B
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
d.d. 19 februari 1999 en het nader rapport d.d. 7 april 1999, aangeboden aan
de Koningin door de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State
van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 31 december 1998, no. 98.006322, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State van het
Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet met
memorie van toelichting tot goedkeuring van de op 26 juli 1995 te Brussel
totstandgekomen Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag
betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële
belangen van de Europese Gemeenschappen (Trb.1995, 289); van het
op 27 september 1996 te Dublin totstandgekomen Protocol, opgesteld op grond
van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst
aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
(Trb.1996, 330); van het op 29 november 1996 te Brussel totstandgekomen Protocol,
opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese
Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming
van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (Trb.1997,
40); en van het op 17 december 1997 te Parijs totstandgekomen Verdrag inzake
de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale
zakelijke transacties (Trb.1998, 219) (Goedkeuring van enkele verdragen inzake
de bestrijding van fraude en corruptie).
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 31 december
1998, nr. 98.006322, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk
zijn advies inzake bovenvermeld voorstel van rijkswet rechtstreeks aan mij
te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 19 februari 1999, nr. WO3.98.0614/I/K,
bied ik U hierbij aan.
1. Noch in de aanbiedingsbrief, noch in de memorie van toelichting wordt
verklaard waarom de eerste drie verdragen, die slechts voor Nederland zullen
gaan gelden, ter rijksgoedkeuring zijn aangeboden. Daardoor is niet duidelijk
of de Nederlandse Antillen en Aruba zich nog over medegelding beraden dan
wel of de Koninkrijksregering van oordeel is dat deze verdragen de Nederlandse
Antillen en Aruba «raken» in de zin van artikel 24, eerste lid,
van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. De Raad van State van
het Koninkrijk geeft in overweging de aanbiedingsbrief op dit punt aan te
vullen.
Mocht geen van genoemde situaties zich voordoen, dan adviseert de Raad
de goedkeuringswet te splitsen in een gewone wet en een rijkswet.
1. De goedkeuring van de onderhavige verdragen zou, gelet op de in para-
graaf 7 van de memorie van toelichting weergegeven koninkrijkspositie, ook
opgesplitst in een voorstel van wet tot goedkeuring van de drie EU-verdragen
en een voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het OESO-corruptieverdrag
van 17 december 1997 aan de Staten-Generaal, respectievelijk aan de Staten-
Generaal en aan de Staten van de Nederlandse Antillen/Aruba gevraagd kunnen
worden. Hiervan is evenwel afgezien vanwege de onderlinge, inhoudelijke samenhang
tussen het EU-corruptieprotocol van 27 september 1996 en het eerdergenoemde
OESO-verdrag.
2. In artikel 2, eerste lid, van het corruptieprotocol (Trb. 1996, 330)
is als bestanddeel van passieve corruptie in de zin van dat protocol opgenomen
«waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
worden of kunnen worden geschaad». In de toelichting op dit artikellid
wordt vermeld dat dit bestanddeel geen nadere voorziening in de nationale
wetgeving vereist omdat uit artikel 7 van het protocol in verbinding met artikel
9 van het fraudeverdrag volgt dat de lidstaten ervoor kunnen kiezen om dit
nadeelvereiste niet in hun nationale strafbepalingen op te nemen. Daarmee
is echter nog niet de vraag beantwoord of opneming van dit nadeelvereiste
in de Nederlandse wetgeving wellicht gewenst is ter afgrenzing van de reikwijdte
van de strafbaarstelling van passieve corruptie. Voor het antwoord op die
vraag is mede van belang welk uitgangspunt de andere lidstaten innemen. De
Raad beveelt aan in de toelichting alsnog op deze vraag in te gaan.
Eenzelfde aanbeveling geldt voor paragraaf 5.2 van de toelichting
op het OESO-corruptieverdrag.
2. De aanbeveling van de Raad van State van het Koninkrijk heeft aanleiding
gegeven tot aanvullingen op de toelichtingen op artikel 2 en artikel 1 van
respectievelijk het EU-corruptie-protocol van 27 september 1996 en het OESO-corruptieverdrag
van 17 december 1997.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging het voorstel
van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten
van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoten van Buitenlandse Zaken en van
Economische Zaken, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van rijkswet en
de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba te zenden.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals