nr. 44
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 maart 2009
Op het algemeen overleg van 15 januari jl. (26 447, nr. 43)
over de Beleidsverkenning modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden
heb ik toegezegd de Tweede Kamer een overzicht te verstrekken van de momenteel
beschikbare kennis over de verlofregelingen en daarbij aan te geven welke
informatie nog benodigd is.
Tevens heb ik op dit algemeen overleg toegezegd nog te zullen ingaan op
enkele vragen die zijn gesteld over de betekenis van de levensloopregeling
voor verlof.
Verlofregelingen
In bijgaand overzicht1 is zowel de beschikbare
feitelijke informatie over het gebruik van de verlofregelingen opgenomen als
de bevindingen van verschillende onderzoeken en analyses naar de effecten
van deze regelingen.
De beschikbare informatie leidt tot de conclusie dat de betekenis van
de verlofregelingen vooral daarin moet worden gezocht dat het werkenden in
staat stelt tijd vrij te maken voor zorgtaken. Door het gebruik van verlof
behoeven werknemers niet de beslissing te nemen om de omvang van de werkweek
structureel te verminderen of zich – tijdelijk of voor een langere periode –
geheel uit het arbeidsproces terugtrekken.
Dit geldt in het bijzonder voor het langdurend zorgverlof en het ouderschapsverlof.
Bij de laatste regeling is daarbij wel de kanttekening op zijn plaats dat
de meeste werknemers geen behoefte aan ouderschapsverlof hebben omdat zij
zelf al in deeltijd werken of omdat hun partner dat doet.
Uit een nog te publiceren onderzoek dat Intomart heeft uitgevoerd in opdracht
van het ministerie voor J&G en het ministerie van SZW blijkt dat voor
werknemers de mogelijkheid om flexibel te werken, zowel wat de arbeidstijden
als wat de arbeidsplaats betreft, van aanzienlijk groter belang is dan bijvoorbeeld
het gebruik kunnen maken van verlof. Voor mannen en vrouwen met
grotere (deeltijd) banen is het belang van flexibel werken vooral gelegen
in het meer aandacht kunnen besteden aan de kinderen; voor vrouwen met een
kleinere deeltijdbaan zou het belang vooral gelegen zijn in het kunnen uitbreiden
van hun arbeidsduur.
Dit beeld sluit aan bij de bevindingen uit de studie «Verdeelde
tijd» van het SCP.
In de Beleidsverkenning heeft het kabinet dan ook het belang benadrukt
van meer flexibiliteit in arbeidsarrangementen als instrument om de combinatie
van arbeid en zorg te verbeteren. Dit is ook het hoofdthema van de conferentie «Werkende
gezinnen» die 9 maart jl. is gehouden.
Conclusie van de voorliggende inzichten in de werking van de verlofregelingen
is ook dat verdere uitbreiding of betere betaling daarvan, zoals bijvoorbeeld
door GroenLinks bepleit in de notitie «Werken zonder zorgen?!»
geen positieve effecten heeft op de arbeidsparticipatie, ook niet die van
vrouwen, maar wel aanmerkelijke kosten tot gevolg heeft.
Een herverdeling van zorgtaken tussen de partners is van ondergeschikt
belang voor de beslissing van vrouwen om hun arbeidsdeelname te vergroten.
Buitenlandse ervaringen geven geen aanwijzingen dat meer opname van verlof
door mannen ertoe leidt dat zij meer zorgtaken op zich zullen nemen. Arbeidsarrangementen
die aansluiten bij de zorgtaken zijn voor vrouwen zijn vooralsnog verreweg
de belangrijkste factor om hun arbeidsparticipatie te verhogen en daarmee
grotere financiële zelfstandigheid te bereiken.
Ruimer betaald ouderschapsverlof kan het voor vrouwen aantrekkelijker
maken om te gaan werken. Dit mogelijke positieve effect wordt echter teniet
gedaan door het feit dat het verlof zelf de arbeidsparticipatie vermindert.
Gebruik van verlof om gedurende langere tijd geheel of gedeeltelijk het
arbeidsproces te verlaten heeft bovendien negatieve gevolgen voor de arbeidsmarktperspectieven.
Vrouwen die hun loopbaan hebben onderbroken, ondervinden daarvan een blijvend
nadeel in hun loopbaanperspectieven.
De kosten van de betaald verlof moeten bovendien door anderen worden opgebracht.
Direct of indirect worden die door de werkenden worden gedragen. Zo zou een
collectief gefinancierd kraamverlof van vijf dagen extra uitgaven van € 100
mln betekenen ten laste van het AWf en – voor de overheidssector –
het Ufo. De wegvallende kosten van het huidige kraamverlof komen niet alle
werkgevers in gelijke mate ten goede, omdat deze afhankelijk zijn van de samenstelling
van het personeelsbestand.
Ik zal het CPB en het SCP verzoeken om een integrale analyse van de effecten
van verlofregelingen op de arbeidsparticipatie, waarbij de inzichten uit de
verschillende onderzoeken en andere gegevensbronnen in onderling verband gebracht,
en daarbij ook mogelijke verdere relevante ervaringen in het buitenland te
betrekken.
Tevens zal ik met het SCP bezien op welke wijze een actualisering kan
worden gegeven van de informatie over de behoefte aan en het gebruik van verlof
conform het rapport «Werkt verlof?» dat uit
2004 dateert.
Levensloopregeling
De levensloopregeling is juist tot stand gebracht als een instrument om
mensen in staat te stellen hun werkzame leven te onderbreken voor een periode
van verlof. Essentie van de regeling is dat de deelnemers daarbij zelf kunnen
bepalen voor welke vorm van verlof zij de regeling willen gebruiken en in
welke mate zij daarbij het opgebouwde tegoed willen benutten voor compensatie
van het inkomensverlies als gevolg van het opgenomen verlof. Voor gebruik
van de levensloopregeling voor bijvoorbeeld ouderschapsverlof
kunnen zij daarbij tevens terugvallen op de wettelijke verlofrechten van de
Wet arbeid en zorg. Deelnemers aan de levensloopregeling kunnen daarbij profiteren
van een aantal fiscale voordelen, waaronder de zogeheten omkeerregel, waarbij
het tegoed pas bij opname wordt belast, en de vrijstelling van de vermogensrendementsheffing.
Het spaarloon kan eveneens worden benut voor de financiering van een periode
van verlof. De regeling van het spaarloon voorziet er doelbewust in dat het
opgebouwde tegoed voor de reguliere blokkeringsperiode van vier jaar kan worden
opgenomen in geval van verlof. Ook deze vorm van reservering voor verlof wordt
door de overheid financieel ondersteund met de fiscale voordelen van onbelaste
inleg en onbelaste opname. Gezien de beperkingen die zijn gesteld aan de omvang
van een spaarloontegoed, kan deze regeling vooral benut voor kortere perioden
van verlof, zoals een verlenging van het kraamverlof.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner