nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid,
onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).Het wetsvoorstel tot wijziging
van de Wet algemene regels herindeling, de Provinciewet en de Gemeentewet
dat op dit moment in behandeling is bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal
bevat onder meer een verruiming van het begrip grenscorrectie van 10% tot
15% van het inwonertal van een bij de grenswijziging betrokken gemeente. Met
onderhavig wetsvoorstel wordt deze verruiming ongedaan gemaakt.
Het onderscheid tussen een wijziging van de gemeentelijke indeling en
een grenscorrectie heeft betrekking op de vraag of een wijziging van gemeentegrenzen
bij wet dient te worden vastgesteld of dat deze kan geschieden bij besluit
van provinciale staten of eventueel bij gelijkluidende besluiten van gemeenten
die daar overeenstemming over hebben bereikt. In de huidige Wet algemene regels
herindeling (Wet arhi) en Gemeentewet is bepaald dat onder een grenscorrectie
wordt verstaan een wijziging van een gemeentegrens die naar verwachting het
inwonertal van geen van de betrokken gemeenten met 10% of meer zal doen toe-
of afnemen. Indien het om een hoger inwonertal gaat, dient de grenswijziging
bij wet te worden vastgesteld. In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
algemene regels herindeling is zoals gezegd dit begrip verruimd tot 15% van
het inwonertal. Deze aanpassing is bij amendement in het wetsvoorstel ingebracht1. Overweging daarbij was dat er vertrouwen mag bestaan
dat ook herindelingen waarbij dit percentage maximaal 15% bedraagt aan provincies
kunnen worden overgelaten.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer der Staten-Generaal
zijn er bezwaren geuit tegen dit onderdeel van het voorstel. Vervolgens is
er tevens in de Tweede Kamer weer over het wetsvoorstel gesproken ook met
betrekking tot dit onderdeel. De Tweede Kamer bleek het wenselijk te vinden
dat het komt tot een voorspoedige afhandeling van het wetsvoorstel.2 Men had begrepen dat de verruiming van het begrip grenscorrectie
in dat opzicht een knelpunt vormde en heeft daarom aangegeven bereid te zijn
dit punt te willen heroverwegen. Om deze reden is op 10 februari 1999 een
brief aan de Eerste Kamer gezonden en daarin is het voornemen van de regering
kenbaar gemaakt een daartoe strekkend wetsontwerp voor te bereiden in de vorm
van een novelle3.
Het eerdergenoemde amendement was ingegeven door de wens de provincie
meer ruimte te bieden voor het zelfstandig vaststellen van grenswijzigingen.
Beoogd was derhalve een vergroting van de provinciale bevoegdheid.
In dat verband zou de regering in ieder geval een mogelijk misverstand willen
voorkomen, namelijk dat het verruimen van die bevoegdheid gezien zou moeten
worden als een tegenwicht tegen een versterking van de rol van de wetgever
in het herindelingsproces. Van een compensatie voor de provincie is geen sprake,
waarbij er ook op gewezen kan worden dat het wetsvoorstel ook niet voorziet
in een beperking van de wettelijke bevoegdheden van de provincie. De voorgestelde
wijziging van de Wet arhi neemt wel een aantal belemmeringen weg, die nu nog
bestaan voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dat
betekent echter geenszins dat daarmee zou worden afgedaan aan de verantwoordelijkheden
en de bevoegdheden van de provincie. Bij een wijziging van de gemeentelijke
indeling draagt de wetgever de in de Grondwet verankerde eindverantwoordelijkheid
en deze neemt ook de uiteindelijke beslissing. De provincie heeft een voorbereidende
en adviserende taak. Met de wetswijziging wordt deze bestaande bevoegdheidsverdeling
duidelijker weergegeven in de Wet arhi en worden als aangegeven belemmeringen
voor de minister weggenomen, aangezien deze niet stroken met zijn rol als
medewetgever. Dat betekent onder meer dat provinciale voorstellen worden aangeduid
als advies en dat de minister zonodig zelfstandig het initiatief kan nemen
een herindelingsprocedure te voeren. De mogelijkheid om een provincie tot
een procedure uit te nodigen blijft onverkort bestaan en dat zal ook de regel
blijven. De minister zal zeker niet lichtvaardig overgaan tot een eigen procedure.
Het ligt in ieder geval in de rede dat in overeenstemming met de normale bestuurlijke
verhoudingen dan eerst bestuurlijk overleg plaatsvindt, waarbij ook gesproken
wordt over de mogelijkheid dat de provincie de voorbereidingen ter hand neemt.
De regering heeft zich nimmer een groot voorstander betoond van het verruimen
van het begrip grenscorrectie. In artikel 123 van de Grondwet is bepaald dat
de wetgever de beslissing over een grenswijziging die niet gepaard gaat met
opheffing of instelling van gemeenten, over kan laten aan de andere overheden.
De bevoegdheid tot het vaststellen van grenscorrecties is toegekend aan provinciale
staten. Die bevoegdheid is niet bedoeld voor substantiële wijzigingen
van de bestuurlijke structuur, maar ziet op beperkte wijzigingen en geeft
de provincie de mogelijkheid bijvoorbeeld onpraktisch geworden grensbelopen
af te handelen of grondgebied voor een bouwlocatie aan een gemeente toe te
voegen. Het huidige percentage van 10% is uiteraard – net als ieder
ander percentage – arbitrair. Duidelijk is wel dat naarmate men het
percentage zou vergroten, men meer verwijderd raakt van het doel waarvoor
de bevoegdheid aan de provincie is toegekend. Overigens zij opgemerkt dat
de betekenis van de verruiming beperkt zou zijn aangezien het bij grenscorrecties
in de praktijk veelal om zeer geringe percentages gaat.
Om deze redenen wordt dan ook voorgesteld het percentage te handhaven
op ten hoogste 10% van het inwonertal van een betrokken gemeente. In dit wetsvoorstel
worden daartoe de bepalingen die betrekking hebben op de verruiming van het
begrip grenscorrectie geschrapt. Ook de daarmee verband houdende overgangsbepaling
van artikel VII, vierde lid, kan komen te vervallen. Artikel I, onderdeel
B, van dit wetsvoorstel heeft geen betrekking op het begrip grenscorrectie,
maar is van meer wetstechnische aard en ziet op het invoegen van een artikellid
aan artikel 19. Daarmee wordt duidelijker aangegeven dat de algemene regel
van artikel 10, dat een provincie geen voorbereidingen (meer) treft, indien
de minister voorbereidingen ter hand heeft genomen, ook van toepassing is
op een wijziging van de provinciale indeling.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
XNoot
1Kamerstukken II 1996/97, 25 234, nr. 14 (amendement van het lid Hoekema
c.s.).
XNoot
2Overleg van 1 februari 1999 over de beleidsnotitie gemeentelijke herindeling,
kamerstukken II 1998/99, 26 331, nr. 6.
XNoot
3Kamerstukken I 1998/99, 25 234, nr. 191.