nr. 71
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 9 februari 2000
In het algemeen overleg met de Vaste Kamercommissie over het Onderwijsverslag
1998 op 16 juni 1999 (26 541/26 544, nr. 53) is door het lid van
Uw Kamer Cornielje de vraag gesteld hoe de onderwijsomvang zich heeft ontwikkeld
sinds de SVM-operatie. Ik heb de inspectie verzocht mij hierover te rapporteren.
In het licht van de bestuurlijke verhouding met de inspectie, zoals die mij
voor ogen staat, bied ik u dit rapport hierbij integraal aan.1
Bij dit rapport trek ik de volgende conclusies:
1. Sinds het schooljaar 1997/1998 voldoet de programmering van de instellingen
over het algemeen aan de WSF-norm van 850 uren. Ik acht dit een duidelijke
verbetering ten opzichte van de situatie in de voorgaande jaren.
2. Ik deel de zorg van de inspectie omtrent de onvoldoende inzichtelijkheid
van de feitelijk gerealiseerde onderwijstijd ten opzichte van de geprogrammeerde
onderwijstijd. Op dit punt bereid ik de volgende maatregelen voor.
• Ten eerste heb ik op 29 september jl. een brief aan de BVE-Raad
(en in afschrift aan de instellingen) gezonden betreffende de aanwezigheidsadministratie
in het kader van de WSF. Op 30 november heeft hierover bestuurlijk overleg
met de BVE-Raad plaats gevonden. Ik acht de aanwezigheidsadministratie, een
verplichting die voortvloeit uit de WSF, ook voor de handhaving van de onderwijskwaliteit
van groot belang.
• In het bestuurlijk overleg op 30 november jl. is door beide partijen
vastgesteld dat de aanwezigheidscontrole en de melding van langdurige afwezigheid
onvoldoende zijn. Afgesproken is dat de BVE-Raad zijn leden hierover informeert
en hen faciliteert door deskundigheidsbevordering met voorbeelden van «good
practice». OCenW zal de inspectie verzoeken in het kader van het Integraal
Instellingstoezicht aandacht te besteden aan de aanwezigheidsadministratie
ten behoeve van de studiefinanciering. Dit moet resulteren in
(openbare) aanbevelingen ten behoeve van de verbetering van de aanwezigheidsadministraties.
Afhankelijk van de rapportage van de onderwijsinspectie formuleert OCenW een
sanctiebeleid. Dit beleid wordt niet toegepast voordat de afgesproken acties
door beide partijen zijn geëvalueerd.Tot slot zal OCenW de IB-groep verzoeken
voorlichting over de betreffende wetgeving aan de instellingen te geven. Afgesproken
is dat beide partijen de nakoming van deze afspraken en de geboekte vooruitgang
evalueren per 1 januari 2001.
• Ten derde is in het Regeerakkoord vastgelegd dat «het aantal
contacturen voor het voltijds beroepsonderwijs wordt geregeld naar analogie
van de WVO (conform de tweede fase voortgezet onderwijs)». Deze norm
(art. 12, vijfde lid, WVO) houdt in een normatieve studielast van 1600 uren
per leerjaar en een norm voor het verzorgd onderwijsprogramma,
dat voor iedere leerling ten minste 1000 uren onderwijs per leerjaar omvat.
De normatieve studielast van 1600 uren is reeds in de WEB opgenomen (art.
7.2.4, vijfde lid). Ik streef nu naar het vastleggen van de 1000-urennorm
als «bodem» voor wat betreft de gerealiseerde onderwijsinspanning.
Over dit voornemen voer ik nog overleg met de BVE-Raad, JOB en de inspectie.
Naar aanleiding van het nader bericht van de inspectie op basis van het
Integraal Instellings Toezicht hoop ik hierop nader te kunnen ingaan.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L. M. L. H. A. Hermans