nr. 1
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 14 juni 1999
In de Memorie van Toelichting bij hoofdstuk IV van de Rijksbegroting (Koninkrijksrelaties)
voor 1999 is de Tweede Kamer een «kaderstellende inventarisatie»
in het vooruitzicht gesteld over de wijze waarop aan Nederlandse zijde de
toekomstige samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba zal worden vormgegeven.
De nota «Toekomst in Samenwerking» die ik u hierbij aanbied,
bevat een algemeen beleidskader voor de Nederlandse samenwerking met de Nederlandse
Antillen en Aruba.
Doelstelling samenwerkingsbeleid
De noodzaak voor vernieuwing van het samenwerkingsbeleid wordt al sedert
jaren onderkend, zoals blijkt uit de rapporten van de commissies Biesheuvel
en Wawoe en het regeringsstandpunt daarop. In de nota Toekomst in Samenwerking
wordt een analyse gegeven van de huidige situatie en worden lijnen uitgezet
voor beleid dat in overeenstemming is met internationale ontwikkelingen op
het terrein van de ontwikkelingssamenwerking.
In de nota worden de volgende onderwerpen aan de orde gesteld:
– het bevorderen van een zo groot mogelijke zelfredzaamheid van
de Koninkrijkspartners als de centrale doelstelling van het samenwerkingsbeleid;
– de doelstelling dat de Nederlandse middelen bijdragen aan structurele
verbeteringen, ter ondersteuning van goed beleid en goed bestuur;
– het moderniseren van de samenwerkingsrelatie met de Nederlandse
Antillen en Aruba en het verbeteren van de effectiviteit van de samenwerkingsrelatie;
– het in de toekomst concentreren van de samenwerkingsmiddelen op
een beperkt aantal terreinen, te weten:
• kwaliteit van bestuur («good governance»);
• duurzame economische ontwikkeling;
• onderwijs.
– het in de toekomst zoveel mogelijk verstrekken van de samenwerkingsmiddelen
in de vorm van programmafinanciering. De samenwerkingsmiddelen zullen hiertoe
voor een groot gedeelte in fondsen worden gestort en worden beheerd en gealloceerd
door onafhankelijke instanties;
– het gezamenlijk overeenkomen van samenwerkingsprogramma's die
de kern zullen vormen van het nieuwe samenwerkingsbeleid;
– het afzonderen van de middelen die voor de rechtshandhaving nodig
zijn van de fondsen die voor samenwerkingsprogramma's beschikbaar worden gesteld.
In de nota wordt tevens aangegeven aan welke voorwaarden moet zijn voldaan
voordat het nieuwe samenwerkingsbeleid ingevoerd kan worden. De belangrijkste
daarvan zijn:
1. een gezond financieel-economisch beleid;
2. de kwaliteit van bestuur («good governance»).
Op basis van deze voorwaarden hebben de minister-president van Aruba en
ik op 11 maart jl. een akkoord getekend waarin het kader is neergelegd voor
de samenwerking met Aruba. Vanaf volgend jaar is voor de duur van 10 jaar
de omvang van de samenwerkingsmiddelen in dit akkoord vastgelegd. Ik heb uw
Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 18 maart 1999 (nr. KR99U060519).
Op de Nederlandse Antillen baart de stand van de economie en de overheidsfinanciën
grote zorgen. Wat de Nederlandse regering betreft, is een naar internationale
standaarden gezonde overheidshuishouding een basisvoorwaarde voor een vernieuwde
financiële verhouding waarin beter wordt aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheden
van de Antilliaanse regering. Uitvoering van een aan internationale maatstaven
beantwoordend saneringsprogramma is van wezenlijk belang om de effectiviteit
van de door Nederland verstrekte hulp te vergroten.
De omslag van de huidige praktijk naar de toepassing van het nieuwe kader
zal niet eenvoudig zijn. De komende maanden moeten benut worden om hier verdere
uitwerking aan te geven. In de Memorie van Toelichting bij de begroting van
hoofstuk IV van de Rijksbegroting (Koninkrijksrelaties) voor 2000 zal over
de voortgang worden gerapporteerd.
Parallel aan dit traject zal gewerkt worden aan het oplossen van een aantal
knelpunten ten aanzien van de financiering van projecten vanuit hoofdstuk
IV van de Rijksbegroting en ten aanzien van het administratieve beheer van
de projectfinanciering en de personele samenwerking. Separaat wordt u heden
een brief toegezonden waarin op deze problematiek wordt ingegaan.
Staatkundige verhoudingen en bestuurlijke organisatie
Er bestaat op de Nederlandse Antillen onvrede over de bestuurlijke organisatie.
De dubbele bestuurslaag (Land/Eilanden) wordt als verlammend ervaren en veroorzaakt
aanzienlijke bestuurslasten. Ik constateer, ook tijdens mijn recente werkbezoek,
dat er behoefte bestaat aan een discussie hierover.
Een dergelijke discussie over de bestuurlijke organisatie van de Nederlandse
Antillen kan benut worden om nieuwe impulsen voor de verbetering
van de kwaliteit van het bestuur te genereren. In de nota Toekomst in Samenwerking
wordt hiervoor ruimte gegeven.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. M. de Vries