26 442
Veteranenziekte

nr. 231
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 augustus 2006

In vervolg op mijn brief van 8 september 2003 (vrom030589) heb ik Kiwa opgedragen onderzoek uit te voeren inzake alternatieve technieken voor legionellapreventie in collectieve leidingwaterinstallaties.

Bij brief van 23 februari 2004 (Kamerstukken II, 2003–2004, 26 442, nr. 20) bent u op uw verzoek geïnformeerd over de voortgang ervan.

Hierbij informeer ik u dat de rapportage van dit onderzoek te vinden is op www.vrom.nl. Het onderzoek bestond uit de volgende onderdelen:

• realisering van een proefleidinginstallatie en ontwikkeling van een testprotocol waarmee alternatieve technieken onder gestandaardiseerde omstandigheden kunnen worden getest op werking en neveneffecten,

• ontwikkeling van een Beoordelingsrichtlijn voor fysische technieken in collectieve installaties (ultrafiltratie, UV-licht, pasteurisatie) en

• begeleiding en evaluatie van een aantal praktijktesten met alternatieve technieken voor legionellapreventie in collectieve installaties.

Voor een beknopte beschrijving van de resultaten van het onderzoek verwijs ik u kortheidshalve naar de samenvattingen, die in de rapporten zijn opgenomen.

Hieronder zal ik nader ingaan op de beleidsmatige conclusies die ik uit de rapportage trek.

Algemene uitgangspunten

Voor de collectieve leidingwaterinstallaties waar legionellapreventie bij wet is voorgeschreven, staat voorop dat een gedegen risicoanalyse van de installatie de basis vormt voor een effectief beheer. De risicoanalyse kan aanleiding zijn om de installatie op onderdelen veiliger te maken. Met een goede installatie, die voldoet aan de geldende bouwtechnische eisen uit NEN 1006 en de Vewin-Werkbladen zet men al een zeer belangrijke stap naar legionellapreventie. In veel gevallen zal daarnaast echter nog beheer nodig zijn, bijvoorbeeld in situaties waarin tappunten gedurende langere tijd niet worden gebruikt, waardoor regelmatige verversing van het water in (delen van) de installatie niet gewaarborgd is.

Bij elke vorm van beheer behoren eenmalig of periodiek uit te voeren maatregelen, die essentieel zijn voor de effectiviteit van de legionellapreventie. Het nalaten of onjuist uitvoeren van de maatregelen betekent dat de effectiviteit ervan niet meer gewaarborgd is. Er kan dan legionellagroei plaatsvinden en er kunnen dan ook neveneffecten optreden (bijvoorbeeld chemische verontreinigingen) die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu. De juistheid van de maatregelen wordt mede getoetst door het uitvoeren van bacterietellingen. Men moet de uit te voeren maatregelen opnemen in een beheersplan en de uitvoering ervan vastleggen in een logboek.

Bij toepassing van alternatieve technieken is sprake van behandeling van het water en moeten er beheersmatig, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, en Bijlage B van het Waterleidingbesluit, een aantal auditparameters worden gemeten.

Voor alle preventietechnieken geldt dat de toegepaste materialen en de eventueel gebruikte chemicaliën moeten voldoen aan artikel 17g en 17h van het Waterleidingbesluit en de daarop gebaseerde Regeling materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening (Stcrt. 2002, 241). Bij gebruik van een biocide in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 moet aan de voorschriften van deze wet worden voldaan.

Ladder voor legionellapreventie in collectieve leidingwaterinstallaties

In geval er beheer vereist is, zijn er verschillende vormen van beheer denkbaar. In lijn met mijn eerdere brief van 8 september 2003 kan daarin een volgorde worden aangebracht. De volgorde die mijn voorkeur heeft is te beschouwen als een ladder waar men bovenaan begint en die alleen wordt afgedaald als de eigenaar – tijdens de uitoefening van controle en toezicht door het waterleidingbedrijf danwel de VROM-Inspectie – kan aantonen dat de betreffende beheerstechniek in de specifieke situatie redelijkerwijs niet toepasbaar was of onvoldoende effectief bleek te zijn. De volgorde is:

1. Thermisch beheer

2. Fysisch beheer

3. Elektrochemisch beheer

4. Chemisch beheer.

Bij de beheerstechnieken 3 en 4 worden stoffen met bacteriedodende werking in het water gebracht, danwel gevormd uit de reeds in het water aanwezige stoffen. De toepassing daarvan kan noodzakelijk zijn bij collectieve leidingwaterinstallaties waar legionellapreventie verplicht is en de beheerstechnieken 1 en 2 niet werkzaam zijn.

Beknopte toelichting op de beheerstechnieken en de voorkeursvolgorde

Hieronder worden genoemde technieken en de volgorde kort toegelicht. Voor een uitvoeriger toelichting verwijs ik naar de bijlage van deze brief.

1. Thermisch beheer: «houd koud water koud en warm water warm en voorkom langdurige stilstand»

Na opheffing van eventuele risicopunten kan het temperatuurbeheer met de bestaande installatie worden uitgevoerd. Bij slimme toepassing hoeven spoelacties niet veel water en energie te kosten. Automatisering kan bovendien doelmatig zijn en een besparing op personeelskosten opleveren. Er worden geen waterbehandelingsapparaten geïntroduceerd die specifiek beheer en onderhoud vergen en die op zich weer extra gezondheids- en milieurisico’s kunnen opleveren. Er worden geen stoffen aan het water toegevoegd.

2. Fysisch beheer: Micro- en ultrafiltratie, UV-licht en pasteurisatie

De apparatuur voegt geen stoffen aan het water toe en is ook niet gericht op wijziging van de chemische samenstelling van het water. Micro- en ultrafiltratie is gericht op het afvangen van legionellabacteriën, met UV-licht worden de bacteriën gedood of onschadelijk gemaakt en bij pasteurisatie wordt al het te gebruiken water gedurende enige tijd op een hoge temperatuur gebracht waardoor de legionellabacteriën afsterven. Voor effectieve toepassing van deze technieken is het essentieel dat het gehele achterliggende leidingnet wordt gereinigd en wordt gedesinfecteerd. Hiertoe moeten alle tappunten bekend en bereikbaar zijn en moeten alle dode einden verwijderd zijn.

Gewaarborgd moet zijn dat de techniek geen (levende) bacteriën doorlaat, anders kan besmetting of groei optreden. De toepassing van de in het kader van dit onderzoek ontwikkelde Beoordelingsrichtlijn zal naar verwachting voor de borging van de effectiviteit een belangrijk instrument zijn.

3. Elektrochemisch beheer: Anodische oxidatie en Koper-zilverionisatie

Bij elektrochemisch beheer worden door middel van een spanningsverschil over electroden desinfecterende stoffen aan het water toegevoegd danwel uit het water gevormd.

Anodische oxidatie omvat ook elektrodiafragmalyse en houdt in dat de in het water aanwezige stoffen (soms met toevoeging van zout) worden omgezet in desinfecterende stoffen (chloor). Uit het onderzoek bleek dat anodische oxidatie een effectieve methode kan zijn, maar dat er extra aandacht nodig is voor de afstelling van de apparatuur. Bij een te lage chloorproductie is de apparatuur onvoldoende effectief, bij te hoge afstelling kunnen smaak- en geurproblemen ontstaan, evenals te hoge concentraties organische halogenen (zoals trihalomethanen).

Bij tijdelijke uitval van de apparatuur kan snelle legionellagroei optreden. Daarom is het van belang dat voor anodische oxidatie een Beoordelingsrichtlijn wordt opgesteld, waarmee effectiviteit wordt gewaarborgd en ongewenste neveneffecten zoveel mogelijk worden tegengegaan.

Met koper-zilverionisatie worden langs elektrochemische weg koper- en zilverionen in het water gebracht die een bacteriedodende werking hebben. Het is een effectieve methode, met als milieunadeel dat er extra koper en zilver in het afvalwater terechtkomen. Daarom zou aandacht besteed moeten worden aan de mogelijkheden die er lijken te zijn om deze milieubelasting te beperken. Ook hiervoor zou de ontwikkeling van een Beoordelingsrichtlijn van belang kunnen zijn.

De gezondheidskundige implicaties van het toevoegen van bovengenoemde stoffen aan het leidingwater zou moeten worden onderzocht in het kader van het verlenen van de toelating danwel kwaliteitsverklaring.

4. Chemisch beheer

Het betreft technieken die momenteel nog niet of nauwelijks op de Nederlandse markt worden gebracht ter preventie van legionella in collectieve leidingwaterinstallaties, zoals chloordioxide, chlooramine en ozon. Omdat thermisch beheer, fysisch beheer en electrochemisch beheer vooralsnog voldoende perspectieven lijken te bieden voor een effectieve aanpak, acht ik nader onderzoek naar andere beheerstechnieken op dit moment niet nodig. Uiteraard kunnen dergelijke initiatieven wel vanuit de markt worden ontplooid.

Toelating, kwaliteitsverklaring en Attest Toxicologische Aspecten

In mijn brief van 8 september 2003 heb ik reeds aangegeven dat ik toepassing van fysische technieken voor legionellapreventie (onder voorwaarden) acceptabel acht. Op basis van het onderzoek dat nu verricht is, ben ik nu ook voor de technieken koper-zilverionisatie en anodische oxidatie (inclusief electrodiafragmalyse) tot het inzicht gekomen dat toepassing in Nederlandse collectieve leidingwaterinstallaties effectief kan zijn bij de bestrijding van legionellabacteriën, waarbij de neveneffecten op het eerste gezicht niet onevenredig groot lijken te zijn. Daarbij gelden wel de in deze brief vermelde beleidsmatige en wettelijke voorwaarden.

Voor alle alternatieven geldt dat zij met goed gevolg door een Nederlandse overheidsinstantie moeten zijn getoetst op werkzaamheid en neveneffecten. Voor biociden in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (waaronder ook koper-zilverionisatie wordt begrepen) wordt dit uitgevoerd door het College toelating bestrijdingsmiddelen (Ctb). Middelen die niet onder deze wet vallen worden getoetst door de Commissie van deskundigen materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening (CvDMC), op basis van het Waterleidingbesluit.

Voor biociden heeft het Ctb de mogelijkheid voor specifieke locaties en voor een beperkte duur een ontheffing voor proefdoeleinden te verlenen. Enkele proefontheffingen voor koper-zilverionisatie zijn inmiddels verlopen, terwijl de leveranciers nog geen toelating hebben aangevraagd. Op dit moment wordt samen met de bij de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 betrokken departementen (waaronder het Ministerie van Justitie) gewerkt aan het opstellen van een regeling inzake het tijdelijk voorafgaand aan de formele toelating onder voorwaarden op de markt brengen van koper-zilverionisatieapparatuur. Deze regeling zal naar verwachting dit najaar worden gepubliceerd. In de aanloop naar de publicatie van de regeling wordt aan de toezichthouder (in casu de VROM-Inspectie) gevraagd om hier bij het uitoefenen van het toezicht al rekening mee te houden.

De systematiek voor de middelen die niet als biociden worden aangemerkt is vergelijkbaar. De CvDMC kan op aanvraag van de leverancier een voorlopige kwaliteitsverklaring afgeven (voor een beperkt aantal aangewezen locaties en voor een beperkte duur), teneinde meetgegevens te verzamelen voor de toelating op grond van het Waterleidingbesluit.

Daarnaast is vanuit de Waterleidingwet vereist dat producten die in contact met drinkwater worden gebracht danwel daaraan worden toegevoegd (met uitzondering van de biociden) beschikken over een Attest Toxicologische Aspecten (ATA) , dat bij het Kiwa kan worden aangevraagd. Hiermee wordt gewaarborgd dat het ter keuring aangeboden product gelijk is aan de producten die op een later moment worden geproduceerd en op de markt gebracht. Het ATA-vereiste geldt nu ook al voor de materialen van het apparaat waarmee biociden worden toegevoegd; het ligt in de bedoeling dat het ATA-vereiste in de toekomst tevens zal gelden voor de biociden zelf.

Beoordelingsrichtlijn

Tot slot is hierboven bij de technieken anodische oxidatie en koper-zilverionisatie aangegeven dat het gewenst is dat er een Beoordelingsrichtlijn wordt opgesteld, zoals ook al voor de fysische technieken is gedaan. Daarmee wordt aan zowel de eigenaar van de leidingwaterinstallatie als de leverancier van de techniek duidelijkheid verschaft over de wijze van aanleg en het gebruik van de techniek, met het oog op de effectiviteit en het beperken van neveneffecten.

Het ligt naar mijn mening in de rede dat de betreffende marktpartijen op basis van de rapporten het initiatief nemen tot het ontwikkelen van een dergelijke Beoordelingsrichtlijn. Bij de beoordeling kan gebruik gemaakt worden van de proefleidinginstallatie en het bijbehorende testprotocol, die in het kader van dit onderzoek zijn ontwikkeld.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

BIJLAGE Bijlage bij brief BWL/2006277709

Toelichting op technieken en voorkeursvolgorde

1. Thermisch beheer

Thermisch beheer komt in het kort op het volgende neer: houd het warm water voldoende warm, houd het koud water voldoende koud en zorg voor voldoende doorstroming. Waar legionellagroei kan optreden (bijvoorbeeld bij mengwaterinstallaties) moeten de leidingen periodiek thermisch gedesinfecteerd worden, bijvoorbeeld door middel van heet water.

In mijn brief van 8 september 2003 heb ik aangegeven dat het thermisch beheersconcept in veel gevallen de voorkeur heeft. Zeker bij nieuwbouw geldt dat een installatie overeenkomstig de meest recente versie van NEN 1006 en de Vewin-Werkbladen moet zijn aangelegd. Met toepassing van deze voorschriften wordt een leidingwaterinstallatie gerealiseerd waar thermisch beheer in principe goed mogelijk is.

Met name bij bestaande bouw kan in specifieke omstandigheden blijken dat thermisch beheer moeilijk toepasbaar is. Zowel technische als financiële omstandigheden kunnen daarbij een rol spelen. Het kan dan nodig zijn om een ander beheersconcept toe te passen om het risico op legionellabesmetting te beheersen.

2. Fysisch beheer

Het betreft hier met name micro- of ultrafiltratie, behandeling met UV-licht en pasteurisatie. Soms wordt filtratie toegepast in combinatie met UV-licht.

Er worden bij deze techniek geen stoffen aan het water toegevoegd of gevormd, wat op zich voor de gezondheid en het milieu gunstig is. Deze technieken hebben geen restwerking, wat inhoudt dat toepassing van deze technieken geen effect heeft op aanwezige of opkomende legionellabesmettingen in het achterliggende leidingnet. Toepassing van deze technieken vereist dus dat er een grote mate van zekerheid bestaat dat de techniek de legionellabacteriën ter plaatse verwijdert of onschadelijk maakt en dat de installatie voldoet aan de voorschriften van NEN 1006 (bijvoorbeeld: geen dode einden). Van groot belang is dat de gehele achterliggende installatie bij aanvang wordt gedesinfecteerd.

Microfiltratie en ultrafiltratie

Met microfiltratie en ultrafiltratie worden de legionellabacteriën en andere deeltjes die de membranen niet kunnen passeren uit de waterstroom verwijderd. Bij de in het kader van het onderzoek uitgevoerde praktijktesten zijn er enkele onderzocht: twee locatie met een ultrafiltratiesysteem als poortwachter (bij het begin van de leidingwaterinstallatie; pilot 9 en 11) en één locatie met ultrafiltratie op de gebruikspunten (douchekoppen; pilot 10).

Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat bij gebruik van de onderzochte ultrafiltratiesystemen die als poortwachter werden gebruikt gedurende de hele onderzoeksperiode regelmatig te hoge aantallen legionellabacteriën in de drinkwaterinstallatie gevonden. Geconstateerd werd dat bij deze pilots niet werd voldaan aan de voorwaarden voor succesvolle toepassing van deze technieken. Bij pilot 11 was de achterliggende installatie niet gereinigd en gedesinfecteerd voordat het systeem in gebruik werk genomen. Evenmin waren de noodzakelijke installatieaanpassingen en beheersmaatregelen uitgevoerd. Bij pilot 9 bleken dode leidingen die tijdens de risicoanalyse waren gevonden niet te zijn verwijderd. Ook bleek achteraf gezien dat bij uitgevoerde reinigingen en desinfecties niet het hele leidingsysteem te zijn meegenomen, omdat zich in een afgesloten ruimte tappunten bleken te bevinden, die niet bij de uitvoerder bekend waren gemaakt.

Vanwege het – in vergelijking met anodische oxidatie en koper-zilverionisatie – beperkte aantal onderzochte pilots met ultrafiltratie heeft het departement meetgegevens verzameld van een aantal andere locaties met ultrafiltratie. Wat betreft de effectiviteit op verwijdering van legionellabacteriën laten deze gegevens een over het algemeen gunstig beeld zien. Ook hier blijkt dat normoverschrijdingen vaak gerelateerd kunnen worden aan dode leidingen die in een eerder stadium niet waren opgemerkt.

Uit het bovenstaande blijkt dat voor het succesvol toepassen van ultrafiltratie als poortwachter moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

• bij de risicoanalyse van de achterliggende installatie moeten alle niet-doorstroomde leidingdelen installatieonderdelen in kaart worden gebracht; vervolgens moeten deze allemaal worden verwijderd

• bij de risicoanalyse moeten alle tappunten worden opgespoord en geregistreerd

• voor ingebruikname van het systeem moet de hele installatie tot en met de tappunten worden gereinigd en gedesinfecteerd; vervolgens moet worden gespoeld met water dat de poortwachter is gepasseerd.

• na ingebruikname moet de integriteit van het systeem continu worden bewaakt, bijvoorbeeld door een maandelijkse monstername en analyse op de aanwezigheid van legionellabacteriën.

Deze randvoorwaarden zijn nader uitgewerkt in de Beoordelingsrichtlijn voor fysische technieken, die in het kader van dit onderzoek is opgesteld. Naar verwachting zal deze Beoordelingsrichtlijn een belangrijke ondersteuning bieden voor een optimale waarborging van de effectiviteit van microfiltratie en ultrafiltratie als poortwachter.

Daarnaast was er in het kader van het pilotonderzoek één locatie met ultrafiltratie op het gebruikspunt (pilot 10). Gebleken is dat toepassing van een membraanfilter in een douchekop een aanzienlijke reductie oplevert van het aantal legionellabacteriën. Ook bleek echter tijdens het onderzoek dat minstens één van de filters defect was. Omdat continue integriteitbewaking in dergelijke kleinschalige toepassingen geen realistische optie lijkt, is er altijd een kans dat een filter defect is of wordt, en dat dit gedurende enige tijd niet wordt opgemerkt. Deze kans kan worden verkleind door verhoging van de (borging van de) productkwaliteit, zodat productiefouten vaker worden opgemerkt en de kans op membraanbreuk wordt beperkt. De kans op een defect filter kan ook worden verkleind door verhoging van de frequentie waarmee de werking van het filter wordt bewaakt en door verhoging van de frequentie waarmee het filter wordt vervangen.

De hiervoor genoemde Beoordelingsrichtlijn heeft mede betrekking op filters die op het gebruikspunt worden geplaatst en biedt dan ook een belangrijke ondersteuning voor een optimale waarborging van de effectiviteit ervan.

Pasteurisatie

Bij een pasteurisatiesysteem wordt het water eerst minimaal 5 minuten op een temperatuur van 70°C gebracht, waarna het wordt afgekoeld tot gebruikstemperatuur. Doel is om door verhitting de eventueel in het koude water aanwezige bacteriën te doden, waardoor ze in de achterliggende installatie niet meer aanwezig zijn en kunnen uitgroeien. In het kader van de pilotonderzoek is één systeem onderzocht (pilot 12). Daarmee werd aangetoond dat dit poortwachtersysteem succesvol kan zijn bij een eenvoudige, overzichtelijke installatie (danwel onderdeel daarvan). De techniek is robuust en vereist relatief weinig beheer. Omdat pasteurisatie wordt gebruikt als poortwachter en geen restwerking heeft in de achterliggende installatie is te verwachten dat bij eventuele opschaling naar gebruik in grotere en complexere installaties de hantering van de randvoorwaarden, die hierboven bij ultrafiltratie en microfiltratie zijn genoemd, meer en meer aan belang zal winnen. Ook hier zal de eerdergenoemde Beoordelingsrichtlijn een ondersteuning kunnen bieden bij de waarborging van de effectiviteit.

UV-licht

De techniek van UV-licht is er op gericht om legionellabacteriën plaatselijk aan ultraviolet-licht bloot te stellen teneinde ze onschadelijk te maken.

Technieken op basis van UV-licht maakten geen deel uit van praktijktesten van Kiwa. Daarom heeft het departement meetgegevens verzameld van een aantal locaties met waar UV-licht wordt toegepast voor legionellapreventie. Wat betreft de effectiviteit op verwijdering van legionellabacteriën laten deze gegevens een over het algemeen gunstig beeld zien. Net als bij andere poortwachtersystemen blijkt dat normoverschrijdingen vaak gerelateerd kunnen worden aan dode leidingen die in een eerder stadium niet waren opgemerkt.

Omdat UV-licht – net als ultrafiltratie, microfiltratie en pasteurisatie – doorgaans wordt gebruikt als poortwachter en geen restwerking heeft in de achterliggende installatie, is te verwachten dat de hantering van de randvoorwaarden, die hierboven bij ultrafiltratie en microfiltratie zijn genoemd, van belang zijn. Ook voor UV-licht zijn deze randvoorwaarden nader uitgewerkt in de Beoordelingsrichtlijn voor fysische technieken, die in het kader van dit onderzoek is opgesteld. Naar verwachting zal deze Beoordelingsrichtlijn een belangrijke ondersteuning bieden voor een optimale waarborging van de effectiviteit van UV-licht als poortwachter.

3. Electrochemisch beheer

Anodische oxidatie (waaronder electrodiafragmalyse)

Bij anodische oxidatie worden in het water aanwezige stoffen omgezet in oxiderende of desinfecterende stoffen. Dit gebeurt door elektroden, waarop een lage spanning wordt gezet. Bij sommige vormen van anodische oxidatie wordt zout aan het water toegevoegd. Bij electrodiafragmalyse zijn de elektroden door een keramisch membraan van elkaar gescheiden.

Bij de betreffende pilots (5 t/m 8, 13 en 16) was – meer dan bij koper-zilverionisatie – sprake van een grote variatie in toegepaste installaties, configuraties en onderzoekscondities. Dit zou mogelijk een verklaring kunnen zijn voor de opvallende verschillen die in het onderzoek zijn geconstateerd op het punt van effectiviteit en neveneffecten.

Anodische oxidatie kan een effectieve methode zijn, maar deze is sterk afhankelijk van de chloorproductie.

Uit het onderzoek bleek dat tijdelijke uitval van de apparatuur binnen korte tijd kan leiden tot hoge aantallen legionellabacteriën. Het systeem zou daarom tegen uitval beveiligd moeten zijn.

Ook is te overwegen om voorafgaande aan de toepassing van anodische oxidatie een eenmalige reiniging, desinfectie en spoeling van het leidingsysteem uit te voeren, waarmee het proces van afbraak en afvoer van biofilm wordt versneld.

Bij één pilot (13) is de norm voor trihalomethanen uit het Waterleidingbesluit overschreden. Voor haloazijnzuren is in het Waterleidingbesluit geen maximum waarde opgenomen. De richtwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn op geen van de locaties overschreden.

Te hoge chloorconcentraties kunnen aanleiding geven tot geur- en smaakklachten en de vorming van ongewenste organische halogenen . De systemen moeten beveiligd worden tegen de vorming van hoge concentraties van vrij chloor. De smaakdrempel van 0,3 mg/l moet bij de tappunten niet worden overschreden. In het onderzoek wordt opgemerkt dat – bij hantering van deze voorwaarden – de milieugevolgen en gezondheidseffecten van deze techniek in beginsel kleiner lijken te zijn dan bij koper-zilverionisatie.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande is het gewenst dat voor anodische oxidatie een Beoordelingsrichtlijn wordt opgesteld. Hiermee kunnen naast producteisen, chemische eisen, mechanische eisen en prestatie-eisen ook eisen worden gesteld aan het installeren, onderhouden en beheren van de techniek. Daarmee kan een directe relatie worden gelegd met het beheersplan van de eigenaar van de leidingwaterinstallatie.

Koper-zilverionisatie

Bij koper-zilverionisatie worden koper- en zilverionen in het water gebracht door middel van een spanningsverschil over electroden die bestaan uit een koper-, zilver- of een koper-zilverlegering. Het onderzoek toont aan dat koper-zilverionisatie een effectieve methode is voor de bestrijding van Legionella in complexe leidingwaterinstallaties. De neveneffecten blijven beperkt tot een verhoging van de koper- en zilverconcentraties in het drinkwater (en het afvalwater) en een geringe toename van de troebelheid.

De drinkwaternorm voor koper wordt niet overschreden, evenmin als de norm voor troebelheid. Voor zilver geldt in Nederland geen wettelijke norm, maar als daarvoor de WHO-richtlijn wordt gehanteerd, blijkt uit het onderzoek dat deze waarde slechts incidenteel (en in beperkte mate) wordt overschreden.

In het onderzoek worden in kwantitatieve zin uitspraken gedaan over de totale belasting van het milieu met koper en zilver, op basis van de aanname dat de 6 pilotlocaties representatief zijn voor alle locaties waar in de toekomst koper-zilverionisatie wordt geplaatst en de aanname dat koper-zilverionisatie in de toekomst op 1000 locaties in Nederland wordt toegepast. Op basis van deze aannames komt Kiwa tot een toename van de jaarlijkse kopervracht met 4300 kg, wat overeenkomt met 3,4% van de binnenlandse belasting van het oppervlaktewater en 0,7% van de totale belasting door binnenlandse en buitenlandse bronnen (Water in Beeld 2005). Voor zilver komt Kiwa uit op een toename met 740 kg op jaarbasis. Onbekend is in welke mate dit bijdraagt aan de totale belasting van het oppervlaktewater, aangezien zilver zowel nationaal als op Europees niveau geen prioritaire stof is en niet gemonitord wordt.

Bij de genoemde cijfers moet het volgende worden opgemerkt. Onderzoek naar representativiteit en het aantal locaties waar koper-zilverionisatie naar verwachting zal worden toegepast maakte geen onderdeel uit van de opdracht en is ook niet uitgevoerd. Het is dus goed mogelijk dat de werkelijke belasting van het milieu anders zou kunnen uitpakken. Het ligt in de rede dat het College toelating bestrijdingsmiddelen deze aspecten zal betrekken bij haar beoordeling van aanvragen om toelating op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en bij de vaststelling van gebruiksvoorschriften die aan de toelating verbonden worden. Daarbij kan gedacht worden aan het stellen van beperkingen aan de maximale dosering, maar ook aan de situaties en locaties waar koper-zilverionisatie mag worden toegepast.

Hoewel corrosieverschijnselen tijdens het onderzoek niet zijn gemeld, is niet uitgesloten dat deze bij langdurige toepassing kunnen optreden. Geadviseerd wordt dan ook om op dit aspect te blijven monitoren.

Voor zowel koper als zilver is het vanuit gezondheid en milieu gewenst om te streven naar zo laag mogelijke concentratieniveaus, zonder dat de effectiviteit op legionellabacteriën teniet wordt gedaan. Dit zou bereikt kunnen worden door de afstelling van de apparatuur, maar ook door de apparatuur afwisselend aan en uit te schakelen. Dit lijkt in principe mogelijk vanwege de depotwerking van koper- en zilverionen in de biofilm, die volgens de literatuur wel 6 tot 8 weken na uitschakeling aanwezig kan zijn. Aanbevolen wordt voor het in gebruik nemen van de koper-zilverionisatie de leidingwaterinstallatie te reinigen.

Het is gewenst dat ook voor koper-zilverionisatie een Beoordelingsrichtlijn wordt ontwikkeld, teneinde de effectiviteit te waarborgen en ongewenste neveneffecten zoveel mogelijk te beperken.

4. Chemisch beheer

Vooralsnog lijken de hierboven genoemde technieken voldoende perspectieven te bieden voor een effectieve aanpak van legionella bacteriën in leidingwater, binnen randvoorwaarden van gezondheid en milieu.

Daarnaast zijn er natuurlijk andere technieken denkbaar voor de desinfectie van drinkwater, zoals chloorbleekloog, chloordioxide, chlooramine, ozon en fotokatalyse. Deze technieken worden op dit moment niet of nauwelijks voor (continu) gebruik in collectieve leidingwaterinstallaties op de Nederlandse markt gebracht en er is dan ook weinig bekend over de eventuele toepassing ervan in de Nederlandse situatie. Het lijkt op dit moment dan ook niet nodig om van overheidswege nader onderzoek te doen naar deze technieken. Uiteraard kunnen dergelijke initiatieven wel vanuit de markt worden ontplooid, binnen de geldende wetgeving en randvoorwaarden voor gezondheid en milieu.


XNoot
1

Eerder is dit stuk abusievelijk gepubliceerd onder kamerstuk 26 442, nr. 89, dat hiermee komt te vervallen.

Naar boven