nr. 222
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 23 maart 1999
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 24 maart 1999.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 23 april 1999.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 2 november 1998 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen de
regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Republiek
Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied
van de bestrijding van internationale misdaad, met verklaring (Trb. 1998,
270)1.
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen
TOELICHTENDE NOTA
Inleiding
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de
Wet op de Raad van State)Naar aanleiding van een Hongaars verzoek om tot een
bilaterale samenwerking in strafzaken te komen is met Hongarije onderhandeld
over een verdrag, het onderhavige. De reden om die samenwerking aldus te regelen
is dat de Hongaarse politiewet voor de uitwisseling van persoonsgegevens een
verdrag vereist. Voor Nederland is de wijze waarop en de voorwaarden waaronder
informatie met het buitenland kan worden uitgewisseld vastgelegd in onder
meer de volgende nationale wet- en regelgeving:
– artikel 552h e.v. van het Wetboek van Strafvordering;
– artikel 552i van het Wetboek van Strafvordering en de daarbij
behorende richtlijn van het openbaar ministerie van 23 november 1994 (Stcrt.
1994, 242);
– artikel 18 van de Wet op de Politieregisters;
– artikel 13 van het Besluit Politieregisters.
In eerste instantie verleenden de Minister van Justitie en de Minister
van Binnenlandse Zaken mandaat om onderhandelingen aan te gaan op het terrein
van de politiesamenwerking tussen beide landen. Omdat van Hongaarse zijde
de wens te kennen werd gegeven om bij deze samenwerking ook de douane en de
grenspolitie (voor Nederland: de Koninklijke Marechaussee) te betrekken, is
na overleg met de Ministeries van Financiën en van Defensie het onderhandelingsmandaat
uitgebreid.
Inhoud van het verdrag
Het verdrag regelt in artikel 2 de mogelijkheid van informatie-uitwisseling
tussen de opsporingsdiensten van beide landen bij de bestrijding van internationale
misdaad. Uitgangspunt voor die bepaling vormde artikel 39 van de op 19 juni
1990 te Schengen totstandgekomen Overeenkomst ter uitvoering van het op 19
juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing
van de controles aan de gemeenschappijke grenzen (Trb. 1990, 145). In het
tweede lid van artikel 2 is uitdrukkelijk een scheiding aangebracht tussen
politiële- en justitiële bevoegdheden. Het verdrag is tevens aangevuld
met de in artikel 5 voorziene mogelijkheid van zogenoemde technische bijstand
op een aantal terreinen.
Artikel 3 geeft aan dat de opsporingsdiensten zonder daartoe een verzoek
te hebben ontvangen, de opsporingsdiensten van het andere land van inlichtingen
kunnen voorzien. In welke gevallen dit mogelijk is, wordt mede bepaald door
de nationale wetgeving die op een concreet geval van toepassing is.
Artikel 4 heeft betrekking op de instanties die de desbetreffende informatie
kunnen uitwisselen. Ingevolge het tweede lid zal aan de kant van Hongarije
de uitwisseling geschieden door tussenkomst van drie centrale instanties,
omdat genoemd land nog niet over één centrale autoriteit beschikt.
Hongarije is zich er zeer wel van bewust dat aan het formeren van één
centrale autoriteit hoge prioriteit dient te worden gegeven. Immers, gelet
op het toetredingsperspectief van Hongarije tot de Europese Unie zal dit land
te zijner tijd aan de vereiste van één centrale autoriteit moeten
voldoen. Om over één centrale autoriteit te beschikken dient
de Hongaarse nationale wetgeving echter te worden aangepast; om de Hongaarse
autoriteiten toch in de gelegenheid te stellen reeds op basis van het onderhavige
verdrag samen te werken met de Nederlandse opsporingsdiensten, is in het derde
lid voor Hongarije een inspanningsverplichting opgenomen, inhoudende dat zo
spoedig mogelijk voorzien wordt in één centrale autoriteit.
Tot dat moment kunnen de drie voor Hongarije opgenomen centrale
instanties de verzoeken om informatie richten aan de Nederlandse centrale
autoriteit, te weten de Divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps
Landelijke Politiediensten. Alle inkomende en uitgaande verzoeken om informatie
zullen door tussenkomst van deze Divisie plaatsvinden.
In artikel 8 wordt tot uitdrukking gebracht dat het onderhavige verdrag
geen afbreuk doet aan de tussen het Koninkrijk en Hongarije geldende verdragen
die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de wederzijdse hulp in strafzaken
en de wederzijdse bijstand in douane- en belastingzaken. Wat de wederzijdse
rechtshulp betreft, gaat het onder meer om het op 20 april 1959 te Straatsburg
totstandgekomen Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
(Trb. 1965, 10), ook genoemd in artikel 2.
Hoewel op voorstel van Hongarije in het verdrag de regeringen als partijen
worden genoemd, zal het verdrag uiteraard tussen beide staten gelden.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, is in een gemeenschappelijke verklaring
vastgelegd welke instanties voor het doel van het verdrag als opsporingsdiensten
worden beschouwd. Als gevolg van verschil in organisatorische structuur, wordt
aan de Nederlandse kant ook een belastingopsporingsdienst genoemd en aan de
kant van Hongarije niet. De verklaring maakt een integrerend onderdeel uit
van het verdrag en is gelet op haar inhoud aan te merken als zijnde van uitvoerende
aard. Verdragen tot wijziging van de verklaring behoeven op grond van artikel
7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen
parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht
van goedkeuring terzake voorbehouden.
Koninkrijkspositie
Het verdrag zal voor wat het Koninkrijk betreft alleen voor Nederland
gelden.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper