nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ik ben erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee de vaste commissie
voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport het voorstel tot wijziging van de Welzijnswet
1994 in verband met specifieke uitkeringen ter stimulering van de kinderopvang
heeft behandeld. Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag.
Ik vertrouw erop met deze nota de gestelde vragen afdoende te beantwoorden,
opdat uw Kamer het wetsvoorstel spoedig kan afhandelen.
Algemeen
De leden van de fracties van GPV en RPF merken op dat hoewel er eerder
kanttekeningen geplaatst zijn bij het instrument van de tijdelijke specifieke
uitkering, het in 1997 al duidelijk werd dat het nodig is de kinderopvang
van rijkswege te stimuleren. Tegen deze achtergrond vragen zij waarom niet
eerder een wettelijke basis is geschapen voor het verstrekken van specifieke
uitkeringen aan gemeenten ter stimulering van de kinderopvang.
Het onderhavige wetsvoorstel strekt er niet toe de wettelijke grondslag
te creëren, doch een mogelijke belemmering voor het verlenen van een
bijdrage aan gemeenten op het terrein van de kinderopvang weg te nemen. De
wettelijke basis voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten
ter stimulering van de kinderopvang is reeds aanwezig in artikel 9 van de
Welzijnswet 1994. De kanttekeningen bij het instrument van de tijdelijke specifieke
uitkering hadden vooral betrekking op het verlengen van de stimuleringsperiode
1990 tot en met 1993. Om die reden is die verlenging beperkt tot twee jaren,
hetgeen uitdrukkelijk is vastgelegd in artikel 19. Het was daarmee dus niet
uitgesloten in 1997 een nieuwe stimuleringsperiode te starten op basis van
artikel 9. Pas recentelijk bleek de formulering van artikel 19 ook zo geïnterpreteerd
te kunnen worden dat het wel in de weg zou kunnen staan aan de bevoegdheid
van artikel 9. Om deze mogelijke belemmering weg te nemen, strekt het onderhavige
wetsvoorstel ertoe artikel 19 te doen vervallen.
Verder vragen de leden van de fracties van GPV en RPF of de inschatting
dat terugwerkende kracht van het wetsvoorstel vereist is om de Tijdelijke stimuleringsmaatregel buitenschoolse opvang alsnog een wettelijke basis
te verschaffen correct is. In het verlengde daarvan informeren zij naar de
consequenties voor de uitkeringen die op grond van die stimuleringsmaatregel
verstrekt zijn.
Zoals reeds uit het voorafgaande blijkt, heeft het nimmer ontbroken aan
een wettelijke basis voor de Tijdelijke stimuleringsmaatregel buitenschoolse
opvang. Gelet op een eventuele andere interpretatie van artikel 19, acht ik
het evenwel van groot belang hierover geen misverstand te laten bestaan. Aan
het wetsvoorstel tot het vervallen van artikel 19 wordt in verband hiermee
terugwerkende kracht verleend tot en met 11 oktober 1997.
Tenslotte vragen de leden van de fracties van GPV en RPF wanneer de Wet
basisvoorziening kinderopvang verwacht kan worden.
In de Beleidsnota kinderopvang (kamerstukken II 1998/99, 26 587,
nrs. 1 en 2) die op 8 juni 1999 aan uw Kamer is gezonden, geeft het kabinet
een uitwerking van de voorstellen in het Regeerakkoord op het terrein van
de kinderopvang. Bij de verdere ontwikkeling van de kinderopvang heeft het
kabinet er voor gekozen een onderscheid aan te brengen tussen de korte en
de langere termijn. De situatie die voor de langere termijn wordt beoogd,
zal zijn basis krijgen in de Wet basisvoorziening kinderopvang. De planning
is erop gericht een voorstel van wet eind 2000 bij de Tweede Kamer in te dienen.
Daaraan voorafgaand wordt in de tweede helft van 1999 een kaderstellende nota
naar uw Kamer gezonden. Tot deze wet er is, blijft de Welzijnswet 1994 de
wettelijke basis bieden voor het stimuleringsbeleid kinderopvang dat voor
de kortere termijn gevoerd wordt. Voor het creëren van een wettelijke
grondslag voor dit beleid is het derhalve niet vereist dat de Wet basisvoorziening
kinderopvang voor een bepaalde datum in werking treedt.
De leden van de SGP-fractie zijn van oordeel dat de opvang van kinderen
primair een verantwoordelijkheid is van ouders en kunnen daarom niet instemmen
met stimulering van kinderopvang door de overheid. De SGP-fractie brengt de
relatie tussen kinderopvang, gezin, tweeverdienerschap en jeugdproblemen onder
de aandacht en vraagt een reactie van de regering op deze relatie.
Kinderopvang is een voorziening die de combinatie van arbeid en zorg mogelijk
maakt en draagt daardoor bij aan arbeidsparticipatie en aan het economische
draagvlak. Om die reden beschouwt de regering kinderopvang als een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van ouders, overheid en werkgevers en niet als een verantwoordelijkheid
van ouders alleen. Het stimuleringsbeleid dat de rijksoverheid voert, gaat
daarom uitdrukkelijk uit van een inbreng van deze drie partijen. Dat valt
in financiële zin ook terug te zien: van de 1,3 mld. omzet in de kinderopvang
in 1997 werd 45% door de ouders betaald, 35% door de overheid en 20% door
werkgevers. Kinderopvang is overigens niet het enige instrument om de combinatie
van arbeid en zorg te ondersteunen. Daarbij spelen ook verloffaciliteiten
en mogelijkheden tot deeltijdarbeid een rol. Ontegenzeggelijk hebben wijzigingen
in de arbeidspatronen van ouders en groei in het gebruik van kinderopvang
gevolgen voor de context waarin kinderen opgroeien. Om die reden is de kwaliteit
van de kinderopvang een belangrijk aandachtspunt ook bij de komende uitbreiding.
Over het huidige aandeel van kinderopvang op sociaal en/of medische gronden
zijn geen gegevens voorhanden. Hoewel deelname aan arbeid of studie de belangrijkste
reden voor gebruik van kinderopvang zal zijn, is gebruik om sociale of medische
redenen ook in het nieuwe stimuleringsbeleid niet uitgesloten.
Met het oog op de lokale autonomie vraagt de SGP-fractie verder waarom
is gekozen voor een specifieke uitkering in plaats van een toevoeging aan
het gemeentefonds.
Bij het tot stand brengen van uitbreiding van kinderopvang kiest de regering
voor een tijdelijke specifieke uitkering, gericht op gemeenten en een storting
in het gemeentefonds na afloop van de specifieke uitkering. Deze vorm geeft
de meeste kans op realisatie van de capaciteitsdoelstelling uit het Regeerakkoord,
doordat prestatieafspraken met gemeenten kunnen worden gemaakt. De lokale
autonomie wordt daarbij uiteraard gerespecteerd. Gemeenten hebben de vrijheid
al dan niet van het aanbod van de rijksoverheid gebruik te maken en krijgen
een aanzienlijke vrijheid bij de invulling en uitvoering van het beleid.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. M. Vliegenthart