26 605
Toekomstige samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba

nr. 7
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 30 mei 2000

De vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken1 heeft op 11 mei 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris G.M. de Vries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de gevolmachtigde minister van Aruba, de heer Croes, over:

– het eindrapport van de werkgroep-Biesheuvel «Op afstand verbonden» en het kabinetsstandpunt daarop (NAAZ-00-24 en 26 800 IV, nr. 15);

– brieven van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 21 maart en 11 april 2000 inzake Koraal Specht (NAAZ-00-26 en NAAZ-00-30);

– de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 april 2000 inzake het NGO-beleid (26 605, nr. 6).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Het eindrapport van de werkgroep-Biesheuvel «Op afstand verbonden» en het kabinetsstandpunt daarop

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Oven (PvdA) stemde in met de overstap van project- naar programmahulp. Door gebruik te maken van meerjarenprogramma's kan immers grotere inhoudelijke samenhang tussen de verschillende projecten worden bereikt. Verder zal de versnippering van de middelen afnemen, omdat men programmatische prioriteiten kan stellen en het zwaartepunt van de besluitvorming van Nederland naar Aruba verschuift.

Welke sancties kunnen worden opgelegd als het uitvoeringsorgaan zijn verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk nakomt of de Arubaanse regering op haar schreden terugkeert? Met deze mogelijkheid moet rekening worden gehouden, omdat het nog niet duidelijk is of de aanbevelingen van het rapport Calidad daadwerkelijk worden geïmplementeerd en een toekomstige nieuwe regering zich gebonden zal achten aan de gemaakte afspraken. Hoe kan worden voorkomen dat het samenwerkingsprogramma in zijn geheel mislukt als de uitvoering wordt vertraagd of zelfs stagneert? Zijn er voor deze mogelijkheid sturingsmechanismen voorzien?

De aanvangsdatum van het samenwerkingsprogramma is 1 mei. Is men inmiddels daadwerkelijk aan de slag gegaan? De oppositie in de Staten van Aruba heeft bezwaar gemaakt tegen het samenwerkingsprogramma, omdat eerder de toezegging is gedaan dat een maatschappelijke discussie over het rapport van de werkgroep-Biesheuvel zou worden gevoerd en de resultaten van die discussie de basis zouden zijn van verdere besluitvorming. Wordt deze maatschappelijke discussie alsnog georganiseerd? De heer Van Oven vroeg verder of naast de formele politieke autoriteiten ook andere maatschappelijke organen bij de besluitvorming zijn betrokken. Dat zij hierbij worden betrokken, is belangrijk voor het vergroten van het maatschappelijk draagvlak.

De staatssecretaris werkt op dit moment met de Antilliaanse autoriteiten aan een heroriëntatie van het solidariteitsfonds. Wordt hierbij een relatie gelegd met het samenwerkingsprogramma? Het is overigens jammer dat nog niet bekend is welke resultaten die heroriëntatie heeft opgeleverd. Er is op dit moment al wel een relatie, want in het kader van het solidariteitsfonds is Aruba verplicht een bijdrage van 25% te leveren. Op de rondetafelconferentie in 1983 is afgesproken dat Nederland dit geld in mindering mag brengen op de ontwikkelingshulp als Aruba deze verplichting niet nakomt. Deze constructie kan niet langer worden gebruikt als de ontwikkelingshulp wordt afgebouwd. Is er in een vervangende regeling voorzien?

De heer Van der Knaap (CDA) zei dat zijn fractie in principe instemt met de aanbevelingen van de werkgroep-Biesheuvel en de door de regering voorgestelde beleidslijn. De middelen zullen dan wel effectiever en doelmatiger moeten worden ingezet. Om dit te kunnen garanderen zullen de bestedingen van het Fondo Desaroyo Aruba (FDA) zowel vooraf als achteraf moeten worden gecontroleerd door accountants. Kan de staatssecretaris garanderen dat die controle zal plaatsvinden en over welke sancties beschikt hij als de bestedingen ondoelmatig en onrechtmatig blijken te zijn?

Het FDA zou op 1 mei 2000 in werking treden. Wat is hier de stand van zaken? De Kamer zal nog worden ingelicht over het protocol waarin de voorstellen van de werkgroep-Biesheuvel worden uitgewerkt. De heer Van der Knaap vroeg hoever men inmiddels is gevorderd met deze uitwerking en of de voortgang van het traject afhankelijk is van de uitwerking van het protocol.

Ten slotte wees de heer Van der Knaap erop dat de verhouding op Aruba tussen bestuur en politiek niet optimaal is. Is dit een probleem voor de nadere uitwerking van de voorstellen van de werkgroep-Biesheuvel en meer in het bijzonder voor het meerjaren samenwerkingsprogramma voor de jaren 2000–2004? Deze vraag is des te nijpender, omdat de staatssecretaris eerder zelf heeft aangegeven dat het openbaar bestuur op Aruba de nodige verbeteringen behoeft.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) vond het een goede zaak dat van projecthulp wordt overgeschakeld op programmahulp. Het is verder een goede zaak dat Aruba in de toekomst meer verantwoordelijkheid zal dragen voor de besteding van de samenwerkingsmiddelen. Aruba kan zo immers vrijwel volledig op eigen benen komen te staan. Aruba zal echter nooit volledig zelfstandig worden, want uit de stukken blijkt dat Nederland ook na 2010 zal bijdragen aan de financiering van de kustwacht, de recherchesamenwerking en de belastingrechters. Is dit een limitatieve opsomming of heeft men toch een soort «caoutchoucartikel» in de overeenkomst opgenomen?

De regering is met Aruba overeengekomen dat Nederland in de periode tot 2010 490 mln. en Aruba 180 mln. aan het FDA zal bijdragen. In welke sancties is voorzien als Aruba de overeenkomst openbreekt of zijn deel van de afspraak niet nakomt?

Het FDA wordt beheerd door een stichtingsbestuur van drie leden. Deze drie leden krijgen daarmee een zeer grote invloed, omdat het in de toekomst via de door het FDA gesponsorde projecten zeer veel geld in Aruba investeert. Mevrouw Scheltema vroeg of het gevaar aanwezig is dat er in de toekomst spanningen zullen ontstaan tussen dit bestuur en de Arubaanse regering. De programma's mogen immers politiek afgedekt zijn, bij de uitvoering zal altijd sprake zijn van een schemergebied.

Zowel vooraf als achteraf zullen de activiteiten van het FDA worden gecontroleerd. Door wie wordt deze controle uitgevoerd en over welke sancties beschikt men?

Ten slotte vroeg mevrouw Scheltema of het FDA daadwerkelijk per 1 mei van start is gegaan en naar de relatie tussen het FDA en het solidariteitsfonds.

De heer Te Veldhuis (VVD) wees erop dat de VVD-fractie altijd een voorstander van een zelfstandig Aruba is geweest. Het is daarom goed dat men van projectfinanciering overgaat op programmafinanciering. De beleidsterreinen waar deze zelfstandigheid vooral van belang is, zijn onderwijs, openbaar bestuur en de sociaal-economische versterking van de eilanden. Deze programmafinanciering zal moeten voldoen aan vijf eisen en wel: deugdelijk bestuur, deugdelijke wetgeving, deugdelijke financiële planning en orde, deugdelijke financiële administratie, controle en accountancy en een deugdelijke eigen bijdrage.

De Nederlands financiële steun aan Aruba bedraagt tot 2010 490 mln. Dat is veel geld, zeker voor een land dat met zijn economie hoog scoort op de wereldranglijst. De heer Te Veldhuis vond dat deze vorm van ontwikkelingssamenwerking, eigenlijk een soort afbouwcontract, daarom na 2010 moet worden beëindigd. Kan de staatssecretaris garanderen dat dit daadwerkelijk zal gebeuren?

De heer Te Veldhuis vond het een staatsrechtelijk vreemde structuur om zoveel geld aan een stichting die los staat van de overheid, ter beschikking te stellen. Deze stichting valt niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid, maar is ook geen zelfstandig bestuursorgaan. Is hier niet sprake van een democratisch gat? De besteding van publiek geld behoort immers publiekelijk te worden verantwoord. Kan de staatssecretaris hierop ingaan en daarbij betrekken dat de regering van Aruba nog altijd een achterstand heeft bij de afdoening van allerlei rekeningen?

Op een aantal terreinen, zoals de kustwacht, zal de financiering door Nederland van Aruba na 2010 worden gecontinueerd. De heer Te Veldhuis begreep de reden hiervoor voorzover het grensoverschrijdende activiteiten betreft die het hele Koninkrijk raken. Hij meende echter dat Aruba na 2010 hieraan evenredig financieel moet bijdragen.

In de stukken wordt gemeld dat Nederland na 2010 een toeslag op de pensioenen zal verstrekken. Verder zal steun worden verleend aan de rechterlijke macht. Wat is de reden hiervoor? Aruba moet na 2010 toch zeker in staat worden geacht om de rechterlijke macht zelf te organiseren?

Ten slotte vroeg de heer Te Veldhuis of er garanties zijn dat de Arubaanse staatsschuld in 2010 daadwerkelijk zal zijn gesaneerd. Deze sanering zal zeker moeten worden gerealiseerd, omdat zij een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de Arubaanse tegenprestatie. Voorkomen moet worden dat de Arubaanse regering achteroverleunt in de gedachte dat er na 2010 wel weer met Nederland is te onderhandelen, mocht de staatsschuld bij die tijd nog niet zijn gesaneerd.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris toonde zich verheugd over de instemming van de woordvoerders met het voorgenomen beleid. Het akkoord is een mijlpaal in de relaties tussen Aruba en Nederland, omdat hiermee wordt bevestigd dat aan de afhankelijkheidsrelatie van Aruba een einde moet, kan en zal worden gemaakt. Het akkoord is verder een bekroning op de inspanningen van verschillende Arubaanse kabinetten van uiteenlopende samenstelling en maakt tegelijkertijd de Nederlandse bevolking duidelijk dat ontwikkelingssamenwerking daadwerkelijk kan bijdragen aan het op eigen benen laten staan van een land.

De directie van de Aruban Investment Bank (AIB) staat onder controle van een raad van commissarissen. Deze directie is voor de besteding van de gelden van het FDA verantwoording verschuldigd aan een apart stichtingsbestuur. In dit bestuur heeft namens Nederland de oud-voorzitter van VNO/NCW, de heer Blankert, zitting genomen. De heer Croes is namens Aruba tot het bestuur toegetreden. De regering van Aruba is nog op zoek naar een voorzitter. De staatssecretaris meende dat een dergelijke gekwalificeerd bestuur een goede garantie is dat «worst casescenario's» bij de bestedingen zich hoogstwaarschijnlijk nooit zullen voordoen.

Het toezicht en de verantwoording zijn op verschillende manieren geregeld. Zo zal de Kamer op hoofdlijnen worden geïnformeerd over de beleidsmatige inzet van Nederland bij de beoordeling van de programma's in hoofdstuk IV van de rijksbegroting. Na de beoordeling door de Kamer zal het jaarlijkse politieke beleidsoverleg worden gevoerd met de Arubaanse regering over de meerjarenprogramma's. Ook hierover zal de Kamer worden geïnformeerd.

Het toezicht achteraf bestaat uit de accountantsverklaringen en de beleidsmatige verklaringen over de bestedingen door het FDA. De externe accountant van de AIB controleert aan de hand van een controleprotocol dat in gezamenlijk overleg tussen de accountantsdiensten van BZK en de accountantsdienst van Aruba zal worden opgesteld. Dit protocol garandeert dat de controles voldoen aan zowel de Nederlandse als de Arubaanse comptabiliteitsvoorschriften. De accountantsverklaring zal worden gebruikt bij de financiële verantwoording aan de Staten van Aruba en de Tweede Kamer. Een goedkeurende accountantsverklaring is een voorwaarde voor het storten door de Nederlandse regering van de bijdrage voor het volgende jaar.

De beleidsmatige verantwoording wordt gebaseerd op de kwartaal- en jaarrapportages van de AIB. Verder zullen door Nederland en Aruba gezamenlijk beleidsevaluaties worden uitgevoerd. De staatssecretaris merkte op dat de rapportages van de AIB over de besteding van de samenwerkingsmiddelen aan beide landen zullen worden overlegd. De regering zal ze beoordelen en, voorzien van een inhoudelijke reactie, aan de Kamer overleggen.

Bij de controle is ook een rol weggelegd voor de Nederlandse en Arubaanse Rekenkamers. Zij zullen zich baseren op de informatie die wordt verstrekt door de respectievelijke accountantsdiensten. Tot de bevoegdheden van beide Rekenkamers behoort de mogelijkheid om een doelmatigheidsonderzoek te gelasten bij hun overheden.

De staatssecretaris benadrukte dat aan eventuele sancties een lang traject vooraf gegaan zal zijn. Als namelijk uit de beleidsverslagen mocht blijken dat de inhoudelijke besteding van de middelen of de bereikte resultaten te wensen overlaten, worden daaraan conclusies verbonden tijdens het jaarlijkse beleidsoverleg. Als desondanks tussen beide regeringen geen overstemming kan worden bereikt, bestaat de mogelijkheid om de jaarlijkse stortingen in het FDA stop te zetten of reeds verstrekte bijdragen terug te vorderen. De ultieme sanctie – hoe onwaarschijnlijk het ook is dat men hierop zal moeten terugvallen – is het opzeggen van het contract met de AIB. Verder zullen bestedingen die buiten de afgesproken programma's vallen, niet worden voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Desgevraagd deelde hij mee dat de sancties zijn vastgelegd in de vier uitvoeringscontracten die onder het protocol worden gelegd.

Een eventuele stagnatie van de uitgaven kan leiden tot uitstel van de jaarlijkse bijdrage. Deze flexibiliteit is ingebouwd, omdat de ervaring heeft geleerd dat deze situatie zich bij ontwikkelingssamenwerking nog wel eens wil voordoen. De staatssecretaris wees erop dat dit uitstel dan wel het eindpunt is van een heel proces.

De staatssecretaris zei dat de contracten voor het FDA niet per 1 mei van kracht geworden zijn, omdat hij het kies vond de contracten pas te ondertekenen nadat dit algemeen overleg met de Kamer had plaatsgevonden. De contracten zullen naar verwachting op 15 mei worden ondertekend.

De AIB is op Aruba een alom gerespecteerde en boven de partijen staande instantie, hetgeen belangrijk is voor het creëren van een draagvlak. Een aanwijzing voor het bestaan van een draagvlak voor het FDA en voor het respect dat men heeft voor de AIB is het feit dat de twee NGO-koepels er geen bezwaar tegen hebben gemaakt om over twee jaar onder de systematiek van de programmafinanciering te vallen. De staatssecretaris voegde hieraan toe dat hem uit de Arubaanse samenleving geen berichten hebben bereikt over significant verzet tegen de gekozen beleidslijn. Een en ander neemt niet weg dat de oppositie in de Arubaanse Staten als kritiek heeft geuit dat Nederland gehouden is om Aruba tot in lengte van jaren met ontwikkelingsgelden bij te staan. Zij verschilt daarmee van mening met de Nederlandse regering, omdat Nederland zich alleen gebonden acht om na 2010 financiële steun te verlenen aan beleidsterreinen waar Aruba en Nederland gezien hun Koninkrijksverantwoordelijkheid gehouden zijn te blijven samenwerken.

De staatssecretaris merkte op dat beide regeringen er geen misverstand over hebben laten bestaan dat zij geen openeinderegelingen wensen. Dit is overigens ook de kern van het advies van de werkgroep-Biesheuvel. De taken waaraan Nederland na 2010 een bijdrage zal blijven leveren, zijn taken die op Koninkrijksniveau relevant zijn. Het is mogelijk dat het aantal taken wordt uitgebreid. Dit zou dan wel het gevolg moeten zijn van een eventuele evolutie van het Koninkrijk, want de bilaterale relatie en de ontwikkelingshulprelatie tussen Aruba en Nederland zullen in 2010 onvermijdelijk worden beëindigd. Aruba betaalt op dit moment al mee aan de Koninkrijkstaken, bijvoorbeeld aan de kustwacht. Hierin zal in de toekomst geen verandering komen.

De begroting van Aruba bedraagt ongeveer 1 mld. Het FDA zal jaarlijks een bedrag besteden dat gemiddeld 2% van de totale Arubaanse begroting bedraagt, te weten 22 mln. Dit bedrag is zo klein dat het niet de verwachting is dat er spanningen tussen de Arubaanse regering en het FDA zullen ontstaan.

Er is een commissie ingesteld onder leiding van de heer Pourier met als doel het doorbreken van de patstelling rond het solidariteitsfonds. Deze commissie heeft als opdracht te onderzoeken of het solidariteitsfonds een onderdeel zou kunnen worden van een nieuwe financiële constructie tussen Aruba, de Nederlandse Antillen en, op iets meer afstand, Nederland. Deze nieuwe, bredere constructie moet leiden tot meer inzicht in de tekorten van de eilanden door een betere begrotingstechniek en betere verslaglegging. De staatssecretaris zei dat Nederland hieraan een financiële bijdrage zal leveren. Het is verder de bedoeling van de Arubaanse regering om een bijdrage te blijven leveren aan het solidariteitsfonds. Over de omvang van deze bijdrage is echter nog geen definitieve beslissing genomen.

De besluitvorming rond het samenwerkingsprogramma is gescheiden gehouden van die rond het solidariteitsfonds. Hiervoor is gekozen omdat een definitieve oplossing van de problemen rond het solidariteitsfonds inmiddels tot de reële mogelijkheden behoort maar nog wel de nodige tijd vergt.

Het Calidadprogramma heeft geleid tot de implementatie van wetgeving voor de verbetering van het openbaar bestuur. Zo is een reglement van orde voor de ministerraad van kracht geworden, een wijziging van de comptabiliteitsverordening doorgevoerd en de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers geregeld. Bij de Staten van Aruba ligt wetgeving voor, die het functioneren en de vorming van politieke partijen regelt. Een ander onderwerp van bespreking is een regeling voor de zuiverheid van bestuur. Deze regeling heeft betrekking op de openbaarheid van nevenfuncties van politieke ambtsdragers.

In de Arubaanse ministerraad wordt gesproken over een aanvulling op de taken en de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer. De staatssecretaris wees er in dit verband op dat door de Nederlandse en de Arubaanse Rekenkamers een onderzoek is uitgevoerd naar onder meer de haven, de luchthaven en de luchthavenradar. Het onderzoeksrapport van beide Rekenkamers moet echter nog plenair worden behandeld door de Staten. Ook van belang voor het vergroten van de kwaliteit van het bestuur is het instellen van een ombudsvoorziening. De staatssecretaris zei de Arubaanse regering hierbij desgewenst te zullen steunen.

In de komende gesprekken met de Arubaanse regering zal wederom worden gesproken over de bestrijding van drugstransporten en witwaspraktijken. In dit gesprek zal ook worden ingegaan op het International Narcotics Strategy Rapport voor 1999 van het State Department van de VS. Al met al kan worden gesteld dat de nodige vooruitgang is geboekt in het Calidadprogramma. De staatssecretaris merkte hierbij echter op dat wetgeving alleen niet voldoende is; men zal ook in de geest van deze wetgeving moeten werken.

De staatssecretaris kon niet garanderen dat de staatsschuld van Aruba in 2010 daadwerkelijk zal zijn gesaneerd. Er is echter rekening gehouden met de mogelijkheid dat niet wordt voldaan aan het vereiste van begrotingsevenwicht. Dit begrotingsevenwicht is inmiddels wel binnen bereik. Als er overigens in drie achtereenvolgende jaren sprake is van een financieringstekort, zal nader politiek overleg worden gevoerd. Ondanks grote inspanningen van de Arubaanse regering bedraagt het financieringstekort 5%, ongeveer 50 mln. De verbeterde belastinginning draagt ook bij aan de vermindering van de staatsschuld. Het positieve effect hiervan wordt echter enigszins gedrukt door de achterstand die men heeft opgelopen bij de afhandeling van de claims van belastingplichtigen.

De heer Dirkse (directeur-generaal constitutionele zaken en koninkrijksrelaties) zei dat de Nederlandse bijdrage aan de pensioenen de pensioenen betreft van mensen die voor 1967 naar de Nederlandse Antillen of Suriname zijn uitgezonden. Deze mensen is gegarandeerd dat de waarde van hun pensioen gekoppeld blijft aan het Nederlandse pensioenpeil. Verder betreft het de pensioenen van Arubanen aan wie in 1980 is gegarandeerd dat zij zouden worden gecompenseerd voor een eventuele waardedaling van de Nederlands-Antilliaanse gulden ten opzichte van de Nederlandse gulden. De totale kosten van deze garanties bedragen op jaarbasis 3,3 mln. Een bedrag dat in 2010 tot bijna nul zal zijn gereduceerd.

De gevolmachtigde minister wees erop dat het Calidadprogramma een initiatief van Aruba zelf is. Geprobeerd is om zo concreet mogelijk een aantal doelstellingen te formuleren. Op dit ogenblik moeten nog twee voorstellen door de Staten van Aruba worden behandeld, hetgeen niet wegneemt dat de wetgeving op Aruba op dit moment overeenkomt met die van Nederland. De twee voorstellen die nog bij de Staten voorliggen, gaan verder dan wat thans in Nederland is geregeld. Het gebrek aan vergelijkingsmateriaal maakt de omzetting in wetgeving van deze voorstellen voor nevenfuncties en partijfinanciering iets moeilijker. Dat is ook de reden dat deze voorstellen nog bij de Staten in behandeling zijn.

Brieven van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 21 maart en 11 april 2000 inzake Koraal Specht

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van der Knaap (CDA) wees erop dat de Antilliaanse regering de politieke verantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in de Koraal Spechtgevangenis en ervoor moet zorgen dat in de gevangenis wordt voldaan aan de internationale maatstaven. Dit is van des temeer belang nu wordt overwogen om het beheer in de toekomst door Wackenhut te laten uitvoeren. De regering heeft inmiddels aangegeven een financiële bijdrage te willen leveren aan het interim-management Bestaat er inmiddels duidelijkheid over de hoogte van deze bijdrage?

De CDA-fractie heeft eerder aangegeven geen principiële bezwaren te hebben tegen beheer van de gevangenis door Wackenhut mits de Antilliaanse overheid aanspreekbaar blijft op de gang van zaken in de gevangenis. Onlangs zijn er wederom negatieve berichten in de pers verschenen over Wackenhut. Zijn deze berichten aanleiding voor de staatssecretaris om de Antilliaanse regering aan te moedigen terughoudend om te gaan met deze firma en kan een en ander gevolgen hebben voor de Nederlandse bijdrage? Zijn er overigens alternatieven voor het inschakelen van Wackenhut?

De heer Van der Knaap herinnerde eraan dat de rijksministerraad in februari in een ultimatum heeft gesteld dat de Antilliaanse regering binnen een maand de noodzakelijke verbeteringen moest realiseren. Wordt overwogen om een Algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen als zij niet aan dit ultimatum heeft voldaan?

Een oplossing voor het personeelsprobleem wordt gezocht in het werven van personeel onder Antilliaanse militairen. Wat is hier de stand van zaken? Overweegt men nog steeds om tijdens de nieuwbouw gevangenen over te brengen naar Nederland?

Ten slotte vroeg de heer Van der Knaap naar de voortgang bij het aanpassen van de strafwetgeving. Het was immers de verwachting dat dit een positieve invloed zou hebben op de detentiecapaciteit.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) merkte op dat er jaren van politieke druk nodig waren om ervoor te zorgen dat in februari eindelijk een begin is gemaakt met nieuwbouw voor de Koraal Spechtgevangenis. Dit is een positieve ontwikkeling, maar verder is de situatie nog steeds even zorgwekkend. De mensenrechten van de gevangenen worden immers nog steeds geschonden. Uit het feit dat men zelfs voor de bewaking geen oplossing heeft weten te vinden, concludeerde zij dat een «sense of urgency» ondanks alles nog steeds lijkt te ontbreken.

Minister Martha heeft het voornemen met Wackenhut een overeenkomst te sluiten over het opstellen van een plan voor een nieuwe beheersopzet van de gevangenis. Hoe heeft de staatssecretaris hierop gereageerd? Over eventuele privatisering zou overleg worden gevoerd met de Nederlandse regering. De beslissing hierover is echter een zaak van de Antilliaanse regering en de Nederlandse invloed is dus beperkt. Kan de regering de 47 mln. die in het vooruitzicht is gesteld, als een stok achter de deur gebruiken?

Mevrouw Scheltema zei niet principieel tegen privatisering van het beheer te zijn. Een bezwaar tegen beheer door Wackenhut is echter wel dat de ervaringen met deze firma niet overal even gunstig zijn. is er inmiddels meer bekend over deze firma?

Wat zijn de uitkomsten van het overleg dat is gevoerd over de overdracht van Antilliaanse gevangen aan Nederland?

Ten slotte vroeg mevrouw Scheltema naar de invloed van de nieuwe wetgeving op de detentiecapaciteit. Het resultaat van deze wetgeving lijkt een groter aantal gevangen te zijn met de daarbij behorende problemen. Met het oog hierop leek het haar verstandig om na te denken over de mogelijkheid taakstraffen op te leggen.

De heer Te Veldhuis (VVD) vroeg naar de actuele stand van zaken van de ontwikkelingen die in de brieven worden genoemd. Wordt het beheer inderdaad geprivatiseerd? Is er inmiddels een beheersplan ontwikkeld en hoe serieus moet de opmerking van minister Martha worden genomen om gevangenen naar Nederland over te brengen?

In de Volkskrant is negatief bericht over het werk van Wackenhut in aantal gevangenissen in de VS. Hij meende echter dat dergelijke berichtgeving geen reden mag zijn voor Nederland om zich om principiële redenen negatief op te stellen tegenover privatisering van het beheer van de Koraal Spechtgevangenis, zeker nu het beheer door de Antilliaanse overheid telkenmale tekort blijkt te schieten. Is de berichtgeving in de Volkskrant overigens correct?

De positie van Nederland is niet eenvoudig, omdat het beheer van de gevangenis een zaak van de Antilliaanse regering is en Nederland, ook al levert de regering een aanzienlijke financiële bijdrage, zich pas hierin mag mengen als er sprake is van mensenrechtenschendingen. Hoe ziet de staatssecretaris de Nederlandse positie? Zal hij, als de berichten in de Volkskrant waar blijken te zijn, zijn zorgen hierover aan de Antilliaanse regering overbrengen? De heer Te Veldhuis vond verder dat er waarborgen moeten komen die garanderen dat mensenrechtenschendingen zich niet meer zullen voordoen, ook niet als het beheer is geprivatiseerd.

Ten slotte vroeg hij de staatssecretaris om een verslag van het overleg dat hij hierover met de Antilliaanse regering zal voeren.

De heer Van Oven (PvdA) zei dat de Tweede Kamer ten volle gerechtigd is om de ontwikkelingen rond de nieuwbouw te volgen, omdat de Nederlandse regering de financiële verantwoordelijkheid voor deze nieuwbouw op zich heeft genomen. Met het oog hierop leek het hem logisch dat de rapportages van de gemengde ambtelijke commissie aan de Kamer worden toegestuurd. Zal de staatssecretaris zich ervoor inzetten dat deze rapportages ook in de toekomst aan de Kamer zullen worden toegezonden? De rapportages waren aanvankelijk optimistisch over het tempo van de uitvoering van de maatregelen, maar in de laatste rapportage wordt opgemerkt dat de uitvoering is aangehouden en dat een en ander zal worden meegenomen in de besprekingen met Wackenhut. Wat is de reden hiervoor?

De oorzaak van de onvoldoende uitvoering van de maatregelen wordt door de betrokkenen deels verklaard uit het tekort aan personeel. Kan de staatssecretaris aangeven welke andere oorzaken er zijn? In 1994 waren er 217 bewakers, maar inmiddels is dit aantal gedaald tot 136 bewakers en 37 vacatures. Dit is een opvallende daling van het formele personeelsbestand die zeker niet geheel kan worden verklaard uit de vermindering van het aantal gedetineerden van 500 tot 400.

Als gevolg van de lage aanvangssalarissen en de impopulariteit van de Koraal Spechtgevangenis is het personeelstekort moeilijk op te lossen. Dit is een van de redenen waarom men met Wackenhut overlegt over een beheersovereenkomst. Verder levert deze firma op dit moment 25 man bewakingspersoneel. Hierdoor heeft deze firma zich inmiddels een zo sterke positie verworven dat het nu al duidelijk is wie de gevangenis zal gaan beheren als privatisering door een landsverordening mogelijk is gemaakt. Is dit wel een juiste gang van zaken?

De heer Van Oven zei een principieel tegenstander van privatisering van gevangenissen te zijn. Voor dit standpunt lijkt niet langer een meerderheid in de Kamer te kunnen worden gevonden. De kamer heeft echter wel uitgesproken dat het publieke toezicht goed moet zijn geregeld vooraleer overgegaan mag worden tot privatisering van de Koraal Spechtgevangenis. Goed toezicht kan echter niet door regelgeving alleen worden gegarandeerd. Men zal ook de praktijk moeten kunnen controleren en eventueel moeten kunnen ingrijpen, hetgeen in de toekomst ernstig wordt bemoeilijkt door de sterke positie die Wackenhut zich inmiddels heeft verworven. Hoe denkt de staatssecretaris dat in de toekomst toezicht op de dagelijkse gang van zaken in de gevangenis kan worden uitgeoefend?

Ten slotte vroeg de heer Van Oven hoe de landsverordening uit 1999 kan worden uitgevoerd door een bedrijf dat zijn wortels heeft in de Amerikaanse gevangenistraditie. De landsverordening gaat immers uit van de Nederlandse traditie en de Nederlandse opvattingen over hoe het regime van een gevangenis eruit moet zien.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris zei dat de Antilliaanse regering zich als een resultaat van het overleg in de rijksministerraad van februari 2000 akkoord heeft verklaard met een vijftal stappen. Inmiddels is als gevolg daarvan een ambtelijk verantwoordelijke aangewezen die zorgdraagt voor de uitvoering van de lijst van maatregelen die in maart 1999 is afgesproken. Verder is de leiding van de gevangenis aangevuld met drie functionarissen voor het algemene en het bijzondere inrichtingswerk en de beveiliging. Ook is het activiteitenprogramma uitgebreid tot een minimum van zes uur per gedetineerde per week. Dit activiteitenprogramma is het maximum dat kan worden gerealiseerd, gelet op het personeelsbestand, de bouwactiviteiten en de tijd die moet worden besteed aan de opleiding van personeel.

Een andere stap die moest worden genomen, was het werven van personeel om het personeelsverloop en de noodzakelijke uitbreiding adequaat op te kunnen vangen. Dit heeft geresulteerd in het aanstellen per 1 april van acht nieuwe bewakers. Verder krijgt een groep van veertien mensen binnenkort een spoedcursus die het mogelijk maakt om hen in te zetten bij de beveiliging. Zoals aanbevolen, wordt het nieuwe personeel onderverdeeld in mensen die worden ingezet voor de beveiliging van de gevangenis en mensen die in direct contact staan met de gedetineerden. Met Wackenhut wordt verder onderhandeld over het inhuren van 25 bewakers en ook wordt bezien of via het mobiliteitscentrum op Curaçao mensen kunnen worden gevonden.

De laatste afgesproken stap betreft het opleiden van middenkaderpersoneel. De staatssecretaris noemde dit van groot belang, omdat, afgezien van het aantal personeelsleden, de kwaliteit van het personeel een belangrijk bijdrage levert aan de verbetering van de omstandigheden in de gevangenis. Het opleidingsprogramma maakt deel uit van de onderhandelingen met Wackenhut. Het is de verwachting dat deze onderhandelingen binnen enkele weken kunnen worden afgerond.

Nederland heeft via het Koninkrijk een waarborgfunctie voor het handhaven van de rechten van de mens. De handhaving van de rechten van de mens is echter in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van het betrokken land (artikel 43, eerste lid van het Koninkrijksstatuut). De Nederlandse regering dient met het oog hierop een genuanceerd standpunt in te nemen over een eventuele rol van Wackenhut bij het beheer van de gevangenis. Gevolg van een en ander is wel dat er pas bij ernstige schendingen op grond van artikel 43, tweede lid van het Koninkrijksstatuut kan worden ingegrepen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ook hier voorkomen beter is dan genezen.

De staatssecretaris benadrukte dat de Antilliaanse regering over de gang van zaken rond de Koraal Spechtgevangenis alleen verantwoordelijkheid verschuldigd is aan de Staten. Als de Staten instemmen met het uitbesteden van het beheer aan Wackenhut en de gemaakte afspraken in overeenstemming zijn met het Koninkrijksstatuut, kan de Nederlandse regering deze beslissing niet aanvechten. De staatssecretaris zei daarom voor de Nederlandse regering vooral een rol te zien weggelegd in de periode tot aan een definitieve regeling voor het beheersplan. De rapportages laten immers zien dat er sprake is van een broze rust in de gevangenis en dat een grote inspanning nodig is om die rust te bewaren.

Over het toekomstige beheer is nog geen definitieve beslissing genomen. De huidige ontwikkelingen laten er echter geen twijfel over bestaan dat de Antilliaanse regering de voorkeur geeft aan een beheersovereenkomst met Wackenhut. Deze voorkeur gaat zover dat men niet is ingegaan op de mogelijkheid om Nederlandse ondernemingen in te schakelen bij de nieuwbouw. Minister Martha heeft hierover ook nooit enig misverstand laten bestaan. De staatssecretaris zei dat welke keuze de Antilliaanse regering en de Staten ook maken, de ministeriële verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de gevangenis intact blijft.

De omstandigheden in de gevangenis zijn nog steeds slecht en elke verbetering moet worden verwelkomd, ook als die verbetering wordt gerealiseerd door een private partij. Overigens zijn er geen internationale verdragen die zich verzetten tegen uitbesteding van het beheer en heeft ook het European committee for the prevention of torture (CPT) hiertegen geen principiële bezwaren aangetekend. Over de berichtgeving in de Volkskrant is inmiddels informatie opgevraagd. Deze is echter nog niet ontvangen en er kan dan ook geen uitsluitsel worden gegeven over het waarheidsgehalte van deze berichtgeving.

Bij de uitbesteding van het beheer zijn twee zaken essentieel. Dat zijn in de eerste plaats de afspraken die worden gemaakt over de wederzijdse bevoegdheden. Er zullen zeker afspraken worden gemaakt over de bevoegdheden van de directeur enerzijds en de directie voor het gevangeniswezen anderzijds, de aparte onderbrenging van vrouwen en jeugdigen, de medische verzorging, ontspanning, het ontvangen van bezoek en post enzovoort. De staatssecretaris meende dat ervan uit mag worden gegaan dat de inhoud van de landsverordening door de Antilliaanse regering in een eventuele beheersovereenkomst wordt verwerkt.

In de tweede plaats zal de controle door de overheid op de naleving van het beheerscontract moeten worden gegarandeerd. Te denken valt hierbij aan een gedetailleerde monitoring, zoals die in het Verenigd Koninkrijk, waar men zowel publieke als private gevangenissen kent, gebruikelijk is. Overigens worden enkele van deze private gevangenissen naar tevredenheid beheerd door Wackenhut. Minister Martha heeft inmiddels verzekerd dat het zijn intentie is om alle vereiste waarborgen en de aanbevelingen van het CPT in een eventuele beheersovereenkomst op te nemen. De staatssecretaris zegde toe dat de informatie die hem in de toekomst over de onderhandelingen met Wackenhut zal bereiken, aan de Kamer ter beschikking te stellen.

Desgevraagd antwoordde de staatssecretaris dat het niet de intentie van de Nederlandse regering is om een financiële bijdrage te leveren aan het beheer als hierover eenmaal een definitieve beslissing is genomen. De financiële bijdrage van Nederland blijft vooralsnog beperkt tot de 47 mln. die ter beschikking is gesteld voor de nieuwbouw. Overleg over een bijdrage aan een beheersplan voor de interim-periode heeft namelijk nog niet geresulteerd in een contract, mede omdat er nog geen concreet financieringsverzoek is ingediend.

Er is gediscussieerd over de mogelijkheid van een tijdelijke overdracht van gevangen. Deze discussie heeft echter niet geleid tot een formeel verzoek van de Antilliaanse regering.

De staatssecretaris zei dat hij minister Martha heeft verzocht om informatie over de invloed van de nieuwe wetgeving op de detentiecapaciteit. De minister heeft nog niet geantwoord, maar hij hoopte die informatie binnenkort te ontvangen. Over alternatieve straffen wordt vooralsnog alleen gediscussieerd. Zo heeft minister Martha de mogelijkheid geopperd te komen tot een uitvoerige dienstplicht. Plannen voor een ontwikkelingsbrigade zijn door de Staten in wetgeving omgezet, maar de eilanden hebben die nog niet geïmplementeerd. Verder is er het plan om op Curaçao een «Glenn Millsschool» op te richten. Nederland heeft zich bereid getoond om dit initiatief financieel te steunen, maar een concreet financieringsverzoek is nog niet ontvangen.

Het behoort tot de goede gebruiken dat niet iedere ambtelijke rapportage automatisch aan de Staten-Generaal wordt overlegd. De staatssecretaris zei dat het belang dat de Kamer aan deze rapportages hecht, reden was om met de Antilliaanse regering hierover te overleggen. Een en ander heeft geresulteerd in het besluit deze rapportages aan de Kamer te doen toekomen.

De brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake het NGO-beleid

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) stemde in met de keuze van de regering om een zwaar accent te leggen op de sociale problematiek. Wordt deze keuze echter ook gedeeld door de Nederlandse Antillen en Aruba? Impliceert een en ander dat er in het geheel geen steun meer zal worden verleend aan het milieu- en cultuurbeleid? Al met al moet het mogelijk zijn om met dit nieuwe NGO-beleid te komen tot een effectievere inzet van de middelen en het op afstand plaatsten van het beheer.

Er is gekozen voor een structuur met twee NGO-kantoren, te weten een kantoor op Aruba en een kantoor op de Nederlandse Antillen. In 2002 zullen de NGO's op Aruba worden ondergebracht bij het FDA. Betekent dit dat er na 2002 slechts één kantoor overblijft en wel het kantoor op de Nederlandse Antillen?

Mevrouw Scheltema wees erop dat de NGO-kantoren worden geacht te beoordelen of de aanvragen passen binnen de door de politiek vastgestelde beleidskaders en de sectorale programma's. Deze opdracht vraagt om een professionele staf, maar ook om duidelijkheid over de vraag of de in het beleidsoverleg vastgestelde beleidskaders bepalend zijn voor de sectorale programma's of dat dit proces precies andersom verloopt.

De parlementen zullen worden geïnformeerd over het beleidsoverleg. Worden de parlementen echter in de gelegenheid gesteld om zelf inhoudelijke accenten te leggen?

Kan de staatssecretaris duidelijkheid verschaffen over de huisvesting van de NGO-kantoren? Worden daarvoor de bestaande kantoren, zoals dat van Cede Aruba, gebruikt? Zij vroeg verder of de staf van de huidige NGO's wordt gebruikt voor de nieuwe NGO-kantoren. Dit is van belang voor de continuïteit, omdat de expertise van de huidige NGO's in de nieuwe structuur verloren kan gaan als er nieuw personeel wordt geworven voor de NGO-kantoren. Wordt overigens voorkomen dat projecten, zoals het Jeugdfonds Nederlandse Antillen (JENA), in de toekomst buiten de boot vallen?

De heer Te Veldhuis (VVD) zei in te kunnen stemmen met de in de brief verwoorde uitgangspunten en de accenten die worden gelegd op economie, onderwijs en bestuur. Verder getuigt de beperking tot een zestal programma's van een realistischere inschatting van de mogelijkheden.

In de brief staat dat Nederland achteraf zal controleren of de middelen rechtmatig en effectief zijn ingezet. De ervaring heeft echter geleerd dat het op de Nederlandse Antillen zelfs op regeringsniveau moeilijk is om aan deze eis te voldoen. Is het met het oog hierop te verwachten dat de nu versnipperde NGO's op korte termijn kunnen worden omgesmeed tot een organisatie die voldoet aan de eisen van deugdelijk bestuur, deugdelijke financiële planning en orde en deugdelijke financiële administratie, controle en accountancy? Zullen de Antillen ook zelf een financiële bijdrage leveren? De heer Te Veldhuis vroeg verder of er bij eventueel in gebreke blijven van de NGO-kantoren sancties kunnen worden opgelegd en of zij in de nieuwe structuur zullen werken met begrotingen waarin prestatiegegevens zijn opgenomen die achteraf kunnen worden gecontroleerd.

Ten slotte wees de heer Te Veldhuis op het grote belang van het JENA. Dit fonds is opgezet door mensen uit het bedrijfsleven. Zij financieren uit de rente op een door hen zelf opgebouwd vermogen werkervaringsplaatsen voor jeugdigen op de Nederlandse Antillen. Omdat zij geen jaarlijkse exploitatiebijdrage ontvangen, kunnen zij in de nieuwe NGO-constructie gemakkelijk buiten de boot vallen. Is er een oplossing voor dit probleem?

De heer Van Oven (PvdA) stemde in met de hoofdlijnen van de nieuwe NGO-structuur. Zullen er binnen deze nieuwe structuur juridisch afdwingbare afspraken worden gemaakt? Dit is van belang, omdat democratische controle door de betrokken parlementen in de toekomst mogelijk moeten blijven. Het jaarlijkse beleidsoverleg biedt hiertoe een mogelijkheid. Het is echter de vraag of dit overleg voldoende veelomvattend is om afspraken te maken over meerjarige projecten.

Minister-president Pourier heeft de aandacht gevestigd op het feit dat voor het welslagen van de nieuwe NGO-structuur medewerking van de eilanden is vereist. De nadruk die de afzonderlijke eilanden leggen op hun eigen karakter, kan er namelijk toe leiden dat zij zullen proberen te voorkomen dat er wordt getornd aan de positie van de NGO's die op het eigen eiland actief zijn. Hoe denkt de staatssecretaris dat binnen de nieuwe structuur aan de positie van de eilanden recht kan worden gedaan?

In het advies van de heer Kruijt wordt voorgesteld om de inspanningen van de NGO's binnen zes programma's te concentreren. De regering overweegt zelfs dat aantal te beperken tot vier. Bestaat echter niet het gevaar dat dit kleine aantal programma's gecombineerd met de sturing door het beleidsoverleg leidt tot een keurslijf dat de ruimte voor de Antilliaanse regering en de NGO's zozeer beperkt dat het niet mogelijk is om de programma's op een creatieve manier in te vullen? De heer Van Oven zei het te zullen betreuren als dit de uitkomst zal blijken te zijn van de nu ingeslagen weg.

Het is de bedoeling dat de reorganisatie budgettair neutraal wordt uitgevoerd Is dit echter mogelijk, nu is voorgesteld om externe ondersteuning in te schakelen? Verder zijn er ook kosten verbonden aan de monitoring en het opstellen van de jaarplannen. De heer Van Oven zei zelfs te vrezen dat als een gevolg van het streven naar een budgettair neutrale reorganisatie eventuele onvoorziene kosten in mindering zullen worden gebracht op de budgetten van de programma's. Is dit een gegronde vrees?

De NGO-kantoren krijgen een rol bij de afstemming met de niet-gouvernementele donoren in Nederland. Waaruit zal die rol bestaan? De regering heeft overigens geen formele bemoeienis met deze partijen. Is het met oog daarop mogelijk om hun medewerking te verkrijgen?

Ten slotte wees de heer Van Oven op de verschillen in benadering tussen Kruijt en Bukman. Bukman stelt voor om met een schone lei te beginnen en voor de uitvoering een geheel nieuw kantoor in het leven te roepen, terwijl Kruijt voorstelt om het uitvoeringsorgaan van het sociaal noodprogramma om te bouwen. De laatste optie heeft het bezwaar dat andere Antilliaanse organisaties zich gepasseerd kunnen voelen, waardoor het welhaast onvermijdelijk is dat het nieuwe kantoor een moeizame start maakt. Het voorstel van Bukman is kostbaarder, maar biedt wellicht een betere kans van slagen, omdat het een organisatie oplevert die niet door het verleden is belast. Al met al ging zijn voorkeur uit naar het voorstel van Bukman, zeker als dit kantoor de mogelijkheid krijgt om naast aandacht aan sociaal-economische programma's ook aandacht te besteden aan milieuprogramma's.

De heer Van der Knaap (CDA) zei in beginsel akkoord te kunnen gaan met het door de regering voorgestelde beleid, omdat het van groot belang is dat wordt gekomen tot een effectiever NGO-beleid. Verder zal ook de monitoring en de evaluatie moeten worden verbeterd.

De NGO's dienen zich te concentreren op activiteiten die zo dicht mogelijk aansluiten op de wensen en de noden van de mensen aan de onderkant van de samenleving. De aandacht zal dus moeten uitgaan naar armoedebestrijding, werkgelegenheid, de drugsproblematiek, de verpauperde wijken en de jeugdcriminaliteit. In de brief wordt echter gesteld dat de samenwerkingsmiddelen zullen worden geconcentreerd op de economie, het onderwijs en het bestuur. De keuze voor deze drie terreinen wordt gemotiveerd door erop te wijzen dat het nieuwe NGO-beleid in het verlengde dient te liggen van de nieuwe samenwerkingsrelatie, zoals die is uiteengezet in de nota Toekomst en samenwerking. Deze koppeling wordt nadrukkelijk gelegd, maar niet duidelijk is of en hoe de Nederlandse Antillen hebben gereageerd op deze nota.

In de brief wordt gesteld dat de Nederlandse regering de publiek-private-samenwerking van de NGO's en de Antilliaanse regering zal steunen. NGO's dienen zich echter niet al te veel te bewegen op terreinen waarvoor de primaire verantwoordelijkheid bij de overheid ligt, zoals economie en bestuur. Deelt de staatssecretaris deze opvatting?

De heer Van der Knaap vroeg of er binnen de nieuwe NGO-structuur voldoende aandacht zal zijn voor andere beleidscomponenten dan de sociaal-economische component. Zo worden op dit moment de cultuurcentra in hun bestaan bedreigd, omdat zij in de nieuwe structuur volledig afhankelijk worden van particuliere steun. Dit is toch zeker niet de bedoeling?

Het is de bedoeling dat het nieuwe beleid op 1 januari 2001 van start gaat. De keuze voor deze datum lijkt ietwat overambitieus, gezien de grote versnippering van het NGO-veld en de gebrekkige samenwerking en afstemming.

De regering stelt terecht dat de grote bestuurlijke verantwoordelijkheid hoge eisen stelt aan het bestuur en de staf van het NGO-fonds. Hoe kan worden gegarandeerd dat dit fonds over een professionele staf, een adequaat financieel-economisch systeem en een krachtig bestuur zal beschikken? De heer Van der Knaap meende dat hieraan de nodige aandacht moet worden besteed, omdat het huidige kader niet voldoende professioneel is. Er is externe ondersteuning toegezegd. Hoe zal aan deze ondersteuning vorm worden gegeven en gedurende welke periode zal steun worden verleend? Wat gebeurt er als er nog steun nodig is na de beginfase? Kunnen bij deze externe ondersteuning in Nederland opgeleide mensen worden ingeschakeld die naar de Nederlandse Antillen willen remigreren?

Antwoord van de regering

De staatssecretaris merkte op dat de doelstellingen van het nieuwe NGO-beleid voor de Nederlandse Antillen overeenkomen met de doelstellingen van het algemene ontwikkelingshulpbeleid zoals die sinds 1998 zijn ontwikkeld. De bedoeling van deze beleidswijziging is vergroting van de effectiviteit van het ontwikkelingsbeleid. Dit streven ligt ook ten grondslag aan de wens te komen tot een nieuwe NGO-structuur voor de Nederlandse Antillen. Het is immers onmiskenbaar dat de huidige versnippering niet bijdraagt aan het lenigen van de noden van de bevolking. De effectiviteit van het ontwikkelingsbeleid kan verder ook inhoudelijk worden vergroot door over te gaan van project- op programmafinanciering.

Of het gekozen tijdsschema al te ambitieus is, moet blijken. Mocht het de Antilliaanse partijen als gevolg van de huidige versnippering echter niet lukken om per 1 januari 2001 tot één NGO-sluiskantoor te komen, dan doet dat geen afbreuk aan het streven van de regering om voor die datum te komen tot een programmatische benadering van de sector-NGO's.

De eilandbesturen hebben de neiging te streven naar bestuurlijke controle over de middelen die aan de NGO's toevloeien. Dit leidt tot een zekere spanning met het streven van de NGO's naar onafhankelijkheid en de door de Nederlandse regering overgenomen en door minister-president Pourier in beginsel ondersteunde voorstellen van Kruijt en Bukman te komen tot een meer inhoudelijke focus. In de toekomst zullen de programma's centraal staan en niet de donoren of de afzonderlijke eilanden. De staatssecretaris meende dat het ondanks deze spanning van belang is de gekozen beleidslijn door te zetten, omdat het voor de «civil society» op de Nederlandse Antillen en Aruba van belang is dat er sterke organisaties ontstaan die op afstand van de verschillende overheden opereren.

De adviezen van Bukman en Kruijt over de uitvoering komen niet overeen. De staatssecretaris meende echter dat het niet nodig is om op dit moment al te kiezen voor een van de door hen voorgestelde opties. Het is immers ook mogelijk dat twee of meer NGO's fuseren. Er worden inmiddels gesprekken gevoerd tussen enkele organisaties en het is daarom zeker niet uitgesloten dat uiteindelijk voor deze oplossing wordt gekozen. Het voordeel van een dergelijke oplossing is dat er geen bestaande kennis verloren gaat, hetgeen nadrukkelijk de bedoeling is van de Nederlandse regering.

De staatssecretaris benadrukte dat het accent bij de sectorprogramma's op de sociale problematiek komt te liggen, omdat de prioriteiten van de overheidsgerelateerde ontwikkelingssamenwerking bestaan uit onderwijs, bestuursondersteuning en duurzame ontwikkeling. De NGO's hebben dikwijls grote deskundigheid op sociale terreinen en daarvan zal gebruik gemaakt moeten blijven worden. Over de vraag hoe een en ander in de sectorprogramma's moet worden uitgewerkt, zal op de Nederlandse Antillen zelf overleg moeten worden gevoerd. In dit overleg zal zowel recht moeten worden gedaan aan de beleidsvisie van de overheden als aan de wensen van de NGO's. Positief hierbij is dat de voorstellen van Kruijt op een tamelijk breed draagvlak mogen rekenen.

De nieuwe NGO-constructie is geïnspireerd door de constructie die voor het FDA is gekozen. Er zal dus zowel vooraf als achteraf verantwoording over het inhoudelijke en het financiële beleid moeten worden afgelegd. Op de Antillen zal een nieuw NGO-sluiskantoor worden opgericht. De rol van dit kantoor zal op Aruba vanaf 2002 door het FDA worden vervuld. De keuze voor 2002 is ingegeven door de wens van de NGO's op Aruba om de ontwikkelingen rond het FDA enige tijd te kunnen aanzien.

De staatssecretaris zei dat het de expliciete bedoeling van de programmafinanciering is om sectorprogramma's voor de middellange termijn te ontwikkelen.

Het is zeker niet de bedoeling dat de kosten van de reorganisatie in mindering worden gebracht op de budgetten van de projecten. Waarschijnlijk zal dit ook niet gebeuren, omdat het de verwachting is dat de reorganisatie zal leiden tot efficiencywinst. De huidige gesubsidieerde NGO's kennen immers nogal wat overheadkosten.

De afstemming tussen de donoren kan alleen maar op basis van vrijwilligheid plaatsvinden, omdat de overheid zich hier niet mee mag bemoeien. Het is echter wel in het belang van de donoren om te overleggen met de ontvangers over het beleid en de effectiviteit daarvan. Men moet immers voorkomen dat de activiteiten van een overheid die van een NGO overlappen. Over deze afstemming worden op dit moment aftastende bespreking gevoerd. Aan deze besprekingen kan nu een extra impuls worden gegeven, omdat er meer ambtelijke capaciteit beschikbaar is, nu een aantal andere onderhandelingen is afgerond. Overigens zal er in de nabije toekomst ook meer aandacht worden besteed aan overleg met de Europese Commissie die op de Nederlandse Antillen in een aantal overheidsprojecten participeert.

Het JENA is een van de toonaangevende organisaties op het terrein van de jeugdzorg. Het programma van de jeugdzorg zal dan ook voor een belangrijk deel worden geënt op de visie van het JENA. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt echter bij minister-president Pourier.

De staatssecretaris merkte op dat het nog niet duidelijk is hoeveel mensen er voor de externe ondersteuning nodig zijn. Dit is namelijk mede afhankelijk van de constructie die men uiteindelijk kiest. Voorkomen moet worden dat dit kantoor een waterhoofd wordt en het aantal in Nederland opgeleide Antillianen dat bij de externe ondersteuning kan worden ingeschakeld, zal dan ook beperkt zijn. Dit neemt weg dat er hier mogelijkheden liggen voor mensen die willen remigreren.

De nota Toekomst en samenwerking is besproken in het Antilliaanse kabinet. Een positieve conceptreactie is opgesteld maar nog niet definitief vastgesteld, omdat de prioriteit wordt gegeven aan de besprekingen over het economisch herstel.

De staatssecretaris zegde toe informatie te verschaffen over de NGO-kantoren. Het is de bedoeling om per 1 januari 2001 met beide kantoren van start te gaan, maar het is niet uitgesloten dat de discussie op de Nederlandse Antillen iets meer tijd vergt en dat het kantoor als een gevolg daarvan iets later wordt geopend.

De voorzitter van de commissie,

Rosenmöller

De griffier van de commissie,

De Lange


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), Te Veldhuis (VVD), Ter Veer (D66), Rosenmöller (GroenLinks), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Zijl (PvdA), Zijlstra (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Van der Hoeven (CDA), Van Oven (PvdA), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), De Graaf (D66), Dankers (CDA), Van der Knaap (CDA), Karimi (GroenLinks), Gortzak (PvdA), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), E. Meijer (VVD) en Van Baalen (VVD).

Plv. leden: Balemans (VVD), Oplaat (VVD), Van den Berg (SGP), Van Gent (GroenLinks), Van Vliet (D66) Rouvoet (RPF/GPV), Swildens-Rozendaal (PvdA), Valk (PvdA), Van de Camp (CDA), Van Wijmen (CDA), Koenders (PvdA), Timmermans (PvdA), Weisglas (VVD), Dittrich (D66), Hillen (CDA), Stroeken (CDA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Duivesteijn (PvdA), De Cloe (PvdA), Atsma (CDA), Marijnissen (SP), De Boer (PvdA), Van den Doel (VVD), O.P.G. Vos (VVD) en Luchtenveld (VVD).

Naar boven