Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 26597 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 26597 nr. 6 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 10 november 2000
In juni 1999 heeft het kabinet in een notitie zijn beleid op het terrein van media en minderheden uiteengezet (TK 1998–1999, 26 597, nr. 1). In aanvulling hierop is een financieel overzicht en een tijdsplanning gegeven (24 nov 1999, TK 1999–2000, 26 597, nr. 4).
Tijdens het algemeen overleg op 7 oktober 1999 over de notitie media en minderhedenbeleid (TK 1999–2000, 26 597 nr. 3) en bij de behandeling van de Concessiewet op 18 januari 2000 (Handelingen TK 26 660) heb ik toegezegd u eind 2000 in een brief te berichten over de voortgang van de verschillende onderdelen van het mediaen minderhedenbeleid. Bij deze doe ik die toezegging gestand.
Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om in te gaan op de doorgifteplicht van lokale en regionale publieke programma's op de kabel. Deze problematiek hangt nauw samen met de verspreiding van lokale minderhedenprogrammering.
Oog hebben voor uiteenlopende ervaringen en perspectieven binnen de multiculturele samenleving is een voorwaarde voor programmaverscheidenheid en -kwaliteit en voor een goed bereik onder verschillende bevolkingsgroepen. In de Concessiewet zijn meerdere elementen (taakopdracht, rapportageverplichtingen, programmavoorschriften NPS) opgenomen die de publieke omroep aanzetten tot meer culturele diversiteit op en achter de schermen.
Positief nieuws is de oprichting van het diversiteitsbureau Meer van Anders bij de NOS. Dit bureau wordt door de publieke omroep zelf gefinancierd en heeft de opdracht om een evenwichtige representatie van verschillende groepen te bevorderen; van mannen en vrouwen, zwart en wit, jong en oud. Daarbij ligt het accent op programma-inhoud (beeldvorming) en in tweede instantie op personeelsbeleid. Met onderzoek, debat en gerichte trainingen zal Meer van Anders de dialoog aangaan met programmamakers en zendgemachtigden.
In de Concessiewet is het percentage zendtijd dat de NPS dient te besteden aan minderhedenprogrammering verhoogd naar 25% voor radio en 20% voor televisie. In een reactie op het Concessiebeleidsplan heeft het Commissariaat voor de Media kritiek geuit op de wijze waarop de NPS dit programmavoorschrift invult. De programma's gaan volgens het Commissariaat wel óver migranten, maar zijn niet echt vóór deze bevolkingsgroepen. Zoals al eerder aangegeven (TK 1998–1999, 26 597, nr. 1) vind ik dat de NPS zich naar behoren van zijn taak kwijt. Voor doelgroepprogrammering ligt het zwaartepunt bij de radio. Op televisie zendt de NPS daarnaast veel programma's uit voor een breder publiek die een beeld schetsen van de Nederlandse multiculturele samenleving. Ook probeert de NPS jongere generaties migranten te bereiken met programma's die een hoge amusementswaarde hebben. Met deze zogeheten «multiculturele programmering» kan de NPS een voortrekkersrol vervullen binnen de omroepwereld. Ik word in die opvatting gesteund door de Europese televisiewereld die het door de NPS geproduceerde programma Urbania de Prix d'Iris gaf.
De Raad voor Cultuur en de Stichting Omroep Allochtonen zijn van mening dat er binnen de publieke omroep als geheel te weinig concrete voornemens zijn. Ik ben het daarmee eens. In mijn brief bij de Concessieverlening heb ik aangedrongen op een gezamenlijk plan van aanpak, naast en in aanvulling op de activiteiten van de NPS en Meer van Anders. Een dergelijk plan lijkt mij nuttig om tot gedeelde definities van multiculturele programmering en intercultureel personeelsbeleid te komen en op deze punten meetbare doelstellingen te formuleren. Inmiddels wordt overigens al wel gewerkt aan een monitoringssysteem voor het diversiteitsbeleid, mede met het oog op de beoordeling van de omroepverenigingen over vier jaar. In de begroting zou een dergelijke monitoring vanaf volgend jaar een plek kunnen krijgen.
In 1999 ontwikkelde de NPS in samenwerking met de STOA een idee voor een radiozender met muziek en lichte informatie, gericht op een multicultureel publiek tussen de 15 en 35 jaar. Door de Raad voor Cultuur is de suggestie gedaan om dit radioformat als experiment te starten op de AM747, waarop nu nog Radio 1 wordt uitgezonden. Handicap is dan wel dat de middengolf minder geschikt is voor muziek. Van de zijde van de NOS is aangegeven dat de publieke omroep voor Urban FM een zesde FM-net zou willen.
Inmiddels heeft het kabinet zijn standpunt uitgebracht over de herverdeling van radiofrequenties in 2001 (zero-base). Wat betreft de landelijke publieke omroep is besloten tot beëindiging van de dubbele bedekking van Radio 1. Aangezien er geen vijf landelijk dekkende FM-netten voor de publieke omroep vallen te realiseren, is verder de AM-747 van Radio 1 bestemd voor de uitzending van Radio 5. De AM-1008 komt vrij voor commercieel gebruik. Binnen dit kader is geen ruimte voor de realisering van Urban FM.
In 2001–2005 zet het Stimuleringsfonds zijn beleid voort om – in samenwerking met het Maurits Binger Film Instituut – multicultureel talent op te leiden. Het «scouten» van nieuw talent zal worden geïntensiveerd en uitgebreid naar andere programmacategorieën dan televisiedrama, bijvoorbeeld documentaires, kunstprogramma's en kinderprogramma's voor televisie én radio.
Over de toepassing van het taalcriterium door het Stimuleringsfonds is de Tweede Kamer geïnformeerd in een eerdere brief (d.d. 5 jan 2000, TK 1999–2000, 26 547, nr. 5). Kern is dat het fonds in voorkomende gevallen het taalcriterium ondergeschikt maakt aan het belang van minderhedenprogrammering. Als anderstaligheid voortvloeit uit een multiculturele thematiek en/of de herkomst van de maker (mits wonend in Nederland), dan wordt een subsidieverzoek nooit op die grond afgewezen. Deze handelwijze vergt geen statutenwijziging.
Lokale omroepen kunnen zeer direct aansluiten bij de dagelijkse ervaringen en leefomgeving van mensen. Vooral in de vier grote steden en andere regio's met een relatief grote migrantenpopulatie is lokale omroep daarom bij uitstek een geschikte informatiebron en een podium voor migrantengroepen.
Migrantentelevisie in de vier grote steden
Inmiddels heb ik met de betrokken wethouders van de vier grote steden een principe-akkoord bereikt over de versterking van lokale migrantentelevisie. Er komt een nieuwe gezamenlijke organisatiestructuur en een hoger programmabudget. Door het organisatie-adviesbureau Van Naem & Partners is een bedrijfsplan opgesteld voor de nieuwe «centrale programma organisatie» (CPO), waarin in principe de bestaande organisaties SOM-Media en MTV Amsterdam zullen opgaan. De CPO zal in nauwe samenwerking met regionale en lokale omroepen of producenten programma's gaan maken voor de drie grote doelgroepen: Turken, Marokkanen en Surinamers en Antillianen. Streven is om voor iedere groep drie kwartier per week actueel programma-aanbod uit te zenden, waarvan een kwartier zal bestaan uit lokaal geproduceerd nieuws.
De gekozen organisatiestructuur is een compromis tussen centrale productie (schaalvoordelen) en decentrale productie (betrokkenheid regionale en lokale omroepen en producenten). Aan de ene kant zorgt de CPO voor krachtenbundeling tussen de vier grote gemeenten en worden beschikbare middelen efficiënter ingezet. Tegelijkertijd zal door de samenwerking van de CPO met lokale en/of regionale partners een gezonde basis voor minderhedenprogrammering ontstaan in de steden. Ook wordt in deze organisatiestructuur overloop en uitwisseling tussen reguliere omroep en migrantenomroep gestimuleerd, zowel onder publiek als onder personeel. De bedoeling is dat in de loop van het voorjaar van 2001 gestart kan worden met de uitzending van migrantentelevisie in de nieuwe constellatie. Hiervoor hebben betrokken overheden gezamenlijk een budget beschikbaar gesteld van bij elkaar 6,8 miljoen gulden per jaar voor de periode 2001–2004.
Migrantenradio in de vier grote steden
In het kader van de herplanning van radiofrequenties in 2001 is voor de lokale publieke omroepen in de vier grote steden extra frequentieruimte gereserveerd voor migrantenradio. Daaraan heeft de regering als voorwaarde verbonden dat de bestaande programmering een kwaliteitsimpuls krijgt. Om het beslag op schaarse etherruimte te rechtvaardigen, moeten de betrokken lokale zendgemachtigden zorgen voor herkenbare en aantrekkelijke programmering. Indien straks meerdere toegangsomroepen actief zijn op de nieuwe zenders, dient men tenminste te zorgen voor een heldere zendtijdindeling, zware programmacoördinatie en redactionele ondersteuning en opleidingen voor de programmamakers. Een andere optie is om de zendtijd vanuit één hand te programmeren. De vier publieke omroepen van Amsterdam, Rotterdam Den Haag en Utrecht werken momenteel aan een plan voor een gezamenlijk, professioneel radiostation dat zich richt op een jonger, multicultureel luisterpubliek. Bij de uitwerking van dit plan zijn ook de gemeentebesturen betrokken. Ik wacht de uitkomsten af.
Om in zijn algemeenheid de representatie van migranten bij lokale omroepen te bevorderen, rekent het Commissariaat minderhedenprogrammering sinds 1 januari 1999 mee voor het verplichte zendtijdpercentage informatie, educatie en cultuur. Ook kijkt het Commissariaat scherper naar de samenstelling van het programmabeleidsbepalende orgaan van lokale omroepen. Ik zal het Commissariaat vragen naar de effecten die tot nog toe met beide maatregelen zijn bereikt.
De OLON heeft f 200 000,– subsidie gekregen voor het pilotproject «Grenzeloos Lokaal», dat loopt tot 1 oktober 2001. Doel van dit project is het tot stand brengen van doelgroep- en multiculturele programmering bij lokale omroepen in middelgrote gemeenten met een relatief grote migrantengemeenschap. De deelnemende omroepen zijn: Omroep Assen, Omroep Eindhoven en Omroep Almelo in samenwerking met Omroep Enschede. Per locatie worden alle keuzen en resultaten beschreven zodat deze overdraagbaar zijn naar andere gemeenten
Interessant is verder een project van SALTO. Hierbij wordt met behulp van internet een database van audiofragmenten opgezet voor en door lokale allochtone radioredacties in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De bedoeling is om zo informatie- en programma-uitwisseling te stimuleren en daarmee de programma's aantrekkelijker te maken. Ook leren de deelnemende redacties hoe ze internet kunnen gebruiken als hulpmiddel bij radioproductie. Het project is gesubsidieerd uit het budget subsidies mediabeleid.
Met subsidie van OCenW is ook het Caribisch Journaal van de Wereldomroep tot stand gekomen. Het gaat om experimentele samenwerking en programma-uitwisseling met de Antilliaanse en Arubaanse omroepen. Om het Journaal ook ook in Nederland verspreiding te geven, hebben de regionale omroepen TV West, TV Rijnmond, AT5 en TV Noordholland het in 2000 opgenomen in hun programmering.
In de Concessiewet worden de hoofdtaakprogramma's voor de lokale en regionale omroep beperkt tot één radio- en één televisieprogramma. Voor de hoofdtaakprogramma's geldt het voorkeursrecht op frequentieruimte en de doorgifteplicht op de kabel. Zij worden tot de zogenaamde must-carry kanalen gerekend. Voor neventaakprogramma's gelden deze bijzondere voorrechten niet. Schaarste aan zowel frequentieruimte als kabelcapaciteit verzet zich tegen het opleggen van onbeperkte doorgifteplichten en etherbeslag.
Bij de behandeling van de Concesssiewet in de Tweede Kamer is de zorg uitgesproken over de beperking van de omvang van de must-carry verplichting, vooral waar het gaat om lokale omroepen.
In enkele grote steden vullen lokale omroepen namelijk meerdere kanalen met programma's. Het gaat hier dan voor een groot deel om programma's voor minderheden, maar ook om andere vormen van toegangsomroep. De vraag is in hoeverre deze kanalen onder de must-carry verplichting vallen. Een onbeperkte doorgifteplicht voor ieder willekeurig programma van een lokale omroep is niet redelijk en juridisch disproportioneel. Aan de andere kant hecht de nieuwe Concessiewet bijzondere waarde aan programmering voor en door minderheden. Het is derhalve verdedigbaar om de programmering voor minderheden te rekenen tot de hoofdtaak van de lokale en regionale omroep. In de nota «Kabel en consument: digitalisering en marktwerking» wordt daarom aangekondigd de Mediawet, met behoud van het nieuwe regime van hoofd- en neventaken, in die zin aan te passen dat voor deze programma's ook een doorgifteplicht zal gelden.
Nadere analyse leert dat het onderwerp in het bijzonder speelt in de grote steden, waar de lokale zendgemachtigde in een aantal gevallen niet zelf programma's produceert, maar haar taak invult door één of meer radio- en/of televisiekanalen in te richten als open kanaal. Daarnaast is een kanaal bestemd voor een meer professionele lokale omroep (zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse televisiezender AT5). De open kanalen bieden zendtijd aan een groot scala van zogenaamde toegangsomroepen. Omroepen voor en door etnische minderheden en multiculturele omroepen nemen hiervan een aanzienlijk deel voor hun rekening, maar ook buurtomroepen, jongeren, kunstenaars en andere initiatieven vanuit de lokale bevolking vullen de zendtijd op de open kanalen. Gezien de enorme variatie in initiatieven is het passender om in de Mediawet geen aparte uitzondering op te nemen voor minderhedenprogrammering, maar de open kanalen van de lokale omroep in hun geheel te rekenen tot de hoofdtaak. Daarmee vallen ze automatisch onder de doorgifteplicht. Voorwaarde is wel dat de open kanalen een aanzienlijke bijdrage ontvangen uit publieke middelen. Hiertoe reken ik ook bijdragen van kabelexploitanten die verplicht zijn op grond van met gemeenten gesloten overeenkomsten. Publieke financiering is een indicatie van het belang dat aan de betreffende programmering wordt gesteld. Met deze voorwaarde wordt bovendien een ongelimiteerde uitbreiding van het aantal kanalen waarvoor de doorgifteplicht geldt, voorkomen.
Recent onderzoek in opdracht van het Bedrijfsfonds voor de Pers1 laat zien dat er ruim honderd kranten, tijdschriften, nieuwsbrieven en informatiebulletins zijn die zich richten op migranten in Nederland. Het gaat hierbij voor een belangrijk deel om kleinschalig, particulier initiatief met een beperkte verspreiding. Veel uitgaven worden onaangekondigd in de markt gezet en verdwijnen ook weer snel. Aan de vraagkant signaleert het Bedrijfsfonds onder migranten een behoefte aan Nederlandse bladen die inspelen op hun specifieke informatiewensen.2
Voorzien is een verruiming van de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds voor de Pers om steun te kunnen bieden aan persorganen die zich richten op migranten of een (nadrukkelijk) multicultureel publiek. De gedachte is om gedurende vier jaar een lagere drempel te hanteren voor de verschijningsfrequentie, zowel voor steun aan nieuwe bladen (nu alleen voor dagbladen), als voor bestaande bladen (nu 1 x per maand). Voor persorganen gericht op migranten wil het Bedrijfsfonds dan bovendien een geoormerkt budget beschikbaar stellen. In het derde jaar zal deze regeling geëvalueerd worden. Hoewel bedoeld als experimentele regeling, moet voor de uitvoering hiervan wel de Mediawet worden aangepast.
Ik zal de kamer hierover berichten in de al aangekondigde brief over het persbeleid en de benodigde wetswijziging voorbereiden. Vooruitlopend op de nieuwe regeling heb ik uit het budget subsidie mediabeleid eenmalig steun verleend aan het noodlijdende, «cross-culturele» tijdschrift Rôof.
Arbeidsdeelname en inburgering
Om de arbeidsdeelname van migranten in de media te vergoten hebben de publieke landelijke, regionale, en wereldomroep jarenlang samengewerkt in het project Meer Kleur in de Media. In 2000 loopt dit project af en zullen de activiteiten structureel worden ingebed in enerzijds het NOS-diversiteitsbureau Meer van Anders (ondersteuning intercultureel personeelsbeleid) en anderzijds de STOA (ondersteuning aankomende makers). In 1999 is bovendien de stichting Mixed Media opgericht. Deze stichting richt zich nadrukkelijk op het vakgebied van de (nieuws)journalistiek, en heeft bestuursleden uit de dagbladwereld, de commerciële en de publieke omroep. Mixed Media kiest verder voor gerichte en individuele bemiddeling van allochtone journalisten. Voor de financiering van het projectbureau heb ik dit jaar subsidie verleend.
Televisie kan onder voorwaarden worden ingezet bij de inburgering van migranten. Met de groep van zogeheten «oudkomers» voor ogen heeft Teleac/NOT Hallo Holland gemaakt. Deze televisieserie laat zien hoe belangrijk communicatie en dus kennis van de Nederlandse taal en cultuur is in allerlei dagelijkse situaties. Hallo Holland heeft daarmee vooral een ondersteunende en stimulerende functie. Een televisieprogramma kan taalonderwijs in het klaslokaal niet vervangen. Wel kan het als hulpmiddel in dat klaslokaal worden ingezet – ook in de inburgeringsprojecten voor «nieuwkomers». Teleac/NOT heeft veel werk gemaakt van gerichte promotie. Er is een mailing uitgegaan naar 2,5 duizend adressen; ROC's (regionale opleidingscentra), moskeeën, buurthuizen, en migrantenorganisaties. Bovendien zijn er videobanden van het programma te krijgen in 1200 bibliotheken. Ik ben bereid om bij te dragen aan een vervolgserie.
Onderstaand overzicht vat samen welke middelen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aanwendt voor het media en minderhedenbeleid in 2000 en 2001. Voor 2002 is een tentatieve verdeling opgenomen.
| 2000 | 2001 | 2002 | Uit | |
|---|---|---|---|---|
| 1. SOM-Media/lokale migranten-televisie | 1,5 miljoen | 4,6 miljoen | 4,6 miljoen | Subsidies mediabeleid/Omroepbegroting |
| 2. STOA | 1,0 miljoen | 1,1 miljoen | 1,1 miljoen | Cultuurnota |
| 3. Projecten-budget | 1,1 miljoen | 1,1 miljoen | 1,1 miljoen | Subsidies mediabeleid |
| 4. Taal en inbur-gergering op televisie | 1,5 miljoen | 1,5 miljoen | 1,5 miljoen | Subsidies mediabeleid |
| totaal | 5,1 miljoen | 8,3 miljoen | 8,3 miljoen |
Toelichting per onderdeel:
1. In 2001 krijgt de Service Organisatie Migranten-Media nog voor enkele maanden subsidie om zijn activiteiten voort te zetten tot de nieuwe centrale programma organisatie voor lokale migrantentelevisie er is. Daarna gaat op jaarbasis een bijdrage van f 4,55 miljoen uit de omroepbegroting naar lokale migrantentelevisie.
2. Conform het advies van de Raad voor Cultuur blijft de instellingssubsidie voor de STOA in het kader van de Cultuurnota gelijk en bedraagt deze voor de periode 2001–2004 f 1,08 miljoen. Daarnaast kan STOA net als in voorgaande jaren voor eenmalige projectsubsidies een beroep doen op het budget subsidies mediabeleid (zie onder punt 3). Om de STOA op dit punt een zekere continuïteit te bieden zal ik met hen afspraken maken over projectsubsidies tot een totaalbedrag van f 0,5 miljoen in 2001.
3. Meevallende inkomsten op het budget subsidies mediabeleid (rente omroepreserve) zijn mede aangewend om in 2000 meer projecten op het terrein van media- en minderheden te kunnen honoreren; in plaats van de geraamde f 0,5 miljoen ging naar dit doel f 1,1 miljoen. Dit bedrag wordt de komende jaren op dit niveau gehandhaafd. Daarbinnen is f 0,5 miljoen geoormerkt voor projectvoorstellen van de STOA.
4. Voor taalonderwijs- en inburgeringsprogramma's op televisie is in 2001 opnieuw f 1,5 miljoen beschikbaar.
Alles overziend meen ik dat er op de verschillende terreinen behoorlijke vooruitgang is geboekt en dat (de aandacht voor) culturele diversiteit in de media zich in positieve richting ontwikkelt. Dit is overigens niet in de laatste plaats te danken aan de inspanningen van organisaties en mensen in de mediasector zelf en van de Stichting Omroep Allochtonen.
Het media- en minderhedenbeleid is niet «af», maar staat stevig in de steigers. Het komende jaar zal ik mij concentreren op de versterking van lokale migrantentelevisie en migrantenradio, op de monitoring van het diversiteitsbeleid bij de landelijke publieke omroep, en op een experimentele regeling bij het Bedrijfsfonds.
Ik ga ervan uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Op basis van Mediabeleving van allochtonen in Nederland kwalitatief onderzicht, Katholieke Universiteit Nijmegen, juni 1999 (in opdracht van het Bedrijfsfonds en de Nederlandse Vereniging van Journalisten).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26597-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.