nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 september 1999
In deze brief zal ik, conform mijn toezegging in het debat over de voorjaarsnota
1999, nader ingaan op het overheidsaandeel in de inflatie.
Het kwantificeren van het overheidsaandeel in de inflatie is geenszins
eenvoudig. In de praktijk wordt veelal een uitsplitsing van de consumptieprijs
als referentiekader gebruikt, ook al wordt deze om andere redenen opgesteld.
Onderstaande tabel is ontleend aan publicaties van het Centraal Plan Bureau
(CPB). Uit deze cijferopstelling blijkt dat de indirecte belastingen en niet-marktsector,
die naast de overheid de huursector, de gassector en de gezondheidszorg omvat,
een niet geringe, doch vrij constante, bijdrage aan de inflatie levert. In
de jaren negentig bedroeg deze bijdrage gemiddeld 1,2% per jaar met een gemiddelde
afwijking rond deze waarde van een ¼ procentpunt.
| | 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 |
|---|
| | bijdragen in procenten | |
| Invoer | – 0,1 | 0,5 | 0 | – 0,5 | – 0,1 | – 0,1 | 0,4 | 0,9 | – 0,1 | 0 | 0 |
| Indirecte belastingen en niet-marktsector | 1,4 | 1,8 | 1,4 | 1,1 | 1,4 | 1 | 1,3 | 1,4 | 1 | 1 | 1¼ |
| Arbeidskosten | 0,1 | 1 | 1,1 | 1,1 | – 0,7 | – 0,2 | 0,4 | – 0,1 | 0,7 | 1¼ | |
| Bruto
margeverbetering2 | 1 | – 0,1 | 0,7 | 0,4 | 2,3 | 0,5 | – 0,5 | – 0,2 | 0,3 | – ¼ | – ¼ |
| Consumptieprijs | 2,2 | 3,2 | 3,1 | 2,1 | 2,8 | 1,4 | 1,6 | 2,0 | 1,9 | 2 | 1 |
| | | | | | | | | | | | |
| Consumentenprijsindex | 2,5 | 3,1 | 3,2 | 2,6 | 2,7 | 2,0 | 2,0 | 2,2 | 2,0 | 2 | 1½ |
1 Betreft indirecte belastingen, aardgas, huur en gezondheidszorg.
2 Inclusief afschrijvingen en rente Bron: CPB
De overheid beïnvloedt de inflatie in principe op vele manieren.
Het gebruik van bovenstaande uitsplitsing van de consumptieprijs geeft daarom
geen sluitend beeld van de verschillende invloedskanalen. De consumptieprijs
in het algemeen en de voornoemde uitsplitsing naar de verschillende
bronnen van inflatie in het bijzonder schieten op een aantal fronten tekort
om als maatstaf te kunnen dienen. De argumentatie is tweeledig. Allereerst
biedt deze uitsplitsing om technische redenen een vertekening. Belangrijker
is evenwel dat een dergelijke benadering slechts een partieel beeld geeft
van de invloed van de overheid op het prijsniveau.
De indirecte belastingen en niet-marktsector, als indicator voor de overheidsbijdrage
aan de inflatie, omvat, naast de indirecte belastingen, de prijsstijgingen
van aardgas, huur en gezondheidszorg. De zorgsector opereert binnen een door
de overheid vastgesteld wettelijk kader waarin de toelaatbare jaarlijkse prijsstijgingen
van een plafond worden voorzien. De zorginstellingen staat het vrij om, binnen
dit kader, de prijzen vast te stellen. Een soortgelijke redenering kan gehouden
worden ten aanzien van de huursector. Het zou mij te ver gaan om dergelijke
prijsontwikkelingen in de zorg en huursector volledig toe te schrijven aan
de overheid. In dit opzicht vertekent het hierboven genoemde cijfer de feitelijke
overheidsbijdrage aan de inflatie. Voorts vloeit een overschatting voort uit
het feit dat maatregelen die genomen zijn om consumenten te compenseren voor
prijsverhogende belastingen niet in de overheidsbijdrage aan de consumptieprijs
zijn terug te vinden. Een voorbeeld is de compensatie van de ophoging van
de regulerende energiebelasting (REB) via een terugsluis van de loon- en inkomsten-belasting.
De overheidsmaatregel leidt weliswaar tot een hogere consumptieprijs, maar
pakt wel koopkracht neutraal uit. Volledigheidshalve dient aangestipt te worden
dat bij het gebruik van de uitsplitsing van de consumptieprijs, ten opzichte
van de consumentenprijsindex (CPI), een vertekening van het overheidsaandeel
ontstaat doordat de zogenaamde consumptie gebonden belastingen, die met uitzondering
van de motorrijtuigenbelasting met name op lokaal niveau wordt geheven, niet
worden meegenomen.
De overheid beïnvloedt de inflatie ook in meer algemene zin. Dit
geschiedt via de vraag die zij uitoefent naar goederen en diensten, gelijk
aan iedere andere speler op de markt, via haar beleid gericht op het verbeteren
van het functioneren van de markt, alsmede via een beleid van lastenverlichting
ter ondersteuning van het streven naar aanhoudende loonmatiging. In het algemeen
kan een actief marktwerkingsbeleid leiden tot lagere prijzen doordat de marktpartijen
geprikkeld worden om zich te onderscheiden van anderen. Een goed voorbeeld
betreft de liberalisatie van de telecommunicatiemarkt die tot flinke prijsdalingen
heeft geleid. De oprichting van een mededingingsautoriteit (MNA) en het over
een brede linie uitvoeren van MDW projecten zullen dit effect versterken.
In uitzonderlijke gevallen, waarbij regulering leidt tot prijzen onder de
evenwichtswaarde, kan meer marktwerking leiden tot hogere prijzen. Dit was
het geval bij de huursector, begin jaren negentig. Huurverhogingen resulteren,
bij het hanteren van voornoemde cijferopstelling, in een hoger overheidsaandeel
in de inflatie terwijl lagere telecommunicatieprijzen niet op het conto van
de overheid worden geschreven.
Door middel van deze brief heb ik willen aangeven dat aan het kwantificeren
van de overheidsbijdrage aan de inflatie nogal wat haken en ogen zitten. Uiteindelijk
is de crux van de discussie echter of Nederland in zijn algemeenheid naar
behoren presteert op het gebied van inflatie. De algemene doelstelling is
een streven naar prijsstabiliteit. De Europese Centrale Bank heeft dit streven
geoperationaliseerd als een jaarlijkse prijsstijging beneden de 2%. Als maatstaf
voor inflatie wordt, in Nederland, doorgaans naar de CPI gekeken, ook al kent
deze een zekere opwaartse vertekening, omdat deze de gevolgen van kwaliteitsverbeteringen
van en substitutie effecten tussen goederen en diensten, alsmede de opkomst
van fabriekswinkels («outlets») onvoldoende verwerkt.
Het CPB voorspelt voor 1999 en 2000 een CPI van respectievelijk 2% en 1½%;
cijfers die alleszins sporen met de doelstelling van prijsstabiliteit.
De Minister van Financiën,
G. Zalm