Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26544 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26544 nr. 3 |
Vastgesteld 11 juni 1999
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, brengt hierbij verslag uit door openbaarmaking van de door haar aan de regering gestelde feitelijke vragen en de daarop ontvangen antwoorden. De commissie acht de openbare beraadslaging over het voorstel van wet hiermee voldoende voorbereid.
Er wordt f 41,4 miljoen onttrokken aan de algemene omroepreserve voor sportrechten. Wat is het totale budget dat de publieke omroep in 1998 uitgeeft aan sportrechten? Is de onttrekking het gevolg van prijsontwikkelingen of van de beleidsmatige beslissing om meer sport uit te zenden? (p. 3)
Dit betreft het matching fund, een geoormerkt deel van de omroepreserve voor de financiering van in prijs gestegen programmarechten. De toekenning hiervan geschiedt onder voorwaarde dat de publieke omroep tenminste eenzelfde bedrag beschikbaar stelt. In 1998 is circa 83 miljoen aan in prijs gestegen sportrechten besteed. Deze onttrekking is het gevolg van prijsontwikkeling.
Kan aangegeven welk «flink aantal beleidsterreinen» worden bedoeld waar zich kleine mee- en tegenvallers hebben voorgedaan die per saldo uitmonden in een tegenvaller van f 11,2 miljoen? (p. 3)
Mee- en tegenvallers op de afrekeningen komen voor op de beleidsterreinen primair onderwijs (artikel 18.03 en 18.01 ontvangsten), voortgezet onderwijs (artikel 19.03 en 19.01 ontvangsten), beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 20.01 ontvangsten), hoger beroepsonderwijs (artikel 21.01 en 21.01 ontvangsten), wetenschappelijk onderwijs (artikel 22.01 ontvangsten), onderzoek en wetenschapsbeleid (artikel 23.01 ontvangsten) en huisvesting (artikel 24.01 en 24.02).
Kan een toelichting gegeven worden op de eventuele samenhang tussen de drie volgende zinsneden uit de Slotwet en de verschillende genoemde bedragen:
a) «Het budget voor Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid is onder meer bestemd voor onderwijs aan asielzoekerskinderen die korter dan een jaar in Nederland zijn. Op het «GOA-budget» is f 13,3 miljoen minder uitgegeven dan geraamd doordat voor het schooljaar 1998/1999 meerdere toekenningsmomenten zijn geïntroduceerd. Niet alle uitgaven konden daardoor in 1998 plaatsvinden.» (p. 3)
b) «Wegens kasritme verschillen tussen toekenning en uitputting van leerlingmiddelen voor 1e opvang van asielzoekers valt in 1998 een bedrag van f 6,3 miljoen vrij.» (p. 6 en 7)
c) «Het budget «GOA 1e opvang asielzoekers» is verlaagd met f 7 miljoen. Dit budget is bestemd voor onderwijs aan asielzoekerskinderen die korter dan een jaar in Nederland zijn. Wegens meerdere toekenningsmomenten in het schooljaar 1998/1999 is het budget in 1998 nog niet uitgeput en valt in 1998 een bedrag van f 7 miljoen vrij.» (p. 18)
Punt a is een passage uit het algemene deel van de memorie van toelichting en heeft betrekking op primair onderwijs en voortgezet onderwijs samen.
Punt b is afkomstig uit de toelichting van beleidsterrein 19 voortgezet onderwijs en heeft dan ook betrekking op het voortgezet onderwijs.
Punt c is afkomstig uit de artikelsgewijze toelichting van primair onderwijs en heeft betrekking op het primair onderwijs.
De f 6,3 miljoen van punt b plus de f 7 miljoen van punt c tellen op tot de f 13,3 miljoen van punt a.
Hoe verhoudt de meevaller/beleidsmatige verlaging van f 13,3 miljoen op het budget voor Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zich tot de verlaging van het GOA budget met f 7 miljoen? Moeten deze posten van elkaar afgetrokken worden, worden opgeteld of tegen elkaar weggestreept? (pag. 3 en 6)
De genoemde f 7 miljoen maakt onderdeel uit van de f 13,3 miljoen. Het bedrag van f 13,3 miljoen is namelijk een optelling van het bedrag van f 7 miljoen op beleidsterrein 18 primair onderwijs en f 6,3 miljoen van beleidsterrein 19 voortgezet onderwijs.
Op welke wijze wordt geld voor de 1e opvang aan asielzoekerskinderen toegekend aan de opvangcentra? (p. 3)
Dit geld is bestemd voor de eerste opvang in het onderwijs van asielzoekerskinderen die korter dan 1 jaar in Nederland zijn. Dit budget wordt niet aan de opvangcentra toegekend, maar aan de gemeente waar de asielzoekerskinderen naar school gaan. Enerzijds ontvangt een gemeente middelen voor dit doel via een specifieke uitkering in het kader van gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA) en anderzijds via de regeling «exceptionele toename van het aantal schoolgaande asielzoekers». De gemeenten verdelen de middelen weer over de scholen waar de asielzoekerskinderen opgevangen worden.
Welke vertragingen worden bedoeld op het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (f 12,4 miljoen)? Hoe is in de Voorjaarsnota 1999 hiermee omgegaan? (p. 4)
De vertragingen op het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie van in totaal f 12,4 miljoen bestaan uit het saldo van vertraagde ontvangsten van in totaal f 23,1 miljoen, zoals toegelicht bij het ontvang- stenartikel 20.01 en vertraagde uitgaven van f 10,7 miljoen, zoals toegelicht op het uitgavenartikel 20.01. Bij de Voorjaarsnota 1999 is besloten dat de hiervoor genoemde vertragingen in 1999 worden ingelopen.
Op het beleidsterrein cultuur bestaat de mogelijkheid om tot maximaal f 500 miljoen garanties te verstrekken op grond van de Indemniteitsregeling. Van deze regeling is slechts voor f 40 miljoen gebruik gemaakt. Hoe is het grote verschil tussen begroting en realisering te verklaren? Waarom heeft u dit ten tijde van de suppletore begrotingen al niet gemeld? Moet er niet veel meer bekendheid gegeven worden aan deze mogelijkheid? Of zijn er andere redenen waardoor er zo weinig gebruik wordt gemaakt van de Indemniteitsregeling? (pag. 4)
In de periode januari 1996 tot juni 1999 werd in totaal acht keer indemniteit verleend op grond van de Subsidieregeling indemniteit bruiklenen. In 1998 is slechts eenmaal indemniteit verleend voor een bedrag van f 40 miljoen voor de tentoonstelling over «Adriaen de Vries» in het Rijksmuseum Amsterdam. De reden dat in 1998 minder gebruik gemaakt is van de subsidieregeling dan voorafgaande jaren is gelegen in het geringe aantal aanvragen in 1998. Het geringe gebruik van de subsidieregeling in 1998 is niet te wijten aan de onbekendheid van de regeling. In 1997 zijn alle betrokken musea over de subsidieregeling ruimschoots geïnformeerd via een symposium en een voorlichtingsbrochure.
Waar wordt de vertraging in de invoering van het onderwijsnummer aan toegeschreven (die leidt tot een verlaging in de uitgaven van f 9 miljoen)? (p. 5)
Het wetsvoorstel Onderwijsnummer is door de regering voor nader beraad aangehouden. In de afgelopen maanden is overlegd met de Registratiekamer en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Thans wordt een uitvoeringsanalyse doorgevoerd. Naar verwachting zal na de zomer een standpunt aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.
Om welke redenen waren f 5,7 miljoen die de IB-Groep ontving voor de organisatie van examendiensten niet voorzien? (p. 5)
Het gaat hier om een overheveling van budget van de programmakosten van het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie naar het apparaatskostenbudget van de IB-Groep.
Voor een aantal door de IB-Groep gemaakte kosten is destijds geconstateerd dat het om apparaatskosten gaat en dat de financiering daarvan zou moeten plaatsvinden ten laste van het apparaatskostenbudget. In het jaarcontract vanaf 1996 is door OCenW en de IB-Groep daarom de afspraak gemaakt dat deze kosten voor een apparaatskostenvergoeding in aanmerking kunnen komen, onder de voorwaarde dat deze kosten expliciet werden onderbouwd. De overheveling was derhalve wel voorzien, maar kon qua aard en omvang pas vrij laat in 1998 worden vastgesteld.
Wat is het project Herontwerp (f 5 miljoen)? (p. 5)
Het project Herontwerp betreft een belangrijk herinrichtingsproject bij de IB-Groep. Het project heeft drie doelen: het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening, sneller en doelmatiger inspelen op beleidsveranderingen en het reduceren van de apparaatskosten van de IB-Groep. Het een en ander is door mijn ambtsvoorganger nader toegelicht in kamerstuk 24 274 nr. 19, vergaderjaar 1997/1998.
Hangt het lagere aantal asielzoekers dat instroomde in het voortgezet onderwijs, samen met lagere aantallen asielzoekers in die leeftijdcategorie of zijn daarvoor andere verklaringen? (p. 7)
De regeling exceptionele toename asielzoekers schooljaar 1998/1999 beleefde in dit schooljaar haar eerste jaar. Het beroep op de regeling wordt door vele factoren bepaald zoals, het aantal asielzoekers, de spreiding over de leeftijden, de verblijfsduur en de geografische spreiding van de opvang. De beperkte ervarings-gegevens en de grilligheid van de genoemde variabelen betekenen dat de raming met onzekerheid omgeven is. Het is daarom niet eenduidig vast te stellen welke van bovengenoemde variabelen bepalend is geweest voor de lagere uitgaven in 1998.
Zal de vertraging in de toekenning van ESF-gelden zich de komende jaren herhalen? (p. 7)
Wat betreft de toekenning van ESF-gelden zijn geen vertragingen te verwachten. Wel bestaat een risico dat ook de komende jaren er vertraging in het tijdstip van betaling zal optreden. Doordat de eindafrekening ESF 1997 nog niet door de Europese Commissie is vastgesteld, betaalt de Europese Commissie de laatste 20% over het budget ESF 1997 en de voorschotten ESF 1999 nog niet aan de lidstaat Nederland uit.
«Mede omdat er een vertraging is ontstaan in de toekenning van de vergoeding in het kader van het Europees Sociaal Fonds, is het totaal van de ontvangsten in 1998 f 26 miljoen lager dan geraamd» (pagina 7). Welke andere oorzaken maken dat het totaal zoveel lager is dan geraamd? (p. 7)
Behalve de tegenvallende ontvangsten ESF van f 23 miljoen, is er f 3,7 miljoen minder ontvangen dan geraamd op de post afrekeningen.
Daartegenover staan f 0,7 miljoen meer ontvangsten door een toename van het aantal kandidaten bij het staatsexamen vwo/havo/mavo.
Zie ook de toelichting op artikel 20.01 ontvangsten.
Waardoor is de vertraging ontstaan in de toekenning van de gelden in het kader van het ESF? (p. 7)
Arbeidsvoorziening heeft de voorschotten ESF 1998 pas laat van de Europese Commissie ontvangen (in 3 tranches: medio 1998, eind 1998 en begin 1999). Pas na ontvangst van deze betalingen heeft Arbeidsvoorziening naar derden, onder meer het ministerie van OCenW, doorbetaald.
Wat is de reden van de verschuiving van 1998 naar 1999 van f 47, 8 miljoen ten behoeve van de budgetten voor nieuwe wachtgelders, flankerend kunstvakonderwijs en de normatieve exploitatievergoeding? (pag. 8)
In de raming 1998 was een verplichting voorzien van de uitgaven 1999 voor zogenaamde «nieuwe» wachtgelders (ingestroomd vanaf 1 juli 1996), het flankerend beleid kunstvakonderwijs en de normatieve exploitatievergoeding. Gelet op de aard van de uitgaven vindt verplichting van het wachtgeldbudget en het budget voor flankerend beleid kunstvakonderwijs niet in 1998 maar in 1999 plaats. Om deze uitgaven in 1999 alsnog te kunnen realiseren, was een verschuiving van het verplichtingenbudget noodzakelijk.
Het derde deel van de verschuiving heeft betrekking op de normatieve exploitatievergoeding 1999. In 1998 is conform de regelgeving de normatieve exploitatievergoeding 1999 berekend én verplicht. Dit heeft plaatsgevonden op basis van voorlopige parameterwaarden. In 1999 vindt een herberekening plaats en worden de resterende middelen alsnog in 1999 verplicht.
Voor het uitgavenniveau hebben deze drie verplichtingenmutaties geen gevolgen.
Welke overwegingen rechtvaardigen de honorering van het subsidieverzoek Teleac/NOT ten behoeve van Plein 1 uit middelen die in 1996 overbleven van Weer Samen naar School? (p. 20)
De besteding, namelijk project Plein 1 van Teleac/NOT en de dekking door een desaldering als gevolg van niet bestede gelden van het inmiddels opgeheven projectmanagement Weer Samen naar School moeten los van elkaar worden gezien.
De honorering van het subsidieverzoek Teleac/NOT wordt gerechtvaardigd omdat het een project is waarin in televisie-uitzendingen aandacht wordt gegeven aan onderwerpen en thema's die in de vernieuwing en ontwikkeling van het primair onderwijs relevant en actueel zijn. Bestemd voor leerkrachten en ouders van kinderen in de basisschool, behandelt Plein 1 onderwerpen die nauw gerelateerd zijn aan de alledaagse onderwijspraktijk en de opvoedingssituatie thuis.
Welke extra kosten verwacht U bij de evaluatie van de decentralisatie van de huisvesting, mede in het licht van de genoemde verhoging die het realisatieverschil duidelijk overtreft? (p. 20)
Er is geen sprake van extra kosten voor de evaluatie van de decentralisatie van de huisvesting. Voor de jaren 1998 tot en met 2000 is f 200 000,– uitgetrokken voor deze evaluatie. De hier beschreven mutatie betreft het ter beschikking stellen van dit budget op het artikel, in dit geval 18.05 overige uitgaven, waar de uitgaven zich voordoen.
Er kan dan ook geen koppeling worden gelegd met het ook in deze mutatie opgenomen realisatieverschil van f 31 000,–. Dit betreft het verschil tussen de vastgestelde budgetstand van artikel 18.05 in de 2e suppletoire begroting 1998 en de uiteindelijke eindstand van dit artikel per 31 december 1998.
Kan een toelichting gegeven worden op de alinea: «In de afgelopen jaren is gebleken dat de dynamiek van het Interactieproject ter stimulering van de methodengebonden software-ontwikkeling niet is doorvertaald in het ritme van de ter beschikking gestelde middelen. De middelen voor de laatste tranche (f 4,5 miljoen) worden nu in 1999 ter beschikking gesteld.» Wat wordt hier nu precies gesteld? Welke jaren worden bedoeld? Hoe en door wie is het geconstateerde gebleken? Wat zijn door oorzaken en de gevolgen van hetgeen wordt gemeld? (p. 20)
De overheid heeft van 1995 tot en met 1997 geld naar het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) overgemaakt voor de financiering van de eerste drie tranches van het InterActie-project.
Bij het vaststellen van de bijdrage voor de 4e tranche, die van start is gegaan in 1998, heeft het APS op mijn verzoek een opgave verstrekt van de gerealiseerde en verwachte verplichtingen en betalingen. Bij het aangaan van de verplichtingen tussen APS en de uitgevers is afgesproken dat er pas bij het bereiken van kwalitatief goede half- en eindproducten uitbetaald zou worden. Deze afspraak leidde ertoe dat de verwachte liquiditeitspositie over 1998 zodanig was, dat geen aanvullend voorschot voor dat jaar verstrekt hoefde te worden. Besloten is de bekostiging voor projecten uit de 4e tranche over te hevelen naar 1999. Gevolg daarvan is dat de 4e tranche van het InterActie-project onder de Wet SLOA is komen te vallen. Door de budgettaire consequenties hiervan is het aantal projecten in het kader van InterActie met twee verminderd.
Wat is het zogenaamde «Waddenproject» (f 0,8 miljoen)? (p. 23)
Het «Waddenproject» is een ontwikkelingsproject gericht op een aantal vakken, met name engels en wiskunde, die in «Investeren in Voorsprong» als prioritair zijn aangemerkt. Het project richt zich op de ontwikkeling van een specifiek ict-instrument, namelijk gebruik van telematica op afstand gericht op leerlingen op de Waddeneilanden. Het Gemeentelijk Centrum Onderwijsbegeleiding (GCO) Friesland treedt als coördinator op voor het project en draagt zorg voor de toedeling van gelden aan de participanten in het project, zoals beoogd in het projectvoorstel.
Wanneer wordt het Prick-experiment (f 3,4 miljoen) afgerond en geëvalueerd? (p. 23)
Het Prick-experiment wordt aan het eind van het schooljaar 1999/2000 afgerond. Tijdens het schooljaar 2000/2001 vindt de evaluatie van het experiment plaats.
Kan preciezer worden ingegaan op de onderdelen van de alinea waarin wordt aangegeven dat «de onderuitputting voor f 9,3 miljoen voortvloeit uit het niet doorgaan of voor een lager bedrag doorgaan van de projecten ter verbetering van prestaties, kennis en beweging, verpleging en verzorging, ondersteuning examens en enkele kleine projecten»? (p. 27)
Op artikel 20.03 staan de middelen voor innovatieve en faciliterende projecten. Voor elk van deze projecten worden afwegingen gemaakt rondom de inzet van middelen en de daaraan verbonden voorwaarden. Dit kan leiden tot een lager offertebedrag, vertraging in de uitvoering of het vervallen van de noodzaak tot uitvoering van projectonderdelen. Overigens kan het tegenovergestelde zich ook voordoen.
Vorig jaar bleek bijvoorbeeld dat in het kader van kennis en beweging minder scholen dan verwacht projecten hadden ingediend, de knelpunten verpleging en verzorging waarvoor middelen waren gereserveerd zich niet voordeden en de offerte monitor fiscale faciliteit goedkoper dan verwacht.
Hoe komt het dat aan personele en materiële uitgaven in 1998 f 1,2 miljoen minder is uitgegeven dan geraamd, «grotendeels aan de inservice opleidingen gezondheidszorg»? (p. 29)
De hier bedoelde middelen hebben betrekking op de subsidie in verband met de overdracht van het inservice onderwijs van de zorgsector naar het ministerie van OCenW.
Om eventuele effecten te compenseren van de hiermee gepaard gaande wijziging van de bekostigingsregelgeving (VWS-OCenW) voor de betreffende opleidingen, is in de regeling «Subsidieregeling overname inservice onderwijs in het hoger beroepsonderwijs» (gepubliceerd in Uitleg extra no. 31a van 17 december 1997) een overgangsregeling opgenomen.
Uit de realisatie bleek dat in dit kader in 1998 f 1,2 miljoen minder is uitgekeerd dan de geraamde f 8,6 miljoen.
Zal aan de projectbeschrijving voor de uitbreiding van het project Polytechnic Development in Indonesië in 1999 niets meer ontbreken? (p. 31)
Inmiddels zijn de beschrijvingen van de uitbreiding van het project Polytechnic Development in Indonesië ontvangen. Binnen afzienbare termijn zullen de verplichtingen met de projectuitvoerders worden aangegaan.
Waarom leidden algemene salarismaatregelen tot een overboeking naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking? (p. 34)
Het merendeel van de op artikel 22.02 «Instituten internationaal onderwijs en onderzoek» geraamde uitgaven worden toegerekend aan de zogeheten Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Bijstelling van HGIS-relevante uitgaven, positief dan wel negatief, komen om deze reden ten laste/gunste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken/Ontwikke- lingssamenwerking.
Waarom was er sprake van verminderde uitgaven in het kader van het Fonds Economische Structuurversterking? (p. 39)
Met het oog op de beëindiging van het project Kennisinfrastructuur Mainport Rotterdam in 1998, moet met de uitbetaling van f 1 085 000 worden gewacht tot de jaarrekening 1998 zal zijn ontvangen.
Hoe konden de ontvangsten voor verkoop van schoolgebouwen zo tegenvallen, in een tijd dat de prijzen van gebouwen in het algemeen steeds blijven stijgen? (p. 41)
De lagere realisatie van de ontvangsten voor verkoop van schoolgebouwen is het gevolg van een verschuiving van de realisatie op een vordering naar het begin van 1999. Hierbij gaat het om de afwikkeling in verband met de nazorg van de huisvesting van een vóór de decentralisatie van de huisvesting geïnitieerde vordering op grond van de toepassing van artikel 101 WVO. In verband met de latere ontvangst in 1999 is boven de vastgestelde prijs de gebruikelijke wettelijke rente berekend.
Is uit pagina 42 punt 1.4 af te leiden dat de verlenging van het OV-contract met 2 maanden f 2 miljoen heeft gekost aan uitvoeringskosten voor personeel en administratie van de IBG-groep? Was dat tevoren voorzien? (p. 42)
Ja, de f 2 miljoen betreft de uitvoeringskosten van de verlenging van het OV-studentenkaartcontract met twee maanden. Weliswaar is de verlenging van het OV-contract per 24 oktober 1997 overeengekomen, maar de afrekening van de uitvoeringskosten geschiedt op basis van onder meer werkelijke aantallen aangemaakte kaarten en dus maar ten dele te voorzien.
Op welke wijzen is ruchtbaarheid gegeven aan de mogelijkheid lesgeld gespreid te betalen? Hoe verklaart de regering dat minder ouders dan verwacht gebruik maken van deze mogelijkheid? (p. 44)
Met ingang van het schooljaar 1998–1999 kan het lesgeld in gedeelten worden betaald. Voorwaarde is dat de degene die het lesgeld moet betalen, de Informatie Beheer Groep machtigt tot automatische incasso. In de maand oktober van het schooljaar zal dan de helft van het lesgeld worden afgeschreven, in januari een kwart en in april een kwart.
Voor het schooljaar 1998–1999 werd het aantal gegadigden voor een betalingsregeling geschat op circa 195 000. Dit komt overeen met 60% van het totaal aantal leerlingen. Die prognose is gebaseerd op het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs die het collegegeld in termijnen betalen. Voorafgaand onderzoek naar het gebruik is niet verricht.
In werkelijkheid hebben circa 120 000 mensen het lesgeld in termijnen betaald. Dit is 44% van alle lesgeldvorderingen. Waarom de respons is achtergebleven bij de prognose, is niet goed aan te geven.
In de voorlichtingssfeer moet de oorzaak niet worden gezocht. Dat het lesgeld gespreid kan worden betaald, staat duidelijk vermeld op de onderwijskaart. Bovendien gaat elke onderwijskaart vergezeld van een folder, waarin de mogelijkheid van gespreide betaling in duidelijke bewoordingen is omschreven. Voor het schooljaar 1999–2000 is de onderwijskaart tekstueel aangepast, in die zin dat de mogelijkheid van termijnbetaling nog duidelijker wordt geaccentueerd. Het aantal gegadigden voor een betalingsregeling kan hierdoor enigszins toenemen. Een significante toename wordt echter niet verwacht.
De meest voor de hand liggende verklaring is dat de behoefte aan een betalingsregeling te hoog is ingeschat. Een vergelijking van lesgeldplichtigen met collegegeldplichtigen kan slechts een indicatief beeld geven, omdat beide doelgroepen niet goed vergelijkbaar zijn. Gezien hun leeftijd moeten studenten vrijwel altijd zelf het collegegeld betalen. De groep lesgeldplichtigen daarentegen bestaat voor een groot deel uit ouders die het lesgeld voor hun minderjarige kinderen betalen. Deze groep zal relatief draagkrachtiger zijn en wellicht daarom minder behoefte hebben aan termijnbetaling van het lesgeld.
Bij de lesgelden is er sprake van een meevaller van f 53, 4 miljoen. Is de verwachting dat deze meevaller zich herhaalt in het lopende begrotingsjaar en de komende jaren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, rechtvaardigt deze meevaller dan de forse lesgeldverhoging voor het komende jaar? (p. 44)
De meevaller op de lesgeldontvangsten ontstaat doordat minder gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van gespreid betalen dan bij de invoering hiervan was geraamd. Deze geringere deelname aan het gespreid betalen leidt ertoe dat de lesgeldontvangsten van het schooljaar 1998/1999 voor een groter deel al in het begrotingsjaar 1998 worden ontvangen. De daaruit voortvloeiende geringere lesgeldontvangsten in het begrotingsjaar 1999 zullen daarentegen gecompenseerd door een grotere ontvangsten in dat begrotingsjaar van de lesgeldontvangsten van het schooljaar 1999/2000, omdat verwacht mag worden dat ook in dat jaar de mogelijkheid van gespreid betalen minder zal zijn dan bij de invoering hiervan was geraamd. Per saldo zal de meevaller zich in volgende jaren niet herhalen.
De lesgeldverhoging met ingang van het schooljaar 1999/2000 staat hier los van. Deze lesgeldverhoging vloeit rechtstreeks voort uit de herijking op grond van de les- en cursusgeldwet.
Wat is de verklaring dat de kosten voor de verzorging van de uitkeringen aan onderwijs- en onderzoekspersoneel door het USZO in 1998 sterk zijn gestegen (f 4 miljoen)? (p. 46)
Het gaat bij deze mutatie niet zozeer om een kostenstijging als wel om het aanpassen van de financiering. Met deze mutatie wordt beoogd het budget voor de uitvoering van de werkloosheidsregeling in het onderwijs te brengen op het niveau van het budget voor 1997. Gegeven de ontwik- kelingsfase van USZO heb ik de afgelopen jaren ervoor gekozen om steeds in de begrotingsuitvoering definitieve afspraken te maken over de bedragen die USZO voor deze uitvoering krijgt.
Zodra de onderhandelingen over de prijs van de uitvoering van 1998 tot en met 2000 zullen zijn afgerond, zal ook de begroting voor 1999 en 2000 nog worden bijgesteld.
Gelet op de volumeontwikkelingen in het uitkeringsbestand zag en ziet het er inderdaad naar uit dat de reguliere exploitatiekosten een dalende tendens gaan vertonen. Wel moet daarbij worden bedacht dat USZO nog extra kosten heeft moeten maken, en nog moet maken, zoals bijvoorbeeld voor de oplossing van de millenniumproblematiek en voor de verbeteracties die nodig zijn om te voldoen aan de in 1997 overeengekomen prestatie-indicatoren.
Wijzen de lagere uitgaven voor bilaterale samenwerking, multilaterale samenwerking, emancipatie-activiteiten en internationale samenwerking en de hogere uitgaven voor de Nederlandse Taalunie, internationalisering en samenwerking met Midden- en Oost-Europa op een blijvende tendens? (p. 47)
Nee, er is geen sprake van een blijvende tendens. De mutatie heeft betrekking op het totaal van de opgetreden mee- en tegenvallers op dit artikel in het begrotingsjaar 1998. De eenmalige verschuiving in de aanwending van middelen voor internationale samenwerking wordt vooral veroorzaakt door een latere start van het OESO-project «Producing Student Achievement Indicators» (PISA). De daardoor vrijgevallen middelen zijn benut voor eenmalige projecten met Midden- en Oost-Europa.
Waaruit vloeit de overboeking van f 100 000 gulden voort aan het ministerie van Justitie voor de commissie gelijke behandeling? Betaalt ieder ministerie een dergelijk bedrag? (p. 491)
De overboeking van f 100 000 gulden aan het ministerie van Justitie voor de commissie gelijke behandeling vloeit voort uit een kabinetsafspraak omtrent de financiering van de Commissie Gelijke Behandeling.
De volgende departementen betalen ieder f 100 000,–:,
– Sociale Zaken en Werkgelegenheid
– Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
– Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
– Volksgezondheid, Welzijn en Sport
– Justitie.
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GL), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Belinfante (PvdA), Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Remak (VVD), Halsema (GL), Örgü (VVD), Wijn (CDA) en Eurlings (CDA).
Plv. leden: Stellingwerf (RPF), Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GL), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Passtoors (VVD), Valk (PvdA), De Cloe (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Gortzak (PvdA), Middel (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Brood (VVD), Poppe (SP), Arib (PvdA), Blok (VVD), Vendrik (GL), Rijpstra (VVD), Verhagen (CDA) en Visser-van Doorn (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26544-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.