nr. 10
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 29 oktober 1999
Naar aanleiding van uw vraag tijdens ons overleg d.d. 8 september 1999
of de bekostiging van de scholen voor het aangaan van arbocontracten adequaat
is, deel ik u het volgende mee.
In voornoemd overleg is zowel door u als door mij de zorg geuit over het
toenemende ziekteverzuim in met name de instellingen voor het primair onderwijs.
De negatieve effecten van een dergelijk hoog verzuim op de kwaliteit en
continuïteit van het onderwijs vragen – mede gezien de tekortenproblematiek –
om een extra inspanning om hiervoor oplossingen aan te dragen.
De bekostiging van de instellingen voor het aangaan van een arbocontract
met een gecertificeerde arbodienst vormt in feite de basis voor het verzuimbeleid
van schoolbesturen in het onderwijsveld. Vanaf 1 januari 1998 zijn werkgevers
behorend tot de overheidssectoren verplicht een arbocontract af te sluiten.
Aan die verplichting wordt voldaan door de schoolbesturen.
Zij worden daarbij ondersteund door de Stichting Vervangingsfonds/Centraal
Orgaan Bedrijfsgezondheidszorg (VF/COBGZ) die raamovereenkomsten afsluit met
koepels van arbodiensten. Deze raamovereenkomsten hebben een prijsdrukkend
effect en zorgen tevens dat de aangeboden diensten op de specifieke situatie
in het onderwijs zijn toegesneden. Vervolgens stelt het VF/COBGZ de schoolbesturen
van deze overeenkomsten via een brochure in kennis zodat zij bekend raken
met de verschillende aanbieders, hun diensten en tarieven.
Het schoolbestuur kan hiermee zijn voordeel doen bij het maken van een
keuze voor een arbodienst en de daaropvolgende pakketonderhandelingen. Zij
zijn overigens vrij in de keuze van een arbodienst en derhalve niet verplicht
een contract met een bij de raamovereenkomst aangesloten arbodienst aan te
gaan.
Voorafgaand aan de invoering van het verplichte arbocontract per 1-1-1998
leverde VF/COBGZ diensten van bedrijfsgezondheidszorg aan de schoolbesturen.
Naast de ontwikkeling van verzuiminstrumentarium en het verstrekken van
informatie ontwikkelde COBGZ 7 verschillende BGZ-pakketten. Het schoolbestuur
kon vervolgens het bij de eigen verzuimproblematiek passende BGZ-pakket kiezen
en bij een arbodienst inkopen.
In de huidige vergoeding voor bedrijfsgezondheidszorg aan schoolbesturen
is rekening gehouden met de kosten van deze verschillende BGZ-pakketten. Op
basis van een vergoedingssystematiek die geldt voor PO en VO krijgen de schoolbesturen
een bedrag overgemaakt.
Naast deze vergoeding voor BGZ/Arbo is er bij het VF een budget van ca.
f 19 mln. (incl. bureaukosten) waaruit VF/COBGZ tegen bepaalde voorwaarden
subsidies beschikbaar stelt ten behoeve van PO, VO, BVE en HBO. Het grootste
deel van dit budget (f 12 mln.) wordt besteed aan aanvullende maatregelen
(het zgn. Aanvullend Pakket) waarvoor onder meer als criterium geldt dat een
school een ziekteverzuim van 4% of meer kent.
Gezien het niveau van bedrijfsgezondheidszorg in het onderwijsveld was
er met de invoering van verplichte arbocontracten per 1-1-1998 niet direct
aanleiding om de vergoedingssystematiek te wijzigen. Over het prijsniveau
van de verplicht gestelde arbocontracten was nog weinig bekend en dit prijsniveau
stond sterk onder invloed van de concurrentie onder arbodiensten.
Inmiddels is er ruim anderhalf jaar ervaring met de in de Arbowet opgenomen
verplichtingen en de daarmee samenhangende contractering door de instellingen.
Uit een nadere analyse van het minimumpakket dat op grond van de Arbowet bij
een gecertificeerde arbodienst moet worden afgenomen enerzijds en de geïndexeerde
BGZ-vergoeding aan de PO/VO-instellingen anderzijds, is het volgende gebleken.
Van het minimumpakket bestaande uit
1. het toetsen van de risico- inventarisatie en evaluatie (ri&e);
2. het verlenen van bijstand bij de begeleiding van zieke werknemers;
3. het uitvoeren van een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek
(Pago);
4. het houden van een arbeidsgezondheidskundig spreekuur
zijn ziekteverzuimbegeleiding door een arbodienst en het arbeidsgezondheidskundig
spreekuur (punt 2 en 4), diensten die al vóór 1998 via VF/COBGZ
konden worden afgenomen en waarmee in de vergoeding rekening is gehouden.
De risico-inventarisatie en het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek
(punten 1 en 3) – het betreft hier maatregelen in het kader van de arbeidsomstandigheden –
zijn diensten die niet in de vergoeding aan het schoolbestuur zijn opgenomen
maar daarentegen onder voorwaarden door VF/COBGZ worden verstrekt.
De vergoeding aan PO en VO is weliswaar sober maar stelt de scholen in
staat een arbocontract af te sluiten.
Overigens is het een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen om af
te wegen in hoeverre zij het personeelsbudget inzetten voor op preventie gerichte
begeleiding van het onderwijspersoneel. Daarnaast moet van een stijgend ziekteverzuim
een prikkel blijven uitgaan naar de schoolbesturen om afdoende maatregelen
te nemen om het verzuim terug te dringen.
Naast het voldoen aan de wettelijke verplichtingen hecht ik eraan dat
in situaties van langdurig verzuim of een hoge verzuimfrequentie, scholen
een beroep kunnen doen op aanvullende diensten zoals intensieveverzuimbegeleiding
en een Sociaal Medisch Overleg, waarvan de incidentele subsidies nu via VF/COBGZ
lopen.
Met name vroegtijdige interventie in het geval van dreigend langdurig
verzuim krijgt hierbij hoge prioriteit.
In dit kader breng ik bij u in herinnering dat in samenwerking met het
Vervangingsfonds de afgelopen jaren onderzoeksopdrachten zijn uitgezet bij
het Verwey Jonker instituut naar de communicatie tussen de betrokkenen bij
de ziekteverzuimbegeleiding. Momenteel voert het VF de aanbevelingen uit van
de onderzoekers waarbij de aandacht in het bijzonder uitgaat naar een ondersteuning
van de werkgever met als doel de zieke werknemer via een intensief begeleidingstraject
duurzaam te reïntegreren.
De eerste resultaten van enkele experimenten dienaangaande stemmen mij
optimistisch en bieden handvatten om de aanbevelingen van het Verwey Jonker
instituut te implementeren. Ik zal u hierover nader informeren tijdens het
algemeen overleg op 9 december a.s.
In overleg met het VF zal ik nagegaan of een intensivering van dergelijke
aanvullende ziekteverzuimdiensten door een re-allocatie van de middelen binnen
het Aanvullend Pakket mogelijk is.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L. M. L. H. A. Hermans