nr. 21
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 31 januari 2001
In het voorstel van wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A
Vóór de tekst van artikel 1 wordt het cijfer 1 geplaatst,
terwijl daaraan wordt toegevoegd een nieuw lid dat luidt als volgt:
2. Deze wet is niet van toepassing op het bewaren en gebruiken van foetaal
weefsel voor pathologisch-anatomisch onderzoek ten behoeve van de vrouw.
B
Aan artikel 3, vierde lid, wordt toegevoegd: Indien blijkt dat degene
van wie de zaadcellen afkomstig zijn, een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel van de vrouw, vindt bewaring of gebruik van
het foetaal weefsel geen doorgang indien hij dat verzoekt.
C
Artikel 5, derde lid, komt te luiden:
3. Is de toestemming geweigerd, dan wordt het desbetreffende foetaal weefsel
niet langer bewaard. Hetzelfde geldt indien de toestemming wordt ingetrokken,
bezwaar is gemaakt of een verzoek is gedaan als bedoeld in de tweede volzin
van artikel 3, vierde lid, tenzij het foetaal weefsel niet meer kan worden
herleid tot degene die het ter beschikking heeft gesteld.
D
Aan artikel 5a, tweede lid, wordt toegevoegd: Een krachtens de eerste
volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan
de beide kamers der Staten-Generaal.
E
Aan artikel 6, eerste lid, wordt toegevoegd: Indien de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel niet in de gelegenheid is gesteld gebruik te
maken van de in artikel 3, vierde lid, bedoelde bevoegdheid, wordt het foetaal
weefsel zodanig bewaard dat het niet tot de vrouw of haar echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel herleidbaar is. Blijkt dat degene van wie de
zaadcellen afkomstig zijn, een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel van de vrouw, dan wordt het foetaal weefsel
op zijn verzoek zodanig bewaard dat het niet tot hem herleidbaar is.
F
In artikel 12, eerste lid, wordt «het bepaalde in de artikelen»
vervangen door: het bepaalde bij of krachtens de artikelen.
Toelichting
Onderdeel A bewerkstelligt dat het wetsvoorstel niet van toepassing is
op het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel voor pathologisch-anatomisch
onderzoek. Dit onderzoek is gericht op het achterhalen van de oorzaak van
een miskraam of op verificatie van de bevindingen bij prenatale diagnostiek
en vindt plaats ten behoeve van de betrokken vrouw zelf. Daarvoor is de regeling
betreffende de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling voldoende.
De onderdelen B, C en E zijn toegelicht bij afzonderlijke brief van de
tweede ondergetekende betreffende de juridische aspecten van artikel 3, vierde
lid. Wij voegen daar nog het volgende aan toe. Indien degene van wie de zaadcellen
afkomstig zijn een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel van de vrouw, is het niet uitgesloten dat hij, al dan niet op
initiatief van de vrouw, op de hoogte geraakt van de abortus en de terbeschikkingstelling
van het foetale weefsel. De toevoeging aan artikel 3, vierde lid, geeft hem
de mogelijkheid te bewerkstelligen dat het bewaren en gebruiken van het foetaal
weefsel geen doorgang vindt. Zijn daartoe strekkend verzoek kan zowel plaatsvinden
voordat de vrouw toestemming heeft gegeven als daarna. In het laatste geval
is, evenals bij intrekking van de toestemming, vernietiging van het weefsel
overigens alleen nog maar mogelijk als het herleidbaar wordt bewaard. In verband
daarmee wordt in onderdeel C artikel 5, derde lid, aangepast. In onderdeel
E krijgt degene van wie de zaadcellen afkomstig zijn, de bevoegdheid om, indien
hij dát wenst, te verzoeken dat het foetaal weefsel niet (langer) herleidbaar
tot hem wordt bewaard.
Onderdeel D bevat de voorhangprocedure voor een eventuele algemene maatregel
van bestuur betreffende het in artikel 5a bedoelde reglement.
Met de in onderdeel F voorgestelde wijziging wordt zeker gesteld dat ook
overtreding van de regels, gesteld bij of krachtens de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in artikel 5a, tweede lid, strafbaar is.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals