Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26653 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26653 nr. 3 |
Vastgesteld 27 september 1999
De vaste commissie voor Economische Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de volgende vragen aan de regering voorgelegd en daarop de volgende antwoorden ontvangen.
Hiermee acht de commissie de openbare beraadslaging voldoende voorbereid.
Komen de hogere verplichtingen voor onderzoeken en opdrachten bij overige onderdelen van het ministerie voort uit een stijging van het aantal onderzoeken en opdrachten of uit een stijging van de kosten hiervan?
Op de hier bedoelde onderdelen van artikel 01.01 wordt, naast een regulier budget voor onderzoek en opdrachten van enkele stafdirecties, ook de ruimte geraamd voor jaarlijks voorkomende opdrachten met een incidenteel karakter.
De hogere verplichtingen worden voornamelijk door deze laatste post veroorzaakt. Omdat voor dit deel van het budget het aantal opdrachten of de kosten daarvan niet van tevoren kunnen worden geraamd, kan niet eenduidig worden geconcludeerd of er sprake is van meer opdrachten of van hogere kosten.
Welke onderzoeken zijn er bij de NMa en DTe niet tot uitvoering gekomen ten gevolge van het grotere werkaanbod met wettelijke afhandelingstermijn c.q. in verband met gewijzigd wetgevingstraject? (blz. 3)
De onderzoeken die bij de NMa geen doorgang hebben kunnen vinden, zijn economische onderzoeken en economische analyses van sectoren waarvan de NMa vermoedt dat daar de Mededingingswet overtreden wordt.
Bij de DTe gaat het met name om één groot onderzoek naar de invulling van de efficiencyfactor in de methode van tariefregulering. In de loop van 1998 werd besloten om de tariefregulering in een aanvullend wetsvoorstel, in plaats van in een algemene maatregel van bestuur te regelen. Een wetsvoorstel heeft een langere doorlooptijd dan een algemene maatregel van bestuur. Het onderzoek naar de tariefregulering is daarom niet in 1998 uitgevoerd, maar vindt plaats in 1999.
Waarom is van de totaal geraamde uitgaven voor Adviescolleges (f 1,765 miljoen) slechts f 206 000 gerealiseerd? (blz. 3)
De lage realisatie van de uitgaven voor de Adviescolleges heeft een ramingstechnisch karakter. Tot en met 1997 is de bijdrage aan de Adviesraad Wetenschap en Techniek (AWT) geraamd op artikel 02.12 Technologische vernieuwing. Ten laste van dit artikel is de subsidie voor 1998 aan de AWT eind 1997 verplicht en in 1998 betaald. Met ingang van 1998 wordt de bijdrage echter op artikel 01.15 Adviescolleges geraamd. Eind 1998 is de subsidie voor 1999 aan AWT toegezegd. De betaling op deze subsidietoezegging van f 1,3 mln vindt plaats in 1999 en niet in 1998, zoals oorspronkelijk op artikel 01.15 geraamd.
Hoe is de gestegen verplichting voor Twinning (f 20 miljoen) verdeeld over de zaaifondsen, het co-investeringsfonds en de centers? (blz. 4)
Bij brief van 31 augustus 1998 (Kamerstukken 1997/1998, 26 143 nrs. 412 en 1) is de Kamer geïnformeerd over de geraamde verdeling van het beschikbaar gestelde bedrag voor de eerste fase van het Twinning Concept van f 70 mln, waarvan de genoemde f 20 mln onderdeel uitmaakt. Hiervan is f 10 mln geraamd voor het eerste zaaifonds (Twinning Startfonds I), f 25 miljoen voor het co-investeringsfonds (Twinning Groeifonds) en de overige f 35 mln voor de implementatie en de uitvoeringskosten (onder andere Twinning Centers en Netwerk). De begroting heeft betrekking op de periode 1998 tot en met 2004.
Aan het management van Twinning Holding is gevraagd in het vierde kwartaal van dit jaar een businessplan en een geactualiseerd financieel lange termijn perspectief in te dienen. Dit kan tot een verhoging en een bijstelling van de verdeling van de beschikbare middelen leiden ten opzichte van hetgeen in 1998 werd aangenomen.
Waardoor is de langere voorbereidingstijd voor BTS-projecten te verklaren? (blz. 4)
De BTS-projecten zijn over het algemeen omvangrijk en complex. Zo kan het rond krijgen van de organisatorische (omvang van het samenwerkingsverband; ervaring van betrokken partijen met R&D-samenwerking) en financiële haalbaarheid zorgen voor een lange voorbereidingstijd. Ook de mate en de diepgang van de inhoudelijk uitwerking van de (eerste) voorstellen hebben grote invloed op de behandelingsduur.
Waaraan is de f 9,4 miljoen aan micro-elektronicaprojecten precies besteed? Ligt een continuering van de voorspoedige voortgang van deze projecten in het verschiet? (blz. 4)
Het betreft betalingen inzake projecten op het gebied van micro-elektronicastimulering aan onder meer de Nederlandse Philips Bedrijven en ASM Lithography. Enerzijds is een aantal omvangrijke slotbetalingen gedaan voor subsidies die in 1997 zijn toegezegd en waarvan de einddeclaratie in 1998 werd ontvangen. Anderzijds zijn er, voor hogere bedragen dan aanvankelijk verwacht, voorschotdeclaraties ingediend die betrekking hebben op de in 1998 toegezegde bedragen.
Of dit voor 1999 en volgende jaren ook het geval zal zijn, laat zich niet voorspellen. Het tempo waarin de bedrijven voorschotdeclaraties indienen en de omvang daarvan, kan van jaar tot jaar verschillen.
Kan een nadere toelichting gegeven worden op de huidige stand van zaken met betrekking tot de Koninklijke Schelde Groep? (blz. 5)
De vaste commissie voor Economische Zaken zal op korte termijn via een vertrouwelijke brief nader worden geïnformeerd over de stand van zaken rond de Koninklijke Schelde Groep.
Waaruit bestaan de administratieve gebreken op grond waarvan de bevoorschotting van oude verplichtingen pas later kan plaatsvinden? (blz. 6)
Bij de voorschotaanvragen voor een aantal projecten binnen het Bedrijfs Omgevingsbeleid waren de gegevens uit de voortgangsverslagen niet conform de voorgeschreven vormvereisten verstrekt. Doordat categorieën data ontbraken of voorlopige cijfers werden verstrekt, kon geen verantwoorde beslissing genomen worden over de voortgang en de bevoorschotting. Daarom was het noodzakelijk de desbetreffende gemeenten weer aan te schrijven en te wachten totdat het beeld compleet dan wel definitief was.
Waarom is er één bank terughoudender in het verstrekken van borgstellingskredieten dan de andere deelnemende banken? In hoeverre belemmert dit de uitvoering van de borgstellingsregeling? (blz. 6)
Het terughoudende verstrekkingsbeleid van deze bank heeft een incidenteel karakter. Deze bank heeft zich in 1998 terughoudend opgesteld in haar verstrekkingsbeleid omdat in 1997 het quotum van genoemde bank reeds relatief vroeg in het jaar volledig was uitgeput. Deze terughoudender opstelling heeft geresulteerd in een lager beroep op de faciliteit dan het door EZ beschikbaar gestelde plafond.
Deze onderuitputting vormt geen belemmering voor de uitvoering van de borgstellingsregeling. De banken als totaal hebben in de afgelopen jaren altijd nagenoeg het volledige quotum benut (1995–1998 gemiddeld 95%; 1998: 90,7%).
Hoe groot is het beroep dat de scheepvaartsector heeft gedaan op de BSE ten opzichte van andere aanvragers van de BSE? (blz. 7)
In 1998 bedraagt de aan de scheepsbouw toegezegde subsidie 91% van de totale uit het matchingfonds toegezegde subsidie. Dit is in lijn met de ervaring van de laatste jaren. In de jaren 1996 tot en met 1998 bedraagt de aan de scheepsbouw toegezegde subsidie gemiddeld 87% van de totale uit het matchingfonds toegezegde subsidie.
Wat zijn de oorzaken van de lagere uitgaven aan de EINP- en NEWS-regelingen? (blz. 9)
Wat zijn de redenen van de onderschrijding van de uitgaven op het Novemprogramma windenergie? (blz. 9)
In de praktijk blijkt dat de betalingen op de aangegane verplichtingen voor genoemde regelingen niet altijd het vooraf ingeschatte «kasritme» volgen. Dit leidt ertoe dat, alhoewel er op onderdeelniveau zo nauwkeurig mogelijk wordt geraamd, de daadwerkelijke uitgaven in enig jaar kunnen afwijken van de ramingen. Het betreft hier overigens uitsluitend het verloop van de betalingen. In beleidsmatig opzicht is er geen sprake van vertragingen.
Waarom is een deel van de verplichtingenruimte Nieuwe elektriciteitstechnologieën niet benut? (blz. 10)
Onder meer in afwachting van de conclusies op basis van een extern rapport in het kader van «nieuwe elektriciteitstechnologieën», zijn in 1998 geen verplichtingen op dit gebied aangegaan.
Ligt aan de financiering van de verhoging van de verplichtingen voor dit artikel 09.04 (f 5,3 miljoen) uit de artikelen 09.01 en 09.02 een beleidsverandering ten grondslag? (blz. 10)
Het overboeken van de verplichtingenruimte van de artikelen 09.01 en 09.02 naar 09.04 heeft een ramingstechnisch karakter. In eerste instantie was bij de raming van de artikelen 09.01 en 09.02 rekening gehouden met uitgaven ten behoeve van klimaatonderzoek. Met het oog op een juiste artikelbelasting is de verplichting, gezien het karakter daarvan, uiteindelijk ten laste gebracht van artikel 09.04. De daarvoor gereserveerde gelden zijn derhalve «overgeboekt».
Waarom konden er in het kader van het CO2-reductieplan maar in beperkte mate concrete verplichtingen worden aangegaan, zodanig dat van de oorspronkelijke geraamde verplichtingen na de 2e suppletore begroting van ruim f 72 miljoen maar bijna f 18,6 miljoen is gerealiseerd? (blz. 10)
Bij het opstellen van de 2e suppletore begroting 1998 ging de uitvoeringsorganisatie (i.c. Senter) er vanuit dat een aantal projecten nog in 1998 zou worden toegezegd. In de praktijk bleek dat het, in samenspraak met de respectieve aanvragers, volledig maken van de aanvragen meer tijd kostte dan oorspronkelijke werd aangenomen. De niet benutte verplichtingenruimte is doorgeschoven naar 1999. Tot op heden is in 1999 inmiddels voor totaal f 240 mln verplichtingen aangegaan in het kader van het CO2-reductieplan.
Wat is de achtergrond van de vordering op grond van de afrekening decentrale IPR op de provincies Overijssel en Gelderland? (blz. 12)
Tot en met 1992 was in diverse provincies een decentrale investeringspremieregeling van kracht. De financiële afwikkeling van deze regelingen heeft een aantal jaren in beslag genomen. De regelingen in Overijssel en Gelderland zijn, respectievelijk zullen, in 1999 formeel worden afgewikkeld. Op grond van accountantsverklaringen werd duidelijk dat een deel van de bedragen, die EZ als voorschot aan deze twee provincies ter beschikking had gesteld, niet tot daadwerkelijke besteding hadden geleid. Bij veel investeringsprojecten zijn de investeringen uiteindelijk lager uitgevallen dan wel niet gerealiseerd. Op grond van deze informatie heeft EZ een vordering op beide provincies ingesteld. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van Overijssel is de netto-vordering uiteindelijk verlaagd van f 15,3 mln naar f 14,2 mln.
Waarom heeft het agentschap Senter geen suppletore begrotingen ingediend? Verdient het aanbeveling dit in de toekomst wel te doen? (blz. 14)
Het achterwege laten van suppletore begrotingen voor Senter past bij de sturingsfilosofie ten aanzien van agentschappen: sturen op hoofdlijnen en op afstand, het vooraf maken van afspraken over het leveren van prestaties en het achteraf afleggen van verantwoording door het agentschap aan de hand van de geleverde prestaties en kengetallen. Dit betekent voor de begrotingscyclus dat in de afgelopen jaren voor Senter alleen een begroting en een slotwet is opgesteld en geen tussentijdse begrotingen zijn ingediend. Dit past ook binnen de wettelijke voorschriften die voor agentschappen wel een slotwet voorschrijven, maar het indienen van suppletore begrotingen vrij laten.
Het is echter niet uitgesloten dat er suppletore begrotingen voor Senter kunnen worden opgesteld. Majeure beleidswijzigingen, bijvoorbeeld het wegvallen van een groot deel van het opdrachtenpakket van Senter waardoor een aanzienlijk verlies verwacht wordt, kunnen aanleiding geven tot het indienen bij de Kamer van een suppletore begroting.
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GL), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), M. B. Vos (GL), Van Zuijlen (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Hofstra (VVD), Van Walsem (D66), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Verburg (CDA), Bos (PvdA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA).
Plv. leden: Verbugt (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GL), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GL), Schoenmakers (PvdA), Bakker (D66), Cornielje (VVD), Schimmel (D66), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Koenders (PvdA), Udo (VVD), Hamer (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26653-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.