Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26653 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26653 nr. 4 |
Vastgesteld 14 oktober 1999
De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 6 oktober 1999 overleg gevoerd met minister Jorritsma van Economische Zaken en staatssecretaris Ybema van Economische Zaken over:
– Slotwet voor het jaar 1998 (Hoofdstuk XIII) van het ministerie van Economische Zaken (26 653), de vragen en antwoorden;
– Slotwet voor het jaar 1998 van het Fonds economische structuurversterking (26 654), de vragen en antwoorden;
– financiële verantwoording voor het jaar 1998 (Hoofdstuk XIII) van het ministerie van Economische Zaken (26 541, nr. 47) en het rapport bij de financiële verantwoording voor het jaar 1998 (26 541, nr. 48);
– financiële verantwoording voor het jaar 1998 van het Fonds economische structuurversterking (26 541, nr. 51) en het rapport bij de financiële verantwoording voor het jaar 1998 (26 541, nr. 52);
– brief van de Algemene Rekenkamer, d.d. 29 juni 1999 inzake het rechtmatigheidsonderzoek voor het jaar 1998 (26 627, nr. 1 blz. 135 t/m 142).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Hindriks (PvdA) was er niet tevreden over dat in de stukken concrete resultaten ontbraken. Naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer rees de vraag of de minister verwacht dat zij volgend jaar de Indemniteitswet zal moeten hanteren en zo ja, wat daaruit de gevolgtrekking is. Welke concrete maatregelen zal zij nemen om een dergelijke situatie te vermijden? Hoeveel door EZ beheerde wetten en regelingen dragen bij aan de administratieve lasten van 16,4 mld., bij voorkeur weergegeven op basis van het EIM-model? Wat is daaraan verbeterd in 1998? Kunnen volgend jaar dezelfde gegevens worden 1 gepresenteerd? Wat zijn de drie meest belastende wetten van het ministerie? De hoeveelheid terrein is op grond van Stirea in 1998 geherstructureerd. Hoeveel hectaren nieuw terrein zijn feitelijk totstandgekomen, gespecificeerd naar terreinen voor zware industrie en havengebonden terreinen? Het is opvallend dat de kosten voor de leiding binnen het apparaat van f 150 000 naar f 200 000 per manjaar zijn gestegen en die voor juridische medewerkers van 160 000 naar 200 000. Wat is hiervoor de verklaring?
De minister is er niet in geslaagd met name de uitvoeringskant van de begroting te realiseren: voor Stirea is 30 mln. te weinig besteed, voor het MKB 10% te weinig, voor de export 100 mln. minder. Was het niet mogelijk om in de loop van 1998 bij te sturen? Kunnen de middelen niet flexibeler worden ingezet? Zijn er voor het MKB dit jaar risico's in de uitvoering te verwachten of zijn er maatregelen genomen om die te voorkomen? De kosten per aanvraag bij SMO zijn verdubbeld en de kosten per aanvraag bij BTS zijn met 62% verhoogd. Waarom is de bezetting niet aangepast aan het gedaalde aantal aanvragen?
Het is belangrijk dat volgend jaar kan worden gesproken over de prestaties die ten opzichte van de begroting zijn gerealiseerd. Dit dient te gebeuren aan de hand van een heldere staat. Deze helderheid geldt met name voor de hectaren bedrijfsterrein en herstructurering, voor de omzet die is begeleid door exportbevordering en voor het gefacilieerde budget voor onderzoek en ontwikkeling per regeling, waarbij de verhouding tussen inzet en subsidie van belang is. Voorts dient in het vervolg de verhouding tussen algemene kosten en specifieke kosten zichtbaar gemaakt en verklaard te worden.
De heer Leers (CDA) vond het jammer dat weinig commissieleden aanwezig waren, zeker met het oog op de «woensdag gehaktdag» oftewel de «derde woensdag in mei» die voor het eerst in 2000 zal plaatsvinden. In het rechtmatigheidsonderzoek van de Algemene Rekenkamer zijn zes van de tien onderzochte punten matig bevonden en zijn met name ernstige terkortkomingen op het gebied van automatisering geconstateerd. Voorts kondigt de rekenkamer een bezwarenonderzoek aan. Met nadruk vroeg de heer Leers om de genoemde tekortkomingen op korte termijn en structureel weg te werken. Kan de minister aangeven wat zij op welke termijn geregeld zal hebben?
De stijging van het aantal onderzoeken en opdrachten zou incidenteel zijn en konden niet van tevoren worden geraamd. Met deze stijging gaat EZ uit boven de 15% die in het regeerakkoord is afgesproken voor vermindering van kosten voor extern onderzoek. Sommige ministeries laten extern onderzoek niet meer op de post «extern personeel» drukken, maar bijvoorbeeld op de post «programmakosten». Doet EZ dit ook?
Het agentschap Senter heeft geen suppletoire begroting ingediend, hetgeen ook niet nodig is volgens de sturingsfilosofie van agentschappen. Volgens de Algemene Rekenkamer is er sprake van tekortkomingen bij Senter ten aanzien van de centrale registratie van contracten, waardoor geen inzicht bestaat in de volledigheid van aangegane verplichtingen boven f 100 000. Als dit zo is, hoe zal Senter dan worden afgerekend op zijn prestaties?
Kan de minister aangeven of het percentage voor vermindering van de administratievelastendruk, waarvan in de vorige kabinetsperiode reeds 10% is gerealiseerd, is verhoogd naar of verhoogd met 25? Aan de hand van de motie-Remkes uit 1997 zou sprake moeten zijn van een verhoging met 25%. Overigens dient ook de conclusie van de commissie-Slechte bij het geheel betrokken te worden dat in het afgelopen jaar in absolute zin een stijging heeft plaatsgevonden. Hoe denkt de minister voorts de administratievelastendruk per maatregel aan te geven? Kan zij ook aangeven wat zij precies verstaat onder de begrippen administratievelastendruk en vermindering van die druk? Kunnen de in de bijlage genoemde maatregelen zoveel mogelijk worden gekwantificeerd en van een tijdpad worden voorzien? Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre de GOM- en SENO-faciliteiten bijdragen aan het doel van de exportbevordering? Zijn er voor Stirea streefcijfers te geven voor de aantallen hectaren bedrijfsterreinen? Hoe zal de minister de beschikbare middelen voor de twinningcenters verdelen? Er zijn berichten dat de twinningcenters voor een deel leeg staan. Hoe staat het met het gebruik van deze ICT-centers?
Mevrouw Voûte-Droste (VVD) vond het belangrijk dat de output meetbaar en controleerbaar is. Het rapport van de Algemene Rekenkamer heeft zij dan ook met name op dat punt bekeken. Ondanks de kritiek die de rekenkamer heeft, concludeert zij dat de accountantscontrole voldoende basis vormde voor de beoordeling van de financiële verantwoording. De criteria die de rekenkamer bij haar beoordeling hanteert, zijn ook door de Tweede Kamer van tevoren vastgesteld.
Bij het agentschap Senter zijn tekortkomingen geconstateerd in het financiële beheer. Wat zijn hiervan de oorzaken en worden er maatregelen genomen? Zal het ministerie erin slagen om, mede op advies van de rekenkamer, de verantwoording over Senter sneller af te leggen? De intentie van de motie-Remkes over de vermindering van de administratievelastendruk was om de reeds bereikte vermindering van 10% te betrekken bij het totaal van 25% die gerealiseerd moest worden. Het aandeel van de Europese regelgeving in de administratieve lasten varieert van 35% tot 50%. Kan hieraan aandacht worden geschonken? Er is slechts een zwak verband tussen het instrument Stirea en de doelen van het grotestedenbeleid. Het is belangrijk dat succes wordt geboekt met dit beleid, met name voor het ondernemerschap. Stirea moet dan ook adequaat gebruikt worden. Wat zijn de uiteindelijke doelen van de twinningcenters? Kan duidelijkheid worden verschaft over de outputcijfers en de realiseerbaarheid van de doelen? Moet er sprake zijn van voldoende starters of van voldoende ICT-incentives?
Het antwoord van de bewindslieden van Economische Zaken
De minister erkende dat de financiële situatie op het ministerie nog niet ideaal is. Zij gaf aan dat het lastig is om het beleid op haar ministerie te meten, maar dat het geleidelijk aan beter gaat. Overigens gaat het niet alleen over de financiële verantwoording, maar ook over de resultaten van het uitgezette beleid.
Het rapport van de commissie-Slechte zal instrumenten opleveren om feitelijk en meer structureel iets te kunnen doen aan de vermindering van de administratievelastendruk. Zo zal in de toekomst bij iedere nieuw in te voeren maatregel beter bezien moeten worden wat de effecten daarvan zijn op de administratievelastendruk. Helaas zijn er geen betrouwbare cijfers beschikbaar over de effecten van de Europese regelgeving. Het verminderingspercentage waarover onduidelijkheid bestond, is overigens inderdaad in totaal 25, met de aantekening dat niet tot in lengte van dagen het jaar 1993 als basisjaar kan worden genomen. In de toekomst zou bijvoorbeeld beter gewerkt kunnen worden met een aantal «virtuele ondernemers» als basis voor een rekenmodel. Het basisbedrijfsregister wordt op heel korte termijn operationeel, maar dat betekent nog niet dat er direct zodanig mee kan worden gewerkt dat de administratievelastendruk lager wordt. In een later stadium zal hierop worden teruggekomen. Het is vooralsnog de vraag wat het verstandigste is: per regeling of integraal proberen om de druk terug te brengen. Zeker is dat hierover integraal meer zal moeten worden gesproken en gerapporteerd. De Vestigingswet is voor het ministerie van Economische Zaken de grootste veroorzaker van administratieve lasten en daarnaast zijn te noemen het CBS, de Mijnbouwwet en de Handelsregisterwet.
De minister was blij met de uitkomsten in het rapport van de Algemene Rekenkamer. Zij tekende hierbij aan dat de normen die de rekenkamer hanteerde, voor een groot deel pas na afloop van 1998 bekend werden en verder gingen dan die voor 1997. Daar komt bij dat het oordeel van de rekenkamer erg streng is – al bij één tekortkoming komt dat neer op «matig» – en dat de financiële afdeling van EZ momenteel veel te verwerken heeft. Ten aanzien van het laatste is het correct dat de rekenkamer een pas op de plaats maakt met de verdere uitwerking van de ijkpuntenstrategie en de intentie heeft om niet meer in de loop van een jaar nieuwe ijkpunten aan te reiken.
Van de vier onderzochte ijkpunten die rijksbreed gelden, heeft de automatisering bij geen enkel departement een voldoende gekregen. Bij EZ bleek slechts een van de vier betrokken onderdelen de vereiste afhankelijkheids- en risicoanalyse niet klaar te hebben. Er bestaat geen ongerustheid over de uitkomst van het bezwarenonderzoek naar de autorisaties. Zo bleek ook uit het bezwarenonderzoek bij Senter dat het voorzieningenbeleid toch goed was en in overeenstemming was met de wet- en regelgeving. De tekortkomingen in het financieel beheer betroffen alleen het ontbreken van een centraal contractenregister, hetgeen een technische aangelegenheid betreft die dit jaar wordt rechtgetrokken. Overigens is de Indemniteitswet in het geheel niet aan de orde, aangezien die alleen geldt als concrete uitgaven niet rechtmatig zijn en daar is geen sprake van.
De tekortkomingen bij het FAS zijn minder ernstig dan door de rekenkamer wordt gesuggereerd. De lijsten die in eerste instantie door de accountant werden gebruikt, bleken af te wijken van die welke door de financiële administratie waren gebruikt. Inhoudelijk waren er echter geen verschillen. De minister zegde toe de commissie schriftelijk te informeren over de omvang van de verschillen en aan te geven wat de twee belangrijkste posten waren die deze veroorzaakten. Er was ook geen sprake van extra comptabiliteit. Zij zal voorts schriftelijk laten weten welke beschrijving zal worden opgezet voor de onderhoudsorganisatie van de administratieve organisatie.
Voor de twinningcenters was onder meer als doel gesteld dat er 40 tot 45 nieuwe ondernemingen in de centers zouden worden gehuisvest en dat er jaarlijks 60 nieuwe ondernemingen zouden starten. De minister wees erop dat de centers nog maar kort bestaan en dat het doel niet is om de gebouwen volledig bezet te krijgen. Bovendien is hierbij kwaliteit belangrijker dan kwantiteit. Na de eerste jaarrapportage zal de minister beoordelen of en in hoeverre de centers de doelstellingen hebben bereikt en of er verbeteringen moeten worden aangebracht. Deze rapportage zal begin 2000 aan de Kamer worden toegestuurd.
In het artikel over het extern onderzoek zijn de posten onderzoek, opdrachten en studies bij elkaar opgeteld. Het ministerie van Economische Zaken voert relatief weinig evaluatieonderzoek intern uit, waardoor nogal wat extern onderzoek noodzakelijk is. De groei van de personele kosten voor de algemene leiding heeft te maken met de omvang van de materiële kosten, met name voor de reizen die in 1998 zijn gemaakt. De groei van de juridische kosten heeft te maken met de hogere kosten voor de landsadvocaat die niet van tevoren te ramen waren. De minister zegde toe schriftelijk een overzicht te verschaffen van de personele en juridische kosten. Zij zal dan ook aangeven of er externe onderzoeken op bijvoorbeeld de post «programmakosten» zijn geboekt.
De staatssecretaris gaf aan dat het primaire doel van Stirea is om voldoende aanbod van bedrijfsterreinen te bewerkstelligen. Daarbij gaat het niet alleen om aantallen en hectaren, maar ook om verbetering van de kwaliteit van de terreinen. Bij de uitvoering van de huidige regeling, die zal overgaan in de tenderregeling investeringsprogramma's provincies, is de toewijzing gebaseerd op een fiftyfiftyverhouding tussen de herstructurering en de uitbreiding van terreinen. Tot nu toe was er sprake van vier herstructurerings- en vier uitbreidingsprojecten. Het is niet makkelijk om het aantal hectaren aan te geven waarnaar wordt gestreefd, aangezien het gaat om een tenderregeling. Daarbij is het ministerie afhankelijk van de indiening van goede projecten, die groot of klein kunnen zijn. Voorts dient rekening te worden gehouden met de consequenties voor het RO-beleid, zowel op rijksniveau als op provinciaal en gemeentelijk niveau. De staatssecretaris zegde toe ondanks deze beperkingen te proberen om streefcijfers te verstrekken. Aan een meer prestatiegerichte begroting zal, voorzover redelijkerwijs mogelijk is, door het ministerie zeker worden meegewerkt.
De relatie tussen Stirea en het grotestedenbeleid komt vooral voort uit het feit dat veel van de economische activiteiten in de grote steden plaatsvinden, waaronder het realiseren en opknappen van bedrijfsterreinen. Het grootste deel van de voor deze regeling beschikbare middelen is in 1999 terechtgekomen bij de grote steden. De onderuitputting in 1998 is ontstaan doordat een aantal projecten voor dat jaar al waren gerealiseerd en betaald in 1997, zodat zij niet meer ten laste kwamen van de begroting 1998.
Voor de onderuitputting MKB en de verminderde borgstelling zijn twee verklaringen te geven. Allereerst gaat het economisch beter dan een aantal jaren geleden, waardoor er relatief weinig verliezen hoefden te worden afgewerkt. Voorts werden minder borgstellingsverplichtingen afgegeven omdat een van de banken die hierbij een belangrijke rol spelen, een terughoudend verstrekkingenbeleid voerde in verband met de specifieke situatie bij die bank.
Het is lastig om voor de SENO- en GOM-regelingen vast te stellen hoe deze beleidsinstrumenten hebben bijgedragen aan het stimuleren van opkomende markten. Dit wordt immers ook beïnvloed door andere en sterkere krachten. Bij de evaluatie van de SENO-regeling wordt nu nadrukkelijker bezien wat de bijdrage is van de doelstellingen van dit instrument, hetgeen eventueel kan leiden tot een bijstelling van die doelstellingen. Bij de tussentijdse evaluatie van de GOM-regeling in 2000 zal hier ook nadrukkelijker naar gekeken worden. De Kamer zal zo goed mogelijk worden geïnformeerd over de bevindingen.
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), M. B. Vos (GroenLinks), Van Zuijlen (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Hofstra (VVD), Van Walsem (D66), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Verburg (CDA), Bos (PvdA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA).
Plv. leden: Verbugt (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GroenLinks), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Bakker (D66), Van Baalen (VVD), Schimmel (D66), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Koenders (PvdA), Udo (VVD), Hamer (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26653-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.