nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Pensioen-
en spaarfondsenwet te wijzigen in verband met het opnemen van voorschriften
betreffende besteding van overschotten bij pensioenfondsen voor het toekennen
van toeslagen op premievrije pensioenaanspraken en ingegane pensioenen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Pensioen- en spaarfondsenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2, vierde lid, wordt na «op een van de andere wijzen
voorzien in het eerste lid.» een nieuwe zin ingevoegd, luidende: Bij
de vaststelling van deze regelen wordt, met inachtneming van de aard van de
voorzieningen, in ieder geval ervan uitgegaan dat ten behoeve van de betrokkenen
overeenkomstige waarborgen gelden, als zijn vastgelegd in artikel 8a.
B
Onder vernummering van de artikelen 8a, 8b en 8c in 8b, 8c en 8d, wordt
een nieuw artikel 8a ingevoegd, luidende:
Artikel 8a
Een pensioenfonds wendt de vrije reserve, hoe ook genaamd, niet aan voor:
a. het verrichten van uitkeringen, onder welke naam dan ook, in een kalenderjaar
aan een werkgever, dan wel
b. het verlenen of laten voortduren van een vermindering of nihilstelling
in een kalenderjaar van de door of voor een deelnemer of de door een werkgever
verschuldigde bijdrage, zolang niet over ten minste het kalenderjaar en de
twee daaraan voorafgaande kalenderjaren is voorzien in aanpassing, met inachtneming
van het overigens in dit artikel bepaalde, van zowel het ingegane pensioen
van een persoon die aan een pensioenregeling van het pensioenfonds heeft deelgenomen,
als de premievrije pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, toegekend
of vastgesteld op grond van enige deelneming aan een pensioenregeling van
het pensioenfonds. Een overeenkomstig recht op aanpassing heeft de weduwe
of weduwnaar, alsmede de partner van een gewezen deelnemer na diens overlijden,
wat betreft het weduwen- of weduwnaarpensioen, dan wel het partnerpensioen.
Een overeenkomstig recht op aanpassing heeft eveneens de deelnemer of gewezen
deelnemer wat betreft zijn premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen,
dan wel partnerpensioen. De aanpassing overeenkomstig dit lid behoeft niet
plaats te vinden, indien in een kalenderjaar is voorzien in aanpassing op
de voet van ten minste dezelfde normen op grond waarvan de pensioenaanspraken
van deelnemers in het pensioenfonds in een kalenderjaar worden aangepast.
2. Wat betreft de vermindering van de door of voor een deelnemer verschuldigde
bijdrage is het eerste lid slechts van toepassing indien door de vermindering
deze deelnemersbijdrage, tezamen met de bijdrage van de werkgever, zou dalen
beneden tien procent van het pensioengevend loon.
3. Met betrekking tot de aanpassing, bedoeld in het eerste lid, geldt
dat:
a. de aanpassing ten minste plaats vindt overeenkomstig de ontwikkeling
van de contractlonen in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarop de
aanpassing betrekking heeft;
b. de aanpassing in geen geval mag leiden tot verlaging van de pensioenen
of pensioenaanspraken;
c. onder gewezen deelnemer wordt verstaan de gewezen deelnemer bedoeld
in artikel 8, zevende, achtste en negende lid.
4. Onder ontwikkeling van de contractlonen bedoeld in het derde lid wordt
verstaan: het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen
in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde sector en bij de overheid,
zoals deze door het Centraal Planbureau wordt bekend gemaakt.
5. Het percentage, genoemd in het tweede lid, kan bij algemene maatregel
van bestuur worden gewijzigd. De voordracht voor een krachtens dit lid vast
te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het
ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid
is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied,
wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig
met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal
overgelegd.
6. Het eerste tot en met vijfde lid is niet van toepassing op een pensioenregeling
die kan worden beschouwd als alleen te worden bepaald door de beschikbaar
gestelde premies of bijdragen.
C
In artikel 29 wordt «8b» vervangen door: 8c.
ARTIKEL II
De statuten en reglementen van pensioenfondsen worden binnen twee jaar
na de inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming gebracht met de bepalingen
van deze wet.
ARTIKEL III
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,