26 639
Regels betreffende terbeschikkingstelling en gebruik van foetaal weefsel (Wet foetaal weefsel)

nr. 21
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 31 januari 2001

In het voorstel van wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Vóór de tekst van artikel 1 wordt het cijfer 1 geplaatst, terwijl daaraan wordt toegevoegd een nieuw lid dat luidt als volgt:

2. Deze wet is niet van toepassing op het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel voor pathologisch-anatomisch onderzoek ten behoeve van de vrouw.

B

Aan artikel 3, vierde lid, wordt toegevoegd: Indien blijkt dat degene van wie de zaadcellen afkomstig zijn, een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw, vindt bewaring of gebruik van het foetaal weefsel geen doorgang indien hij dat verzoekt.

C

Artikel 5, derde lid, komt te luiden:

3. Is de toestemming geweigerd, dan wordt het desbetreffende foetaal weefsel niet langer bewaard. Hetzelfde geldt indien de toestemming wordt ingetrokken, bezwaar is gemaakt of een verzoek is gedaan als bedoeld in de tweede volzin van artikel 3, vierde lid, tenzij het foetaal weefsel niet meer kan worden herleid tot degene die het ter beschikking heeft gesteld.

D

Aan artikel 5a, tweede lid, wordt toegevoegd: Een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

E

Aan artikel 6, eerste lid, wordt toegevoegd: Indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel niet in de gelegenheid is gesteld gebruik te maken van de in artikel 3, vierde lid, bedoelde bevoegdheid, wordt het foetaal weefsel zodanig bewaard dat het niet tot de vrouw of haar echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel herleidbaar is. Blijkt dat degene van wie de zaadcellen afkomstig zijn, een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw, dan wordt het foetaal weefsel op zijn verzoek zodanig bewaard dat het niet tot hem herleidbaar is.

F

In artikel 12, eerste lid, wordt «het bepaalde in de artikelen» vervangen door: het bepaalde bij of krachtens de artikelen.

Toelichting

Onderdeel A bewerkstelligt dat het wetsvoorstel niet van toepassing is op het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel voor pathologisch-anatomisch onderzoek. Dit onderzoek is gericht op het achterhalen van de oorzaak van een miskraam of op verificatie van de bevindingen bij prenatale diagnostiek en vindt plaats ten behoeve van de betrokken vrouw zelf. Daarvoor is de regeling betreffende de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling voldoende.

De onderdelen B, C en E zijn toegelicht bij afzonderlijke brief van de tweede ondergetekende betreffende de juridische aspecten van artikel 3, vierde lid. Wij voegen daar nog het volgende aan toe. Indien degene van wie de zaadcellen afkomstig zijn een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw, is het niet uitgesloten dat hij, al dan niet op initiatief van de vrouw, op de hoogte geraakt van de abortus en de terbeschikkingstelling van het foetale weefsel. De toevoeging aan artikel 3, vierde lid, geeft hem de mogelijkheid te bewerkstelligen dat het bewaren en gebruiken van het foetaal weefsel geen doorgang vindt. Zijn daartoe strekkend verzoek kan zowel plaatsvinden voordat de vrouw toestemming heeft gegeven als daarna. In het laatste geval is, evenals bij intrekking van de toestemming, vernietiging van het weefsel overigens alleen nog maar mogelijk als het herleidbaar wordt bewaard. In verband daarmee wordt in onderdeel C artikel 5, derde lid, aangepast. In onderdeel E krijgt degene van wie de zaadcellen afkomstig zijn, de bevoegdheid om, indien hij dát wenst, te verzoeken dat het foetaal weefsel niet (langer) herleidbaar tot hem wordt bewaard.

Onderdeel D bevat de voorhangprocedure voor een eventuele algemene maatregel van bestuur betreffende het in artikel 5a bedoelde reglement.

Met de in onderdeel F voorgestelde wijziging wordt zeker gesteld dat ook overtreding van de regels, gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5a, tweede lid, strafbaar is.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur,

E. Borst-Eilers

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Naar boven