Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26541 nr. 66 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26541 nr. 66 |
Vastgesteld 28 oktober 1999
De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 heeft op 6 oktober 1999 overleg gevoerd met minister Brinkhorst van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de financiële verantwoording over 1998 (26 541, nrs. 25 t/m 27).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Meijer (CDA) was benieuwd naar de stand van zaken bij en de verwachtingen over de afwikkeling van de varkenspestepidemie.
De heer Geluk (VVD) was het opgevallen dat de EU ongeveer 54%, 1044 mln., heeft uitgekeerd van de 70% die zij zou bijdragen aan de kosten van de opkoopregeling. Hoe groot is het risico dat de EU niet alle declaraties volledig betaalt? Uit de toelichting in de brief van de minister van 22 september blijkt dat de Europese bijdrage van 50% aan de kosten van de veterinaire maatregelen nog lang niet zeker is. Het grootste deel van dit bedrag moet nog ontvangen worden. Wie betaalt de rekening als van de EU minder ontvangen wordt en kan dit consequenties hebben voor de begroting van LNV?
Mevrouw Vos (GroenLinks) verzocht de minister meer inzicht te geven in het verloop van de reductie van de varkensstapel in 1998 en daarbij aan te geven hoe de gelden voor de opkoopregeling zijn ingezet en wat de effecten hiervan op de markt zijn geweest.
De heer Waalkens (PvdA) ontving graag een overzichtelijk schema waaruit blijkt hoe de gelden die van de EU zijn ontvangen, bij de verschillende actoren terecht zijn gekomen.
De minister meldde allereerst dat de EU thans twee commissarissen voor landbouw heeft. De heer Fischler is verantwoordelijk voor de marktordening en de structuurpolitiek en de heer Burn voor de veterinaire en fytosanitaire aspecten van de landbouwpolitiek. Over het dossier van de klassieke varkenspest (KVP), dat nog niet is afgerond, zal de minister binnenkort overleg voeren met de heer Burn.
Hij wees erop dat de EU voor de opkoopregeling en de veterinaire maatregelen verschillende percentages en procedures hanteert. De certificerende audits van het EOGFL hebben geen aanleiding gegeven voor een korting op de Nederlandse declaratie inzake de opkoopregeling. De Commissie kan wel nog een conformiteitsaudit uitvoeren en, als zij daarbij tekortkomingen signaleert, alsnog een korting aanbrengen op de aan Nederland betaalde bijdrage. Sinds maart is hierover van de Commissie echter niets meer vernomen. De minister ging er daarom vanuit dat er bij de opkoopregeling geen problemen zijn.
Over de veterinaire declaratie heeft de Europese Commissie nog geen definitief oordeel gegeven. De Commissieambtenaren hebben wel al een groot aantal bezoeken gebracht voor controle en inspectie. Op basis hiervan zal het Permanent veterinair comité een advies uitbrengen. Dit advies is de basis voor de besluitvorming door de Commissie. Hierbij spelen vier vragen een belangrijke rol:
1. hoe werd het systeem in Nederland gerund;
2. hoe worden de veterinaire maatregelen uitgevoerd;
3. hoe hoog was de schadeloosstelling;
4. zijn de goede kosten gedeclareerd. Deze vier punten, die de minister thans laat onderzoeken, zijn het uitgangspunt voor het gesprek met de heer Burn. Het risico voor de LNV-begroting is in dezen voor het slechtste geval geraamd op 10 mln. Gelet op het totale bedrag van 3 mld. is dit een klein bedrag. In de Miljoenennota wordt de bijdrage van de EU aan de voorzichtige kant geraamd. Gedeclareerd is 450 mln., geraamd 250 mln. Van deze 250 mln. is reeds 165 mln. ontvangen. Hierin zit dus nog een ruimte van 85 mln. Deze komen eventueel ten laste van de algemene middelen. Over 1998 worden geen declaraties meer verwacht. De declaraties over 1999 moeten nog worden ingediend. Bij de varkenspest gaat het daarbij om 1,5 mln., een relatief klein bedrag.
Op het onderdeel varkenspest overhandigde de minister de vaste commissie het volgende financiële schema. In het fonds politionele dierziektenbestrijding is 1463 mln. gestort. Dit bedrag is afkomstig van het EU veterinair budget (450 mln.), het bedrijfsleven (43 mln.) en de LNV-begroting (922 mln.). 1529 mln. zijn ter beschikking gesteld aan het betaalorgaan LASER. Dit bedrag is afkomstig uit de LNV-begroting (485 mln.) en van de EU-EOGFL garantie (1044 mln.). Verder is er nog een herkomst van de LNV-begroting van 56 mln. Deze bedragen, ruim 3 mld., zijn besteed aan veterinaire maatregelen, 1048 mln., en aan uitvoeringsuitgaven in het kader van de marktordeningsmaatregelen, 415 mln. Beide laatste bedragen komen uitsluitend uit het fonds politionele dierziektenbestrijding. Verder is 1529 mln. besteed aan de opkoopvergoeding. Dit bedrag wordt voldaan door LASER. De directe LNV-uitgaven – herkomst LNV-begroting (56 mln.) – bedroegen 8 mln.
In antwoord op de vraag van mevrouw Vos merkte de minister op dat tot nu toe zo'n 3 miljoen kg fosfaat uit de markt is gehaald. Dat heeft ongeveer 500 mln. gekost. Dit is een disproportionele uitgave. De minister zei dat hij mede daarom op dit vlak een ander spoor had ingezet.
De heer Meijer (CDA) vroeg of de uit Brussel ontvangen gelden rechtstreeks aan LNV ten goede zijn gekomen en of declaraties die niet door Brussel worden voldaan, alsnog ten laste worden gebracht van de LNV-begroting.
Het was de heer Waalkens (PvdA) niet duidelijk geworden wat de uitvoering van de gehele operatie heeft gekost. Voorts verzocht hij de minister een duidelijke scheidslijn aan te brengen tussen uitgaven en verplichtingen.
De minister gaf aan dat de uitkeringen uit Brussel terecht zijn gekomen in het fonds politionele dierziektenbestrijding en bij het betaalorgaan van LNV, LASER. Deze functioneren als een doorgeefluik voor de betalingen aan de boeren of veterinaire diensten. Het risico dat de LNV-begroting moet dragen bij het niet voldoen van declaraties door Brussel is maximaal 10 mln. De rest komt ten laste van de algemene middelen.
De totale uitvoeringsuitgaven bedroegen zo'n 700 mln.: 306 mln. voor de veterinaire maatregelen, 415 mln. voor de opkoopregelingen en 8 mln. voor het overige LNV-personeel. Dit is inclusief de vergoedingen die zijn betaald voor opslag, transport, elektrocutie, destructie enz. De minister legde verder uit dat een betaling normaliter moet gebeuren in het jaar waarin de verplichting is aangegaan. In Europees verband kan een deel van de verplichtingen die voor besteding worden aangegeven, tot twee jaar worden uitgesteld. De uitgaven in het kader van de varkenspest zijn echter al allemaal verricht. In dezen staan geen verplichtingen meer uit. Bij de opkoopregelingen geldt dat de lidstaat voorfinanciert. Dit geld wordt binnen twee maanden gerestitueerd. Dat is al gebeurd. Bij de veterinaire maatregelen financiert de lidstaat ook voor, maar de definitieve betaling hangt af van de afhandeling van de declaratie. Tot nu toe is tweemaal een voorschot verstrekt, in totaal 165 mln. De rest is nog in behandeling. De uitgaven zijn alle verricht; er zijn dus geen uitstaande verplichtingen meer.
Stimuleringskader markt en concurrentiekracht
De heer Geluk (VVD) verzocht de minister aan te geven, waardoor het verschil is ontstaan tussen het subsidiebudget van 67,5 mln. en de uitgaven van 26,4 mln. Heeft de minister meerjarige prognoses en zijn er aanwijzingen dat in de toekomst meer kansrijke aanvragen worden ingediend?
De heer Meijer (CDA) vroeg of de mogelijkheden van de stimuleringsregeling voldoende bekend zijn gemaakt. Hij ontving graag een overzicht van de afgewezen Nederlandse aanvragen, inclusief de redenen van afwijzing.
Mevrouw Vos (GroenLinks) had vernomen dat, hoewel bij groepen uit het veld verwachtingen zijn gewerkt, deze toch teleurgesteld zijn.
De minister erkende dat er sprake is van onderuitputting. Met dit kernprobleem, dat vaak inherent is aan een niet verplichte uitgave zoals een stimuleringsuitgave, heeft niet alleen de Nederlandse begroting, maar ook de Europese begroting te maken. De onderuitputting van de Nederlandse regeling komt voor een deel voort uit het feit dat een aantal stimuleringsregelingen criteria bevat die een zekere mate van subjectiviteit hebben. Dat kan ook niet anders, het gaat immers om innovatie. De minister zei hierover advies te hebben gevraagd aan de commissie-Van der Zwan, een algemene commissie voor innovatiepolitiek. Ook is gekeken naar de ingediende bezwaarschriften. Gebleken is dat op de Europese regelingen bijna geen bezwaarschriften zijn ingekomen, terwijl het beroep op de nationale regelingen heeft geleid tot 15% à 20% bezwaarschriften. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de regelingen op Europese basis heel transparant zijn, zodat de discretionaire ruimte om daarover te beslissen, niet of nauwelijks bestaat. Het is daarom van belang de criteria voor de nationale regelingen wat scherper, in administratieve zin beter hanteerbaar, te maken. Natuurlijk is ook de Nederlandse samenleving innovatief, maar er zijn soms niet erg innovatieve voorstellen gedaan. De minister wilde echt iets gaan doen aan de onderuitputting, maar een stimuleringsregeling mag geen subsidieregeling worden voor normaal beleid. Hij was van plan om tegen deze achtergrond de regelingen tegen het licht te houden om de transparantie te vergroten. Of in de toekomst meer kansrijke aanvragen zullen worden ingediend, was de minister niet bekend. Er kan immers niet voorzien worden wie in de toekomst innovatief zal zijn.
Het bekend maken van de mogelijkheden van de stimuleringsregeling en de redenen van afwijzing van de aanvragen zijn beide onderdeel van het onderzoek dat thans in opdracht van de minister wordt verricht. Daarover kon hij nu nog niets zeggen. De regelingen worden overigens in de Staatscourant bekend gemaakt.
De minister zei graag een afzonderlijk algemeen overleg te willen voeren over de werking van stimuleringskaders, inclusief het stimuleringskader vernieuwing landelijk gebied. Daarbij kan worden bekeken hoe met deze subsidies wordt omgegaan en op welke manier deze gestuurd kunnen worden, zodat de toetsingsmogelijkheid van de Kamer en de effectiviteit van de regelingen in de toekomst worden vergroot. De minister verwees ook naar het tombola-achtige aspect van de regeling voor de biologische landbouw. Dat leek weer onrechtvaardig. Ook dat aspect wilde hij nog eens apart bekijken. LTO Nederland wilde hij bij het overleg betrekken. Onderuitputting komt overigens niet alleen in Nederland voor. Hij zei toe te bekijken hoe regelingen van deze aard in het buitenland worden gehanteerd.
In antwoord op de vraag van mevrouw Vos merkte de minister op dat niet iedereen die teleurgesteld is, terecht teleurgesteld is. Er is een soort teleurstellingsgehalte dat objectief toetsbaar is, maar niet tot bevredigende resultaten kan leiden.
De heer Waalkens (PvdA) constateerde dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid niet heeft gebruikt om onderuitputting te voorkomen. Hij was het met de minister eens dat van de regeling geen tombola moet worden gemaakt. De regeling moet transparant zijn. Het leek hem verstandig experimenteerartikelen op te nemen, zodat de discretionaire bevoegdheid niet helemaal wordt weggehaald.
De minister releveerde dat de Europese regelingen min of meer automatisch toetsbaar zijn omdat nadruk wordt gelegd op de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid voor culturen en landen van verschillende aard. Als een regeling niet voldoende helder is, wordt daarmee een stukje onzekerheid geschapen. Dat genereert bezwaarschriften, die vervolgens tot onderuitputting leiden. Het is daarom van belang dat de commissie-Van der Zwan bekijkt of de criteria niet duidelijker geformuleerd kunnen worden.
De heer Ter Veer (D66) merkte op dat bezwaarschriften worden geformuleerd omdat mensen op hun aanvrage nul op request hebben gekregen. Het is ook mogelijk dat mensen graag een beroep op de regeling hadden gedaan, maar daartoe niet zijn overgaan omdat zij meenden niet binnen de regels te vallen. Dat is een andere vorm van bezwaar.
Hij vroeg zich verder af of er niet te veel stimuleringsregelingen zijn. De mogelijkheden van de stimuleringsregeling voor de vernieuwing van het landelijk gebied zijn niet geheel duidelijk. Het is daarbij de vraag waar de markt en de concurrentiekracht ophouden en de stimulering vernieuwing landelijk gebied begint. De milieucorperatie waterland wil bijvoorbeeld aansprekende initiatieven nemen, maar kan niet de juiste titel vinden op grond waarvan men voor een stimuleringsregeling in aanmerking kan komen. De heer Ter Veer doelde hierbij niet op de collectieve MINAS versus de individuele, maar op een aantal stimuleringsprojecten waarmee zij de aantrekkelijkheid van een gebied dachten te vergroten in combinatie met het versterken van het economisch perspectief van individuele bedrijven.
Het was de minister ook opgevallen dat er verschillende soorten bezwaarschriften zijn. Daarom zal het onderzoek mede daarop gericht zijn. Met de milieucorporatie had hij al een gesprek gevoerd. Daaruit bleek dat de milieucorporatie graag ontheven wil worden van individuele verplichtingen om collectief op te kunnen treden. Op de opmerking van de heer Klein Molekamp dat collectiviteit wel eens tot resultaten kan leiden die individueel niet te halen zijn, verklaarde de minister dat collectiviteit mogelijk is, maar dan moet op dezelfde manier kunnen worden afgerekend als bij de individuele methode. Hij meende dat de milieucorporatie daarvoor begrip had.
Bijdrage aan het Diergezondheidsfonds
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Waalkens (PvdA) vroeg of de bijdrage van LNV van ongeveer 30 mln. aan het Diergezondheidsfonds een eenmalige bijdrage is. Of zal vanuit de LNV-begroting een structurele bijdrage geleverd worden? Het was hem verder niet duidelijk of het de bedoeling is de uitvoeringskosten van het Diergezondheidsfonds mede ten laste van de LNV-begroting te brengen. Is daarvoor het bedrag van 50 mln. bedoeld?
De heer Geluk (VVD) vond de term LNV-bijdrage enigszins misleidend als het louter om het overboeken van de door de sector betaalde heffingen gaat. Hij verzocht de minister aan te geven hoe het LNV-aandeel van 30,6 mln. is bepaald.
De heer Meijer (CDA) wilde graag een toelichting op het terugstorten van de in het politionele fonds beschikbare frontloading van 50 mln.
De heer Ter Veer (D66) herinnerde eraan dat in het kader van de WHV is afgesproken dat een volgende uitbraak van varkenspest niet meer voor rekening van het Rijk zal komen, maar voor rekening van de veehouders. Omdat niemand kan garanderen dat niet weer een besmettelijke ziekte uitbreekt, is een fonds in het leven geroepen. Het bedrag in het fonds is echter absoluut ontoereikend bij een nieuwe calamiteit. Het is de vraag of het bedrijfsleven wel doordrongen is van de risico's en de ernst van de zaak. Hoe verhoudt zich de gemaakte afspraak met het in het fonds beschikbare bedrag? Uit gesprekken met belanghebbenden was hem gebleken dat zij vinden dat het Diergezondheidsfonds op deze manier geen goede oplossing biedt. Hij had verder vernomen dat het productschap 20 mln. zal restitueren omdat het niet weet wat het met het geld moet doen. Kan dat bedrag niet in het Diergezondheidsfonds worden gestort?
De minister gaf aan dat door de wijziging van de gezondheidswet de verantwoordelijkheidsverdeling voor de bestrijding van besmettelijke dierziekten inderdaad is herzien. Dat heeft geleid tot een eigen verantwoordelijkheid van de veehouders.
Van de oorspronkelijke storting van 50 mln. in het politionele fonds in 1997 is 40 mln. teruggestort naar de begroting van LNV. De 10 mln. die werden ingehouden, waren bestemd voor het overheidsaandeel in de bestrijding van andere dierziekten dan varkenspest. 9,4 mln. van de uitvoeringskosten van het Bureau heffingen in verband met de inning van de nieuwe varkensheffing zijn voorgefinancierd. Dit bedrag is afgegaan van de 40 mln. die werden terugontvangen op de LNV-begroting. De resterende 30,6 mln. is door LNV als startkapitaal gestort in het Diergezondheidsfonds. Dit bedrag is beschikbaar voor de financiering van eventuele toekomstige uitbraken. Het is niet de bedoeling dat LNV nieuwe stortingen doet. De 30,6 mln. zijn dus door LNV van het oorspronkelijke politionele fonds dierziektenbestrijding doorgesluisd naar het Diergezondheidsfonds. In 1998 zijn hieruit geen uitgaven gedaan, zodat het bedrag beschikbaar is voor de periode na 1998. De minister zei toe zo snel mogelijk in overleg met het bedrijfsleven te bekijken hoe vorm zal worden gegeven aan de individuele verantwoordelijkheid.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Waalkens (PvdA) constateerde dat de loonstijgingen per medewerker op het departement van LNV nogal sterk afwijken van de landelijke cijfers. Hoe zijn deze personele meerkosten gedekt? Hoe komt het dat de loonkosten per medewerker zo sterk zijn gestegen en hoe zijn deze gedekt?
De heer Meijer (CDA) bevestigde dat het totale ambtelijk personeel van LNV in 1998 ongeveer 6,3% in prijs is gestegen, terwijl de gemiddelde lonen maximaal 3% zijn gegroeid. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk is dat een ambtenaar voor internationale aangelegenheden het dubbele kost van een ambtenaar binnenlandse dienst.
De heer Geluk (VVD) kon zich voorstellen dat de minister de kwaliteit van het personeel wil verbeteren en daaraan extra geld heeft besteed. Is die conclusie juist?
De minister legde voor dat de stijging op artikel 10.01, de uitgaven voor de minister en bijvoorbeeld de directeur FEZ, bijna 0% is. Er wordt dus een sober beleid gevoerd aan de top. Uit artikel 11.01 blijkt dat een ambtenaar internationale aangelegenheden bijna het dubbele kost van een ambtenaar in binnendienst. Buitenposten zijn over het algemeen veel duurder door kosten voor huisvesting, transport en bezoeken. Een landbouwattaché die vier landen in portefeuille heeft, zal veel reis- en verblijfkosten hebben. Hij wees erop dat deze ambtenaren ongeveer evenveel kosten als soortgelijke ambtenaren van Buitenlandse Zaken. Voorts heeft zich bij de RVV (15.01) een hogere uitgave voorgedaan van 12%. Dit komt omdat door de KVP veel overuren zijn gemaakt en speciale toelagen zijn toegekend voor mensen die in het weekend hebben doorgewerkt. Hetzelfde geldt voor de verhoging van 10% op de post 13.01, de landinrichtingsdienst, die voor derden werk heeft verricht. Daarvoor is het beste personeel ingezet. De minister wilde hiermee aangeven dat de situatie van LNV niet afwijkt van andere departementen. Uit een overzicht van BZK, waarop de gemiddelde loonkosten van ambtenaren zijn aangegeven, blijkt zelfs dat LNV onderaan staat. Hij zei evenwel toe dit aspect de komende jaren zeer zorgvuldig te bekijken.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Waalkens (PvdA) vond het alternatief jaarverslag van het departement van LNV een felicitatie waard. Daarin wordt goed vertaald wat zich op het departement heeft voorgedaan.
Over de kosten en de positie van het Bureau heffingen maakte hij zich wel zorgen. Ook had hij twijfels over het opzetten van het bureau in Assen, dat nu twee locaties heeft. De kosten die daarmee gepaard gaan, worden straks voor een deel betaald uit de voorgestelde fosfaatheffing. Zijn deze kosten wel voldoende gedekt? Hoewel de mensen die nu bij het bureau werken, prima werknemers zijn, had hij toch zorgen over de hoeveelheid werknemers bij het bureau en de doorstroom van het personeel. Het is blijkbaar moeilijk om aan goede mensen te komen. Hij vond overigens dat het bureau zijn klanten vriendelijk benadert.
De heer Ter Veer (D66) had vernomen dat het Bureau heffingen een bron van werkgelegenheid is voor afgestudeerde HAS'ers. Kennelijk kan het bureau deze mensen goed gebruiken.
Hem had ook het bericht bereikt dat het Bureau heffingen soms geen antwoord kan geven op vragen over mestquota. Ook komt het voor dat bij een tweede keer bellen een ander antwoord wordt gegeven dan de eerste keer. Hij maakte een vergelijking met het bureau dat de administratie voor de melkquota verzorgt, dat naar het schijnt meteen bij het eerste telefoontje het perfecte antwoord geeft.
De heer Geluk (VVD) ging in op het rapport van de Algemene Rekenkamer. Daaruit blijkt dat vijf van de dertig dienstonderdelen niet beschikten over een geautoriseerde en dwingend voorgeschreven onderhoudsorganisatie. Het gaat daarbij onder andere om de PD, de RVV en de AID. Dit vond hij teleurstellend. Bij de AID ontbreekt het bijvoorbeeld aan een actuele beschrijving van bestrijdingsmaatregelen bij calamiteiten zoals de varkenspest. Welke maatregelen neemt de minister om hierin verbetering aan te brengen?
Tot slot sprak de VVD haar erkentelijkheid uit voor het personeel dat door de varkenspest onder moeilijke omstandigheden toch de gewenste resultaten heeft bereikt.
De heer Ter Veer (D66) sprak grote waardering uit voor alle ambtenaren en diensten, die voortreffelijk werk hebben geleverd.
De minister zei op 20 oktober 1999 een werkbezoek te zullen brengen aan het Bureau heffingen. Kort geleden heeft bij het bureau een interne analyse plaatsgevonden. Daaruit is geen enkel onrustbarend punt naar voren gekomen. Administratief-organisatorische problemen waren hem dan ook niet bekend.
In feite is er geen sprake van twee locaties, maar van een locatie. De minister zei hiernaar te kijken bij het bezoek aan het bureau. Hij erkende dat de doorstroom in bureaus die in het noorden van het land gevestigd zijn, vaak problematisch is. Ook bij het Bureau heffingen in Assen is dat een probleem. Dat heeft overigens niets met de kwaliteit te maken. Het is buitengewoon moeilijk om westerlingen te vinden die in het noorden willen werken. Blijkbaar is men in Nederland op dit punt minder mobiel. Verder merkte hij op dat het Bureau groeit. Het is na de NAM de tweede werkgever in Noord-Nederland. Ook daardoor is de doorstroming een punt van zorg.
De minister wilde graag dat het bureau zo klantvriendelijk mogelijk is. De opmerking van de heer Waalkens sluit daarbij aan, maar als het klopt wat de heer Ter Veer zegt, moet daar iets aan gedaan worden. Hij wees er wel op dat de melkquota een aanzienlijk eenvoudigere procedure kent dan alles wat met de varkensrechten, kippenrechten en dergelijke te maken heeft. Hij wilde dan ook graag een vereenvoudiging van de administratieve en organisatorische aspecten bewerkstelligen. De minister zei toe na te gaan hoe de door de klanten gestelde vragen worden beantwoord, maar hij vroeg de leden van hem aan te nemen dat het bureau aan hoge administratieve en organisatorische maatstaven voldoet. Het is geen eenvoudige zaak om op dit ogenblik mestbeleid en heffingenbeleid te voeren en de relatie met de sector is gespannen.
Verder sprak de minister zijn dank uit voor de gemaakte complimenten. De aspecten die in het rapport van de rekenkamer naar voren zijn gekomen, zei de minister besproken te hebben met de voorzitter van de rekenkamer. De tekortkomingen zijn voor een deel al opgelost, of er wordt aangewerkt. De AID beschikt al over een conceptbeschrijving van de vernieuwde administratieve organisatie. Het spreekt vanzelf dat daar een adequate onderhoudsorganisatie deel van uitmaakt. De RVV bevindt zich in een ingrijpende reorganisatie. De onderhoudsorganisatie is daarbij onvermijdelijk verbonden met de hele administratieve organisatie. Daarnaast vindt bij RVV een culturele omslag plaats, bijvoorbeeld ten aanzien van veterinaire aspecten. Er zal een omslag moeten worden gemaakt van het individuele dier naar de hele keten. Kwaliteitsverhoging van de totale keten betekent immers ook dat een individuele arts zich van de hele keten bewust moet zijn. De minister vond het belangrijk dat de RVV meegroeit met de ontwikkelingen die in de veehouderij geconstateerd worden.
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Duivesteijn (PvdA), Stellingwerf (RPF), M.B. Vos (GroenLinks), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA).
Plv. leden: Van Vliet (D66), Van Zuijlen (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Bos (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GroenLinks), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Te Veldhuis (VVD), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Rietkerk (CDA), Karimi (GroenLinks), Kamp (VVD), Reitsma (CDA), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), Dijksma (PvdA), Belinfante (PvdA), Voorhoeve (VVD), De Boer (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26541-66.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.