26 448
Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)

nr. 407
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2009

Tijdens het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2008 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 17 juni 200 (Kamerstuk 31 924 XV, nr. 14), heeft Mevrouw Karabulut aandacht gevraagd voor de bezoldiging in 2008 van de leden van de Raad van bestuur van CWI, SVB en UWV. Zij meende dat gelet op de informatie daaromtrent in de jaarverslagen wettelijke normen waren overschreden.

Naar aanleiding van deze vragen heb ik onderzoek gedaan. Op grond daarvan kan ik thans meedelen dat de bezoldiging van de leden van de Raad van bestuur van CWI, SVB en UWV geheel in lijn is met hun rechtspositieregelingen. De ogenschijnlijke discrepantie is gelegen in het feit dat de bedragen die Mevrouw Karabulut hanteerde staan in de rechtspositieregeling zoals deze enkele jaren geleden is vastgesteld. De genoemde bedragen moeten derhalve worden verhoogd met de bij de CAO’s passende indexering in de loop der jaren. Daarnaast zijn in het jaarverslag ook bedragen verrekend die samenhangen met de afkoop van vakantie-uren, de afkoop van verlofuren en de fiscale bijtelling van de dienstauto. De genoemde componenten kunnen per persoon verschillen.

De verschillende elementen zijn in overeenstemming met de rechtspositieregeling en andere toepasselijke regels. Op grond daarvan stel ik vast dat de huidige bezoldiging overeenkomt met de rechtspositieregeling. Van overtreding van wettelijke regels is derhalve geen sprake. De bezoldiging voldoet eveneens aan de politieke normen die sinds kort worden gehanteerd. In een eerder overleg met uw kamer werd er vanuit gegaan dat de bezoldiging van leden van de Raad van Bestuur van het UWV niet aan de nieuwe politieke normen voldoet. Dit blijkt evenwel niet het geval. Slechts in een geval is er nominaal sprake van een afwijking, maar aangezien het daarbij gaat om een benoeming van ver voor de invoering van die normen is ook deze salariëring daarmee in overeenstemming.

Hoewel de bezoldiging ook door de betreffende auditdienst regelmatig en rechtmatig is bevonden, is mij bij de beantwoording van de vraag van mevrouw Karabulut gebleken dat er onduidelijkheid kan bestaan over de fiscale bijtelling voor auto’s. Dit leidt niet tot een andere uitkomst met betrekking tot de gestelde vragen maar deze onduidelijkheid zal uiteraard worden weggenomen.

Ik ga er vanuit u hiermee conform mijn toezegging van 17 juni 2009 geïnformeerd te hebben.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

Naar boven