26 567
Wijziging van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (uitbreiding tot therapiebaden)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel van dit wetsvoorstel

Doel van dit wetsvoorstel is het mogelijk te maken de werkingssfeer van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden uit te breiden tot inrichtingen met uitsluitend of tevens baden in de medische sfeer. Dergelijke baden zijn bestemd voor patiënten met lichamelijke klachten, zoals therapiebaden in ziekenhuizen.

Parallel met dit wetsvoorstel wordt een wijziging van het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (hierna: het besluit) voorbereid. In het besluit zullen voorschriften worden opgenomen in verband met de hygiëne in inrichtingen met tevens of uitsluitend therapeutische baden.

2. Achtergrond

Bij de totstandkoming van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegen- heden was de gedachte dat «diegenen die van een dergelijke (zwem)inrichting gebruik maken – en bij wie tot op zekere hoogte het vertrouwen wordt opgewekt dat de inrichting aan elementaire eisen van hygiëne en veiligheid voldoet – dienen te worden beschermd» (kamerstukken II 1967/68, 8545, nr. 5, p. 2). Dit argument speelde ook mee toen in 1990 een aantal niet voor het publiek toegankelijke categorieën van zweminrichtingen (de zogenaamde semi-openbare baden) werd aangewezen in het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden. Het ging toen onder meer om zwembaden in hotels en bij campings. Gevolg van de aanwijzing was dat de voorschriften voor openbare baden ook voor de semi-openbare baden gingen gelden. Destijds is echter een uitzondering gemaakt voor «baden in de medische sfeer ten behoeve van patiënten met lichamelijke klachten». Hierover zou eerst advies aan de Gezondheidsraad worden gevraagd (Stb. 1990, 37, p. 4).

In opdracht van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (voorheen: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) en de Landbouwuniversiteit te Wageningen onderzoek verricht naar de bedrijfsvoering bij hydrotherapiebaden. Doel van dit onderzoek was een indruk te krijgen van de hygiënische problemen, die zich kunnen voordoen in de diverse typen van baden. In het inventariserende onderdeel van het onderzoek (waarbij een groot aantal instellingen in de intramurale gezondheidszorg was betrokken) was namelijk gebleken dat er toch relatief veel gezondheidsklachten waren, die in verband werden gebracht met de kwaliteit van het water.

Bij vervolgonderzoek zijn de baden ingedeeld in de categorieën vlinderbaden, oefenbaden, loopbaden, whirlpools, deelbaden, deltabaden en overige baden. Dit onderzoek resulteerde in het rapport «Waterbehandeling en hygiëne in hydrotherapiebaden» van maart 1988 (nr. 14860601). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat in het bijzonder bij baden met hergebruik van water, dat wil zeggen baden waarvan door meer dan één bader (tegelijkertijd of na elkaar) gebruik wordt gemaakt, zich gezondheidsklachten voordeden. Tevens bleek er een relatie te bestaan tussen het type waterbehandeling en de waterkwaliteit. De waterbehandelingssystemen, de controle op de waterkwaliteit en de kennis van het behandelend personeel terzake van waterbehandeling en hygiëne lieten in een aantal onderzochte gevallen te wensen over.

Op grond van deze gegevens heeft de Gezondheidsraad een advies opgesteld. Het advies «Hygiëne in zwemgelegenheden» is op 13 juni 1989 door de Commissie Hygiëne en Veiligheid Zwemgelegenheden van de Gezondheidsraad uitgebracht aan de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (toen: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) (advies nr. 1989/14). Het advies luidde dat het wenselijk is voor therapiebaden waarin water wordt hergebruikt, dezelfde voorschriften te stellen ten aanzien van de hygiëne en waterkwaliteit als voor openbare en semi-openbare baden. Voor baden met eenmalig gebruik van water werd geadviseerd om met het stellen van enkele voorschriften te volstaan.

Hoewel er intussen verbeteringen zijn te constateren, is er nog voldoende aanleiding om patiënten die van therapiebaden gebruik maken eenzelfde bescherming te bieden als bezoekers van andere zweminrichtingen.

Omdat het gevolg geven aan het advies tot wetswijziging noopte (zie paragraaf 3) en tot een ingrijpende wijziging van het in procedure zijnde besluit, is besloten pas in een volgende fase tot aanpassing te komen. Dat de aanpassing uiteindelijk zo lang op zich heeft laten wachten, kan onder meer worden verklaard uit de enorme verscheidenheid aan baden in de medische sfeer. Dit noopte tot extra oriëntatie en overleg. Tenslotte werd besloten eerst wat ervaringen op te doen met de uitvoering en handhaving van het besluit bij de semi-openbare baden.

3. Uitbreiding van de werkingssfeer van de wet

Om aan het advies van de Gezondheidsraad uitvoering te kunnen geven en het stellen van de nodige voorschriften mogelijk te maken, wordt het wenselijk geacht de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden te wijzigen. In deze wet wordt zweminrichting namelijk gedefinieerd als «een voor het publiek of voor personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, toegankelijke plaats, welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, getimmerten en uitrustingen». Volgens de memorie van toelichting dient onder «zwemmen» alles te worden verstaan wat men daaronder in het normale spraakgebruik verstaat als men op een bezoek aan een zweminrichting doelt (ook het zogenaamde pootje baden)(kamerstukken II 1967/68, 8545, nr. 3, p. 6).

Omdat, gezien de aard van deze baden, verschil van mening kan bestaan over de vraag of deze inrichtingen kunnen worden aangemerkt als zweminrichtingen in de zin van de wet, wordt hier voorgesteld de begripsomschrijving zweminrichting te wijzigen in het ruimere begrip badinrichting en de in de wet gebruikte terminologie (zwemwater) uit te breiden met badwater opdat geen twijfel erover kan bestaan dat deze inrichtingen onder de werkingsfeer van de wet kunnen vallen en in het besluit de nodige voorschriften terzake kunnen worden gesteld.

4. Het besluit

Ingevolge dit wetsvoorstel wordt onder een badinrichting verstaan een voor publiek of voor personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, toegankelijke plaats, welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen of baden, tezamen met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, getimmerten en uitrustingen (artikel 1).

Teneinde de werkingssfeer van de wet daadwerkelijk uit te breiden tot baden in de medische sfeer, zal deze categorie ingevolge dit artikel nog als zodanig in het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden moeten worden aangewezen.

Voorts zullen mede naar aanleiding van deze uitbreiding van de werkingsfeer van de wet de in het besluit opgenomen voorschriften worden aangepast. Uitgangspunt bij het stellen van voorschriften in het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden is dat dit zo terughoudend mogelijk gebeurt. Alleen dat wordt geregeld, wat vanuit het oogpunt van hygiëne en veiligheid noodzakelijk is. Getracht is zoveel mogelijk rekening te houden met het specifieke karakter van de instellingen en de daar uitgevoerde behandelingen.

5. Handhaving

Als gevolg van deze wetswijziging gaat het handhavingssysteem zoals dat nu reeds voor de openbare en semi-openbare zweminrichtingen geldt, ook gelden voor therapeutische baden. Dat betekent dat gedeputeerde staten en de commissaris van de Koningin ingevolge artikel 11 van de wet bevoegd zijn om een last tot sluiting te geven, indien daartoe uit het oogpunt van hygiëne of veiligheid aanleiding is. Artikel 22 van de wet verplicht de burgemeester ertoe bestuursdwang toe te passen ingeval niet voldaan wordt aan de op grond van artikel 11 gegeven last tot sluiting van een badinrichting.

Voorts is er in geval van gedragingen in strijd met de in het besluit te stellen voorschriften voor gedeputeerde staten de mogelijkheid om bestuursdwang toe te passen of een dwangsom op te leggen. Deze bevoegdheid ontlenen zij aan de artikelen 122 en 133 van de Provinciewet.

De in artikel 23 genoemde strafbepalingen worden eveneens van toepassing.

6. Financiële lasten

Deze wetswijziging brengt op zich geen extra lasten met zich mee. Zij is immers uitsluitend bedoeld om het mogelijk te maken om voor meer inrichtingen dan thans het geval is voorschriften terzake van de waterkwaliteit en de veiligheid te kunnen stellen. Van een daadwerkelijke uitbreiding van de werkingssfeer van de onderhavige wet tot baden in de medische sfeer zal pas sprake zijn op het moment dat deze categorie als zodanig in het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden is aangewezen op grond van artikel 1 van de wet.

In de nota van toelichting bij het besluit zal worden ingegaan op de daaruit voortvloeiende financiële lasten voor de houders van de badinrichtingen alsmede op de bestuurlijke lasten.

II. Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel F

In dit onderdeel is van de gelegenheid gebruik gemaakt een tweetal verwijzingen aan te passen. Bij de wet van 14 juni 1989, houdende regelen inzake de waterhuishouding zijn de artikelen 11 en 12 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vervallen. Artikel 10b, eerste lid, en artikel 11, vierde lid, van de wet zijn toen niet aangepast. Dat verzuim wordt hier hersteld.

Onderdeel G

In plaats van «zwemgelegenheden» wordt het onderwerp van de wet thans aangeduid als «badinrichtingen en zwemgelegenheden». De term «zwemgelegenheden» ziet op de niet ingerichte plaatsen in oppervlaktewater waar door een aanmerkelijk aantal personen pleegt te worden gezwommen.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Naar boven