26 492
Invoering van een verbod tot het vervaardigen, voorradig hebben en verspreiden van drukwerken of andere voorwerpen die, in verband met de invoering van de euro, ten onrechte de indruk zouden kunnen wekken dat zij wettig betaalmiddel zijn, alsmede aanpassing van het Wetboek van Strafrecht.

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Op 1 januari 1999 is de euro ingevoerd als rekeneenheid van de geldstelsels van de lidstaten die op dat moment voldeden aan de voorwaarden voor aanname van de euro (artikel 109 J, vierde lid, van het EG-verdrag). Vanaf die datum kan in alle deelnemende landen, en dus ook in Nederland, giraal bevrijdend met de euro worden betaald. Vanaf 1 januari 2002 zullen euromunten als wettig betaalmiddel in het betalingsverkeer worden gebracht. Tevens zullen vanaf dit tijdstip de guldenbankbiljetten en -munten nog gedurende een korte periode wettig betaalmiddel zijn. Na 1 januari 2002 zal het nog gedurende 30 jaar mogelijk zijn om, gegeven de regels die De Nederlandsche Bank daaraan stelt1, guldenbankbiljetten in te wisselen. Hoewel thans nog niet vaststaat hoe lang het nog mogelijk zal zijn om guldenmunten om te wisselen, ligt het in de rede dat ook daarvoor een ruime termijn zal worden gehanteerd.

Voor een goed verloop van de introductie van de euro is het van groot belang dat bij het publiek vertrouwen ontstaat in de nieuwe eenheidsmunt. Helderheid omtrent procedures en de juridische status van in omloop zijnde betaalmiddelen is daarbij essentieel.

In de periode tot 1 januari 2002, de zogenoemde overgangsperiode, zal de situatie bestaan dat de euro reeds een rol vervult in het girale betalingsverkeer, doch nog niet in chartale vorm is ingevoerd. Hierdoor kan mogelijk verwarring bij het publiek ontstaan over de status van eventueel tijdens die periode in omloop te brengen penningen en andere voorwerpen, al dan niet gelijkend op de toekomstige euromunten, waarvan de meeste ontwerpen inmiddels bekend zijn gemaakt. Het risico bestaat dat dergelijke penningen en andere voorwerpen, voor zover zij op grond van aangebrachte aanduidingen in verband kunnen worden gebracht met de euro, als gevolg daarvan door het publiek ten onrechte zullen worden aangezien voor wettig betaalmiddel. Daarom is door de Europese Commissie op 13 januari jl. (SEC(1999) 24/2; PbEG L 20/61) een aanbeveling aangenomen waarin de lidstaten worden opgeroepen maatregelen te treffen tegen de uitgifte van penningen en op munten gelijkende voorwerpen die verwijzingen naar de euro bevatten. Artikel 3 van deze aanbeveling bepaalt dat de lidstaten zo spoedig mogelijk alle maatregelen dienen te treffen die noodzakelijk worden geacht om zeker te stellen dat tijdens de overgangsperiode het vervaardigen, voorradig hebben en verspreiden van drukwerken of andere voorwerpen die, in verband met de invoering van de euro, ten onrechte de indruk zouden kunnen wekken dat zij wettig betaalmiddel zijn, niet mogelijk zal zijn. Er wordt niet aangegeven wat deze maatregelen precies zouden moeten inhouden. Verschillende lidstaten, zoals Duitsland, Oostenrijk, Ierland, Italië en België, hebben of zijn doende om wetsartikelen te formuleren die specifiek zien op de geschetste situatie. Andere lidstaten, waaronder het Verenigd Koninkrijk, zijn van mening dat de bestaande wetgeving voldoende mogelijkheden biedt om aan de aanbeveling gehoor te kunnen geven.

In Nederland zou in dit verband kunnen worden gedacht aan artikel 440 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr.), waarin strafbaar is gesteld het vervaardigen, verspreiden of ter verspreiding in voorraad hebben van drukwerken of andere voorwerpen die, voor zover hier van belang, lijken op munt- of bankbiljetten of op muntspeciën. Het probleem doet zich echter voor dat gedurende de overgangsperiode de euromunt en het eurobankbiljet nog geen wettig betaalmiddel zijn. Uit jurisprudentie1 van lagere rechters kan worden opgemaakt dat voor toepasselijkheid van artikel 440 WvSr. niet vereist is dat het voorwerp gelijkenis vertoont met een in omloop (geweest) zijnde munt of bankbiljet, doch dat voldoende is dat het voorwerp bij het publiek de indruk kan wekken een gangbare munt of gangbaar bankbiljet te zijn. Zolang nog niet in hoogste instantie over deze vraag is beslist (jurisprudentie van de Hoge Raad ontbreekt tot nu toe), is echter niet volstrekt zeker of met succes langs de weg van artikel 440 WvSr. kan worden opgetreden tegen het vervaardigen en verspreiden van europenningen en andere voorwerpen die bij het publiek de hiervoor geschetste verwarring teweeg kunnen brengen.

Met het oog op het grote belang van een soepele introductie van de euro en het bij het publiek op te bouwen vertrouwen in de nieuwe munt, is deze onzekerheid zeer onwenselijk. Teneinde iedere onzekerheid uit te sluiten, is er daarom voor gekozen om bij afzonderlijke wet een specifiek op deze situatie toegesneden verbod in te voeren.

De in artikel 1 bedoelde indruk dat drukwerken of andere voorwerpen als euromunt- of eurobankbiljetten, dan wel als euromuntspeciën te gebruiken zijn, hoewel deze nog niet de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben verkregen, kan in elk geval ontstaan, wanneer op munten of bankbiljetten gelijkende drukwerken of andere voorwerpen met de euro in verband zouden kunnen worden gebracht. Gedacht kan worden aan onder andere herdenkingspenningen, die immers geen wettig betaalmiddel zijn. Dergelijke penningen worden thans reeds op de markt gebracht. Zeker wanneer op deze penningen een aantal (bijvoorbeeld 1, 5, 100) gekoppeld wordt aan het begrip «euro», en de prijzen van deze penningen met deze aanduidingen corresponderen, kan de in artikel 1 omschreven indruk ontstaan. Niet doorslaggevend is of de gemiddelde persoon de indruk kan krijgen dat van chartaal eurogeld sprake is, maar of die indruk bij een deel van het publiek zou kunnen ontstaan en daarmee verwarring zou kunnen worden gewekt omtrent de juridische status van een dergelijke penning. Vanzelfsprekend vallen penningen en andere voorwerpen die evident niet de kenmerken van betaalmiddel hebben, zoals chocolade-euro's, plastic speelgoedmunten en monopolygeld, buiten de reikwijdte van de bepaling.

Na afloop van de overgangsperiode, dus met ingang van 1 januari 2002, zal artikel 1 komen te vervallen. Opgemerkt zij dat artikel 1 ook na 31 december 2001 van toepassing blijft op feiten begaan voor 1 januari 2002.

Na de overgangsperiode, dus met ingang van 1 januari 2002, geldt de omgekeerde situatie. De thans in omloop zijnde guldenbankbiljetten en -munten zullen nog een korte periode de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. Daarnaast zullen, zoals gezegd gegeven de regels die De Nederlandsche Bank daaraan stelt, guldenbankbiljetten nog gedurende dertig jaar kunnen worden ingewisseld tegen euro's. Hoewel thans nog niet vaststaat welke termijn op dit punt voor guldenmunten zal gelden, ligt het in de rede dat daarop eveneens een ruime periode van toepassing zal zijn. Ook na 1 januari 2002 zal derhalve nog een periode resteren waarin mogelijk onduidelijkheid bestaat omtrent de status van nog niet omgewisselde guldenbankbiljetten en -munten. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat ook vanwege het «afscheid» van de gulden en van in andere lidstaten gehanteerde wettig betaalmiddelen herdenkingspenningen op de markt worden gebracht. Bij het publiek zou de indruk kunnen ontstaan dat deze als «echte» guldens, marken etc. te gebruiken of om te wisselen zijn. Om te voorkomen dat van deze onzekerheid misbruik zou kunnen worden gemaakt, dient ook voor deze situatie een bijzondere wettelijke voorziening te worden getroffen. Dit teneinde op te kunnen treden tegen het vervaardigen, verspreiden en ter verspreiding in voorraad hebben van drukwerken of andere voorwerpen die ten onrechte als inwisselbaar voormalig wettig betaalmiddel kunnen worden aangezien. Aannemelijk is echter dat na verloop van tijd de hiervoor genoemde onzekerheid zal afnemen. Het wetsvoorstel bevat derhalve een horizonbepaling die tot gevolg heeft dat de wet na een termijn van acht jaar vervalt.

In artikel 3 van het wetsvoorstel wordt voorgesteld een definitiebepaling aan het Wetboek van Strafrecht toe te voegen. De definitiebepaling maakt duidelijk dat onder muntspeciën, munt- en bankbiljetten mede verstaan worden muntspeciën, munt- en bankbiljetten die de status van wettig betaalmiddel nog zullen verkrijgen, alsmede muntspeciën, munt- en bankbiljetten die deze hoedanigheid verloren hebben en ingewisseld kunnen worden tegen wettige betaalmiddelen.

Titel X van het Tweede Boek van het WvSr betreft «Valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten». Het eerste artikel van deze titel, artikel 208, luidt: «Hij die muntspeciën of munt- of bankbiljetten namaakt of vervalst, met het oogmerk om die muntspeciën of munt- of bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie». Algemeen wordt aangenomen, dat wettige betaalmiddelen in ieder geval onder deze bepaling vallen (vgl. Tekst en Commentaar Strafrecht (Cleiren/Nijboer), aantekening 9 bij artikel 208 WvSr). Aannemelijk is dat deze bepaling, en de daarop volgende, ook munten en dergelijke omvatten die nog niet de status van wettig betaalmiddel hebben, maar deze status in de nabije toekomst krijgen. Daarvoor pleit onder andere het door deze titel beschermde belang: het vertrouwen in chartaal geld. De redactie van deze artikelen pleit ook voor deze lezing: relevant is slechts het «oogmerk» om de valse munten etc. uit te geven. Daarin ligt niet besloten dat de munten reeds op het moment van vervalsen uitgegeven moeten kunnen worden. Desalniettemin pleit de rechtszekerheid ervoor, expliciet buiten twijfel te stellen dat ook het namaken en vervalsen van munten etc. die de status van wettig betaalmiddel nog zullen krijgen onder deze bepalingen valt. Daarom wordt voorgesteld een bepaling in de betekenistitel van het WvSr in te voegen.

Deze bepaling ziet tevens op een andere situatie. Nadat de gulden de status van wettig betaalmiddel verloren heeft, zal zij, zo werd reeds gesteld, nog gedurende een bepaalde tijd ingewisseld kunnen worden voor de euro. Denkbaar is, dat de gulden in die periode zal worden nagemaakt of vervalst. Buiten twijfel wordt gesteld dat ook het gedurende de eerste periode na invoering van de euro namaken of vervalsen van de gulden, of andere door de euro vervangen wettige betaalmiddelen in valuta van andere lidstaten, door de artikelen 208 en volgende van het WvSr bestreken wordt.

De voorgestelde definitiebepaling blijft van kracht tot het jaar 2010; aangenomen mag worden dat alle strafvervolgingen in verband met het vlak voor of na de invoering van de euro vervalsen van munten of bankbiljetten tegen die tijd ruimschoots beëindigd zullen zijn. Ter voorkoming van misverstanden zij nog gesteld dat de onderhavige definitie niet ziet op de situatie van het namaken van nieuw in te voeren bankbiljetten en munten indien sprake is van een reeds bestaand wettig betaalmiddel. Dat het namaken van nieuw in te voeren munten etc. in een bestaand wettig betaalmiddel door de onderhavige bepaling bestreken wordt, vloeit afdoende uit ratio en bewoordingen van deze strafbaarstellingen voort.

De in de artikelen 1 en 2 van deze wet strafbaar gestelde feiten (naast het vervaardigen wordt tevens het verspreiden en het ter verspreiding voorradig hebben van de eerder genoemde drukwerken of voorwerpen strafbaar gesteld) zijn overtredingen en kunnen worden bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de vierde categorie, thans ten hoogste 25 000 gulden. Indeling in deze relatief hoge boetecategorie wordt gerechtvaardigd door het belang van een adequate bestrijding van het misbruik maken van de hiervoor beschreven onzekerheid. Het vertrouwen in het chartale geld staat immers juist in situaties kort voorafgaand aan, gedurende en kort na een overgangsperiode als deze onder grote druk. Zodra de overgangsperiode is beëindigd, volstaat de strafbaarstelling van artikel 440 Wetboek van Strafrecht. Gezien de mogelijkheid dat personen die in strijd handelen met een van beide artikelen niet altijd kapitaalkrachtig zullen zijn, is naast de geldboete voorzien in de mogelijkheid van drie maanden hechtenis. Daarnaast zijn de bepalingen van de Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering inzake inbeslagname, verbeurdverklaring en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van toepassing.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Zie artikel 4, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit van 27 juli 1998, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de verwisseling, intrekking en aftekening van bankbiljetten door De Nederlandsche Bank N.V. en de aan het publiek te verstrekken informatie hieromtrent (Stcrt. 1998, 162).

XNoot
1

Kantongerecht 's-Gravenhage, 10 februari 1966, NJ 1967/207 en 28 augustus 1967, NJ 1969/470.

Naar boven