Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 26578 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 26578 nr. 4 |
Vastgesteld 20 juni 2001
De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft op 30 mei 2001 overleg gevoerd met minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over NOx-emissiehandel (26 578, nr. 3).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Feenstra (PvdA) merkt op dat het systeem van verhandelbare emissierechten een kosteneffectief milieu-instrument is. Nederland stoot nu zo'n 410 kton NOx per jaar uit. Het doel is te komen tot een maximale uitstoot van 250 kton in 2005. Er moet derhalve een forse inspanning worden geleverd waarbij kosteneffectieve instrumenten zeer bruikbaar zijn.
Bezien moet worden wat de positie is van bestaande bedrijven in relatie tot nieuwe bedrijven die zich melden voor dit systeem en of het systeem inpasbaar is binnen de nationale en de EU-wetgeving. Duidelijk is dat het buitengewoon kostbaar is, de gestelde doelen te halen per inrichting, hetgeen een industriebrede afweging vergt. Hij staat positief tegenover het gebruiken van het instrument van verhandelbare emissierechten en meent dat daarmee zo snel mogelijk gestart moet worden. Positief is ook dat overheden en bedrijfsleven gezamenlijk kunnen optreden. Wat zijn de sancties als de gestelde doelen niet worden gehaald? Wordt de planning gehaald? Welke risicofactoren zitten in het traject? Wat kan gedaan worden om deze te reduceren? Hoe wordt de economische groei verwerkt in het vaststellen van de prestatienorm?
Er wordt gestart met 150 tot 200 bedrijven. Is dat voldoende om het systeem van verhandelbare rechten op gang te brengen? Wanneer kan het uitgebreid worden met aanpalende sectoren?
Grote bedrijven krijgen veelal een vergunning van de provinciale overheid. Aan de hand daarvan wordt de milieuruimte bepaald die gebruikt kan worden. Per inrichting krijgt men te maken met de feitelijke uitstoot, te corrigeren met de papieren uitstoot. Die papieren uitstoot zou gekocht kunnen zijn bij een inrichting die bij een ander bevoegd gezag is ondergebracht. Als de vergunningverlening voor grote inrichtingen bij de provincie wordt gelaten, iets waar de heer Feenstra voor is, moet gezorgd worden voor een interprovinciale boekhouding die geloofwaardig en transparant is. Hoe denkt de minister hierover?
De beoogde reductie is fors. Niet uitgesloten kan worden dat tijdens het traject een verdere aanscherping moet plaatshebben. Wat is de mening van de minister over de dan optredende waardedaling; wie betaalt dat?
Hij verneemt graag of het onderhavige kosteneffectieve systeem inpasbaar is in de internationale rechtssystemen. Of bestaat de kans dat Brussel Nederland terugfluit?
De heer Van den Akker (CDA) kan zich vinden in het systeem van verhandelbare emissierechten. Hij is blij met het goede overleg met het Nederlandse bedrijfsleven hierover en hoopt dat daarvan ook in de toekomst sprake is.
Duidelijk is dat alleen via regelgeving NOx-problemen niet zijn op te lossen en dat de belangrijkste spelers op dit veld bij de oplossing betrokken moeten worden. Het tot nu toe gevoerde beleid heeft onvoldoende resultaat opgeleverd om de vastgelegde doelstellingen te realiseren. Is de conclusie gerechtvaardigd dat de besluiten onder Bees A en B automatisch komen te vervallen als het systeem van emissiehandel wordt geïntroduceerd?
Het nieuwe systeem is voor het bedrijfsleven interessant, omdat het de nodige flexibiliteit oplevert, zeker op het terrein van investeringsbeslissingen, en omdat de NOx-emissie teruggedrongen kan worden tegen de laagst mogelijke kosten. Verder vindt hij het van groot belang dat voor procesgerelateerde industrieën prestatienormen worden vastgesteld, waardoor ook zij kunnen meedoen aan deze emissiehandel.
Hij betreurt het dat het systeem beperkt is tot inrichtingen boven 20 MWth. Naar zijn mening zal het goedkoper werken en beter kunnen functioneren naarmate het aantal inrichtingen dat meedoet vergroot wordt. Bestaan er plannen om in de toekomst ook kleinere inrichtingen onder dit systeem te laten vallen? Indien andere landen tot eenzelfde systeem overgaan, kan daarbij dan worden aangesloten, opdat de markt zo groot mogelijk wordt?
Er moet nog veel gebeuren, voordat het systeem in 2003 van start kan gaan. Dit klemt temeer, daar de reductiedoelstellingen al in 2010 moeten zijn gehaald. Het gaat om het terugbrengen van de uitstoot van 410 tot 231 kton, waarbij een reductie van 140 tot 65 kton voor rekening van de industrie komt. Gesteld is dat een bedrijf niet enkel door het kopen van NOx-credits aan zijn milieuverplichtingen kan voldoen, maar dat door het nemen van of door reeds genomen fysieke maatregelen in het eigen bedrijf aan de Europese emissie-eisen per installatie moet worden voldaan. Wat wordt hiermee bedoeld? Hoeveel mag een bedrijf doen in de vorm van het kopen van NOx-credits en hoeveel moet gebeuren via eigen fysieke maatregelen?
Een probleem met het systeem van verhandelbare emissierechten verdraagt zich niet met het ALARA-beginsel, vermeld in de Wet milieubeheer. De Raad van State, die bezwaar heeft tegen het vastleggen van een en ander in een AMvB, heeft geadviseerd te komen tot een afzonderlijke wettelijke regeling. De minister geeft echter de voorkeur aan het aanpassen van de Wet milieubeheer op dat punt. Gezien het feit dat de tijd beperkt is, lijkt dit een juiste oplossing. Is gebleken dat de Raad van State daarmee instemt? Hoe verhoudt zich dit tot de Europese regelgeving op dit punt?
De Emissie Autoriteit zal erop toezien dat de rapportages inzake deze emissiehandel aan de gestelde eisen voldoen en kan zo nodig sancties opleggen. Er zal een duidelijke scheiding worden aangebracht tussen de verantwoordelijkheid van de Emissie Autoriteit en de verantwoordelijkheden van provincies en gemeenten. Wat is de rol van provincies en gemeenten? Betreft die alleen de vergunningverlening en, zo ja, waaraan wordt die vergunningverlening getoetst? Wie bepaalt of een bedrijf in Cyclus I of Cyclus II thuishoort? Welke criteria worden daarbij gehanteerd?
De minister heeft eerder aangekondigd, de Wet milieubeheer op onderdelen te zullen aanpassen. Is hij bereid om die aanpassing tot stand te brengen als hij tot wijziging van deze wet komt in het kader van het omzeilen van het ALARA-beginsel?
Ten slotte verneemt hij graag of AVI's ook vallen onder de inrichtingen boven 20 MWth.
De heer Klein Molekamp (VVD) is voorstander van het systeem van verhandelbare emissierechten en vraagt of in andere Europese landen dit systeem al is ingevoerd dan wel op korte termijn zal worden ingevoerd.
De minister onderschrijft de kritiek van de Raad van State en wil tot wetswijziging komen. Gezien het feit dat het de bedoeling is dit systeem in 2003 in te voeren en de ervaring leert dat met wetswijzigingen nogal wat tijd gemoeid is, dient een scherp tijdpad te worden aangehouden. Is dat tijdpad al voorhanden? Zo ja, dan wil hij dat graag voorgelegd krijgen. Zo nee, wanneer komt dat beschikbaar?
Er blijken spanningen te zijn met de provinciale overheid inzake de vergunningverlening. Wat is het resultaat van de besprekingen die daarover hebben plaatsgehad en zijn nog meer spanningen te verwachten?
Nieuwe bedrijven hebben nog geen emissierechten en moeten die derhalve kopen om aan de gestelde normen te kunnen voldoen. Daardoor ontstaat voor hen een concurrentienadeel dat door Brussel wellicht niet geaccepteerd wordt. Is het mogelijk uit te gaan van een standaardbedrijf van waaruit geopereerd wordt? Indien zich veel nieuwe bedrijven aandienen, komen er veel standaardbedrijven bij, waardoor grenzen overschreden kunnen worden. Waarvoor wordt gekozen?
Het voordeel van het systeem is dat de milieudoelen voor 2010 heel helder geformuleerd kunnen worden. Dit leidt ertoe dat de bedrijven die het systeem toepassen er belang bij hebben dat aan de scherpe normering de hand wordt gehouden, omdat hun rechten anders minder waard worden.
Als er onvoldoende gebeurt, kan Brussel boetes opleggen. Indien in internationaal verband de normen afgezwakt worden, worden de verhandelbare emissierechten minder waard. Hoe zit het in dat verband met de aansprakelijkheid van de overheid? Wat gebeurt er als de industriële bedrijven hun doelstellingen halen met dit systeem, maar andere emittenten niet?
Indien het systeem goed wordt doorgevoerd, kunnen kostenbesparingen van 200 tot 300 mln gulden per jaar worden bereikt, terwijl gelijktijdig de milieudoelen beter in beeld komen. Wat is de situatie in andere landen? Geldt daar eenzelfde of een veel geringer NOx-probleem als in Nederland? Indien het laatste het geval is, hoe komt dit? Is het mogelijk, dit systeem uit te breiden tot over de grens?
Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) vraagt of het juist is dat er een emissieplafond is waarboven niet uitgekomen mag worden en dat de taakstelling, vermeld in het NMP-3, wordt opgeschoven van 2005 naar 2010. Wat zal de taakstelling zijn in het NMP-4? Is nog een aanscherping mogelijk? Zij zou het betreuren als niet wordt uitgegaan van het best mogelijke resultaat.
Is de minister van plan, als het komt tot een systeem van verhandelbare emissierechten op het gebied van CO2, dat ook op deze wijze te regelen?
Wat de organisatie en de handhaving betreft, volgt de minister het KPMG-advies. Gekozen wordt voor de oprichting van een NOx-beurs en een emissiehandelregistratie. Duidelijk is dat de overheid moet kunnen optreden als het resultaat niet naar behoren is. Welke sanctiemogelijkheden zijn er?
De voorkeur gaat uit naar de aanpak waarbij bedrijven een monitoringsprotocol voor de eigen inrichting opstellen en waarbij een financiële prikkel wordt ingebouwd om de emissies betrouwbaar en nauwkeurig te meten en rapporteren. Wordt daarbij gewerkt volgens de MER-methode, waarbij een startnotitie wordt opgesteld welke door een onafhankelijke commissie wordt beoordeeld?
De heer Van Middelkoop (ChristenUnie) merkt op dat de stichting Natuur en Milieu in een recente brief de Kamer heeft gevraagd pas een standpunt in te nemen over de door de minister aangegeven plafonnering na de behandeling van het NMP-4. Wat is de reactie van de minister daarop?
Er zijn nog altijd geen concrete stappen te melden. Dit tempo geeft te denken voor de gang van zaken in de nabije toekomst. Hij vreest dat, ook al werkt de Kamer mee, niet binnen twee jaar kan worden gestart. Voordat bedrijven kunnen beginnen met het nemen van reductiemaatregelen zijn een paar jaar verstreken, waardoor al dicht in de buurt wordt gekomen van 2006, het evaluatiejaar. Zal er in dat jaar al echt iets te evalueren zijn?
De prestatienormen worden verbijzonderd naar type installatie en proces. Vanwaar die verbijzondering?
De prestatienormering betreft geen restrictief plafond, maar een maat voor uitstoot per gebruikte eenheid energie. Het voordeel daarvan is dat er geen problemen zijn met de aanvangverdeling van de rechten en dat er geen toetredingsdrempels zijn. Is niet het nadeel dat de norm los komt te staan van de totaal uitgestoten emissie?
Meegedeeld is dat een bedrijf niet enkel door het kopen van NOx-credits aan zijn milieuverplichtingen kan voldoen, maar ook zelf maatregelen moet nemen. Zal geen spanning optreden met EU-richtlijnen?
Zal bij invoering van het systeem van verhandelbare emissierechten nog met vergunningen worden gewerkt?
De monitoring wordt aan de bedrijven overgelaten, mits deze plaatsvindt via een goedgekeurd protocol. Door wie zal de externe verificatie van de rapportages plaatsvinden?
Wat zal de juridische status zijn van een NOx-credit? Moet gedacht worden aan een vergunning, een geleverde dienst of een effectenaandeel dat via de beurs kan worden verhandeld? Mag ervan uitgegaan worden dat hierover advies wordt ingewonnen bij het ministerie van Financiën om te voorkomen dat later onaangename fiscale eisen van die kant worden gesteld?
De minister merkt op dat in 1995 de Nederlandse NOx-emissie 490 kton bedroeg, waarvan 350 kton toegeschreven kon worden aan het verkeer en 140 kton aan de industrie. De nationale doelstelling voor 2010, die hij beschouwt als een resultaatsverplichting, bedraagt 260 kton waarvan het verkeer ruim 170 kton voor zijn rekening neemt en de industrie 65 kton. Het verschil tussen die doelstelling en het totaal voor industrie en verkeer is de onderhandelingsmarge in de EU-conciliatieprocedure. In het NMP-4 zal onderscheid worden gemaakt tussen de aangegane internationale verplichtingen en de nationale pogingen om verder te komen. Daarin is voor de NOx-emissie uitgegaan van 260 kton. Het NMP-4 moet nog door het kabinet worden vastgesteld. De besprekingen daarover zullen a.s. vrijdag beginnen en het plan zal waarschijnlijk na twee sessies worden vastgesteld. Het is duidelijk dat met het onderhavige voorstel op de vaststelling van het NMP-4 vooruit wordt gelopen, maar wachten op alle gegevens kan groot tijdverlies meebrengen. Formeel heeft de stichting Natuur en Milieu dus gelijk, maar politiek gezien niet. Overigens ligt het uitkomen van het NMP-4 voor op het schema, want dat geeft aan dat het plan in 2002 uitkomt.
Vastgesteld moet worden dat de omvang van de uitstoot die met de industrie is overeengekomen – 65 kton min 10 kton voor de kleine inrichtingen, dus 55 kton – past in het scenario. Indien de doelstelling voor het verkeer niet wordt gehaald, wordt de industrie daarmee niet belast. Indien meer uitstoot plaatsvindt door de industrie vanwege de toename van bedrijven komt dit voor rekening van de industrie. Dan moet de prestatienorm per eenheid energie worden aangescherpt, want het plafond geldt voor de totale sector. Dit komt aan de orde bij de evaluatiemomenten. Wanneer de conciliatieprocedure een aanzienlijke afwijking oplevert, hetgeen de minister niet verwacht, blijft de 55 kton overeind staan.
Wanneer het systeem van verhandelbare emissierechten niet haalbaar blijkt te zijn, zou moeten worden teruggevallen op de eisen per inrichting. Zijn stelling is dat dit anders dan door sluiting van bedrijven niet mogelijk is, omdat dan niet wordt voldaan aan de NEC-richtlijn. Dat was ook de kern van de onderhandelingen in Brussel.
Het Nederlandse systeem is uniek in Europa en er wordt met grote interesse naar gekeken. Zonder een dergelijk systeem zullen veel Europese landen niet in staat zijn aan de NEC-richtlijn te voldoen, tenzij op termijn een behoorlijk aantal vervuilende bedrijven worden gesloten, hetgeen echter geen optie is geweest tijdens de onderhandelingen. De minister vermoedt dat, wanneer het systeem in Nederland eenmaal goed draait, dit door een aantal Noordwest-Europese landen in de eigen samenleving wordt ingebracht. Op de vraag of die systemen dan aan elkaar kunnen worden aangehaakt, moet geantwoord worden: eerst niet, want er is sprake van nationale doelstellingen, maar op langere termijn is het mogelijk, al zal dit heel wat onderhandelingen vereisen.
Er geldt een algemene Europese eis per installatie waaraan in ieder geval voldaan moet worden. Zo'n 85% van de NOx-emissies is brandstofgerelateerd. Daarnaast is er in Nederland een vijftiental grote productieprocessen te onderscheiden. De condities van die vijftien processen verschillen zodanig dat daarvoor de algemene eis per eenheid energie niet kan worden gehanteerd. Met het oog daarop is een prestatienorm gedefinieerd per ton product voor de afzonderlijke processen. De installaties voldoen aan de huidige EU-eisen. Of zij aan de nieuwe, toekomstige, eisen uit de richtlijn grote stookinstallaties voldoen, is nu niet te zeggen, maar zij zullen er wel aan moeten voldoen om te kunnen participeren in het systeem.
Nog geen definitief antwoord is te geven op de vraag of de Europese Commissie zal instemmen met dit systeem. Kort geleden is de Commissie geïnformeerd over de wijze waarop Nederland het systeem wil inbrengen in het kader van de verplichtingen op grond van de NEC-richtlijn. Daarbij is de relatie aan de orde gekomen tussen dit systeem, waaronder de AVI's vallen, en de Europese regelgeving inzake afvalverwerkingsinstallaties en IPPC. De indruk is dat de Commissie gematigd positief hierover is. Meegedeeld is dat de Commissie in de tweede helft van juni een reactie – geen definitief standpunt – kenbaar zal maken. Van de ontwikkelingen zal de Kamer op de hoogte worden gesteld.
De minister hoopt dat de in voorbereiding zijnde wetgeving in 2002 aan de Kamer kan worden voorgelegd. Daaraan voorafgaand zal de Raad van State hierover adviseren. Om te weten of de systematiek van emissiehandel past binnen de huidige Wet milieubeheer, is de Raad al in een eerder stadium ten aanzien van dit punt om zijn oordeel gevraagd. Na bestudering van de antwoorden van die kant is hij tot de conclusie gekomen dat de huidige Wet milieubeheer geen basis voor het beoogde doel biedt, zodat een wijziging van de wet moet worden doorgevoerd. Het creëren van een aparte wet is daarmee niet nodig.
Hij is van plan om de belangrijke andere Europese partners op de hoogte te stellen van het systeem dat voor ogen staat en daarvoor sympathie te kweken. Op grond van eerder opgedane ervaringen gelooft hij niet dat steun van een EU-partner voor een specifiek Nederlands systeem iets uitmaakt voor de Commissie. Indien echter andere EU-landen serieus nagaan of dit systeem ook in die landen ingevoerd kan worden, is er sprake van een andere situatie.
De Bees-eisen vervallen voor de betrokken participanten, de installaties die uitkomen boven de gestelde minimumgrens van 20 Mw. Voor de kleinere installaties blijven de Bees-eisen gelden.
De Emissie Autoriteit krijgt het toezicht op de naleving van het systeem en is verantwoordelijk voor de sanctionering. De provincies zijn belast met de vergunningverlening, waarbij getoetst moet worden aan de EU-eisen en lokale milieueisen. Het is de minister niet gebleken dat er sprake is van een spanningsveld tussen provincies en het departement op dit punt.
Er wordt van uitgegaan dat nieuwe bedrijven voldoen aan de Europese eisen en aan de prestatienorm, zodat zij wat te verkopen hebben. Er komt daardoor meer ruimte op de markt, hetgeen gunstig is voor de bestaande bedrijven. Indien door de komst van nieuwe bedrijven het volume toeneemt, zal na evaluatie gekomen moeten worden tot een andere normstelling.
Er komt voor de vergunningverlening geen boekhoudsysteem per provincie, maar een landelijk systeem onder verantwoordelijkheid van de Emissie Autoriteit dat door het ministerie van VROM zal worden gecontroleerd.
De heer Feenstra (PvdA) hoopt dat snel duidelijkheid wordt verkregen van Brussel. Gedacht kan worden aan het nationaal creëren van voldongen feiten. Hij bepleit actieve milieudiplomatie om in EU-verband medestanders te vinden en doorschietende juridisering te voorkomen.
Hij vindt het van belang na te gaan of dit systeem ook in andere sectoren ingevoerd kan worden.
Enige aanscherping van het beleid is niet uit te sluiten. Wat is de visie van de minister daarop?
De heer Van den Akker (CDA) vraagt of bedrijven beneden 20 MWth later in dit systeem kunnen worden ingepast.
Welke criteria gelden voor het onderscheid in Cyclus I- en Cyclus II-bedrijven?
Is de minister bereid om bij de beoogde wijziging van de Wet milieubeheer ook de vergunningen op hoofdlijnen en de concernvergunningen te betrekken?
Wat gebeurt er als zich in Nederland een nieuw bedrijf wil vestigen dat grote problemen kan veroorzaken op het gebied van de uitstoot van NOx?
De heer Klein Molekamp (VVD) vraagt of de Kamer jaarlijks op de hoogte kan worden gesteld van de stand van zaken, vooral wat het wetgevingstraject betreft.
Kan worden meegedeeld wat het nemen van de beoogde maatregelen ter vermindering van de uitstoot van NOx heeft op de uitstoot van CO2?
Indien in Europees verband tot een versoepeling van de normen wordt gekomen, kan een probleem ontstaan omdat de emissierechten een bepaalde waarde hebben. Wat is de mening van de minister hierover?
Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) meent dat bedrijven gebonden zijn aan een plafond qua uitstoot, dat zij de rechten van de ruimte onder dat plafond mogen verkopen aan andere bedrijven en dat voor de Nederlandse uitstoot als geheel een niveau is vastgesteld. Een nieuw bedrijf dat niet aan de gestelde eisen voldoet, zal ruimte moeten kopen bij de bedrijven die onder dat niveau zitten. Is dit correct?
De heer Van Middelkoop (ChristenUnie) vraagt of met het bedrijfsleven bindende afspraken zijn gemaakt over de reductie van de uitstoot dan wel of er sprake is van een reductiedoelstelling die opgenomen wordt in het NMP-4. In het laatste geval is het mogelijk dat de Kamer een andere doelstelling formuleert.
De monitoring wordt aan de bedrijven overgelaten. Wie zorgt voor de externe verificatie?
Hij verneemt graag wat de juridische status is van een NOx-credit.
De minister zegt voor dit systeem in Brussel te zullen pleiten en te proberen in de EU medestanders van dit systeem te vinden.
Hij is bereid, de Kamer frequenter dan jaarlijks op de hoogte te houden van de ontwikkelingen.
Bedrijven kleiner dan 20 MWht die op vrijwillige basis mee willen doen aan dit systeem zijn welkom, al zal dit waarschijnlijk niet al direct bij de start kunnen.
Er zijn afspraken gemaakt over mogelijke aanscherping van het beleid. Per jaar wordt een norm geformuleerd. De bedoeling is dat de norm voor 2010 uitkomt op 50 gram per eenheid in een inrichting gebruikte energie. Er wordt aan de hand van de energiescenario's van Planburau, ECN en RIVM een inschatting gemaakt van het energieverbruik in de periode 2000–2010. Het resultaat daarvan wordt gehanteerd als basis voor de invulling van de prestatienormen in de periode 2003–2009. Op de evaluatiemomenten zal bezien worden of gekomen moet worden tot een bijstelling. Afgesproken is dat deze bijstelling gebonden is aan een bandbreedte van 20%. Er moet sprake zijn van een behoorlijke rechtszekerheid voor de desbetreffende bedrijven, terwijl een grotere bijstelling het onmogelijk maakt, de productieprocessen zodanig bij te stellen dat aan de eisen wordt voldaan. In de periode na 2010 zal naar verwachting een verdergaande aanscherping plaatsvinden. Van belang is het, tijdig onderhandelingen te voeren opdat alle sectoren weten waar zij aan toe zijn.
Bedrijven moeten aan bepaalde eisen voldoen en er geldt een totale productieomvang. Er wordt een prestatienorm afgesproken per eenheid energie. Bedrijven die onder die norm blijven, hebben iets te verkopen. Bedrijven die boven die norm uitkomen, moeten ruimte kopen.
De minister deelt mee dat op de technische vragen waarop niet is gereageerd een schriftelijk antwoord volgt.
Samenstelling: Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Th.A.M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Depla (PvdA).
Plv. leden: Dijksma (PvdA), Stellingwerf (ChristenUnie), Valk (PvdA), Van Lente (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Crone (PvdA), Van den Akker (CDA), Giskes (D66), M.B. Vos (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), De Boer (PvdA), Leers (CDA), Visser-van Doorn (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26578-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.