nr. 18
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 31 oktober 2000
Tijdens het debat van 12 oktober jl. over het rapport van de Tijdelijke
Commissie Besluitvorming Uitzendingen (TCBU) heeft de heer Wilders (VVD) gevraagd
om een notitie over het verband tussen «Full Command» en de ministeriële
verantwoordelijkheid tijdens crisisbeheersingsoperaties. Hierbij bied ik u
deze notitie aan.
De Minister van Defensie,
F. H. G. de Grave
FULL COMMAND EN DE MINISTERIËLE VERANTWOORDELIJKHEID
TIJDENS EEN CRISISBEHEERSINGSOPERATIE
Tijdens het debat van 12 oktober jl. over het rapport van de Tijdelijke
Commissie Besluitvorming Uitzendingen (TCBU) heeft de heer Wilders (VVD) gevraagd
om een notitie over het verband tussen «Full Command» en de ministeriële
bevoegdheden tijdens vredesoperaties.
Command Authorities
In het kader van militaire operaties bestaan verschillende niveaus van
commandovoering, met bijbehorende bevoegdheden. Een overzicht van deze «Command
Authorities», variërend van «Full Command» tot «Coordinating
Authority» (uit bijlage A bij CDS-aanwijzing nr. A-1 van 10 maart 2000)
is als bijlage gevoegd.1 De terminologie in de
aanwijzing is ontleend aan beschrijvingen die in de Navo worden gebruikt.
Voor de uiteenzetting van commandobevoegdheden en de ministeriële verantwoordelijkheid
zijn drie niveaus van commandovoering van belang: Full
Command, Operational Command en Operational Control.
Het hoogste gezag, Full Command, behelst de volledige bevoegdheid opdrachten
en aanwijzingen te geven aan militaire eenheden over alle aspecten van militaire
operaties. Full Command blijft altijd de nationale verantwoordelijkheid van
troepenleverende landen en berust in ons land bij de CDS, onder politieke
verantwoordelijkheid van de minister van Defensie. De CDS heeft, uit hoofde
van het Full Command, de bevoegdheid zo nodig de eenheden weer te onttrekken
aan het bevel van de internationale commandant. Operational Command, het gezagsniveau
ónder Full Command, kan in Navo-kader worden overgedragen aan SACEUR
of SACLANT. In de praktijk draagt Nederland aan deze «Major NATO Commanders»
en aan lagere commandanten zoals Commandant SFOR, evenals aan VN-commandanten
zoals de Force Commander van UNMEE, Operational Control over.
Tijdens een vredesoperatie waaraan Nederlandse eenheden deelnemen, draagt
de regering een deel van de bevoegdheden over aan de internationale commandant
van de Navo of van de VN onder wiens leiding de Nederlandse eenheden komen
te staan. Deze commandant krijgt hiermee de bevoegdheid de Nederlandse eenheden
in te zetten voor een specifieke operatie. Hij krijgt echter geen carte blanche;
zijn bevoegdheden zijn afgebakend door een van tevoren opgesteld operatieplan
en zo nodig kan Nederland bij het overdragen van de commandobevoegdheid voorwaarden
stellen. Een concreet voorbeeld: Nederland draagt aan de Force Commander van
UNMEE de bevoegdheden over om de Nederlandse eenheden in te zetten in overeenstemming
met het operatieplan. Deze bevoegdheden, die behoren bij Operational Control,
zijn niet gering, maar evenmin onbeperkt. De Force Commander is bijvoorbeeld
niet bevoegd organieke verbanden te verbreken en Nederlandse compagnieën
in te zetten in «vreemde» bataljons of voor taken die buiten het
operatieplan vallen.
Het Full Command, het hoogste gezag, blijft dus altijd een nationale verantwoordelijkheid
en berust voor uitgezonden eenheden bij de CDS onder de politieke verantwoordelijkheid
van de minister van Defensie. De CDS ziet erop toe dat de Nederlandse eenheden
worden ingezet volgens het operatieplan en dat de gestelde voorwaarden in
acht worden genomen. Om dat goed te kunnen doen, moet de CDS beschikken over
de nodige informatie. Hiertoe wordt sinds 1995 bij elke operatie een nationale
Contingentscommandant aan de uitgezonden eenheden toegevoegd die
rechtstreeks rapporteert aan de CDS. De contingentscommandant staat buiten
de bevelslijnen van de internationale commandant en de eenheden die aan de
operatie deelnemen.
Zolang de operationele commandant van de desbetreffende vredesoperatie
zich houdt aan het mandaat en de gestelde voorwaarden is er geen directe Nederlandse
bemoeienis met het operationele optreden van de eenheid. Als daarvoor zwaarwegende
redenen bestaan, kan de regering echter tussentijds aanvullende voorwaarden
stellen. Dit was bijvoorbeeld tijdens de Kosovo-oorlog het geval, toen vanwege
de risico's van onbedoelde nevenschade besloten is het gebruik van clusterbommen
door Nederlandse eenheden op te schorten. Als er sprake is van een wijze van
inzet van Nederlandse eenheden die niet is voorzien in het operatieplan, moet
de internationale commandant vooraf toestemming vragen aan «Den Haag».
Dit kan direct via het Contingentscommando, of via een hoger, diplomatiek
niveau. In Navo-kader gaat het dan om de NAR, in VN-kader om de speciale vertegenwoordiger
van de SGVN bij de desbetreffende operatie of de SGVN zelf.
De ministeriële verantwoordelijkheid
De overdracht van Operational Command of van Operational Control over
Nederlandse eenheden aan een internationale commandant kan de ministeriële
verantwoordelijkheid in staatsrechtelijke zin niet beperken. De minister van
Defensie draagt de verantwoordelijkheid voor de instemming met het operatieplan,
de (gedeeltelijke) overdracht van commandobevoegdheden (inclusief de voorwaarden
die daarbij worden gesteld en de naleving daarvan) en het oordeel dat een
operatie wordt uitgevoerd binnen de voorwaarden die het operatieplan stelt.
Voorts is de minister verantwoordelijk voor besluiten die hij neemt in het
geval hij van oordeel is dat de internationale commandant het operatieplan
te buiten gaat. Hetzelfde geldt in het geval hij besluit nadere voorwaarden
te verbinden aan de inzet van de Nederlandse eenheden.
De terughoudende opstelling van de regering die hierboven is uiteengezet,
berust dan ook niet op een beperking van de ministeriële verantwoordelijkheid,
maar op het uitgangspunt dat de operationele commandant in de gelegenheid
moet worden gesteld, binnen de voorwaarden van het operatieplan, zijn gezag
uit te oefenen teneinde de militaire opdracht uit te voeren die in internationaal
overleg is vastgesteld. De Kamer kan de minister te allen tijde op zijn verantwoordelijkheden
aanspreken. Vanzelfsprekend zal de minister de Kamer in voorkomend geval zo
goed en volledig mogelijk inlichten, al kunnen er overwegingen zijn –
bijvoorbeeld verband houdend met internationale relaties, het belang van een
operatie of de veiligheid van het personeel ter plaatse – die, althans
in het openbaar, tot terughoudendheid nopen.