies met voorbijgaan aan Den Haag rechtstreeks zaken gaan doen in Brussel.
Waar onlangs de minister van Justitie in de Kamer heeft toegegeven dat er nog heel weinig terecht is gekomen van het kenniscentrum Europees recht, is het wellicht zinnig dat de staatssecretaris van BZK eerstgenoemde hierop in meer aanjagende zin aanspreekt.
Zeer positief acht de heer Hoekema de toets bij de fiches terzake van de nieuwe Commissievoorstellen voor de decentrale overheden, hetgeen een zeer belangrijke vooruitgang is, ook bezien in het licht van de Europese wet- en regelgeving.
Hij sluit zich aan bij de prangende vraag van voorgaande sprekers wanneer het verdrag over de grensoverschrijdende samenwerking met betrekking tot bedrijfsterreinen tot stand komt en wanneer de aanpassing van het Anholtverdrag een feit zal zijn. Zal laatstgenoemde aanpassing inderdaad leiden tot dezelfde structuur als die van het Beneluxverdrag, waarbij burgerbindende besluiten kunnen worden genomen? Wordt dat Beneluxverdrag op dit ogenblik overigens al ten volle benut?
Er mag van worden uitgegaan dat het ECGS een meerwaarde heeft en terecht stelt het kabinet dat dit een voorbeeldfunctie voor de rest van Europa moet hebben. De heer Hoekema heeft sowieso de indruk dat waar het gaat om de praktijk van de grensoverschrijdende samenwerking, Nederland het helemaal niet zo slecht doet, gemeten naar de Europese schaal, hetgeen overigens niet wegneemt dat het binnen niet al te lange termijn met een eigen actieplan zou moeten komen teneinde de belemmeringen die er nog zijn weg te nemen, waarbij het Arnhemoverleg op een meer structurele leest zou dienen te worden geschoeid en er goed geluisterd moet worden naar klachten van burgers en ondernemers. Daar er nog steeds Nederlandse wetten en regels zijn die het samenwerken met het buitenland in de praktijk belemmeren, zou het dienstig zijn hiervan een inventarisatie te maken. In dat licht pleit de heer Hoekema er ook voor dat de grenslandtoets met iets meer welwillendheid wordt benaderd dan tot nu toe uit de stukken tot uitdrukking komt.
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft aan dat er de afgelopen jaren sprake is van een spectaculaire ontwikkeling van de Europese Unie. De totstandkoming van de interne markt in betrekkelijk weinig jaren heeft de verwachtingen van de sceptici op dit punt duidelijk gelogenstraft. Dat op die Europese markt een Europese munt tot stand komt, is iets wat zeer weinigen zes tot zeven jaar geleden voor mogelijk hadden gehouden. Daarnaast zijn de politie- en justitiesamenwerking in de Unie een integraal onderdeel uit gaan maken van het werk van wat vroeger vooral een economische doelorganisatie was. Genoemde ontwikkelingen hebben gevolgen voor zowel de decentrale overheden in de lidstaten als voor onder anderen bewoners van de grensstreek. De belemmeringen die burgers, ondanks de geschetste ontwikkeling van de Unie, nog steeds in hun dagelijks leven ervaren, nopen tot een extra inspanning van de decentrale en centrale overheden om die weg te nemen, teneinde de Unie ook concreet gestalte te geven.
Hoewel in de gehele Unie grensoverschrijdende samenwerking in een hogere versnelling is gekomen, moet wel geconstateerd worden dat het tempo als zodanig zeer wisselt van land tot land. De staatssecretaris heeft de indruk dat de intensiteit van de samenwerking langs de Nederlandse buitengrenzen grosso modo hoger ligt dan die langs de buitengrenzen van veel andere EU-lidstaten. Dat neemt niet weg dat er tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds sprake is van verschillende ambitieniveaus en dat de neuzen van die landen wat dat betreft dus niet dezelfde richting uitwijzen. Om die reden heeft de staatssecretaris samen met de staatssecretaris van Financiën besloten om een extra impuls te geven, teneinde de resterende knelpunten zo snel mogelijk weg te nemen. Derhalve wordt het onderwerp hoger op de politieke agenda geplaatst in Den Haag, in de regio's en in het samenwerkingsverband met België en Duitsland. Er is dus wel degelijk sprake van ambitie, hoewel beseft moeten worden dat er ook grenzen aan zijn, die onder andere te maken hebben met een andere competentieverdeling tussen de diverse lagen van de overheid aan weerszijden van de grens.
Op een viertal punten streeft het kabinet naar intensivering van het beleid terzake. Het eerste betreft de gevolgen van Europese regelgeving voor de Nederlandse decentrale overheden. Vorig jaar is een Europaoverleg tussen het rijk, IPO en VNG ingesteld, onder voorzitterschap van BZK, waarin nieuwe voorstellen van de Commissie, Interreg-programma's en dergelijke worden besproken op hun relevantie voor decentrale overheden. Evaluatie van dit overleg is voorzien in 2002. De eerste ervaringen zijn positief. Er is in heel Europa overigens een trend waarneembaar waarbij decentrale overheden vestigingen openen in Brussel. Zo is er het Nederlandse huis der provincies. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken is van oordeel dat er sprake is van goed en constructief overleg tussen de Nederlandse permanente vertegenwoordiging en die vestigingen van decentrale overheden.
Daarnaast is er het streven te komen tot het kenniscentrum Europadecentrale overheden, dat zich zal moeten richten op de gevolgen van bestaand en nieuw Europees beleid en regelgeving voor de decentrale overheden in geheel Nederland, waarbij «meer transparantie» het kernbegrip is. De decentrale overheden blijven overigens zelf verantwoordelijk voor de naleving van de EU-regels.
Verder zijn er beleidsintensiveringen ten behoeve van de euregio's. Vooralsnog wisselen de euregio's sterk in aard en effectiviteiten. Hoewel de staatssecretaris in beginsel voorstander is van een aanpak in de trant van «laat duizend bloemen bloeien» kan hij evenwel niet om de vaststelling heen dat er duidelijk voordelen zitten aan de meest vergaande constructie die de verdragen met Duitsland en de Benelux in dezen mogelijk maken. Het is van belang dat er voldoende bestuurlijk draagvlak wordt gecreëerd door de decentrale overheden in Nederland, Duitsland en België, hetgeen het best kan geschieden door middel van een grensoverschrijdend openbaar lichaam, dat namelijk besluiten kan nemen die de deelnemers binden. De Beneluxovereenkomst gaat zelfs een stap verder, waar deze ook derden kan binden. De besprekingen met Duitsland zijn er dan ook op gericht om via aanpassing van het Anholtverdrag ook die optie mogelijk te maken. Een tweede voordeel van een grensoverschrijdend openbaar lichaam is dat het rechtspersoonlijkheid heeft en derhalve zelf middelen kan verwerven en beheren. Het is uiteraard aan de decentrale overheden zelf om voor die constructie te kiezen. In dat licht is de staatssecretaris voornemens om aan de hand van een «peer review» samen met de euregio's tegen het licht te houden wat de verschillende ervaringen zijn en om de Kamer daarover in een volgend halfjaarlijks verslag te informeren. De indruk bestaat overigens dat nogal wat euregio's naar binnen zijn gekeerd. Ook de rol van de provincies in dit verband dient ook nader onder de loep te worden genomen. Aan de oostgrens zijn de provincies niet echt vertegenwoordigd in de euregio's, terwijl dat aan de zuidgrens wel het geval is.
Het Arnhemoverleg is enigszins stil komen te liggen. De euregio's verschillen zoveel dat ze niet veel samen doen, ook niet richting het rijk. Er wordt voorgesteld te komen tot een splitsing in twee deeloverleggen, omdat de Nederlands-Belgische problemen nogal wat blijken te verschillen van de Nederlands-Duitse. Voorzover de euregio's dat zelf zouden willen, dient de aandacht vooral gericht te worden op de praktijk van de problemen, waarbij gebruik zou kunnen worden gemaakt van de deskundigheid van het Beneluxsecretariaat. Dat zou ook van dienst kunnen zijn waar het gaat om het probleem van het identificeren van bepalingen in wetgeving die grensoverschrijdend bestuurlijke samenwerking in de weg staan. Vaak wordt namelijk door de Nederlandse decentrale overheden in nogal abstracte termen gesproken over grensproblemen, zonder dat helder is wat ze precies omvatten.
De staatssecretaris benadrukt weinig te klagen te hebben over de samenwerking met de collega's in het kabinet inzake het dossier van de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking. Zo verschijnt zeer binnenkort een uitvoerige kabinetsnota van de bewindslieden van onderwijs over de internationale dimensie van het onderwijs. Overigens bestaat de indruk dat er geen juridische belemmeringen van majeure aard zijn die samenwerking met hogescholen en universiteiten in Duitsland in de weg zouden staan op het gebied van de grensoverschrijdende faculteiten.
Een ander element van de intensivering is het voornemen om te starten met een jaarlijks politiek overleg met de gewesten en Länder aan de andere kant van de grens, onder meer vanwege het feit dat die bestuurslagen nogal wat eigen bevoegdheden hebben die in Nederland door het rijk worden uitgeoefend. Er kan derhalve niet alleen worden volstaan met een dialoog met Brussel en Berlijn. Tot nu toe is hierop uitgesproken positief gereageerd door de regeringen van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen, een reactie van Belgische kant moet nog komen. De gedachte is om genoemd overleg toe te spitsen op concrete punten, zoals politiesamenwerking.
Binnenkort ontvangen de staatssecretaris en de minister van BZK de betrokken bewindslieden uit Noordrijn-Westfalen, waarbij geprobeerd zal worden nadere afspraken te maken over grensoverschrijdende politiesamenwerking. Of Dinxperlo/Suderwick daarvan deel uit zal maken, is op dit moment niet te overzien. Overigens is het wel de bedoeling dat in algemene zin wordt gekeken naar intensivering van de politiesamenwerking met Duitsland, dus niet alleen met de deelstaten maar ook met de Bond zelf. Daarnaast zal de Kamer begin volgend jaar een evaluatie ontvangen van de politiesamenwerking tussen België en Nederland tijdens het EK 2000.
Een ander aandachtspunt in het overleg met België en Duitsland is de rampenbestrijding. Naar verwachting kunnen zeker met Duitsland op afzienbare termijn hierover nadere afspraken worden gemaakt. Ten aanzien van België zijn intussen de nodige initiatieven genomen op met name het punt van de samenwerking op het gebied van de ambulancehulpverlening. De staatssecretaris zegt vervolgens toe de suggestie inzake een helpdeskfunctie in relatie tot grensoverschrijdend ambulancevervoer door te sluizen naar de minister van VWS.
Met betrekking tot de grensoverschrijdende projecten wordt vooruitgang geboekt, zij het dat het allemaal nog wel wat sneller zou kunnen. Zo is Nedersaksen inmiddels toegetreden tot het overleg over de grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Ook zijn er voor de bedrijventerreinen vorderingen waar het gaat om het instellen van paritaire commissies die de praktische problemen aanpakken. Er is er een gestart op 28 september jl. in Europark (Coevorden-Emlichheim). Er komt er binnenkort een in Avantis (Heerlen-Aken) die zal bestaan uit vertegenwoordigers van de provincie Limburg, de Bezirksregiering Keulen en de gemeentes Heerlen en Aken. Daarnaast wordt gekeken naar de ontwikkeling van een bedrijventerrein Berg-Emmerich.
Bondskanselier Schröder heeft zich onlangs uitgesproken voor totstandkoming van een verdrag tussen Nederland en Duitsland over grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Zo'n signaal helpt zeer, juist waar de competentieverdeling in Duitsland wat ingewikkelder is dan die in Nederland. Van Nederlandse zijde wordt er veel energie in gestoken. De staatssecretaris geeft aan zelf hierover te hebben gesproken met zijn Duitse ambtgenoot. De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassadeur in Berlijn zijn op dit vlak ook zeer actief, terwijl ook de minister-president hierover herhaaldelijk overleg heeft met zijn ambtgenoot. Naar verwachting zal met betrekking tot genoemd verdrag voor het eind van dit jaar een memorandum of understanding worden getekend, dat een stappenplan zal omvatten om dat verdrag dichterbij te brengen. Naar de staatssecretaris hoopt, zal in dat plan tevens een verwijzing worden opgenomen om het Anholtverdrag zodanig te wijzigen dat de zo-even genoemde paritaire commissies publiekrechtelijke, dus burgerbindende besluiten kunnen nemen.
Bij de opzet van de grensoverschrijdende bedrijventerreinen behoort ook sprake te zijn van meer transparantie voor alle betrokkenen ten aanzien van juridische problemen in de grensstreken. In dat licht kan het prima initiatief van Limburg worden gezien tot oprichting van het ECGS. Voorwaarde hierbij dient dan wel te zijn dat er nauwe afstemming is met de overige informatiepunten, onder andere op fiscaal gebied, bijvoorbeeld via elektronische uitwisseling van gegevens. Het kenniscentrum zou zich niet alleen op Limburg maar op alle Nederlandse grensgebieden moeten richten en zal moeten fungeren als een soort virtual helpdesk die doorverwijst naar gespecialiseerde instanties, maar dan wel via één loket. Het kabinet is bereid om dit instituut gedurende drie jaar van een startsubsidie te voorzien. De staatssecretaris spreekt in dit licht de bereidheid uit om bij de decentrale overheden langs de grens te bepleiten dat men een actief aandeel neemt in het centrum, opdat er in de grensstreek voldoende draagvlak ontstaat om het instituut zelf van voldoende middelen te gaan voorzien. Het gaat niet aan dat provincies en gemeentes in de grensgebieden als het ware achterover gaan leunen in de overigens onterechte veronderstelling dat het rijk toch wel zal blijven financieren. Het is overigens van belang dat de beginfase niet al te ambitieus van opzet is. Men kan beter klein beginnen en iets snel en goed van de grond tillen, dan te lang bezig blijven met een zeer brede benadering die misschien minder draagvlak genereert. In dat licht is vooralsnog het initiatief toegesneden op het grootste knelpunt op korte termijn, namelijk de bedrijvenproblematiek. In de afspraken met Limburg is vastgelegd dat het centrum zich in de eerste plaats richt op informatievoorziening ten behoeve van grensarbeiders en bedrijven die overwegen zich op een grensoverschrijdend bedrijventerrein (GOB) of in een grensoverschrijdende verzamelgebouw te vestigen. Overigens is het zinnig om de rol en de financiële basis van dit initiatief aan de orde te stellen in het Arnhemoverleg en om er ook in Beneluxverband nader over van gedachten te wisselen, teneinde de mogelijkheden van het bereiken van synergie zoveel mogelijk te benutten.
Hoewel de gedachte van een grenslandtoets sympathiek is, is die buitengewoon moeilijk systematisch uitvoerbaar. De eerste horde is dat een regeling waarbij bijvoorbeeld Nederland en Duitsland allerlei uitzonde- ringsbepalingen en preferentiële arrangementen zouden overeenkomen voor grensregio's, de toets van het mededingingsbeleid van Brussel moet kunnen doorstaan. Een belangrijker argument is dat van de reciprociteit. Bij een grenslandtoets zou het idealiter zo moeten zijn dat de betrokken landen aan beide kanten van de grens hun wetgeving onderling afstem- men. Het probleem is evenwel dat Nederland aan twee landen grenst, België aan vier en Duitsland aan negen. Beseft moet dan ook worden dat het voor België en in het bijzonder Duitsland buitengewoonlijk moeilijk is om de nationale wetgeving uitsluitend aan te passen aan die van Nederland. Liever dan een generieke abstracte toetsing vanuit Den Haag ziet de staatssecretaris dan ook dat aan de hand van signalering van concrete problemen in de grensregio's, dus van onderop, wordt nagegaan hoe tot oplossingen kan worden gekomen.
De medezeggenschapsregelingen zijn in Brussel nog steeds in bespreking. Het Franse voorzitterschap doet een poging om de problemen op dat punt te overwinnen, maar de vorderingen zijn nog niet echt florissant te noemen. Mocht het uiteindelijk in Europees verband niet lukken om tot meer eenduidigheid terzake te komen, dan zal bezien moeten worden of bilateraal tot meer afstemming gekomen kan worden. De suggestie van mevrouw Van der Hoeven om hierbij dan ook te betrekken de praktische oplossingen zoals die gevonden zijn door bepaalde bedrijven, zal de staatssecretaris graag doorgeven aan zijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De gang van zaken in Baarle is nog steeds punt van aandacht. Op verzoek van de gemeente Baarle-Nassau is door het ministerie van BZK nagegaan of er juridische belemmeringen bestaan voor twee initiatieven om de samenwerking in Baarle te intensiveren, te weten realisering van een gemeenschappelijk gemeentehuis en aanstelling van een gemeenschappelijke gemeentesecretaris. Aan Nederlandse zijde bestaat voor geen van beide enige juridische belemmering. Het is dus een kwestie van politieke wil op lokaal niveau. Met betrekking tot de bestuursambtenaar heeft de staatssecretaris onlangs tijdens een werkbezoek getracht te bevorderen dat zowel de gemeente als de provincie wat meer bestuurlijke soepelheid aan de dag zouden leggen. Er is nu in redelijk overleg gekozen voor een constructie waarbij de provinciale subsidie geleidelijk wordt verminderd en naar verwachting zal de gemeente geleidelijk de kosten op zich nemen. Ten aanzien van de rol van de rijksoverheid zit er wat dat betreft niet meer in. Men heeft de voordelen van samenwerking, dus moet men er ook de kosten van accepteren.
De staatssecretaris van Financiën merkt met betrekking tot de voortgang en het tijdpad rond het wegnemen van de fiscale belemmeringen bij grensoverschrijdende projecten op dat de totstandkoming van het grote belastingverdrag met Duitsland enigszins is vertraagd, onder andere als gevolg van het feit dat er ook in dat land een grote belastinghervorming gaande is en men aldaar niet de benodigde ambtelijke capaciteit vrij kan maken ten behoeve van genoemd verdrag. Overigens behoeft dit beide landen niet op dit specifieke onderdeel te weerhouden om op korte termijn tot een oplossing te komen, aangezien er gekozen is voor opstelling van een aanvullend protocol bij het huidige, nog vigerende verdrag, waarin voornamelijk bijzondere regels worden neergelegd met betrekking tot de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting over de winst van bedrijven die zich op een grensoverschrijdend bedrijventerrein vestigen. Naar verwachting zal dat in december, uiterlijk januari in concept gereed zijn, waarna het medio 2001 voor implementatie in aanmerking komt.
Ten aanzien van de teruggaaf van de BTW ziet Duitsland geen kans, gezien de vele landsgrenzen, om alleen langs de grens met Nederland de problemen op te lossen. Wel is men bereid mee te werken aan vanuit Brussel geregisseerde oplossingen.
Voor de totstandkoming van het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België is grofweg sprake van hetzelfde tijdpad als geldt voor eerdergenoemd protocol. Er wordt op dit moment nog gewerkt aan de gemeenschappelijke toelichting. Naar aanleiding van de totstandkoming van dat nieuwe verdrag is een aantal compensatiemechanismen voor grensarbeiders van toepassing, aangezien er wordt overgegaan van het heffen op woonstaatbeginsel naar het heffen op werkstaatbeginsel, hetgeen met name gevolgen heeft voor aftrekposten die het woonland toekent. In het kader van het nieuw verdrag met Duitsland is geen behoefte aan dergelijke compensatie omdat aldaar de heffing op werkstaatbeginsel ook onder het huidige verdrag reeds wordt toegepast. Een en ander betekent overigens niet dat daarmee wat betreft grensarbeiders helemaal geen sprake is van meer of minder wenselijke effecten. Inkomenseffecten als gevolg van Nederlandse wetgeving kunnen wel degelijk beïnvloed worden door de in België en Duitsland gehanteerde belastingregimes. In ieder geval is bij de totstandkoming van het Nederlandse nieuwe belastingstelsel voor de 21ste eeuw, inclusief de Veegwet, geprobeerd een zo evenwichtig mogelijke oplossing te vinden voor de problematiek van de grensarbeiders.
Met betrekking tot de vraag of gelet op de fiscale harmonisatie, onder andere met het oog op het weghalen van fiscale belemmeringen voor grensarbeid, een taak is weggelegd voor Europees commissaris Bolkestein, merkt de staatssecretaris op dat het raakvlak met Europa er veeleer op neerkomt dat het een aantal kaders heeft bepaald waarbinnen de fiscale afspraken, ook in bilateraal verband, zich dienen te bewegen. Voorzover de staatssecretaris bekend, is er geen sprake van beleidsvoornemens of te duiden initiatieven van de zijde van de desbetreffende commissaris op dit punt.
Wat betreft het team grensoverschrijdend werken en ondernemen (GWO) is inmiddels door het ministerie van financiën van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen toegezegd dat deze voor de periode van een jaar zal deelnemen, terwijl Nedersaksen heeft aangegeven voor een periode van vier tot zes weken te zullen participeren. Daarnaast is de Nederlandse belastingdienst bezig om samen met Noordrijn-Westfalen een tweetalige brochure ten behoeve van de voorlichting over de fiscale aspecten die verbonden zijn aan het grensoverschrijdend werken en ondernemen te ontwikkelen. Momenteel is de status van de samenwerking er overigens vooral een van informatie-uitwisseling. Het is wel de verwachting dat in een volgende fase van de proef elementen aan de orde zullen komen, zoals gemeenschappelijk boekenonderzoek en het gemeenschappelijk volgen van fiscale trajecten.
Wat betreft de opmerking van mevrouw Van der Hoeven dat België en Luxemburg een oplossing hebben voor de situatie dat een ingezetene een voertuig met buitenlands kenteken mag rijden merkt de staatssecretaris op dat een dergelijke oplossing niet bekend is. Nadat hij kennis heeft genomen van die oplossing zal bezien worden of een dergelijke oplossing ook iets is voor Nederland.
Met betrekking tot fiscaliteit en sociale zekerheid is er contact geweest met Sociale Zaken. Tot nu toe blijkt de behoefte aan grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de sociale zekerheid minder groot dan wanneer het gaat om fiscale zaken. De staatssecretaris zegt overigens toe hierover nog nader contact op te nemen met Sociale Zaken zodat in de volgende rapportage in januari de laatste stand van zaken op dat punt meegedeeld kan worden.
Samenstelling: Leden: Schutte (RPF/GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), De Boer (PvdA), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD), De Swart (VVD).
Plv. leden: Rouvoet (RPF/GPV), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Bakker (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Wijn (CDA), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Cornielje (VVD), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Essers (VVD), Nicolaï (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26670-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.