26 642
Europees Sociaal Fonds (ESF)

nr. 90
BRIEF STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 september 2006

Bijgaand bied ik u aan het Operationeel Programma 2007–2013 voor de inzet van het Europees Structuurfonds onder Doelstelling 21, zoals aangekondigd in mijn brief van 28 augustus 2006, (kamerstuk 26 642, nr. 24).

In het Operationeel Programma (OP) 2007–2013 worden beleidskeuzen gemaakt en prioriteiten en acties bepaald voor de inzet van de aan Nederland toegewezen middelen uit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Middelen uit het ESF zijn bedoeld als aanvulling op de middelen uit de nationale begroting en niet ter compensatie van nationale bezuinigingsmaatregelen. De toekenning van ESF-middelen betreft altijd een deelfinanciering; aanvragers dienen een door de lidstaat bepaald deel als co-financiering bij te dragen.

De inrichting van het nieuwe programma is sterk bepaald door twee zaken:

1. een forse achteruitgang van de ter beschikking gestelde ESF-middelen.

2. een streven naar verbetering van de controle en het beheer van ESF-middelen.

Gegeven deze uitgangspunten, zijn op hoofdlijnen de volgende keuzen gemaakt voor de inhoud en inrichting van het nieuwe programma.

Ten opzichte van de periode 2000–2006 is het budget gedaald met tweederde. Waar voorheen sprake was van een jaarlijks beschikbaar bedrag van 307 miljoen euro (ESF3 en EQUAL), is dat voor de nieuwe periode 105 miljoen euro (prijzen 2004). Om deze teruggang op te vangen is in de eerste plaats de subsidiëring per aanvraag ingeperkt. Zo is het ESF subsidiepercentage teruggebracht van 50% tot 40% en dient er dus nu te worden gezorgd voor 60% co-financiering uit andere bronnen. Ook is de subsidiabiliteit van bepaalde kosten afgeschaft. De teruggang noopt tevens tot het aanbrengen van focus bij de inhoud van het programma.

Door middel van een zogeheten SWOT-analyse1 van de Nederlandse arbeidsmarkt is een aantal zwakten van de arbeidsmarkt geïdentificeerd. Een deel van deze zwakke punten is door het kabinet aangepakt via nieuw beleid dat in regelgeving is vertaald en door beschikbaarstelling van nationale middelen. Daarbij heb ik het oog op bijvoorbeeld de herinrichting van de sociale zekerheid die met invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet werk en bijstand gekenmerkt wordt door een meer activerende werking naar betaald werk, en op de beleidsintensivering en extra middelen voor bestrijding van het voortijdig schoolverlaten. In brede zin liggen de belangrijkste resterende zwakten én belangrijkste uitdagingen bij de onderkant van de arbeidsmarkt in het licht van de vergrijzing, de kenniseconomie en de globalisering. Er is sprake van onbenut arbeidspotentieel en de noodzaak tot voortdurende scholing om de gewenste versnelling in de toename van de arbeidsproductiviteit te realiseren en de concurrentiepositie van Nederland in het licht van de huidige uitdagingen hoog te houden.

Gegeven deze analyse heb ik voor de nieuwe programmaperiode voor twee prioriteiten gekozen:

• het verhogen van het arbeidsaanbod en een inclusieve arbeidsmarkt (gericht op werklozen);

• het vergroten van het aanpassingsvermogen en investeren in menselijk kapitaal (gericht op werkenden).

Met het oog op de gewenste focus en ter voorkoming van versnippering van de sterk verminderde middelen heb ik het aantal acties en het aantal actoren binnen deze prioriteiten beperkt gehouden. Ik heb in totaal vijf acties benoemd waarvoor ESF-subsidie kan worden aangevraagd. Met deze vijf acties worden zwakke punten van de Nederlandse arbeidsmarkt bestreken die gebaat zijn bij extra financiële ondersteuning. De prioriteiten en acties liggen in het verlengde van de door Europese Raad vastgestelde richtsnoeren voor economisch beleid en werkgelegenheid, gegeven de herziene Lissabonstrategie. Het stemt overeen met het kader van het Nationaal Strategisch Referentiekader Structuurfondsen 2007–2013 (NSR), dat separaat eveneens aan uw Kamer is aangeboden.

Een belangrijke actie onder de eerste prioriteit «verhogen van het arbeidsaanbod», is de mogelijkheid inactieven met een minder goede arbeidsmarktpositie (bijvoorbeeld ouderen, vrouwen, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en allochtonen) extra toe te rusten en snel te bemiddelen naar werk. Het gaat om een instrument voor bemiddeling van werklozen, voor wie de noodzaak van een intensief re-integratietraject niet aanwezig lijkt. Ik heb het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) voor deze actie aangewezen als centrale aanvrager voor het domein van werk en inkomen. De SUWI-partners CWI, gemeenten en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bepalen samen binnen het Algemeen Ketenoverleg (AKO) wie voor de extra toerusting met behulp van ESF-subsidie in aanmerking komt. Daarbij kan het AKO aansluiten bij bestrijding van problematiek in de grote steden, in casu de G31 en desgewenst met gemeenten tot meerjarige afspraken komen. In deze constructie wordt de samenwerking in de keten versterkt, wordt snelle bemiddeling naar werk waar mogelijk bevorderd en kan ESF-subsidie ten goede komen aan klanten van alle ketenpartners. Het AKO zal in deze handelen binnen de geldende beleidskaders. De extra toerusting van werkzoekenden wordt uitgewerkt tot een eenduidig format. Het CWI verzorgt de administratieve verwerking conform de verplichtingen verbonden aan ESF-subsidie.

Omwille van een inclusieve arbeidsmarkt zijn acties bepaald die toegang geven tot ESF-subsidie voor begeleiding bij de overgang naar de arbeidsmarkt van personen die buiten het reguliere bemiddelings- en re-integratiecircuit vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval met gedetineerden.

Bij-, om-, en opscholing van werkenden dient een speerpunt van beleid te blijven om te komen tot de gewenste kenniseconomie en het hoofd te kunnen bieden aan de concurrentie van buitenaf. Tegen die achtergrond is vooral het scholen van laagopgeleide werknemers van groot belang. Om die reden is de tweede prioriteit gekozen: het verhogen van het aanpassingsvermogen en investeren in menselijk kapitaal. Scholing van werkenden is de verantwoordelijkheid van de sociale partners die daarvoor de Opleidings- en ontwikkelingsfondsen (O&O fondsen) beheren. Over de periode 2000–2006 blijken de O&O fondsen de belangrijkste aanvragers van ESF-subsidie te zijn. Voor de aanstaande periode wil ik scholing van laagopgeleide werkenden opnieuw stimuleren door ESF-subsidie op ruime schaal beschikbaar te stellen voor aanvragende O&O fondsen.

Geconstateerd is dat de toename van de Nederlandse arbeidsproductiviteit te gering is. Slimmer werken of veranderingen in de organisatie kunnen zorgen voor meer productiviteit: sociale innovatie. Het kabinet is geadviseerd door de Taskforce Sociale Innovatie en de Sociaal Economische Raad om een faciliterende rol te vervullen bij sociale innovatie. Vandaar dat een deel van de ESF-middelen is gereserveerd voor sociaal innovatieve projecten die een hogere arbeidsproductiviteit bewerkstelligen. Om reden van facilitering en om het veelal experimentele karakter van de projecten, is voor dit onderdeel een subsidiepercentage van 75% ESF-subsidie bepaald.

Het OP is geschreven vanuit de huidige maatschappelijke en institutionele situatie. Daarom is in het OP opgenomen dat Nederland er vanuit gaat dat als maatschappelijke of institutionele wijzigingen daartoe aanleiding geven, het programma na goedkeuring door de EC als voorheen op de korte termijn kan worden aangepast. Bij de uitwerking van dit OP zal daarom voor het eerste jaar de duur van de projecten worden gemaximeerd tot één jaar.

Ik heb vermeld dat verbetering van beheer en controle van de ESF-middelen een belangrijk doel is geweest bij de inrichting van de beheer- en controlefuncties voor de nieuwe programmaperiode. De nieuwe inrichting is, naast de voorschriften van de Europese Commissie, gebaseerd op de ervaringen in de voorgaande periode. Als uitgangspunten voor de inrichting zijn gehanteerd:

– duidelijke functiescheiding

– eenduidige vorm van controle

– verhoogde efficiency door verbeterde samenwerking

– «single audit».

Deze duidelijke functiescheiding komt tot uiting in de opdracht en taakomschrijving van de drie ingestelde autoriteiten: de Managementautoriteit, de Certificeringsautoriteit en de Auditautoriteit. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is namens het kabinet inzake ESF opdrachtgever van deze autoriteiten en mandateert het opdrachtgeverschap aan de Directeur-Generaal Arbeidsmarktbeleid en Bijstand.

De Managementautoriteit is volledig verantwoordelijk voor de werving, subsidietoekenning en -betaling van projecten en heeft een financieel managementsysteem in beheer op basis waarvan de Certificerings- , respectievelijk Auditautoriteit, kunnen werken. Voor de periode 2007–2013 zal het Agentschap SZW fungeren als Managementautoriteit voor ESF. De Certificeringsautoriteit, die ondermeer de deugdelijkheid van declaraties aan de Europese Commissie vaststelt, is ondergebracht bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De Dienst Regelingen voert haar certificeringstaak eveneens uit voor EFRO en daarmee voor alle programma’s onder doelstelling 2.

De Minister van Financiën legt met ingang van de nieuwe programmaperiode jaarlijks verantwoording af over het gebruik van de Europese structuurfondsen in Nederland, de zogeheten «Nationale verklaring». In samenwerking tussen de ministeries van SZW, EZ en Financiën, wordt gewerkt aan een voorstel voor de auditstructuur, ter beoordeling van de werking van het management- en controlsysteem.

Zodra de Strategische Richtlijnen voor de nieuwe periode van de structuurfondsen zijn vastgesteld door de Europese Commissie, kan het NSR aan de Commissie wordt aangeboden. Tegelijkertijd zal ook het Operationeel Programma ESF 2007–2013 ter goedkeuring aan de Commissie worden voorgelegd. Naar verwachting kan dit laatste rond 1 november plaatsvinden. Het streven is om zo spoedig mogelijk in 2007 het nieuwe ESF-programma voor aanvragen open te stellen. Daartoe wordt een ministeriële regeling opgesteld waarin meer gedetailleerd de subsidievoorwaarden zijn opgenomen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Analyse op basis van Strength, Weaknesses, Opportunities, Threats.

Naar boven