Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 26448 nr. 89 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 26448 nr. 89 |
Vastgesteld 21 oktober 2003
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 heeft op 24 september 2003 overleg gevoerd met de heer De Geus, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en de heer Rutte, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over:
– de brief van de minister d.d. 3 juli 2003 inzake actieve rol cliënt bij reïntegratie (SOZA-03-438);
– de brief van de minister d.d. 3 juli 2003 inzake evaluatie experimenten WW (SOZA-03-444);
– de brief van de staatssecretaris d.d. 27 juni 2003 over de resultaten van de Stimuleringsregelingen sociale activering (23 972, 65).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA) stelt vast dat met het aannemen van de Wet SUWI (Structuur en uitvoering werk en inkomen) het persoonsgebonden reïntegratiebudget (PRB) onderdeel van de wet is geworden. Met de invoering ervan is echter gewacht, omdat er een experiment liep. De regering schrijft nu dat zij een persoonsgebonden reïntegratiebudget niet wenselijk en noodzakelijk vindt, omdat het verstorend zou werken op het aanbestedingsvolume van de UWV (Uitvoering werknemersverzekeringen). Zij vindt dat in de gemeenten andere en lichtere vormen van maatwerk mogelijk zijn. Ten slotte vindt de regering het PRB niet efficiënt en effectief.
Vervolgens constateert mevrouw Noorman dat de evaluatie van de regering niet overeenkomt met de evaluatie van de Raad voor Werk en Inkomen (RWI). De regering baseert zich op gedateerde gegevens; de RWI baseert zich op recente gegevens van het laatste project dat volgens de nieuwe aanpak is gerealiseerd. Mevrouw Noorman verwijst in dezen naar de brief van de Landelijke Cliëntenraad, waarin de conclusies van de regering op alle punten gedocumenteerd worden ondergraven.
Het maatschappelijk draagvlak voor de invoering van het persoonsgebonden reïntegratiebudget is erg groot. Mevrouw Noorman is van mening dat de wet ook moet worden uitgevoerd zoals zij bedoeld is. Gezien het succes van het laatste experiment en uit een oogpunt van duurzaamheid, zou dat gefaseerd moeten gebeuren. Dat betekent dat 2% van de te integreren WW- en WAO-populatie in aanmerking komt voor een persoonsgebonden reïntegratiebudget. In de loop der jaren kan dit percentage omhoog. Monitoring is daarbij noodzakelijk, omdat inzicht in de effectiviteit noodzakelijk is. Men moet kunnen afwegen wat het hoogste rendement geeft en hoe de motivatie van de cliënt optimaal tot resultaat leidt.
Het experiment sluitende aanpak WW wordt gecontinueerd in het jaarplan UWV. Waarom wordt dit experiment niet in de wet opgenomen en volstaat het jaarplan? Kan dit in de verzamelwet SZW alsnog worden meegenomen?
Mevrouw Noorman vindt het een goede zaak dat bij de kleine experimenten WW de proefplaatsing structureel in de WW wordt opgenomen en dat het experiment preventieve inzet voor met ontslag bedreigde werknemers wordt verlengd.
In de brief staat dat meer experimenten mogelijk zijn. Waaraan denkt de regering dan? De balans van rechten en plichten van cliënten mag niet in het gedrang komen als de uitvoeringsorganisaties van wettelijke bepalingen worden vrijgesteld. Kan de Kamer hierover geïnformeerd blijven?
Mevrouw Noorman vindt de Stimuleringsregeling sociale activering een groot succes. Er is sprake van veel nieuw beleid, nieuwe samenwerkingsverbanden en verbeterde samenwerking met welzijnsinstellingen. De vraag is echter wat hiervan zal overblijven als de gemeenten worden gekort op hun middelen en als de vrijwilligersorganisaties en welzijnsorganisaties hun subsidie kwijtraken. Hoe garanderen de bewindslieden dat de sociale infrastructuur en sociale activering in stand worden gehouden? De geplande bezuinigingen zijn naar de mening van mevrouw Noorman de bijl aan de wortel van de sociale infrastructuur.
Mevrouw Noorman mist een overzicht van het bereik van sociale activering onder inactieven. Wordt verder onderzoek gedaan dat voortborduurt op eerdere experimenten? Is door de UWV een poging gedaan om invulling te geven aan de wettelijk voorgeschreven taak van de sociale activering? Is bij de UWV kennis beschikbaar over sociale activering van WAO'ers? Welke onkostenvergoeding mogen mensen naast de uitkering ontvangen? Kan de minister de Kamer daarover informeren? Het onderzoek naar de sluitende keten tussen de gemeente en de zorginstellingen is belangrijk. Wil de regering ook een onderzoek doen naar de sluitende keten tussen de UWV en WAJONG en in verband met de dak- en thuislozenproblematiek en de WAO?
De heer Bruls (CDA) constateert dat maatwerk bij de uitvoering van de sociale zekerheid tot goede resultaten kan leiden. Het gaat om mensen, niet om structuren. Het is goed dat er steeds meer experimenteermogelijkheden komen op de Wet SUWI. Belangrijk is dat werkzoekenden zo snel en zo duurzaam mogelijk aan het werk komen. Experimenten kunnen daarbij van belang zijn.
Het verbaast de heer Bruls dat de regering niets ziet in het persoonsgebonden reïntegratiebudget, omdat er goede ervaringen mee zijn. Cijfermatig zijn er geen grote verschillen tussen het onderzoek van de regering en dat van de Raad voor Werk en Inkomen, maar de conclusies zijn totaal anders. De cliëntenorganisaties en vakbeweging hebben terecht de vraag gesteld of de ervaringen inderdaad zo slecht zijn. De heer Bruls is er niet helemaal van overtuigd dat de aanpak van de UWV op dit moment tot veel betere resultaten leidt. Hebben de experimenten met het persoonsgebonden reïntegratiebudget wel lang genoeg geduurd? Is genoeg ervaring opgedaan om nu al te kunnen zeggen dat er geen landelijke regeling moet komen en om ermee te stoppen? Waarom nam de staatssecretaris in het debat over de Wet werk en bijstand nadrukkelijk afstand van het persoonsgebonden reïntegratiebudget? Heeft dit te maken met de vaak wat centralistische en bureaucratische benadering van de UWV, die het lastig maakt om op deze manier met zaken om te gaan? Het is niet zo dat cliënten een zak geld mee krijgen en zich daarna nooit meer laten zien. UWV beoordeelt in laatste instantie of een reïntegratieplan van een werkzoekende daadwerkelijk een gerichte toeleiding naar de arbeidsmarkt kan betekenen. De RWI geeft zelfs aan dat met het budget voor een regulier traject ook een PRB kan worden opgezet. Dat is een heel andere stelling dan die van de minister, die zegt dat het veel duurder is. De heer Bruls bepleit om de experimenten voort te zetten. De gemeenten hebben de mogelijkheid om dit instrument in te zetten en cliënten meer inspraak te geven over hun reïntegratie. Voor UWV zou iets dergelijks ook geregeld moeten worden. In de SUWI-keten moet het veel sneller kunnen. In theorie is er misschien veel keuzevrijheid voor de cliënt, maar in de praktijk is het anders.
De heer Bruls verwacht dat de instelling van een werkherkansingsadviseur de bureaucratie bij de UWV zal vergroten, terwijl de kern van het probleem al de centralistische bureaucratie van de UWV is. Die maakt het moeilijk om echt met cliëntenwensen om te gaan.
De heer Bruls verwijst naar een eerder algemeen overleg, waarin is gevraagd of er voor de UWV een budgetteringssystematiek zou kunnen komen. De minister heeft toen terecht erop gewezen, dat gemeenten uit de algemene middelen een budget krijgen en dat het bij UWV om premiegelden gaat. Budgettering zou voor UWV echter een stimulans kunnen zijn om creatiever en flexibeler met instrumenten om te gaan.
Uit de evaluatie van de sluitende aanpak WW blijkt dat minder dan de helft van de cliënten die binnen een jaar een traject hadden moeten krijgen, daadwerkelijk een traject hebben gekregen. Wat is de oorzaak daarvan? Hoe gaat de minister c.q. de UWV dit verbeteren?
De heer Bruls is het niet eens met het voornemen van de minister om met de kleine WW-experimenten te stoppen. Als men de UWV meer ruimte wil geven, moeten ook de experimenteermogelijkheden blijven bestaan. Is de oorzaak van het kleine aantal gegadigden niet dat te weinig mensen wisten over de experimenten?
De Stimuleringsregeling sociale activering wordt niet verlengd, omdat de gemeenten met de Wet werk en bijstand volop de mogelijkheid hebben om dit instrument in te zetten. De gemeenten die er positieve ervaringen mee hebben, zullen dat ook doen. De gemeenten die niet zo overtuigd zijn van het nut van dit instrument, zullen voor effectievere middelen kiezen. De heer Bruls constateert dat sprake moet zijn van openheid, flexibiliteit en ruimte voor maatwerk voor individuen. Instrumenten moeten geen doel worden.
De heer Weekers (VVD) constateert dat het kabinetsbesluit van 27 juni over het persoonsgebonden reïntegratiebudget de klok terugdraait in de richting van centralistisch denken en collectieve regelingen, terwijl het beleid van dit kabinet juist is gericht op de eigen verantwoordelijkheid van de burger.
De heer Weekers constateert dat de conclusie dat in termen van duurzame werkhervatting PRB-trajecten achterlopen bij de reguliere trajecten, dat de kosten van een PRB-traject het drievoudige bedragen van een regulier traject en dat de gemiddelde duur van een PRB-traject langer is dan van een regulier traject, niet strookt met bestaande onderzoeksgegevens en de onderzoeksresultaten van het departement zelf. Hoe komt het departement op het slagingspercentage van 26? Meer dan de helft van de PRB-trajecten is nog niet afgerond. Het percentage van 35 voor het aantal trajecten dat heeft geleid tot een duurzame werkhervatting, gerelateerd aan de trajecten die zijn afgerond, is meer in overeenstemming met de recente onderzoeken van de RWI. De heer Weekers heeft de indruk dat het kabinet te veel naar negatieve eindconclusies toe heeft geredeneerd. Hij is ervan overtuigd dat het instrument PRB de cliënt keuzevrijheid geeft en de UWV en de reïntegratiebedrijven een prikkel tot klantvriendelijkheid. De mogelijkheid om zelf een traject samen te stellen en in te kopen kan juist leiden tot meer en betere marktwerking.
De heer Weekers verzoekt het kabinet om het besluit van 27 juni te heroverwegen en om het instrument PRB handhaven; niet alleen in de experimenteerregio's, maar in het gehele land. De vraag is wel hoe het verder moet. Aan het instrument PRB moet misschien geschaafd worden, want het mag uiteindelijk niet duurder worden. De heer Weekers is ervan overtuigd dat met dit instrument meer en betere integratie mogelijk is dan wanneer het volledig wordt afgeschaft. De eindverantwoordelijkheid moet ook bij de UWV blijven liggen. De UWV zal moeten toetsen of de cliënt een effectief en efficiënt traject voorstelt. Aan de cliënt moet voorlichting worden gegeven dat deze mogelijkheid bestaat. Misschien kan een parallel worden getrokken met de toezegging van de staatssecretaris in het debat over de Wet werk en bijstand. Hij heeft gezegd dat het PRB overal mogelijk is en moet zijn. Hij zou het op een positief-kritische manier volgen en waar goede resultaten worden bereikt, zou hij daarover communiceren met de diverse gemeenten. Zo zou het ook met de UWV kunnen. De heer Weekers gaat ervan uit dat de minister op korte termijn met voorstellen naar de Kamer zal komen.
De vraag is vervolgens of het PRB beperkt moet blijven tot de arbeidsongeschiktheidsregelingen of dat het moet worden doorgetrokken naar de WW-regelingen. De verhalen zijn bekend van mensen die op grond van de nieuwe criteria sneller uit de WAO of WAZ worden gezet en vervolgens in een WW-regeling komen. Voor bepaalde faciliteiten kunnen zij teruggrijpen op hun oorspronkelijke indicatie als arbeidsongeschikte, maar van andere faciliteiten kunnen zij geen gebruik meer maken. De heer Weekers constateert dat het er bij reïntegratie niet om gaat onder welke regeling iemand valt, maar hoe iemand op de meest creatieve, efficiënte en effectieve manier naar werk wordt geleid.
Wat de experimenten WW betreft denkt de minister aan een algemeen experimenteerartikel in de wet, vergelijkbaar met de ruime mogelijkheden die de Wet werk en bijstand biedt. Dat biedt de mogelijkheid om het PRB in de uitvoering van de WW en WAJONG te introduceren, om de experimenten die de minister wil stopzetten, weer mogelijk te maken en om maatwerk te verrichten. Wanneer kan de Kamer een voorstel voor een wetswijziging verwachten?
Bij de huidige trajecten moet er volgens de minister meer maatwerk zijn. De heer Weekers constateert dat op dit moment niet iedereen tevreden is. Opleiding en scholing zijn redelijk geregeld, maar voor het laatste duwtje in de richting van de arbeidsmarkt moet meer aandacht zijn. Het reïntegratiebedrijf doet belangrijk werk, maar vervolgens komen cliënten terecht bij iemand van de UWV die potentiële werkgevers op bepaalde zaken zou moeten wijzen. De heer Weekers hoort dat het nogal bureaucratisch werkt en dat het verwijsgedrag ook beter moet. In de uitvoering kan nog veel verbeterd worden. De minister geeft aan dat hij zaken wil verbeteren, maar de heer Weekers wil zien dat het in de praktijk werkt.
De Stimuleringsregeling sociale activering heeft ertoe geleid dat gemeenten op tal van terreinen beleid hebben ontwikkeld. Welk effect heeft dit echter op de sociale activering zelf? De structuur is op een aantal punten verbeterd, maar is het tot nu toe niet te veel gebleven bij welzijnsinstellingen en gemeentelijke instellingen die veel beter zijn gaan samenwerken?
Het heeft de heer Weekers teleurgesteld dat de staatssecretaris niets schrijft over de kritische succesfactoren bij het weer naar de arbeidsmarkt toe leiden van de doelgroep met een complexe problematiek. Hij schrijft dat er een onderzoek loopt en dat in de loop van 2004 de Kamer hierover bericht krijgt. Waarom duurt het zo lang? Nu de Wet werk en bijstand het systeem verandert, moet er extra aandacht zijn voor deze doelgroep en kan de staatssecretaris niet langer wachten met alternatieven voor deze groep.
De heer Bakker (D66) concludeert uit de brief dat de minister geen actieve rol van de cliënt bij reïntegratie wil, want hij wil het PRB afschaffen. Er zijn interviews gehouden met medewerkers van de UWV, gemeenten en reïntegratiebedrijven, maar de cliënten zijn pas in de expertmeeting gehoord. Aan degenen die er geen belang bij hebben dat er persoonsgebonden reïntegratiebudgetten komen, is gevraagd of er persoonsgebonden reïntegratiebudgetten moeten zijn. Logischerwijs is dan de conclusie dat het PRB verstorend werkt op het aanbestedingsvolume van de UWV. De heer Bakker vindt dat de mensen die er goede ervaringen mee hebben en die er wel voorstander van zijn, aan het woord moeten komen in plaats van de UWV, tegenwoordig ook wel aangeduid als «de firma Uitstellen, Wachten en Verwijzen».
De heer Bakker constateert dat de onderzoeken methodisch niet kloppen. De conclusies zijn gebaseerd op een evaluatierapport uit 2001, toen nog geen gemiddelde duur van de trajecten was vast te stellen. Toch zegt SZW dat twee tot vier jaar regelmatig voorkomt. Uit recent onderzoek blijkt dat de PRB-trajecten gemiddeld een jaar en drie maanden duren. Vergeleken met cijfers over de gemiddelde duur van reguliere trajecten, blijken PRB-trajecten gemiddeld drie maanden korter te duren. Dat is opvallend, omdat in het persoonsgebonden reïntegratietraject veel meer volledig arbeidsongeschikten voorkomen dan in het reguliere traject. Juist bij volledig arbeidsongeschikten zijn langduriger trajecten te verwachten. Vervolgens heeft het ministerie bij de PRB-bedragen scholingskosten meegerekend en is de regeling intussen aangepast, waardoor in principe alleen nog trajecten met een maximale looptijd van een jaar kunnen worden aangevraagd. Ook de definitie van het ministerie c.q. het RWI c.q. de UWV van duurzame werkhervatting blijkt te verschillen. Met het oog op de eigen verantwoordelijkheid die mensen moeten dragen, is de heer Bakker niet blij met de conclusie. De minister lijkt te kiezen voor voortzetting van de bestaande bureaucratie met een ingeslepen intake-, verwijs- en wachtcultuur. De heer Bakker wil dat het PRB blijft bestaan; niet als experiment, maar structureel en in het gehele land.
Het lijkt de heer Bakker een goede zaak om een experimenteerartikel in de wet op te nemen ten behoeve van de flexibiliteit.
De sluitende aanpak wordt gehandhaafd, maar de evaluatie ervan roept wel een aantal vragen op. Binnen een jaar is 93% van de cliënten uitgestroomd of heeft een traject aangeboden gekregen. In de doelgroep sluitende aanpak stroomt 86% binnen een jaar uit al dan niet na het volgen van een traject; 7% is na een jaar nog werkloos, maar volgt een traject; 7% is na een jaar nog werkloos, maar heeft geen traject aangeboden gekregen en ten slotte heeft minder dan de helft van de cliënten die binnen een jaar een traject aangeboden hadden moeten krijgen, dat ook gekregen. Hoe sluitend en hoe effectief is die aanpak dan? Hoeveel procent van de 86% uitstroom heeft eigenlijk een traject gevolgd?
Op experimentele basis is geprobeerd om de uitkeringsduur van personen die een traject hebben gekregen, te vergelijken met een controlegroep van mensen die geen traject hebben gekregen. Volgens de brief valt aan het onderzoek alleen richtinggevende informatie te ontlenen. De heer Bakker leidt uit de voorzichtige formulering in de brief af dat de experimentele analyse zou kunnen leiden tot de conclusie dat de uitkeringsduur van mensen die een traject volgen, niet significant korter is dan de uitkeringsduur van mensen zonder een traject. Wanneer komt de minister met meer specifieke cijfers?
Van de kleine WW-experimenten worden sommige voortgezet en andere beëindigd. De reïntegratietrajecten voor herhaal-werklozen lopen af, omdat de doelgroep moeilijk bereikbaar is. Moet niet juist geprobeerd worden om die doelgroep te bereiken? De inkomstenkorting voor WW-gerechtigden die starten als zelfstandigen loopt in maart 2005 af, omdat het te ingewikkeld is. De scholingsexperimenten eindigen in augustus 2004, omdat ook zij te ingewikkeld zijn. Misschien moeten de regelingen juist vereenvoudigd worden in plaats van ze af te schaffen.
De heer Bakker constateert dat de eenmalige subsidie van 40 mln gulden voor sociale activering goed heeft gewerkt. Het gehele werkveld is geactiveerd, maar de vraag is wat dit heeft opgeleverd aan sociale activering van de mensen waarop de regeling was gericht. Om hoeveel mensen ging het in 1999 en om hoeveel mensen gaat het nu? Met sociale activering kunnen moeilijk te bemiddelen mensen bereikt worden. Is dit aantal groter geworden of zijn de gemeenten vooral bezig geweest met het opzetten van een infrastructuur?
De minister bestrijdt dat de mensen bij de UWV alleen willen werken volgens regels vanuit Den Haag en niet bezig zijn met de belangen van cliënten. UWV staat voor Uitvoering werknemersverzekeringen en de parafrase van de minister is «U-turn, Werken gaat Voor». De U-turn is die van de uitkeringssituatie terug naar de arbeidsmarkt en de filosofie daarbij is «werken gaat voor». De organisatie is bezig om daar naartoe te werken. De rapporten tonen ook een opgaande lijn. Dat neemt echter niet weg dat niet alle cliënten tevreden zijn.
De minister wijst erop dat het PRB niet bij wet is geregeld, maar dat in de wet is geregeld dat in een AMvB het PRB moet worden vormgegeven. De uitvoering van de wet moet niet simpelweg leiden tot het introduceren van een wettelijk recht op een persoonsgebonden reïntegratiebudget. De wet verplicht om een vorm te geven aan hetgeen de wetgever heeft bedoeld, toen is gesteld dat het PRB bij AMvB zou moeten worden uitgewerkt.
De filosofie van het kabinet is «werken gaat voor». Daarbij is de eigen verantwoordelijkheid van cliënten van groot belang, maar ook van belang is dat in de uitvoering veel meer dan vroeger wordt geïnvesteerd in het begeleiden van mensen naar werk toe. Het is niet verstandig om iedereen een bedrag mee te geven, want de mensen die het niet nodig hebben krijgen dan te veel en de mensen die het wel nodig hebben, te weinig. Er is veel expertise opgedaan. Ervaringen in het buitenland geven aan dat het verstandig is om vanuit een model van centrale financiering geld vrij te maken voor reïntegratie.
Voor de reïntegratie krijgen de gemeenten geld van de overheid dat zij naar eigen inzicht kunnen besteden, maar wel met het oog op het belang van de cliënt. De gemeente is gebonden aan het belang van de cliënt, want zij heeft ook het financieringsrisico voor de bijstand. Deze parallel kan niet worden getrokken met de UWV. De UWV is geen democratisch instituut in zichzelf, maar werkt in opdracht van de minister. De minister legt daarover verantwoording af in de Kamer. Met de UWV worden wel prestatieafspraken gemaakt over een sluitende aanpak en de resultaten van de reïntegratietrajecten. De UWV vertaalt dat weer in de inkoop. Deze sturing, waarbij UWV van alles mag en ook afspraken mag maken met mensen over persoonlijke reïntegratiebudgetten, is echter niet het punt van discussie. De discussie gaat volgens de minister over de vraag of mensen een persoonlijk recht moeten hebben om onder bepaalde voorwaarden over hun eigen lot te beschikken en reïntegratietrajecten in te kopen.
Onderzoeken op dit gebied laten verschillende uitkomsten zien. Die onderzoeken hebben echter wel betrekking op een diverse doelgroep, zijn verricht over een vrij lange tijd en op kleine schaal. De cijfers over exacte werkhervatting zijn bij SZW 36% en bij de RWI 37% en de cijfers over duurzame werkhervatting zijn bij SZW 26%, bij de RWI 22% en bij de UWV 33%. De minister antwoordt desgevraagd dat hij niet overtuigd is van de onjuistheid van de cijfers.
De minister is van mening dat dit verschil in resultaten geen reden is om ten principale vast te houden aan het besluit om met het PRB te stoppen. Het moet mogelijk zijn om het verschil te vertalen in een randvoorwaarde voor inspraak van cliënten bij het vormgeven van een PRB. Gehoord hebbende de Kamer en vanwege de wetsgeschiedenis SUWI, is de minister bereid te overwegen om toch een PRB te handhaven. Hij denkt aan een PRB, waarbij de UWV op basis van de indicatie van de persoon een maximumbudget bepaalt, vervolgens toetst of het traject binnen de bandbreedte van het budget blijft en of met het traject dezelfde kans van slagen kan worden overeengekomen met het betrokken reïntegratiebedrijf. De Kamer heeft nadrukkelijk gekozen voor een route van afspraken maken en geld besteden onder de conditie van resultaatfinanciering. Het criterium van resultaatverplichting is belangrijk en maakt een essentieel verschil met de voorstellen en experimenten voor het PRB tot nu toe. De minister zal een voorstel hierover aan de Kamer doen toekomen.
De minister realiseert zich dat men kan tegenwerpen dat dit in wezen betekent dat iemand is gebonden aan de randvoorwaarde die de UWV stelt en dat het dus geen PRB is. Het gaat echter om de mogelijkheid voor cliënten om bij een ander reïntegratiebedrijf dan een reïntegratiebedrijf dat de UWV al heeft gecontracteerd, een vergelijkbaar contract af te sluiten en dat voor te leggen aan de UWV. Als de UWV met dat bedrijf al resultaatafspraken heeft, is het natuurlijk gemakkelijk. Als een bedrijf nog niet op de lijst van de UWV voorkomt, mag dit ten principale geen weigeringsgrond zijn. Dan moet bekeken worden of met het bedrijf dezelfde resultaatverplichtingen zijn af te spreken. Als een bedrijf weigert afspraken te maken, kan de cliënt niet meer kiezen voor dat bedrijf omdat dan aan het criterium van resultaatfinanciering niet wordt voldaan. In plaats van een PRB kan het ook een individueel reïntegratiecontract of opting out worden genoemd. Het gaat echter niet om de naam. De minister wil met deze toevoeging van de toets op resultaatfinanciering een mogelijkheid bieden.
De minister antwoordt desgevraagd dat resultaatfinanciering met succesratio's alleen mogelijk is bij meer dan één contract. Als in één contract met één enkel bedrijf wordt afgesproken dat de kans op resultaat 50% moet zijn, is dat een niet-toetsbare afspraak. Als een cliënt een reïntegratietraject kan volgen bij een bedrijf, moet de vraag zijn of het bedrijf, als er andere UWV-cliënten komen, voor het totale aantal cliënten de succesratio kan boeken. Je kunt niet in een individueel contract een afspraak maken over een garantie voor het behalen van resultaat, wel over financiering op basis van behaalresultaat. Het aspect van resultaatfinanciering moet kunnen worden meegewogen in de finale toets.
De minister constateert dat het in deze opzet mogelijk blijft om bij verschillende disciplines in te kopen of een gecombineerde reeks van producten in te kopen. Het criterium is dat bij het toekennen van een persoonsgebonden reïntegratiebudget de slaagkans gelijkwaardig is aan die via één van de grotere contracten van de UWV. De minister zal de Kamer hierover schriftelijk informeren.
Gewezen op het feit dat de cijfers omstreden zijn en daarbij dynamisch, verwijst de minister naar de brief van de Raad voor Werk en Inkomen. Daaruit blijkt dat ten tijde van het onderzoek 37%, 72 cliënten, het werk heeft hervat. 72% daarvan, ongeveer 50 cliënten, heeft langer dan zes maanden het werk hervat. Het gaat dus om een klein aantal mensen. De vraag is ook welke invloed de cliënt zelf daarop heeft gehad. In hoeverre zijn de voorlopers in het experiment slachtoffer geworden van het feit dat nog niet alles draaide? In hoeverre hebben zij geprofiteerd van het feit dat zij voorloper waren en bulkten van persoonlijke energie? In de toekomst zal over duizenden of tienduizenden gevallen moeten worden gemeten of het werkt. De minister is bereid om de Kamer een schriftelijke verantwoording te doen toekomen, maar de conclusie zal zijn dat het aantal gegevens betrekkelijk gering was en dat er geen vérstrekkende conclusies aan kunnen worden verbonden. Het is wel van belang om hiermee in de toekomst door te gaan en dat Kamer en de regering het eens worden over de condities waaronder. Enerzijds moet je het eigen initiatief van mensen bij het vormgeven van het persoonsgebonden reïntegratiebudget benutten; anderzijds moet je met macrogeld en begeleiding op een goede manier naar resultaten sturen.
De minister komt in zijn voorstel tegemoet aan de bezwaren vanwege het verschil in resultaat en de meerkosten. Hij geeft de voorkeur aan een ministeriële regeling, omdat duidelijk moet zijn dat het werkt voordat het in de wet wordt opgenomen. De Kamer kan beoordelen of de ministeriële regeling beantwoordt aan haar wensen over de vormgeving. Als de regeling blijkt te voldoen, kan later bekeken worden of het verstandig is om het op te nemen in de wet.
De minister wil een algemeen experimenteerartikel in de WW opnemen, maar niet in de zin dat «het iemand vrij staat om te experimenteren». Dergelijke formuleringen zijn bij de Raad van State eerder gesneuveld. Te denken valt aan een formulering zoals opgenomen in de Wet werk en bijstand, gericht op het innovatieve aspect van experimenten en op het scheppen van ruimte voor vormen van reïntegratie die in de wet niet zijn voorzien. Hiermee wordt voorkomen dat de werkzoekenden onder de verschillende uitkeringsregimes in de uitvoering met een verschillende graad van vrijheid te maken hebben. De minister zal tijdig een voorstel doen, zodat het artikel uiterlijk op 1 juli 2004 in werking kan treden.
De minister bekijkt op dit moment of het mogelijk is om de werkherkansingsadviseur functioneel onafhankelijk vorm te geven zonder direct een nieuwe organisatie op te zetten. De werkherkansingsadviseur moet dienen als een klankbord wanneer mensen twijfels hebben over het juiste pad. Desgevraagd antwoordt de minister dat de vraag om een werkherkansingsadviseur niet zozeer voortvloeit uit de kwaliteit in de dienstverlening als wel uit het vertrouwensaspect. Mensen zijn bang dat het consequenties kan hebben voor hun rechtspositie als zij bepaalde dingen vertellen aan degene die een beoordelende macht heeft. Daarom is er behoefte aan een onafhankelijk functionerende persoon. Desgevraagd kan de minister zich geen toezegging herinneren in verband met het debat over de Wet SUWI, waarbij is voorzien in een inlichtingenloket in een bedrijfsverzamelgebouw. De minister hoopt in het najaar van 2003 tot een conclusie te komen en de Kamer daarover te informeren.
Ter zake van de 2% van de te integreren WAO- en WW-populatie die in aanmerking zou komen voor een PRB en de geleidelijke verhoging van dat percentage, verwijst de minister naar het voorstel dat hij zojuist heeft gedaan. Het lijkt hem goed om te bekijken hoe het aantal zich zal ontwikkelen bij die werkwijze. Er moet in elk geval voldoende voorlichting worden gegeven zodat een substantieel aantal mensen deelneemt aan de regeling. De minister is echter niet bereid een concreet cijfer te noemen.
In de werkafspraken voor 2004 zitten naar de mening van de minister voldoende prikkels voor de UWV om resultaten te behalen. Uitgangspunt is in de WW een sluitende aanpak van 95%, in 85% van de gevallen binnen vier weken een reïntegratietraject aanbieden en een resultaatfinanciering die 50% duurzame uitstroom oplevert. Deze afspraken worden doorvertaald in de afspraken van de UWV met de reïntegratiebedrijven.
De staatssecretaris wijst op artikel 6 van de Wet werk en bijstand, waarin staat dat sociale activering is het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie. Daarmee is dus ook financiering uit het zelfstandige werkdeel mogelijk. In de nieuwe structuur van de Wet werk en bijstand is het naar zijn mening goed geborgd.
Op de vraag of de Stimuleringsregeling sociale activering ook heeft geleid tot activering van mensen met een uitkering, naast activering van de mensen die werken aan sociale activering, antwoordt de staatssecretaris dat met deze regeling vooral is nagegaan of het instrument van sociale activering beter is geborgd in de gemeentelijke uitvoering. De staatssecretaris sluit zich wat dat betreft aan bij positieve opmerkingen over de gemeenten. Voor de regeling is niet gekeken of het heeft geleid tot het activeren van grote aantallen mensen. Eerder zijn in een onderzoek 35 experimenten met 10 000 deelnemers specifiek bekeken. Gebleken is dat 61% van de deelnemers het experiment heeft verlaten. 16% is uitgestroomd naar gesubsidieerd of regulier betaald werk, 17% is uitgestroomd naar een opleiding, naar vrijwilligerswerk of naar een stage, 22% is uitgevallen en 6% heeft om andere redenen het experiment verlaten. Bij deze 10 000 deelnemers blijkt de uitstroom naar werk duurzaam te zijn: 88% van de ex-deelnemers met betaald werk behoudt dit werk ook. Ook de positieve effecten op het welbevinden blijken duurzaam te zijn.
De vraag of het in het verleden is gemeten en of het in de toekomst zal worden gemeten, beantwoordt de staatssecretaris negatief. Er is ooit een poging gedaan in de Monitor scholing en activering om dit specifiek te meten. Dat is niet goed gelukt, omdat tegelijkertijd de vraag werd gesteld of sociale activering niet tegelijkertijd een eerste trede is op weg naar reïntegratie. In de toekomst zal het zeker niet worden gemeten. Bij de behandeling van de Wet werk en bijstand heeft de Kamer uitgesproken dat voorkomen moet worden dat meer wordt gemeten dan noodzakelijk. De aanleiding voor de regeling is ook niet strikt gelegen in de cijfers. Eind jaren negentig begonnen steeds meer gemeenten met de reïntegratieladder. Omdat die goed leek te werken, is bekeken of dit niet op grotere schaal moest gebeuren en of het bredere welzijnsveld erbij moest worden betrokkenen. Intussen is dit een redelijk geborgd onderdeel geworden van het gemeentelijke reïntegratie-instrumentarium.
De staatssecretaris antwoordt desgevraagd dat hij ervoor terugschrikt om te meten op niveau van het specifieke instrument. Dat leidt tot ontzettend veel administratieve lasten. De vraag is ook of de gemeenten sociale activering op dezelfde manier lezen. Het is relevant om vast te stellen of het brede instrumentarium werkt, maar niet of het specifieke instrument van de sociale activering op de juiste wijze door een gemeente wordt toegepast. Dat zou haaks staan op de doelstelling van de Wet werk en bijstand. Over de opzet van de evaluatie van de wet zal nog worden gesproken. Nu de wet nog zo vers is, lijkt het hem niet verstandig om al op instrumentniveau te bekijken hoe het werkt.
Het onderzoek naar de kritische succesfactoren voor de doelgroep met een complexe problematiek duurt lang, omdat het een relatief nieuw werkveld is. Het kost tijd om de concrete en goede voorbeelden te vinden. De staatssecretaris voelt wel de noodzaak om de aandacht voor deze groep vast te houden. Er is veel gebeurd. Er zijn handreikingen met goede voorbeelden verspreid. Er zijn expertmeetings geweest, evenals experimenten in het kader van de Agenda voor de Toekomst. De inventarisatie is gaande en begin 2004 zullen de resultaten ervan zichtbaar worden. Daarna worden de resultaten zo snel mogelijk verspreid. Het interdepartementale beleidsonderzoek maatschappelijke opvang komt in oktober beschikbaar en daaruit zal blijken welke extra beleidsinzet van het kabinet verwacht mag worden voor deze groep.
De staatssecretaris erkent dat de bezuinigingen op de bijzondere bijstand en de reïntegratiemiddelen inderdaad fors zijn, maar met alle flankerende maatregelen zijn ze goed op te vangen voor de gemeenten. Door de grotere beleidsvrijheid en door de grotere aandacht voor uitstroom van Melkertbanen naar reguliere banen zijn de bezuinigingen goed op te vangen zonder gedwongen ontslagen en zonder verlies aan inzet van instrumenten door gemeenten om mensen aan de slag te helpen. Tegenover de bezuinigingen op de bijzondere bijstand staan zaken als de langdurigheidstoeslag, die inmiddels bijna evenveel kost als de bezuinigingen op de bijzondere bijstand ten gevolge van de beëindiging van de categoriale bijzondere bijstand. Daarbij komt dat de afgelopen jaren het budget ook fors was opgelopen gezien het aantal bijstandsgerechtigden.
De UWV is verantwoordelijk voor de financiering van de reïntegratie van de WW'ers en WAO'ers. Gemeenten nemen vaak het initiatief om iemand in de WW of WAO in een sociaal activeringstraject te krijgen, maar daartoe moet eerst overleg worden gevoerd met de UWV. Zo wordt voorkomen dat tegelijkertijd verschillende trajecten worden ingezet. Dit is ook wettelijk geregeld; voor de WAO in artikel 43 van de Wet REA en voor de WW in artikel 73 van de WW en de financiering in de artikelen 93 en 97 van de WW. Voor de WW is er voor 2003 een budget aan gekoppeld van 11 mln euro. Bij een dreigende overschrijding kan een aanvullend budget worden vastgesteld.
De UWV kan sociale activering inkopen bij gemeenten, maar ook bij private bedrijven. In het bestek aanbesteding UWV is expliciet ruimte gereserveerd voor een wijkgerichte benadering, waarvan sociale activering onderdeel kan uitmaken. De samenwerking tussen de UWV en gemeenten is in deze keten uitermate belangrijk. Daarom heeft UWV in haar beleid ook sociale activering opgenomen. UWV, gemeente en CWI maken diverse afspraken in hun serviceniveau-overeenkomsten. Door SZW is ook subsidie toegekend aan de VNG om de kerntaken van het Informatie- en Servicepunt Sociale Activering (ISSA) voort te zetten. Dit specifiek thema zal daarbij aandacht krijgen.
Uit de eerste gegevens van de UWV over de inzet sociale activering blijkt dat deze in 2002 172 keer is ingezet. Daarbij ging het vooral om mensen in fase IV in de WAO en de WAJONG. De aard van de trajecten bestaat onder andere uit vrijwilligerswerk en dagbesteding, gecombineerd met arbeid en scholing. De beoogde duur van de trajecten is meestal een jaar.
De staatssecretaris vindt de combinatie van reïntegratie en zorg een belangrijk thema. Uit de inventarisatie van het ISSA bleek dat er knelpunten zijn. Vooral op het terrein van zorg zijn er knelpunten in de samenwerking. Op dit moment wordt daaraan veel gedaan. Er is een eerste handreiking van ISSA over dit onderwerp gepubliceerd. De bestaande initiatieven zijn geïnventariseerd. De staatssecretaris verwijst naar zijn brief van 3 december aan de Kamer. Bekeken moet worden welke kritische succesfactoren voor de moeilijkst bereikbare groepen het best kunnen worden ingezet. Er zijn veel expertmeetings over reïntegratie en zorg met grote aantallen actoren uit het veld. Er worden experimenten gedaan in reïntegratie en zorg op grond van de Agenda voor de Toekomst. Er is ten slotte een subsidie van het ministerie voor het initiatief van het NIZW (Nederlands Instituut voor zorg en welzijn) op het gebied van sociale activering met zorg. De staatssecretaris is van mening dat deze initiatieven voorlopig voldoende zijn om een inzicht te krijgen in wat wel werkt en wat niet. Begin volgend jaar wil de staatssecretaris met een overzicht van de kritische succesfactoren komen.
Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA) is er niet van overtuigd dat het voorstel van de minister voor een PRB voldoende is. Zij zal haar oordeel opschorten totdat de minister het voorstel schriftelijk aan de Kamer heeft doen toekomen. Het is wel belangrijk dat dit alles snel gebeurt. Zij hoopt dat de bestaande experimenten tot 1 juli 2004 worden voortgezet, omdat anders de infrastructuur, kennis en expertise die ermee is opgebouwd, verloren gaat.
Wil de minister in de verantwoording die hij naar de Kamer stuurt, meer duidelijkheid geven over de huidige experimenten persoonsgebonden reïntegratiebudget, de bevoegdheden en ruimte daarin, de prijs en de geactualiseerde resultaten? Wil hij daarin ook aangeven in welke mate dit afwijkt van het voorstel dat hij wil doen? Kan hij dat ook afzetten tegen hetgeen de UWV doet en de criteria die de UWV hanteert?
Mevrouw Noorman constateert dat de minister er goed aan zou doen om het rapport-Bosselaar, paragraaf 4.8.2, nog eens goed te lezen en om vervolgens met de Kamer daarover te communiceren.
Wil men de effecten kunnen meten, dan zal er een nulmeting moeten zijn. Over de feiten voor die nulmeting zal men het ook eens moeten zijn. Men kan dan vervolgens discussiëren over de weging en het oordeel over de feiten.
Mevrouw Noorman blijft met de staatssecretaris van mening verschillen over de gevolgen voor de gemeenten van de bezuinigingen op het werkdeel en op de bijzondere bijstand. De gemeenten weten niet wat zij nog overeind kunnen houden van het instrumentarium. De staatssecretaris zou er eens naartoe moeten gaan.
Mevrouw Noorman constateert dat de initiatieven op het gebied van sociale activering een druppel zijn op een gloeiende plaat. Zij stelt voor dat de regering in de SUWI-rapportage over grote projecten ingaat op deze wettelijke regelingen die nog niet volledig zijn geïmplementeerd, zodat de Kamer drie keer per jaar informatie krijgt over de stand van zaken.
De heer Bruls (CDA) wil het schriftelijke voorstel van de minister over het persoonsgebonden reïntegratiebudget afwachten, zodat hij zich een goed oordeel erover kan vormen. Hij vindt het wel van belang dat in de tussentijd de experimenten worden voortgezet.
Wat de WW-experimenten betreft hoort de heer Bruls graag of experimenten zoals het Terneuzenmodel, waarbij mensen preventief naar een andere baan worden geleid als het er slecht begint uit te zien, nog mogelijk zijn. Of is dit uitgesloten, omdat het project preventieve inzet van een reïntegratietraject vanwege de tegenvallende resultaten wordt stopgezet? Kan de minister meer duidelijkheid geven over het experimenteerartikel?
Het lijkt de heer Bruls nuttig om van gedachten te wisselen over de werkwijze van de UWV. Hij sluit zich aan bij de opmerkingen van de minister over de kwaliteit van de werknemers, maar hij blijft van mening dat het systeem de flexibiliteit niet stimuleert. Als altijd heel flexibel en heel goed wordt meegedacht met de cliënten, zou een persoonsgebonden reïntegratiebudget niet nodig zijn. De uiteindelijke beslissing over een traject moet wel bij de UWV liggen. Veel discussie hier heeft echter te maken met onvrede over het regionaal meedenken van de UWV, die wordt gevoeld bij veel gemeenten en cliënten en zelfs bij CWI's. De vraag blijft of budgettering een intrinsieke prikkel aan de UWV kan geven, waar met prestatieafspraken een prikkel van buitenaf wordt opgelegd.
De heer Weekers (VVD) sluit zich aan bij de opmerking van de minister dat aan de evaluatie geen vérstrekkende conclusies kunnen worden verbonden, maar constateert dat het kabinet dat in juni wel heeft gedaan. Hij spreekt de hoop uit dat het kabinet voortaan wat zorgvuldiger omgaat met dergelijke experimenten. De heer Weekers wacht het schriftelijke voorstel van de minister af en verwacht dat de minister daarin rekening houdt met de wensen van de Kamer.
De heer Weekers vindt het prima dat de minister de succesratio en de resultaatverplichting in de ministeriële regeling wil opnemen. Een PRB moet ook niet automatisch worden toegekend; de UWV moet het laatste woord hebben bij de toekenning van een PRB, zeker in dit stadium. De mogelijkheden van besteding van het PRB moeten echter niet bij voorbaat door bureaucratische regels worden ingeperkt. Een gemotiveerde cliënt moet zelf zijn pakket kunnen samenstellen en bij meer disciplines kunnen winkelen. Dat zal de creativiteit in het veld en de marktwerking bevorderen. De cliënt die een PRB wordt geweigerd, moet ook de mogelijkheid hebben om bezwaar aan te tekenen of een soort van second opinion te vragen. De heer Weekers verzoekt de minister om in de ministeriële regeling ook aandacht te besteden aan de voorlichting aan cliënten, zodat iedereen weet dat er een alternatieve route is en dat opting out mogelijk is. Zo kun je ervoor zorgen dat mensen die motivatie en energie hebben, die eigen verantwoordelijkheid nemen. Wanneer denkt de minister een voorstel voor de ministeriële regeling naar de Kamer te sturen? Kan de minister toezeggen dat de huidige experimenten zullen doorlopen tot de nieuwe regeling ingaat?
De minister verwacht dat het experimenteerartikel in de WW, dat veel zaken mogelijk maakt, in juli 2004 kan zijn ingevoerd. Ligt het dan niet in de rede om de kleine WW-experimenten, die de minister nu wil stoppen, tot juli 2004 te laten voortbestaan? Kan de minister dit toezeggen?
De heer Bakker (D66) spreekt de wens uit dat de huidige experimenten voorlopig zullen doorgaan.
In de nieuwe regeling moet er een goede balans zijn tussen de eigen keuze van mensen en de toets door de UWV. Er moet voldoende ruimte zijn voor die eigen keuze, omdat mensen door het zelf nemen van de verantwoordelijkheid een grotere kans maken om aan de slag te komen. Daarbij moeten zij niet te snel vastlopen op de toets door de UWV. Dat houdt echter niet in dat het budget vrij mag worden verstrekt; het moet wel zijn gericht op het doel. Uiteindelijk gaat het om het resultaat. Het zal lastig zijn om de resultaatconditie te operationaliseren, juist omdat op basis van de magere cijfers nog geen vergaande conclusies zijn te trekken.
De heer Bakker vindt het ten slotte niet met elkaar te rijmen dat de kleine WW-experimenten worden beëindigd, terwijl de minister een algemeen experimenteerartikel in de WW voorbereidt.
De minister spreekt het voornemen uit om voor het einde van het jaar voorstellen te doen over de werkherkansingsadviseur, gericht op een invoeringsdatum van 1 juli 2004. Hij wil voor de begrotingsbehandeling met een voorstel komen voor een ministeriële regeling voor het PRB die per 1 januari 2004 ingaat, maar kan nog niet overzien of hij dit zal halen. Tot die tijd kunnen in de experimenteerregio's de experimenten doorgaan.
Het streven van de minister is om het algemene experimenteerartikel per 1 juli 2004 van kracht te laten worden. Hij is er niet voor om de lopende experimenten voort te zetten, omdat dan de daarbij behorende (sturings-)mechanismen weer in het leven moeten worden geroepen of moeten doorgaan. Hij wil wel de proefplaatsing en de voorwaarden ervan in de WW regelen, maar op andere wijze dan het in Terneuzen is gebeurd. Daar ging het met aanzienlijke subsidies gepaard, maar intussen is besloten om de subsidieregeling van de RWI af te schaffen. De ambitie is om de preventieve inzet nog twee jaar te laten doorlopen. Voor de overige experimenten, die voor een deel zijn gestopt en voor een deel nog lopen, komt er een experimenteerartikel dat is gericht op innovatie- en reïntegratiemogelijkheden. Voordat het in de wet is opgenomen, kunnen mensen er op persoonlijke titel geen rechten aan ontlenen. De minister is wel bereid om met de UWV af te spreken dat er tot de datum van invoering een mogelijkheid is om erop te anticiperen.
De minister verwacht dat in de nieuwe opzet van het PRB in de markt verschillende aanbieders van producten zich binden in proposities die resultaatverplichtend zijn. Het is noodzakelijk dat er een toets komt, omdat de mogelijkheid van opting out niet de marktwerking van de reïntegratiebedrijven mag ondermijnen. Als een aanbieder een aanbesteding misloopt omdat er onvoldoende resultaatgarantie kon worden geboden, moet vervolgens niet half Nederland naar die aanbieder lopen om contracten ermee te sluiten. De minister zal het aspect van de marktwerking in de reïntegratiemarkt in zijn beantwoording betrekken. Hij zal de analyse van de beschikbare cijfers aan de Kamer doen toekomen. Hij zal ook aangeven waar zij betrekking hebben op het PRB en op reguliere trajecten.
De staatssecretaris realiseert zich dat de optelsom van de bezuinigingen op de bijzondere bijstand en op de reïntegratiemiddelen hard aankomen bij de gemeenten. Hij blijft echter van mening dat deze bezuinigingen goed zijn op te vangen gezien de flankerende maatregelen.
De suggestie om de SUWI-rapportage grote projecten uit te breiden neemt de staatssecretaris niet over, omdat de uitvoeringsorganen al zeer veel informatie moeten leveren voor deze rapportage. Als de Kamer eraan wil vasthouden, moet zij dit bij de eerstvolgende behandeling van de SUWI-rapportage aan de orde stellen.
Samenstelling:
Leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Rouvoet (ChristenUnie), Bibi de Vries (VVD), De Wit (SP), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Hamer (PvdA), voorzitter, Bussemaker (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Smits (PvdA), Örgü (VVD), Weekers (VVD), Rambocus (CDA), De Ruiter (SP), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Bruls (CDA), Varela (LPF), Eski (CDA), Van Loon-Koomen (CDA), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Kraneveldt (LPF) en Hirsi Ali (VVD).
Plv. leden: Depla (PvdA), Dittrich (D66), Van der Vlies (SGP), Blok (VVD), Kant (SP), Halsema (GroenLinks), Smilde (CDA), Verbeet (PvdA), Timmer (PvdA), Tonkens (GroenLinks), Omtzigt (CDA), Adelmund (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Visser (VVD), Algra (CDA), Lazrak (SP), Vietsch (CDA), Hessels (CDA), Hermans (LPF), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van Dijk (CDA), Wilders (VVD), Van Dijken (PvdA), Blom (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Eerdmans (LPF) en Schippers (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26448-89-h1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.