26 597
Media- en minderhedenbeleid

nr. 2
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 5 oktober 1999

De Raad voor Cultuur heeft op mijn verzoek een advies (d.d. 17 september 1999, afschrift bijgevoegd)1 uitgebracht over de uitgangspunten en beleidsmaatregelen die het kabinet heeft neergelegd in de notitie Media- en minderhedenbeleid (TK 1998–1999, 26 597, nr. 1). Op 7 oktober zal ik genoemde notitie bespreken in een algemeen overleg met de Tweede Kamer. Het leek mij nuttig u daarvoor een schriftelijke reactie op het raadsadvies te zenden.

Allereerst verheugt het mij dat de Raad voor Cultuur op hoofdlijnen positief oordeelt over mijn beleidsvoornemens. Op een aantal punten doet hij concrete suggesties voor aanvullende maatregelen. Hieronder zal ik op de verschillende onderdelen van het advies reageren.

Algemene uitgangspunten

De Raad ziet een tweeledige rol voor de media in een multiculturele samenleving. Enerzijds kunnen de media uitdrukking geven aan de verscheidenheid in ons land, anderzijds kunnen zij migranten helpen zich de taal eigen te maken en zich te informeren over Nederland. Ik kan mij goed vinden in deze gedachte, waarbij ik doorgaans een onderscheid maak tussen twee soorten doelen van media- en minderhedenbeleid: doelen van cultuurpolitieke aard (diversiteit binnen aanbod en publiek) en het doel van wederzijdse integratie van bevolkingsgroepen. In mijn beleid heb ik dan niet alleen de belangen van migranten voor ogen, maar ook die van het autochtone publiek. Uiteindelijk zullen ook zij profiteren van een gevarieerd media-aanbod dat zich laat inspireren door de verschillende culturele identiteiten die Nederland rijk is.

Pers

De Raad vindt dat in de notitie Media- en minderhedenbeleid onvoldoende aandacht is voor de perssector. Ik erken dat de meeste maatregelen in de notitie gericht zijn op de publieke omroep. Uiteraard hangt dit samen met de bijzondere positie van de publieke omroep. Door zijn aard en financieringswijze kunnen aan de publieke omroep nu eenmaal gemakkelijker (wettelijke) eisen worden gesteld dan aan de ondernemingsgewijze georganiseerde pers.

Met mij constateert de Raad dat de bedrijfstak zelf al activiteiten ontplooit om een beter bereik te realiseren onder migrantengroeperingen. Daarnaast kan de overheid door stimuleringsmaatregelen enige richting geven aan markontwikkelingen. Later dit jaar zal ik de Tweede Kamer een brief sturen over het persbeleid. Hierop vooruitlopend wil ik kort ingaan op de opmerkingen en voorstellen van de Raad.

De Raad vreest dat de voorgestelde verruiming van de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds voor de Pers nog enige tijd op zich zal laten wachten. Ik kan hem op dit punt geruststellen. Het Bedrijfsfonds heeft inmiddels een advies ter zake uitgebracht. Ik heb het voornemen om op kortere termijn de benodigde wetswijziging voor te stellen.

De verruiming van de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds is bedoeld om de drempel te verlagen voor persorganen die zich specifiek op culturele minderheden richten. Daarnaast meent de Raad dat de reguliere dagbladen aantrekkelijker kunnen worden gemaakt voor deze doelgroepen. Hij noemt bijvoorbeeld het aanstellen van vaste correspondenten in de herkomstlanden en de werving van allochtone journalisten. Ook zouden migranten via het Internet worden betrokken bij het nieuws en bij nieuwsgaring. Vooral de jongere generaties die weinig lezen en dus ook nauwelijks kranten lezen zijn verhoudingsgewijs frequente Internetgebruikers. Ik kan mij voorstellen dat dagbladen bovengenoemde suggesties aangrijpen om hun bereik onder migranten te verbeteren. In hoeverre het Bedrijfsfonds voor de Pers hierbij een rol kan spelen, moet worden onderzocht.

Beeldvorming

De Raad onderschrijft het belang van beeldvorming over migranten in de media. Daarbij plaatst hij de kanttekening dat voorkomen van stereotypering en vooroordelen niet zou mogen doorslaan in een «vergoeilijkende» benadering van culturele minderheden. Van de overheid verwacht de Raad een actieve opstelling op dit gebied, maar hij geeft niet aan welk type maatregelen daarbij passen.

In de notitie Media- en minderhedenbeleid heb ik geprobeerd aan te geven dat beeldvorming van migranten in de media moeilijk direct door de overheid kan worden voorgeschreven of beïnvloed. Beeldvorming is een resultaat van een complex van factoren, variërend van algemeen maatschappelijke opvattingen tot journalistieke werkwijzen en mores, tot betekenisgeving door mediaconsumenten. Wat de overheid wel kan doen, is discussie over beeldvorming binnen de journalistieke beroepsgroep ondersteunen. Het Ministerie van OCenW doet dit sinds jaren door middel van eenmalige subsidies voor bijvoorbeeld congressen of publicaties over het onderwerp. Belangrijker nog is de rol van de overheid in voorwaardenscheppende zin. Ik doel dan op het zorgdragen voor een mediamarkt of -omgeving die gunstig is voor een evenwichtige verslaggeving over de multiculturele samenleving. De verschillende maatregelen in de notitie Media- en minderhedenbeleid zijn juist hierop gericht.

Enerzijds bevorderen zij multiculturalisering van de algemene media. Anderzijds scheppen zij meer ruimte voor specifiek aanbod gericht op migranten, mede vanuit de gedachte dat dit aanbod corrigerend en inspirerend kan werken voor het algemene media-aanbod.

Landelijke omroep

De Raad ondersteunt de maatregelen in de concept-concessiewet bedoeld om de programmering van de landelijke publieke omroep een multicultureler karakter te geven en mede daarmee het bereik onder minderheden te verbeteren. Van «doelgroepprogrammering» binnen de landelijke omroep is hij echter geen voorstander.

Ik ben het met de Raad eens dat specialistisch programma-aanbod voor bepaalde migrantengroepen (vaak in de eigen taal) minder geschikt is om bruggen te slaan tussen verschillende bevolkingsgroepen. In dit licht heb ik me geen voorstander getoond van een apart landelijk «themakanaal» op de televisie gericht op migranten. De landelijke televisie zal haar samenbindende functie het best vervullen wanneer het programma-aanbod over de hele linie een kleurrijker gezicht krijgt.

Versterking van specifiek televisie-aanbod voor migranten wil ik allereerst realiseren op het lokale omroepniveau, in het bijzonder in de vier grote steden waar 30 tot 40 procent van de bevolking deel uitmaakt van een culturele minderheid. Tegelijkertijd hecht ik eraan dat ook de Nederlandse Programma Stichting (NPS) tenminste een deel van haar zendtijd voor doelgroepprogramma's reserveert. Om te beginnen is er een feitelijke behoefte aan dit type programma's. Voor aanzienlijke categorieën van allochtone kijkers en luisteraars vormen zij een schaarse mogelijkheid voor oriëntatie op de Nederlandse samenleving en de positie van de eigen groep daarbinnen. Ik ben dan ook verheugd over het besluit van de NPS om de doelgroepprogramma's uit te breiden en haar inspanningen om aansluiting tevinden bij migranten van de tweede en derde generatie. Ik vind het belangrijk dat dergelijke programma's meer navolging vinden bij andere omroeporganisaties. In de tweede plaats meen ik dat interculturele uitwisseling veronderstelt dat de inbreng van migrantenzijde goed georganiseerd is. Redacties van minderhedenprogrammering kunnen fungeren als bron van informatie, ideeën en programmatalent voor de algemene programmagenres van de landelijke omroep.

In mijn visie zouden de omroeporganisaties de veranderende samenstelling van de Nederlandse bevolking aan kunnen grijpen voor innovatie van de programmering. De plannen van de NPS en de Stichting Omroep Allochtonen (STOA) voor een nieuwe landelijke radiozender heb ik zo begrepen. Gedacht wordt aan een formule van muziek en lichte informatie gericht op een jonger publiek van zowel allochtone als autochtone luisteraars. De Raad voor Cultuur ziet goede kansen voor een dergelijke radiozender. Hij bepleit in dit verband een experiment binnen de landelijke omroep. Op een nieuw in te stellen radiozender kan de multiculturele programmaformule in de praktijk worden ontwikkeld, zonder onmiddellijke consequenties voor de programmering van de bestaande zenders. Daarna kan, aan de hand van vooraf geformuleerde doeleinden en voorwaarden, worden besloten het experiment al dan niet om te zetten in een permanente voorziening.

Dit voorstel van de raad voor een experiment met een landelijke multiculturele radio zal ik voorleggen aan de raad van bestuur van de NOS en inbrengen in de nadere besluitvorming over het zero-base-onderzoek naar frequentieruimte voor radio. Op basis van de reacties en mogelijkheden kom ik later op dit onderwerp terug.

Arbeidsdeelname

De Raad bepleit werkervaringsprojecten om de instroom van allochtone journalisten in de media te vergroten. In notitie Media- en minderhedenbeleid heb ik aandacht besteed aan het aspect arbeidsdeelname. Voor het project «Meer Kleur in de Media» is opnieuw geld gereserveerd. Daarnaast zijn in de concept-concessiewet elementen opgenomen die de landelijke publieke omroep ertoe aanzetten de Wet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden (Wet SAMEN) uit te voeren. Tenslotte verwacht ik dat de versterking van lokale minderheden-programmering gunstig is voor de arbeidsdeelname van migranten in de radio- en televisiesector. Mogelijk zijn daarnaast specifieke maatregelen of afspraken nodig gericht op de perssector (met name de dagbladen). Ik zal hierover overleggen met het Bedrijfsfonds voor de Pers, het Nederlands Uitgeversverbond en de Nederlande Vereniging voor Journalisten.

Met het bovenstaande heb ik, ter voorbereiding van de gedachtenwisseling op 7 oktober a.s., willen reageren op de mijns inziens belangrijkste opmerkingen en suggesties in het advies over de notitie Media- en minderhedenbeleid van de Raad voor Cultuur.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven