nr. 156
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 december 2005
In uw brief van verzoekt u mij een reactie te geven op de werkinstructie
indicatiestelling van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) alsmede over
algemene richtlijnen ter zake.
Het CIZ is op 1 januari 2005 gestart met het uitvoeren van de indicatiestelling
AWBZ middels inzet van medewerkers die, tot die datum, in dienst waren van
de RIO’s en het landelijk centrum indicatiestelling gehandicaptenzorg
(LCIG).
De centrale aansturing vanuit het landelijk CIZ-kantoor te Driebergen
is er vanaf de start op gericht geweest om, zowel logistiek als inhoudelijk,
een eenduidige werkwijze te implementeren bij de medewerkers in de 16 CIZ-regio’s
die recht doet aan het uitgangspunt van onafhankelijk en objectief indiceren.
De verschillende landelijke richtlijnen die tot dan beschikbaar waren voor
de uitvoeringspraktijk van de RIO’s en het LCIG hadden immers nog tot
onvoldoende uniformiteit geleid.
Om te komen tot die gewenste uniformiteit, zowel in de afhandeling (werkproces)
als in de beoordeling (indicatiecriteria) van een indicatie-aanvraag, heeft
de Raad van Bestuur van het CIZ al in het startjaar 2005 belangrijke stappen
gezet.
Werkproces
Het CIZ heeft een referentiewerkproces ontwikkeld en ingevoerd dat zorgt
voor eenzelfde procesgang binnen de organisatie bij het afhandelen van een
indicatie-aanvraag.
Het referentiewerkproces is gebaseerd op het Zorgindicatiebesluit, het
landelijk protocol indicatiestelling AWBZ (december 2002) en de betreffende
richtlijnen van de landelijke vereniging van indicatieorganen (LVIO). Ook
de resultaten van een onderzoek van het CIZ naar de best practices van de
voormalige RIO’s in het najaar 2004 zijn erin meegenomen.
Na praktijktoetsing is het CIZ in september 2005 gestart met de implementatie van het referentiewerkproces in alle regio’s. Inmiddels
wordt op 13 van de 76 CIZ-locaties conform deze wijze gewerkt. Als rond de
zomer 2006 het referentiewerkproces op elke locatie van het CIZ wordt toegepast
is nog voorzien in een uitgebreide evaluatie zodat ervaringen in de uitvoeringspraktijk
meegenomen kunnen worden alvorens het CIZ het referentiewerkproces definitief
vaststelt.
Het referentiewerkproces zorgt voor eenduidigheid bij het in behandeling
nemen van een aanvraag, bij het vaststellen welke van de verschillende afhandelingsroutes
gevolgd dient te worden (direct, verkort, standaard, uitgebreid) en de wijze
waarop elk van die routes uitgevoerd moet worden. Daarbij is ook bepaald wanneer
de inzet van een regionaal of landelijk multidisciplinair team aan de orde
is.
Op basis van het principe «snel wat kan, uitgebreid wat moet»
is het proces zo opgezet dat indicatiebesluiten gemiddeld binnen een periode
van twee weken (of minder) na de aanvraag kunnen worden genomen. Voor complexe
situaties geldt een langere periode waarbij de wettelijke termijn van 6 weken
bepalend is.
De invoering van het referentiewerkproces houdt eveneens in dat het indicatiebesluit
op landelijk uniforme wijze wordt opgesteld en kenbaar gemaakt aan de cliënt.
Ook voor het registreren en afhandelen van klachten en bezwaren van cliënten
heeft het CIZ inmiddels intern richtlijnen vastgesteld die ervoor zorgen dat
de CIZ-locaties hier dezelfde werkwijze kunnen hanteren.
Belangrijk effect voor de cliënt van het referentiewerkproces en
de richtlijnen is dat deze op dezelfde professionele en klantvriendelijke
wijze wordt behandeld, ook als het gaat om het afhandelen van klachten en
bezwaren. Hetzelfde geldt voor de professionele zorgaanbieders en andere partijen
in de zorgketen.
Een snelle en zorgvuldige afhandeling van indicatieaanvragen wordt ook
ondersteund door een landelijk uniform aanmeldformulier, door de implementatie
van een aanmeldmodule per 1 december 2005 en door de ontwikkeling van
standaard indicatieprotocollen (SIP). SIP’s zijn protocollen, waarbij
op basis van gerichte vragen bij bepaalde veelvoorkomende (veelal enkelvoudige)
zorgsituaties de inhoud van het indicatiebesluit (functie, klasse, activiteiten
en geldigheidsduur) wordt bepaald.
Vanaf 1 mei 2005 kunnen ook zorgaanbieders/zorgaanmelders SIP’s
gebruiken door met het CIZ een overeenkomst te sluiten. Zij krijgen dan toegang
tot een webapplicatie van het CIZ, kunnen daarmee een indicatie-advies opstellen
voor het CIZ en op basis daarvan de cliënt direct in zorg (laten) nemen.
Het CIZ zet het advies om in een besluit en controleert het gebruik van de
SIP’s steekproefsgewijs.
Inmiddels maken ruim 1100 zorgaanbieders en -aanmelders gebruik van de
webapplicatie en zijn er vanaf 1 mei 2005 ruim 26 000 SIP’s
door zorgaanbieders/-aanmelders ingediend bij het CIZ.
Indicatiecriteria
Voor het CIZ is een onafhankelijke en uniforme beoordeling van de zorgvraag
van de cliënt het uitgangspunt bij het afhandelen van een indicatie-aanvraag.
De LVIO had hier reeds een belangrijke aanzet voor gegeven door te starten
met het ontwikkelen en vaststellen van werkdocumenten voor de verschillende
te indiceren functies en voor gebruikelijke zorg.
Het CIZ heeft deze lijn onverkort voortgezet en verwacht eind 2005 voor
alle te indiceren functies en gebruikelijke zorg de indicatiecriteria intern
opnieuw te kunnen vaststellen, na overleg hierover met ketenpartijen en het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) in de regiegroep indicatiestelling
AWBZ.
Het CIZ legt deze indicatiecriteria vervolgens voor aan VWS die ze, na
advies van het CVZ, zal vaststellen als beleidsregel op basis van artikel
11 van het Zorgindicatiebesluit. Naar verwachting zal dit proces in het eerste
kwartaal 2006 kunnen worden afgerond.
Slot
Naar mate het CIZ de verschillende bedrijfsvoerings- en informatiesystemen
van RIO’s en LCIG weet om te vormen tot een eenduidig ingericht landelijk
netwerk en informatiesysteem zal het ook steeds beter in staat zijn om landelijke
data te leveren die inzicht geven in de effecten van de werkwijze van het
CIZ voor de uitvoering van de indicatiestelling. Op dit moment zijn de (uit
tientallen databestanden) beschikbare gegevens nog niet volledig en onderling
vergelijkbaar. Naar verwachting is dit begin 2006 beter mogelijk.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C. I. J. M. Ross-van Dorp