Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200226419 nr. 10

26 419
Toerisme en recreatie

nr. 10
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 juli 2002

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 en de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij2 hebben op 3 juli 2002 overleg gevoerd met staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de evaluatie Kampeerregelgeving en de Wet op de openluchtrecreatie (WOR) (26 419, nr. 8).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Hofstra (VVD) steunt het voorstel om de mogelijkheden van kamperen bij de boer te verruimen. Is het echter mogelijk om de grens nog hoger te stellen op een aantal van 25 of misschien zelfs 40 kampeermiddelen onder de voorwaarde dat concurrerende kampeervoorzieningen ook een algehele vrijstelling krijgen tot die grens? Verder wenst hij een stroomlijning van de controles op dit punt met het oog op de hiermee gepaard gaande lagere belasting voor de ondernemers in kwestie.

Voorts informeert hij ernaar of de wet voorziet in een definitie van «kamperen» met betrekking tot kampeerauto's. Hij begrijpt dat overnachten langs de snelweg risico's met zich brengt, maar waar ligt dan de grens c.q. wanneer is sprake van overnachten? Is het mogelijk om het overnachten in kampeerauto's langs het secundaire wegennet toe te staan, tenzij dat bij gemeentelijke verordening nadrukkelijk is verboden? In Frankrijk kent men een dergelijk systeem ook.

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) vindt het zorgelijk dat de uitvoering en handhaving van de WOR bij veel gemeenten weinig prioriteit krijgen, ook qua ambtelijke capaciteit. Derhalve is het goed als de staatssecretaris de aandacht van de gemeenten vraagt voor het goed uitvoeren en beter benutten van de mogelijkheden van de WOR. Gemeenten dienen kritisch te toetsen bij de verlening van vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen. De voorgestelde aanscherping van de artikelen 9 en 12 van de WOR is daarvoor van belang.

Zij constateert voorts dat de gemeenten zeer beperkt aandacht schenken aan de werking van het Besluit hygiëne, gezondheid en veiligheid bij kampeerterreinen. Ook op dit punt is een oproep aan de gemeenten op zijn plaats, zoals de ANWB bij brief heeft gesteld. Zij stemt derhalve in met het voorstel van de staatssecretaris om te komen tot een plan van aanpak voor een betere stroomlijning en intensivering van controle- en handhavingsacties.

Mevrouw Schreijer is van mening dat bij het kamperen bij de boer de vraag van de consument doorslaggevend moet zijn, waarbij nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met de noodzakelijke landschappelijke inpassing, de aanwezigheid van voorzieningen voor de hygiëne en veiligheid en vast omschreven kampeermiddelen. De gemeenten moeten duidelijke voorwaarden en voorschriften verbinden aan een ontheffing. Artikel 11 van de WOR moet dus worden benut. Een en ander moet ook worden gehandhaafd. De voorwaarden en voorschriften, verbonden aan het kamperen bij de boer, moeten duidelijk en zoveel mogelijk uniform zijn voor alle gemeenten. Kan de staatssecretaris dit in samenspraak met de VNG bevorderen? Hoe kan zij een goede toepassing van artikel 11 van de WOR stimuleren?

Het verruimen van de mogelijkheden voor het kamperen bij de boer naar 15 plaatsen gedurende het gehele kampeerseizoen heeft in de optiek van mevrouw Schreijer grote voordelen, maar het voorstel van de heer Hofstra op dit punt gaat haar te ver. De voorgestelde aanpassing biedt betere mogelijkheden voor handhaving en uitvoering van de regelgeving. Deze regeling biedt duidelijkheid aan de consument, draagt bij aan een meer gevarieerd recreatief product waar de consument om vraagt, biedt een betere benutting van de aanwezige ruimte en voorzieningen en levert een belangrijke bijdrage aan plattelandsvernieuwing en verbreding van de agrarische bedrijfsuitvoering. De nieuwe regeling mag niet leiden tot scheve concurrentieverhoudingen met vergunningsplichtige bedrijven die aan zwaardere voorwaarden moeten voldoen. Het kamperen bij de boer moet daarom kleinschalig blijven en daarom moet de grens echt liggen bij 15 kampeermiddelen. Het moet ook duidelijk worden wat onder «kampeermiddel» wordt verstaan. Dat is geen toiletwagen of een tentje van een kind. Een en ander vereist een strikte handhaving, waaraan het nu nogal eens ontbreekt. Het leggen van de grens bij 15 kampeermiddelen biedt in vrijwel alle situaties voldoende soelaas, behalve gedurende het hoogseizoen in de provincie Zeeland. Is het mogelijk om in noodgevallen bij incidentele tekorten in Zeeland maatwerk te bieden via enige verruiming op dat punt?

Mevrouw Schreijer vindt het in een relatief klein land als Nederland niet noodzakelijk om de overnachting in kampeerauto's op openbare parkeerplaatsen ongelimiteerd toe te staan. Er is immers vaak een camping in de buurt, die meestal soelaas biedt. Daarnaast biedt artikel 15 van de WOR aan gemeenten de mogelijkheid om voor een korte periode een uitzondering te maken voor vijf kampeerauto's. Overwogen kan worden om in specifieke situaties dit aantal te verhogen tot tien. Met de groei van het toerisme zal immers het gebruik van kampeerauto's blijven toenemen. Een zekere uitbreiding van artikel 15 kan daaraan tegemoet komen, zonder het principe van het reguleren van het overnachten in kampeerauto's buiten de kampeerplaatsen te verlaten.

Tot slot deelt zij mede er nog niet van overtuigd te zijn dat het verplicht stellen van de gemeentelijke kampeerverordening overbodig is. De staatssecretaris acht zo'n hernieuwde verplichting niet noodzakelijk, omdat tweederde van de gemeenten een kampeerbeleid heeft geformuleerd. Eenderde van de gemeenten heeft dat dus nog niet. Om welke gemeenten gaat het dan en welke redenen zijn er voor het ontbreken van een dergelijk beleid? Gaat het ook om gemeenten waar heel veel mensen kamperen?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) releveert dat in 1995 de Kampeerwet is vervangen door de WOR met het oog op de vergroting van de beleidsvrijheid van de gemeenten en de vergroting van de diversiteit. Uit de evaluatie blijkt dat de diversiteit in feite niet is vergroot en dat maar weinig gemeenten gebruik hebben gemaakt van de nieuwe vrijheden. Eenderde van de gemeenten heeft volgens de enquête geen beleidsplan voor kamperen opgesteld. Aannemelijk is voorts dat gemeenten die geen kampeerbeleid voeren, ook niet op de enquête hebben gereageerd en dat het daadwerkelijke cijfer dus nog slechter is. Op welke wijze zal de staatssecretaris trachten het percentage gemeenten met een beleidsplan te verhogen? Is de uitkomst van de enquête geen aanleiding om het onderzoek gemeentedekkend voort te zetten en te bezien hoeveel gemeenten daadwerkelijk kampeerbeleid voeren? Daarnaast valt op hoe weinig ambtelijke capaciteit gemeenten reserveren voor het kampeerbeleid, gemiddeld 0,15 formatieplaats. Daar komt bij dat gemeenten die niet hebben gereageerd, dit gemiddelde nog eens naar beneden kunnen halen. Kortom, het kampeerbeleid krijgt van gemeenten weinig prioriteit. De decentralisatie heeft dus beperkt succes gehad. De gemeenten moeten veel steviger inzetten op dit beleid en daarvoor ook mensen en middelen vrijmaken. Met het oog daarop is het van belang dat de staatssecretaris hierover bij de gemeenten een krachtig signaal afgeeft. Op korte termijn moet met de branche en de VNG een plan van aanpak worden gemaakt om de implementatie alsnog versneld door te voeren.

Een volgend punt van zorg betreft de veiligheid op de kampeerterreinen. Zeker bij grote campings met horecavoorzieningen komen veel mensen samen en dient de veiligheid van die grote groepen mensen absoluut gewaarborgd te zijn. De reactie van de staatssecretaris dat de controle en handhaving worden gestroomlijnd en geïntensiveerd, is positief, maar toch onvoldoende. Zeker van grotere campings waar meer dan 50 mensen tegelijkertijd verblijven, mag worden verwacht dat zij over een actueel veiligheidsplan beschikken dat ook regelmatig wordt gecontroleerd. Is de staatssecretaris bereid om samen met de minister van BZK en de VNG te bezien hoeveel campings over zo'n actueel en goedgekeurd veiligheidsplan beschikken en hierover aan de Kamer te rapporteren? Het is ook belangrijk dat de overheid investeert in de advisering van bedrijven op dat punt. Het is onvoldoende dat wordt volstaan met het ter kennis brengen van de problematiek bij de brancheorganisaties.

Mevrouw Van Gent ziet het kamperen bij de boer – recreatie als een nieuwe loot aan de boom van een verbreed boerenbedrijf – als een belangrijke ontwikkeling die veel steun verdient, ook in het streven naar een leefbaar platteland. Dergelijke groene diensten door boeren verbreden de basis van de landbouw en ook de economische draagkracht van het platteland en passen in de door GroenLinks bepleite ecologische modernisering van de landbouw in Nederland. Derhalve zou zij graag zien dat de regelgeving meer toestaat dan nu het geval is, zij het wel onder de randvoorwaarden van natuur, milieu en landschap. Het voorstel van de heer Hofstra op dit punt gaat haar veel te ver.

De VeKaBo (vereniging van kampeerboeren Nederland) pleitte evenwel voor een uitbreiding van het maximumaantal plaatsen naar 25, omdat bij dit aantal een minicamping beter vorm te geven is en de investeringen in voorzieningen ten behoeve van milieu, natuur, legionellabestrijding, veiligheid, etc. lonend zijn. Is de staatssecretaris bereid om de regelgeving in deze zin aan te passen, rekening houdend met het gegeven dat sprake is van een ander marktsegment dan dat van grotere campings? Als het argument van de landschappelijke aantasting in dezen dominant is, dan kunnen in de wetgeving scherpere verplichtingen terzake worden opgenomen. De vraag is ook of het landschap niet meer gebaat is bij enkele grotere minicampings dan bij veel kleintjes. Daar komt bij dat in een aantal regio's de vraag het aanbod scherp overschrijdt. Als alleen voor Zeeland in het hoogseizoen meer plaatsen worden toegestaan, dan wordt dat meer regel dan uitzondering. Er zijn bovendien ook andere gebieden in het land die een dergelijke uitbreiding zouden willen.

Tot slot geeft zij te kennen geen voorstandster te zijn van een uitbreiding van de mogelijkheden voor het overnachten in kampeerauto's buiten kampeerterreinen. Op zichzelf kan zij zich wel voorstellen dat mensen op een parkeerplaats willen overnachten, maar het gevaar is dat dan afval en chemische middelen worden gedumpt. Er zit dus meer aan vast dan zo op het eerste gezicht lijkt. Als er een markt voor is, zullen campings ook meer voorzieningen voor campers treffen. Bovendien biedt artikel 15 van de WOR al bepaalde mogelijkheden voor gemeenten om het overnachten in kampeerauto's toe te staan.

Mevrouw Van Velzen (SP) is blij met de evaluatie, want het is goed om de realiteit nu zwart op wit samengevat te zien. De uitkomsten van de evaluatie zijn bedroevend. Eenderde van de gemeenten doet helemaal niets aan het kampeerbeleid, terwijl meer dan de helft van deze groep wel een of meer campings binnen de gemeentegrenzen herbergt. Bovendien is de conclusie gebaseerd op informatie van de gemeenten zelf en het is onwaarschijnlijk dat zij genegen zijn om hun vuile was buiten te hangen. Is de staatssecretaris op enigerlei wijze via eigen onderzoek of via kampeerdersorganisaties nagegaan of de door de gemeenten aangeleverde gegevens niet te rooskleurig zijn? Een gemeentelijk kampeerbeleid is van belang omdat anders projectontwikkelaars, die het omkatten van campings in chaletparken als een lucratieve markt ontdekt hebben, geen strobreed in de weg wordt gelegd. Deze ontwikkeling is nu al een jaar of acht aan de gang en de Kamer is hierover al een jaar of zes met het kabinet aan het steggelen, maar het blijft bij mooie woorden en er zijn te weinig concrete daden.

Uit de evaluatie maakt zij voorts op dat 18% van de gemeentelijke bestemmingsplannen waarin het kampeerbeleid is geregeld, ouder dan tien jaar is. Hetzelfde geldt voor 11% van de kampeerverordeningen. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat dergelijke stukken nog een goede basis vormen voor een adequate handhaving. Gemiddeld is per gemeente slechts 0,15 formatieplaats beschikbaar voor de uitvoering en handhaving van de WOR. Dat leidt ertoe dat gemeenten weinig kritisch zijn bij het verlenen van vergunningen of ontheffingen en dat het intrekken of weigeren van een vergunning of ontheffing zelden gebeurt. Merkwaardig is dat de staatssecretaris zo lankmoedig is met maatregelen om de gemeenten te dwingen de handhaving aan te scherpen, terwijl zij zelf constateert dat die handhaving beroerd is. Wat bedoelt zij in dit verband met «aandacht vragen»? Is dat niet te vrijblijvend, gezien de geconstateerde praktijk? Overigens is het een goede zaak dat de vergunningverlening en de handhaving bij de WOR worden geïntegreerd met andere gemeentelijke taken in deze sfeer.

Mevrouw Van Velzen spreekt voorts waardering uit voor het kamperen bij de boer als de klassieke vorm van kamperen voor rustzoekers die niet zitten te wachten op allerlei voorzieningen. Dat mag dan ook zo blijven. Het verhogen van het aantal kampeermiddelen tot ten hoogste 15 gedurende het hele kampeerseizoen is acceptabel op voorwaarde dat de handhaving van de overige spelregels sterk wordt aangescherpt. Te denken is dan aan het weghalen van de kampeermiddelen buiten het seizoen. Is het voorts mogelijk om een flink aantal van deze kampeerplaatsen te reserveren voor trekkers?

Zij constateert dat er een lobby aan de gang is om het overnachten in kampeerauto's buiten kampeerterreinen vaker mogelijk te maken. Op dit punt steunt zij het beleid van de staatssecretaris ten zeerste, namelijk dat dit niet gewenst is.

Tot slot releveert zij dat volgens de evaluatie eenzesde van de gemeenten wel een camping of chaletpark huisvest, maar geen kampeerbeleid heeft. Haar fractie stelde voor om de gemeentelijke kampeerverordening weer verplicht te stellen om deze zwakke broeders weer in het gareel te krijgen. Dat mag ook met een ander instrument gebeuren, maar daar komt de staatssecretaris ook niet mee. Zij blijft hangen in een welwillende opstelling en het sturen van brieven. Na zes jaar kamerdebatten is er overeenstemming over de intenties, maar zit er nog te veel licht tussen die intenties en de dagelijkse praktijk in de gemeenten.

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris geeft te kennen dat veel gemeenten, 66%, op de enquête in het kader van de evaluatie hebben gereageerd. Alleen al het feit dat een dergelijke evaluatie wordt opgesteld en dat een dergelijke enquête is gehouden, leidt ertoe dat gemeenten op dit beleidsveld alert worden gemaakt en als het ware worden opgeschud. Daarnaast zijn op een aantal terreinen wel degelijk beleidsmaatregelen aangekondigd. Dat alles heeft inmiddels ook zijn weerslag gekregen in een nieuwe brochure in de groene reeks van de VNG «Wonen of recreëren», waarover de gemeenten sinds kort kunnen beschikken. Feit is dat de uitvoering van de kampeerregelgeving volledig is gedecentraliseerd, hetgeen betekent dat het kabinet geen bevoegdheden heeft om gemeenten tot actualisering van zaken te dwingen. Gezien het goede overleg met de VNG op dit punt, mag evenwel worden verwacht dat de gemeenten aan het verzoek van het kabinet gehoor zullen geven om meer aan het kampeerbeleid te doen dan tot nu toe is gebeurd. Viervijfde van de gemeenten hebben na de inwerkingtreding van de WOR hun kampeerbeleid formeel vastgelegd en dat is geen slecht resultaat. In het overgrote deel van de gemeenten waar verblijfsrecreatie in enige mate voorkomt, wordt er ook aan gewerkt. Gemeenten moeten daartoe ook de kans krijgen. Enig vertrouwen op dat punt is dan ook geboden, maar het is wel zaak om hierbij de vinger aan de pols te houden.

Hierna releveert zij dat het optreden van projectontwikkelaars bij het plaatsen van chalets op kampeerterreinen ook een zaak is van het ruimtelijkeordeningsbeleid van de gemeenten, die dergelijke ontwikkelingen in hun bestemmingsplannen mogelijk moeten maken. In de Kamer is indringend gediscussieerd over de positie van langkampeerders en met het oog daarop wordt nu gewerkt aan nadere wettelijke regelgeving, want het is voor gemeenten kennelijk lastig om, als zij dat willen, dergelijke ontwikkelingen tegen te gaan. In de wetgeving kan voor gemeenten een aantal handvatten worden geboden om daarmee aan de gang te gaan, bijvoorbeeld door de vergunningverlening te koppelen aan de controle op reglementen van de recreatieverblijven. Het reglement zal een toetsingscriterium voor de vergunningverlening moeten zijn. Als blijkt dat de eigenaren van de recreatieverblijven zich niet houden aan wat zij zelf in het reglement hebben bepaald, kan dat ook reden zijn om een vergunning in te trekken. De bedoelde wetsvoorstellen zullen naar verwachting vlak na het zomerreces in de ministerraad worden gebracht om vervolgens aan de Raad van State te worden voorgelegd. Na advisering door de Raad van State zal een en ander naar de Kamer worden doorgeleid.

Vervolgens beaamt staatssecretaris Faber dat de handhaving van het Besluit hygiëne, gezondheid en veiligheid van kampeerterreinen in de praktijk te wensen overlaat. Derhalve heeft de minister van VROM laten weten dat dit onderwerp vlak na de zomer zal worden geagendeerd voor de Landelijke coördinatiecommissie milieuhandhaving (LCCM), teneinde na te gaan hoe de handhaving kan worden versterkt. Met de inwerkingtreding van de WOR en het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer is een en ander formeel geregeld. De algemene maatregel van bestuur dienaangaande is van recente datum. 60% tot 80% van de kampeerterreinen vallen onder deze AMvB; voor terreinen die niet onder de AMvB vallen, is de gemeente het bevoegd gezag. Met de minister van VROM, die voor dit beleid verantwoordelijk is, zal worden besproken in hoeverre het beleid in overleg met het ministerie van BZK, de VNG en de Recron nog kan worden aangescherpt. De gemeenten dienen toe te zien op de opstelling van veiligheidsplannen en die eventueel in hun rampenbestrijdingsplannen te incorporeren. Zij dienen ook in te grijpen als blijkt dat zaken niet in orde zijn. In de LCCM zal worden besproken hoe hierbij op landelijk niveau meer toezicht en druk kunnen worden uitgeoefend. De logische consequentie hiervan is dat dit onderwerp ook onderdeel zal vormen van de periodieke handhavingsrapportage van VROM.

Hierna brengt de staatssecretaris naar voren dat het beleid inzake het kamperen bij de boer onduidelijk was en dat derhalve wordt voorgesteld om de regeling te verruimen tot het toestaan van maximaal 15 kampeermiddelen gedurende het hele kampeerseizoen (15 maart t/m 31 oktober). Als gemeenten dat in bepaalde omstandigheden noodzakelijk achten, kunnen zij onder dit maximum van 15 gaan zitten of een kortere periode aanhouden. Bij het kamperen bij de boer is sprake van een systeem van vrijstellingen en ontheffingen. Als sprake is van een duidelijke recreatieve bestemming met grotere aantallen kampeerplaatsen, dan moet dat als zodanig ook positief planologisch worden bestemd en dan is ook een vergunning nodig. Vergunningsplichtige bedrijven zouden in een nadelige situatie worden gebracht als het kamperen bij de boer nog veel sterker zou worden verruimd. Met het nu voorliggende voorstel is een goed evenwicht gevonden tussen enerzijds het kamperen bij de boer en anderzijds de vergunningsplichtige recreatiebedrijven. Zij zegt toe dat in overleg met de VNG zal worden nagegaan of voor gemeenten een handleiding kan worden opgesteld inzake de regelgeving voor het kamperen bij de boer.

Het lijkt haar niet wenselijk om voor de specifieke situatie van Zeeland een verruiming van mogelijkheden toe te staan, want ook elders in het land is sprake van piekbelastingen en zijn toerisme en recreatie van groot belang. Een dergelijke uitzondering zou ook oneerlijke concurrentie betekenen voor de vergunningsplichtige bedrijven. Het aanwijzen van plaatsen voor trekkers is naar haar opvatting een zaak die de markt zelf moet regelen en geen punt voor overheidsregelgeving. Thans is al voorgeschreven dat de kampeermiddelen die (op grond van artikel 8, derde lid, van de WOR) tijdelijk extra bij de boer mogen worden geplaatst, na die periode moeten worden weggehaald.

Met mevrouw Van Velzen constateert zij dat sprake is van een lobby van de kampeerautobezitters. Zij wenst op dit punt geen verruiming van de regelgeving toe te staan. Nederland heeft een grote dichtheid qua kampeer- en recreatiebedrijven waar men in de kampeerauto kan overnachten. Heel veel kampeerterreinen hebben daarvoor ook speciaal voorzieningen aangelegd. Uit de evaluatie blijkt dat bij overheidsinstellingen en terrein- en wegbeheerders zo goed als geen steun bestaat voor een verruiming op dit punt. De noodzaak van overnachting op openbare parkeerplaatsen is in Nederland niet aanwezig, maar zou daarentegen wel problemen opleveren op het gebied van de openbare orde en de veiligheid. Daar komt bij dat artikel 15 van de WOR het voor een gemeente mogelijk maakt om faciliteiten voor maximaal vijf kampeerauto's te realiseren. Bij speciale evenementen is het voor gemeenten krachtens artikel 13 van de WOR mogelijk om een grotere verruiming toe te staan. De grens tussen parkeren en kamperen is wettelijk niet vastgelegd; overtreding van het kampeerverbod zal aan de hand van feitelijke omstandigheden moeten worden beoordeeld en dat stuit in de handhavingspraktijk niet op problemen.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Van Velzen (SP) verneemt graag nog in hoeverre de informatie van gemeenten uit de enquête ook elders op haar juistheid gecheckt is. Ook vraagt zij nog welke maatregelen de staatssecretaris neemt voor verbetering van de handhaving bij de vergunningafgifte.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) waardeert het dat het veiligheidsaspect op kampeerterreinen nog eens met de minister van BZK en de VNG wordt besproken, maar het is wel van belang dat hierbij tempo wordt gemaakt. Het mag immers geen papieren beleid zijn dat in de praktijk onvoldoende werkt.

Verder herhaalt zij haar pleidooi voor een verruiming van het kamperen bij de boer tot maximaal 25 plaatsen, hetgeen voor boeren uit bedrijfseconomisch oogpunt aantrekkelijk is. Concurrentie met vergunningsplichtige bedrijven treedt in haar optiek niet zozeer op, omdat het daarbij om een heel ander marktsegment gaat.

Tot slot steunt zij het beleid van de staatssecretaris inzake de kampeerauto's, al mag hier en daar wel enige soepelheid worden betracht. Het is evenwel absoluut ongewenst dat grote parkeerplaatsen ontstaan voor kampeerauto's.

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) heeft voor een uitzonderingssituatie voor Zeeland gepleit, omdat juist Zeeland dat zelf specifiek heeft gesuggereerd. Een dergelijke uitzondering zou alleen voor één nacht van toepassing moeten zijn in ernstige noodgevallen. Dit soort signalen heeft zij niet van andere provincies gekregen.

De staatssecretaris geeft aan dat de evaluatie niet alleen is gebaseerd op informatie van gemeenten, maar ook op interviews met andere instanties. Dat zorgt ervoor dat het beeld redelijk betrouwbaar is. Wat de handhaving en de vergunningverlening betreft, is met de voorliggende evaluatie al de vinger aan de pols gelegd. In dat opzicht blijft zij bij wat zij in eerste termijn heeft gezegd. Zij kan zich goed voorstellen dat bij een volgende evaluatie van het beleid expliciet wordt bezien wat alsdan wel en niet is gerealiseerd en of de rijksoverheid verder moet gaan in haar optreden op dit punt.

Zij heeft begrip voor het ongeduld van mevrouw Van Gent ten aanzien van de handhaving van de veiligheidsaspecten. Zoals gezegd wordt het in de LCCM besproken, terwijl naar verwachting de minister van VROM op korte termijn overleg zal voeren met BZK, VNG en Recron. In ieder geval zal zij de minister op de noodzaak daarvan attenderen.

Het is voor haar de vraag of het in bedrijfseconomische zin noodzakelijk is om de grens van 15 kampeermiddelen voor het kamperen bij de boer uit te breiden naar 25. Uit de ervaringscijfers blijkt dat een aantal van 10 tot 15 voor boeren lucratief genoeg is om hun terrein open te stellen voor kampeeractiviteiten. Een verdere uitbreiding zou ook concurrentievervalsend werken ten opzichte van vergunningsplichtige recreatiebedrijven. Er zijn immers wel degelijk ook kleinschalige commerciële recreatiebedrijven die wel vergunningsplichtig zijn. Het is voor een boer mogelijk om zijn kampeeractiviteiten uit te breiden tot meer dan 15 plaatsen, mits de gemeente daarvoor vergunning heeft verleend en dat in planologische zin mogelijk heeft gemaakt.

Tot slot lijkt het haar onjuist om alleen voor Zeeland een uitzondering te creëren, terwijl elders in den lande soortgelijke problemen optreden. In echte noodsituaties kan een gemeente altijd maatregelen nemen krachtens de artikelen 13 en 15 van de WOR.

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Meijer

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Van der Vlies

De waarnemend griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Roovers


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Te Veldhuis (VVD), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Crone (PvdA), Cornielje (VVD), Hofstra (VVD), Meijer (CDA), fng. voorzitter, Koenders (PvdA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Van Gent (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Bussemaker (PvdA), Mosterd (CDA), Alblas (LPF), Van As (LPF), Van den Brink (LPF), Veling (ChristenUnie), Jense (LN), Van Bochove (CDA), Van Geel (CDA), De Ruiter (SP), Duyvendak (GroenLinks), Smolders (LPF) en Van Lith (CDA).

Plv. leden: Van der Ham (D66), Rietkerk (CDA), Van den Brand (GroenLinks), Koopmans (CDA), Vietsch (CDA), Groenink (LPF), Wiersma (LPF), Schonewille (LPF), Van der Staaij (SGP), Teeven (LN), Ten Hoopen (CDA), Van Velzen (SP), Vos (GroenLinks), De Jong (LPF) en Spies (CDA).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), fng. voorzitter, Te Veldhuis (VVD), Van Heemst (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Duivesteijn (PvdA), Kamp (VVD), Crone (PvdA), Vos (GroenLinks), Cornielje (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Meijer (CDA), Buijs (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Van Ruiten (LPF), Van den Brink (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Teeven (LN), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Jong (LPF) en Groenink (LPF).

Plv. leden: Van Dijke (ChristenUnie), Jager (CDA), Mosterd (CDA), Spies (CDA), Van Lith (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Eerdmans (LPF), Dekker (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Jense (LN), Mastwijk (CDA), Van Geen (D66), Vergeer-Mudde (SP), Jukema (LPF) en Smolders (LPF).