Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26400 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 26400 nr. 4 |
Vastgesteld 25 oktober 1999
De commissie voor de Rijksuitgaven1 en de vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2, voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij3, voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid4, voor Verkeer en Waterstaat5, voor Economische Zaken6 en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer7 hebben een aantal vragen aan de regering voorgelegd over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Toezicht op keuringen in Nederland».
De minister van Economische Zaken heeft mede namens de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de vragen beantwoord per brief van 22 oktober 1999.
Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van commissie voor de Rijksuitgaven,
Van Walsem
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Essers
De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Ter Veer
De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Terpstra
De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,
Blaauw
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Biesheuvel
De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Reitsma
De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,
Van der Windt
Moet uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer de conclusie worden getrokken dat het aanbeveling verdient om te streven naar (verdergaande) samenwerking, of een fusie tussen keuringsdiensten en/of rijksinspecties? Zo ja, op welke wijze gaat de regering dit bevorderen? Zo nee, op welke gronden acht de regering dit niet aan te bevelen? (blz. 4)
Naar optimale samenwerking tussen keuringsdiensten en Rijksinspecties wordt altijd gestreefd. Dat is een continu proces en het rapport van de Algemene Rekenkamer kan dat proces ondersteunen. Een fusie van deze diensten is echter niet aan de orde vanwege:
– de grote verscheidenheid aan keuringsstelsels (de AR heeft slechts een fractie onderzocht van alle wettelijke keuringen waarmee de Rijksoverheid bemoeienis heeft en waarvoor zij de verantwoordelijkheid draagt);
– de zeer uiteenlopende aard van de «producten» die gekeurd worden (van benzinepompen tot varkensvlees);
– het verschil tussen keuringsinstellingen die wettelijke keuringen verrichten en Rijksinspecties; de keuringsinstellingen zijn merendeels private organisaties (denk aan garages die de APK uitvoeren); de Rijksinspecties daarentegen zijn publiekrechtelijke lichamen.
Overigens wordt mede in het belang van de bescherming van de burger door de regering nagedacht over de samenwerking bij het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en wordt integratie van inspecties serieus overwogen. Hetgeen met zich meebrengt dat niet uitgesloten mag worden dat dit organisatorische gevolgen kan hebben voor de keuringsinstanties.
Deelt de regering de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat de verschillende ministeries een redelijk niveau van bescherming van de burger niet kunnen waarborgen vanwege het ontbreken van een sluitend toezicht op de wettelijke keuringen? (blz. 6)
Onderschrijft de regering de conclusie van de Rekenkamer, dat de informatie over de resultaten van de keuringen en over het functioneren van de keuringsinstellingen onvoldoende is als basis voor een oordeel van de verantwoordelijke ministers over het bereikte beschermingsniveau voor de burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de regering van mening dat dit afbreuk doet aan de bescherming van de burger en zijn er plannen hierin verandering aan te brengen en op welke wijze? Kunnen bij de beantwoording de conclusies van de verschillende ministers, genoemd op blz. 23 worden betrokken.
Onderschrijft de regering de conclusie in het nawoord van de Rekenkamer, dat een toezichtketen sluitend moet zijn en zijn de door de verschillende ministeries genoemde maatregelen om dit te bereiken voldoende? Hoe interpreteert de regering daarbij het gegeven dat één minister, te weten de minister van Economische Zaken, in tegenstelling tot de overige ministers, van mening is dat de gehanteerde praktijk voldoende is? Kan daarbij de situatie ontstaan, dat een minister niet of niet voldoende inzicht heeft in de afweging tussen de maatschappelijke kosten en de bescherming van de burger? Welke conclusie wordt daaruit door de regering getrokken?
Zoals de Rekenkamer in haar rapport op pagina 23 heeft aangegeven, heeft de regering moeite met de algemene conclusie dat zij lang niet altijd zou kunnen instaan voor een redelijk niveau van bescherming van de burger. De conclusie van de Rekenkamer is gebaseerd op een zeer gering aantal (10) wettelijke keuringen en kan daarom, naar de mening van de regering, geen algemene geldigheid hebben. Bovendien is deze conclusie evenmin van toepassing op de wel onderzochte keuringen. Zo wordt bijvoorbeeld het toezicht ten aanzien van de drinkwaterkeuringen door de Rekenkamer op vrijwel alle aspecten als toereikend aangemerkt. De bescherming van de burger is voldoende gewaarborgd, al zijn verbeteringen in het toezicht op de wettelijke keuringen wel mogelijk. De suggesties die hiervoor door de Rekenkamer zijn gedaan zullen bij de verdere beleidsvorming worden betrokken.
De regering onderschrijft niet de conclusie van de Rekenkamer, dat de informatie over de resultaten van de keuringen en over het functioneren van de keuringsinstellingen onvoldoende is als basis voor een oordeel van de verantwoordelijke ministers over het bereikte beschermingsniveau voor de burger. De regering heeft de Rekenkamer eerder aangegeven niet te twijfelen aan de kwaliteit van de onderzochte keuringen.
De Rekenkamer erkent ook dat er uit haar onderzoek geen signalen zijn gekomen dat de resultaten van de keuringen onvoldoende zouden zijn.
Welke (beleids)maatregelen heeft de regering genomen of is zij voornemens te nemen, gelet op de in hoofdstuk 1.2 genoemde Europese regelgeving? (blz. 13)
Voor het goed functioneren van de interne markt is voor een groot aantal productgroepen de wetgeving in de Unie geharmoniseerd door middel van Europese richtlijnen (o.a. vormgegeven door CE-markering), die in de lidstaten worden omgezet in regelgeving.
Naar schatting van de Europese Commissie dekken deze richtlijnen inmiddels meer dan 60% van de intracommunautaire handel.
Daarnaast is het streven van de Europese Unie er op gericht de komende jaren te komen tot een verdere harmonisatie in beleid ten aanzien van het aanwijzen van instellingen en het toezicht op de markt, waarbij accreditatie een belangrijke rol kan spelen, doch niet verplicht wordt gesteld. De Nederlandse overheid ondersteunt en geeft mede vorm aan dit beleid in Brusselse gremia. Deze systematiek wordt op nationaal niveau gecoördineerd in de Interdepartementale Commissie voor Normalisatie en Certificatie (ICN).
De Algemene Rekenkamer stelt in haar rapport – en ook in haar conclusies – dat de controlerende instanties buiten de overheid beter voldoen aan het overzicht en de omvang van het keuringsveld dan de Rijksinspecties. Is de regering van mening dat de controle door de genoemde Rijksinspecties verbeterd moet worden en zo ja, op welke wijze moet dit worden vormgegeven?
Is de regering van mening dat voor de genoemde instanties, voorzover zij vallen onder haar verantwoordelijkheid, extra of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen omtrent waarborgen voor integriteit? Zo ja, welke maatregelen en bij welke organisatie?
Hoe denkt de regering structureel vorm te geven aan het toezicht, met name de kwaliteit en de resultaten van het toezicht. (blz. 21)
De regering is niet in alle gevallen van mening dat de controle door de genoemde Rijksinspecties behoeft te worden verbeterd. In een aantal gevallen is geconstateerd dat de controle wel voldoende is, maar dat de schriftelijke vastlegging van resultaten kan worden verbeterd, zodat bijvoorbeeld de Rekenkamer achteraf ook kan vaststellen welke handelingen hebben plaatsgevonden. Acties zijn daartoe aangekondigd.
Echter, gezien de diversiteit in soorten keuringen, keuringsgebieden en daarmee samenhangend toezicht is een uniforme aanpak van verbeteracties niet goed mogelijk.
De door de AR opgestelde checklist kan worden gehanteerd als hulpmiddel in het geval een bestaande keuring in opzet of werking wordt gewijzigd of als een nieuwe wordt opgezet. Het systematisch en controleerbaar vastleggen van informatie is een belangrijk aandachtspunt voor de regering. Verschillende acties zijn reeds toegezegd. De aanpak zal echter ook pragmatisch van aard moeten zijn, want het is zeer de vraag of uitgebreidere systemen van informatievoorziening nuttig en nodig zijn. Kosten en baten moeten daarbij tegen elkaar worden afgewogen.
Voor instanties buiten de overheid kunnen verschillende regimes van toepassing zijn.
Indien organisaties geaccrediteerd zijn, moeten zij voldoen aan bepaalde waarborgen voor integriteit op basis van relevante Europese normen (uit de EN 45 000-serie), en zij worden daarop blijvend getoetst. Vele keuringsinstellingen, zoals COKZ, CPE en Skal en NMi zijn geaccrediteerd, en daardoor is er voldoende waarborg t.a.v. de integriteit. Overigens constateert de Algemene Rekenkamer in haar rapport dat er zowel bij de Rijksinspecties als buiten de overheid richtlijnen inzake integriteit bestaan.
In navolging van het advies van de commissie Holtslag worden thans in interdepartementaal verband ook een aantal toezichtarrangementen geëvalueerd aan de hand van de checklist van de Commissie Holtslag.
Is de regering verontrust door de conclusie van de Algemene Rekenkamer over de rijksinspecties AID en de Economische Controledienst, inhoudende dat deze diensten niets of vrijwel niets deden aan controle op de resultaten van de keuring? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat de regering hieraan doen? (blz. 15)
Is de stelling van de Algemene Rekenkamer juist, dat de ECD op grond van de wet moet toezien op de keuring van gastoestellen? Zo ja, dient de minister van EZ volgens de regering maatregelen te nemen en welke maatregelen zouden dit moeten zijn? (blz. 22)
In het licht van het feit dat aan de AID geen taken zijn opgedragen in verband met het toezicht op de keuringsinstellingen, is de constatering van de Algemene Rekenkamer verklaarbaar dat deze dienst geen controleactiviteiten op de resultaten van de keuringen verricht. De AID is een bijzondere opsporingsdienst, die belast is met het toezicht op de naleving en de opsporing van strafbare feiten.
Het toezicht op de keuringsinstellingen wordt uitgeoefend door de beleidsdirecties van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Bij de toepasselijke keuringsinstellingen wijst de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een voorzitter aan en keurt hij de benoeming van de directeur goed. Daarnaast dient hij de statuten goed te keuren en wordt als aanvullende zekerheid gestreefd naar accreditering van de keuringsinstelling.
De keuring op de veiligheid van gastoestellen valt onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De verantwoordelijkheid voor controles met betrekking tot keuring ten aanzien van het rendement van gastoestellen ligt bij de ECD. Per 1 januari 1998 is hieraan invulling gegeven voor Cv-ketels via het van kracht worden van de Rendementseisen Cv-ketels. Ten tijde van het onderzoek van de Rekenkamer was sprake van een overgangssituatie waarin naar mijn mening nog niet definitief de situatie was bereikt waarin de overheid de eindverantwoordelijkheid had voor deze keuring ten aanzien van de rendementseisen. Tot dat moment heeft de ECD dan ook géén opdracht gekregen tot het uitvoeren van controles op het terrein van de keuring ten aanzien van de rendementseisen van deze toestellen. Ter invulling van deze verantwoordelijkheid heeft de ECD samen met de inspectie IW&V onderzocht hoe de controle zowel voor wat betreft de rendementsaspecten als de veiligheidsaspecten het meest efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit onderzoek is vrijwel afgerond en mondt uit in een concreet voorstel voor uitvoering van controles. Overigens is bij de aanwijzing van de keurder (Gastec) gecontroleerd of deze aan de gestelde eisen voldeed en dit is via een certificaat van de RvA bevestigd.
Is de regering voornemens om de Raad voor Accreditatie (RVA) in de toekomst in te schakelen als onafhankelijke toezichthouder als onderdeel van het toezicht namens de betreffende minister? (blz. 17)
Waarom worden niet systematisch accreditatierapporten opgevraagd bij de aanwijzing van een instelling als keurder?
Volgens de algemene Nederlandse (en Europese) beleidslijn is accreditatie niet verplicht, en (dus) geen voorwaarde om aangewezen te worden als wettelijk keurder. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken minister om de keuringsinstelling te beoordelen voor hij deze aanwijst. Accreditatie leidt niet automatisch tot aanwijzing. Maar accreditatie kan bij aanwijzing wel dienen als een zwaarwegend extern en onafhankelijk advies. Op diverse terreinen hebben de verantwoordelijke bewindspersonen er dan ook voor gekozen om de Raad voor Accreditatie een belangrijke rol toe te kennen. Veel van de in Nederland aangewezen keuringsinstellingen zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.
Van «inschakeling» van de Raad als toezichthouder kan echter geen sprake zijn.
Nadat accreditatie op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen Raad en keuringsinstelling – heeft plaatsgevonden controleert de Raad jaarlijks of de keuringsinstelling nog voldoet aan de accreditatie-eisen; 4 jaar na accreditatie wordt de uitgebreide toetsing aan de betreffende Europese EN 45 000 norm(en) in zijn geheel herhaald. De jaarlijkse controle door de Raad is inherent aan accreditatie en vloeit voort uit de eigen verantwoordelijkheid van de Raad. De Raad controleert (dus) niet in opdracht van de betrokken minister.
Dit toezicht op de geaccrediteerde keuringsinstelling door de Raad voor Accreditatie laat dan ook onverlet dat de minister zijn verantwoordelijkheden heeft en behoudt in het kader van het wettelijk toezicht op de aangewezen instellingen. Voor instellingen die geaccrediteerd zijn ligt het voor de hand de beschikbare accreditatierapporten systematisch als zwaarwegend advies te gebruiken voor de blijvende controle op de eisen met betrekking tot technische competentie, onpartijdigheid en integriteit.
Met de Raad voor Accreditatie is door EZ namens de Staat een private overeenkomst gesloten om zoveel mogelijk een afstemming te bereiken tussen de accreditatie door de RvA en de aanwijzing door de minister (kamerstuk 1990–1991, 21 800 nr. 041, hoofdstuk XIII). Deze overeenkomst wordt op dit moment aan een evaluatie onderworpen en op zeer korte termijn vervangen door een nieuwe overeenkomst. De huidige overeenkomst voorziet al in een informatieprocedure met betrekking tot de accreditatie van een aan te wijzen instelling. In de nieuwe overeenkomst zal – ten behoeve van verbetering van het toezicht – het systematisch ter beschikking stellen aan de verantwoordelijke minister van rapporten van de Raad voor Accreditatie bij accreditatie en jaarlijkse controle een plaats worden gegeven.
De Algemene Rekenkamer constateert bij de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een onvoldoende mate van toetsing op het feit of toezichthouders en keurders competent zijn. Deelt de regering deze conclusies van de Rekenkamer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat de regering hieraan doen?
De constateringen van de Rekenkamer inzake de competentie van keurders hebben in een aantal gevallen betrekking op voormalige rijksdiensten, zoals het Nederlands Meetinstituut (NMi) en de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). In deze gevallen is de benodigde informatie aanwezig binnen het ministerie. De verzelfstandigingen zijn wettelijk geregeld en door het parlement aanvaard. In het verzelfstandigingsproces zijn zaken als onafhankelijkheid, integriteit, deskundigheid en goede administratie beoordeeld, maar uiteraard niet precies volgens de normen die de Rekenkamer nu heeft gehanteerd.
De betrokken ministers achten voldoende waarborgen op de genoemde gebieden aanwezig.
Door het ministerie van Economische Zaken zal met betrekking tot het NMi worden bezien of tot een betere en systematische vastlegging van de beschikbare informatie wordt overgegaan. Verder wordt binnen het ministerie van Economische Zaken in een ander verband een project gestart waarin de bestaande toezichtsarrangementen rond intermediaire organisaties worden doorgelicht.
Bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betreft het onder meer de keuring van ondergrondse tanks, op grond van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks (BOOT). Voor de uitvoering van tankkeuringen is bewust gekozen voor een op dat moment reeds geruime tijd bestaande praktijk, die naar het oordeel van alle betrokkenen uitstekend functioneerde. Bij de selectie van de in het BOOT aangewezen toezichthouder is zorgvuldig overwogen dat het een gerenommeerde, onder toezicht van de Raad voor Accreditatie staande, instelling betrof met voldoende draagvlak. Uit een in de afgelopen jaren uitgevoerde evaluatie van het BOOT is voorts gebleken dat er geen aanleiding bestaat tot twijfel over de kwaliteit van de uitgevoerde keuringen.
De privaatrechtelijke keuringsinstellingen die op het gebied van het Ministerie van LNV actief zijn, zijn private organisaties die al van oudsher actief zijn op het gebied van de kwaliteit van agrarische producten. Aangezien deze organisaties tot tevredenheid functioneerden, is bij de toekenning van publieke taken bij deze bestaande organisaties aangesloten. Hiermee zijn de keuringsinstellingen onder wettelijk toezicht geplaatst van de minister van LNV. Thans wordt binnen LNV gewerkt aan een versterking van het toezicht op deze keuringsinstellingen.
Waarom is er door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen informatie verzameld over het functioneren van de Gastec, de keurder van gastoestellen.
Welke conclusies trekt de regering uit dit onderzoek van de Rekenkamer met betrekking tot het toezicht in het algemeen, het toezicht op in het rapport genoemde keuringen en andere keuringen binnen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Hoe gaat de regering het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aansporen het toezicht in de door de Algemene Rekenkamer onderzochte keuringsinstanties uit te bouwen en te verbeteren?
Gelet op de bij de IW&V beschikbare capaciteit is tot aan de reorganisatie van de dienst in 1998, voornamelijk prioriteit gegeven aan het grondig doorlichten van keuringsinstellingen zoals Gastec in verband met de eerste aanwijzing van dergelijke instellingen door de Minister van VWS. Dit doorlichten geschiedt door middel van zowel een toetsing van de papieren als door middel van gesprekken en bezoeken aan de instelling in kwestie, hetgeen veel tijd vergt.
Tevens is prioriteit gegeven aan marktcontrole. Indien een aangewezen instelling zijn taak niet naar behoren uitoefent is dit immers terug te vinden in het in de handel aantreffen van onterecht afgegeven goedkeuringen aan producten, wat weer aanleiding kan geven het functioneren van de aangewezen instelling nader te onderzoeken. Bedoelde marktcontrole heeft ten aanzien van Gastec nimmer aanleiding gegeven tot een dergelijk nader onderzoek. Ten behoeve van een evaluatiemoment is in de regel tevens sprake van een tijdelijke aanwijzing zodat na een beperkt aantal jaren het functioneren van de aangewezen instelling integraal aan de orde komt bij het verzoek tot hernieuwde aanwijzing. Bovengenoemde instrumenten verschaffen de aanwijzende minister naar behoren inzicht in het functioneren van de door hem aangewezen instelling.
Niettemin is de minister van VWS de mening toegedaan dat verbeteringen in het toezicht op de door haar aangewezen keuringsinstellingen mogelijk zijn. Eén van de doelstellingen van de in 1998 doorgevoerde reorganisatie van de IW&V is meer capaciteit beschikbaar te krijgen voor periodieke controles (audits) van aangewezen instellingen. Daarmee is in 1999 een begin gemaakt. Intensivering in de jaren daarna is voorzien.
In de voorziene wijziging van de Warenwet ter incorporatie van productveiligheid wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is bovendien de relatie tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (en die van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en de aangewezen instelling nader uitgewerkt. Zo zal de aangewezen instelling gehouden zijn de minister jaarlijks verslag te doen opdat de minister een oordeel kan vellen over de doeltreffendheid en rechtmatigheid van de verrichtte keuringswerkzaamheden.
Stemt de regering in met het advies van de Algemene Rekenkamer dat de hele keurings- en toezichtsketen moet worden doorgelicht aan de hand van de checklist die is opgesteld, teneinde een redelijk niveau van bescherming van de burger te kunnen waarborgen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze denkt de regering te bewerkstelligen dat alle relevante ministeries dit advies zullen opvolgen? (blz. 23)
Is onvoldoende inzicht in de kosten en baten van een doorlichten van de keurings- en toezichtsketen voldoende reden is om van een dergelijke doorlichting af te zien? (blz. 25)
Is de regering het eens met de conclusie van de Rekenkamer dat een rijksbrede doorlichting van wettelijke keuringen van groot belang is? Zo ja, gaat de regering opdracht geven tot een dergelijke doorlichting en op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Kan per ministerie worden aangegeven wat gedaan kan worden met en welke voornemens er zijn met betrekking tot de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van (1) inventarisatie van wettelijke keuringen, (2) vaststellen ministeriële verantwoordelijkheid en (3) kiezen voor sluitende toezichtstructuur? (blz. 27)
Is de hier genoemde checklist, met de daarin genoemde maatregelen, intussen ingevoerd? Zo ja, kan de regering dit nader toelichten? Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het onderzoek van de Raad Openbaar Bestuur inzake opsporing en inspectie?
De geconstateerde diversiteit van keuringen en de wijze waarop keuringen zijn georganiseerd is een afspiegeling van een complexe werkelijkheid die niet te vangen is in één sjabloon zoals de Rekenkamer in haar onderzoek heeft gepoogd te construeren.
De eisen die de Rekenkamer heeft gesteld zijn gebaseerd op dat sjabloon. In de praktijk komen diverse andere (niet alleen schriftelijke) informatiestromen voor, die naar de mening van de regering voldoende inzicht geven om te beoordelen of met keuringen een voldoende beschermingsniveau van de burger wordt bereikt. Mede daarom is de regering niet voornemens de hele keurings- en toezichtketen overheidsbreed door te lichten.
Het staat de verantwoordelijke bewindslieden natuurlijk vrij om op hun eigen beleidsterrein een analyse uit te voeren van de wettelijke keuringen en het toezicht daarop, en eventuele verbetersuggesties over te nemen. Acties daartoe zijn ook reeds toegezegd. De checklist van de Algemene Rekenkamer biedt hiervoor goede aanknopingspunten, voor bijvoorbeeld wijziging van bestaande gevallen en voor nieuwe gevallen.
In navolging van het advies van de commissie Holtslag wordt thans in interdepartementaal verband ook een aantal toezichtarrangementen geëvalueerd aan de hand van de checklist van de Commissie Holtslag.
Het bedoelde onderzoek van de Raad Openbaar Bestuur heeft betrekking op de coördinatie tussen opsporingsdiensten. Van een relatie met het keuringenterrein is derhalve geen sprake.
De Algemene Rekenkamer stelt dat het toezicht niet geheel beantwoordt aan de eisen die de Rekenkamer stelt met betrekking tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor de bescherming van de burger. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport noemt deze conclusie te algemeen en te absoluut. Kan de regering hier een toelichting op geven?
Voordat door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot aanwijzing van een keuringsinstantie wordt overgegaan, wordt deze instantie nauwkeurig getoetst op geschiktheid voor de uitoefening van de keuringstaak. Daarmee wordt het fundament gelegd voor een deugdelijk functioneren van de instantie in kwestie. Daarnaast wordt vaak een aanwijzing gegeven met een tijdelijke geldigheidsduur (2 tot 3 jaar). Dit met het oog op de mogelijkheid tot het maken van een evaluatie van het functioneren van de instantie indien deze na ommekomst van de eerste aanwijzing opnieuw voor aanwijzing in aanmerking wenst te komen.
Het toezicht op aangewezen instanties door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vormt slechts een deel van het totale toezicht ter bescherming van de consument. Marktcontrole speelt een belangrijke rol voor die bescherming. Daarmee wordt in eerste instantie een helder beeld geschapen van de veiligheid van producten die worden verhandeld en kan bij het aantreffen van gevaarlijke producten ook meteen worden opgetreden. Ook wordt zo een goed overzicht verkregen van het functioneren van de aangewezen instanties. Dit geldt niet alleen voor de door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in Nederland aangewezen instanties, maar ook voor de in het buitenland werkzame keuringsinstanties belast met de veiligheidskeuring van producten die op de Nederlandse markt worden afgezet. Bij verdenking van slecht functioneren van een aangewezen instantie kan een instantie indien zij door een minister is aangewezen, door deze minister rechtstreeks worden benaderd. Indien het gaat om een door een EU-lidstaat aangewezen instantie wordt de aanwijzende autoriteit aldaar ingelicht over het functioneren van de aangewezen instantie.
Is het feit dat er geen klachten van burgers of bedrijven bekend zijn over keuringen en /of het toezicht daarop, voldoende reden is om niet aan de minimumeisen opgesteld door de Algemene Rekenkamer te hoeven voldoen? (blz. 24)
Zijn de aangekondigde verbeteracties van enkele ministeries voldoende om aan de minimumeisen te kunnen voldoen?
Zijn er mogelijk andere redenen die het geoorloofd maken om af te wijken van de minimumeisen zoals opgesteld door de Algemene Rekenkamer? (blz. 26)
Wat is de reactie van de regering op de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat «ook de specifieke reacties van de ministers alle betrekking hebben op de minimumeisen die de Algemene Rekenkamer stelt aan de toezichtketen in het keuringenveld»? (blz. 31)
Op grond van de diversiteit van onderwerpen is in veel gevallen in specifieke wetgeving geregeld aan welke minimumeisen moet worden voldaan. Uiteraard wordt door de ministers uitvoering gegeven aan deze door het parlement vastgestelde wetgeving. Zoals in het antwoord op de vragen 14, 17, 19, 24, en 33 is aangegeven, heeft de Rekenkamer getracht een uniform sjabloon te ontwerpen dat van toepassing zou moeten zijn op alle wettelijke keuringen. Dit sjabloon biedt weliswaar goede handvatten maar is per definitie niet op alle wettelijke keuringen van toepassing gezien de specifieke situaties die zich bij keuringen voordoen. Afwijkingen van de minimumeisen zoals de Rekenkamer die formuleert kunnen dus in specifieke situaties mogelijk zijn.
Voor zover verbeteracties zijn toegezegd, zullen deze primair gericht zijn om op een bepaald keuringsterrein te voldoen aan de eisen van de verantwoordelijke minister.
Naar verwachting zullen deze eisen en de door de AR opgestelde minimumeisen voor een groot deel met elkaar sporen, en deze minimumeisen zullen als ondersteuning bij dit proces kunnen dienen. Het voldoen aan de minimumeisen van de AR kan echter niet het vooropgezette doel zijn.
Het ministerie van Economische Zaken scoort in de totaaloordelen onvoldoende tot slecht. Vanwege het veranderingsproces op keuringsgebied ziet de minister hierin geen aanleiding tot een verdere doorlichting van andere bestaande wettelijke keuringen. Wanneer verwacht de regering dat het veranderingsproces voltooid is?
Verwacht de regering dat het veranderingsproces zal leiden tot een verbeterd toezicht op keuringsinstellingen en inzicht in de doelbereiking? Waarop baseert de minister die verwachting?
Voor het antwoord op deze vraag wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag 6 en 13. Hieruit blijkt dat de slechte score vooral wordt veroorzaakt door de ten tijde van het onderzoek nog in ontwikkeling zijnde wetgeving met betrekking tot de rendementseisen van gastoestellen en de controle daarop.
Met betrekking tot het veranderingsproces is de verwachting inderdaad dat dit proces zal leiden tot verbetering op keuringsgebied. De deskundige private sector is zeer wel in staat om effectief vorm te geven aan het keuringsgebied. Toezicht – zij het gedeeltelijk – van een accreditatieorganisatie draagt daar tevens aan bij. Bij deze veranderingsprocessen is overigens niet alleen sprake van nationale, maar ook van Europese ontwikkelingen.
Hoe kijkt de regering aan tegen de organisatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waar het toezicht centraal is ondergebracht in een directie Toezicht op het ministerie? Acht de regering dit een goede werkwijze en zo ja, kan deze organisatie een voorbeeld zijn voor andere ministeries? Op welke wijze kunnen initiatieven worden ontplooid om een dergelijke werkwijze te bevorderen?
Zoals ook aangegeven is in de antwoorden 14, 17, 19, 24 en 33, is er sprake van een grote diversiteit in keuringen, ook wat betreft de wijze waarop keuringen in de private en de publieke sector zijn geregeld. Veel onderwerpen vergen een zodanige specialistische kennis dat bundeling van bepaalde activiteiten rond de keuringen, zoals het toezicht houden, niet altijd mogelijk zal zijn. In andere situaties kan juist de noodzaak voor het scheiden van taken aanleiding zijn voor het onderbrengen van het toezicht in een aparte sector. Er zal een afweging per geval moeten worden gemaakt. Die afweging wordt door de individuele ministers gemaakt omdat deze verantwoordelijk zijn voor de hen toebedeelde beleidsterreinen en het beheer daarvan.
Welke conclusie trekt de minister van Verkeer en Waterstaat betreffende het voldoen aan de eisen van de Wegenverkeerswet 1994 en het Vademecum?
In de Wegenverkeerswet 1994 is het kader vastgelegd voor toezicht door de minister en de Raad van Toezicht op de dienst Wegverkeer (RDW) en zijn werkzaamheden. Dit kader is uitgewerkt in het zogenaamde Vademecum; hierin zijn alle rond de verzelfstandiging in 1996 gemaakte afspraken vastgelegd (benoeming van Raad van Toezicht, wederzijdse informatieplicht, overname van personeel, financiële regelingen en dergelijke).
Hiermee biedt het Vademecum voldoende basis voor het toezicht op de RDW.
Waarom kiest het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ervoor het toezicht op COKZ, SKAL en CPE te verbeteren, terwijl het probleem eigenlijk bij de rijksinspecties zit? Kiest de regering ook voor inspanningen met betrekking tot de AID en welke zijn dit?
Hoe gaat de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de verwarring wegnemen die is geconstateerd over de taken van de AID? (blz. 28)
Deelt de regering de mening, dat waar de Rekenkamer in haar nawoord de niet-uitoefening van de controlerende taak van de AID nogmaals met name noemt, het in deze specifieke situatie wel noodzakelijk is om controlerende taken uit te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe moet de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dit aanpakken?
De verbetering van het toezicht op COKZ, SKAL, en CPE is mede het gevolg van de implementatie van de aanbevelingen in het Algemene Rekenkamerrapport «ZBO en ministeriële verantwoordelijkheid», TK 1994–1995, 24 130 nr. 3 en de regeling «Aanwijzingen inzake ZBO», nr. 96M006 572 van 5 september 1996.
Met betrekking tot de rol van de AID is er sprake van enige verwarring over de taak van de AID. Deze verwarring is ontstaan doordat de Algemene Rekenkamer er vanuit is gegaan dat de AID ten aanzien van de keuringsinstellingen een toezichthoudende functie heeft.
Dat is echter niet het geval. Het toezicht op de keuringsinstellingen wordt uitgeoefend door beleidsdirecties van LNV, terwijl de AID als opsporingsdienst belast is met het toezicht op de naleving en de opsporing van strafbare feiten.
Het verkrijgen van een overzicht van de samenstelling en de omvang van het keuringsveld wordt in het kader van het toezicht op de keuringsinstellingen bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij thans primair vervuld door de beleidsdirecties en niet door de AID. Het is daarom niet aan de orde de toezichtstaken van de AID te verbeteren. Wel wordt er binnen het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gewerkt aan een verbetering van het toezicht door de beleidsdirecties op de controle-instellingen.
Samenstelling: Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Van Middelkoop (GPV), Witteveen-Hevinga(PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GL), Van Gent (GL), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD).
Plv. leden: Leers (CDA), Stellingwerf (RPF), Dijksma (PvdA), Valk (PvdA), Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Giskes (D66), M. B. Vos (GL), Halsema (GL), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Voorhoeve (VVD).
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter, Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Rouvoet (RPF), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Gortzak (PvdA), Hermann (GL), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD).
Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Orgü (VVD), Van Gent (GroenLinks), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Ravestein (D66), Weekers (VVD), Schutte (GPV), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD).
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Duivesteijn (PvdA), Stellingwerf (RPF), M. B. Vos (GL), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA).
Plv. leden: Van Vliet (D66), Van Zuijlen (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Bos (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GL), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Te Veldhuis (VVD), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Rietkerk (CDA), Karimi (GL), Kamp (VVD), Reitsma (CDA), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), Dijksma (PvdA), Belinfante (PvdA), Voorhoeve (VVD), De Boer (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GL), Van Gent (GL), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Orgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GL), Rosenmöller (GL), Mosterd (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD).
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), voorzitter, Van den Berg (SGP), Reitsma (CDA), Biesheuvel (CDA), Rosenmöller (GL), Van Gijzel (PvdA), Valk (PvdA), Leers (CDA), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Van Zuijlen (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GL), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Eurlings (CDA), Herrebrugh (PvdA), Hindriks (PvdA).
Plv. leden: Te Veldhuis (VVD), Bakker (D66), Th. A. M. Meijer (CDA), Stroeken (CDA), Van Gent (GL), De Boer (PvdA), Waalkens (PvdA), Atsma (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Augusteijn-Esser (D66), Schutte (GPV), Spoelman (PvdA), Geluk (VVD), Luchtenveld (VVD), Buijs (CDA), Van Walsem (D66), Vendrik (GL), Weekers (VVD), Balemans (VVD), Poppe (SP), Dankers (CDA), Dijksma (PvdA), Bos (PvdA).
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GL), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), M. B. Vos (GL), Van Zuijlen (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Hofstra (VVD), Van Walsem (D66), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Verburg (CDA), Bos (PvdA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA).
Plv. leden: Verbugt (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GL), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GL), Schoenmakers (PvdA), Bakker (D66), Van Baalen (VVD), Schimmel (D66), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Koenders (PvdA), Udo (VVD), Hamer (PvdA).
Samenstelling: Leden: Rosenmöller (GL), Van Zijl (PvdA), Hillen (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Walsem (D66), voorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), De Haan (CDA), Wagenaar (PvdA), Van den Akker (CDA), Van Beek (VVD), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Vendrik (GL), Remak (VVD), Weekers (VVD), Kuijper (PvdA), Udo (VVD), Blok (VVD).
Plv. leden: Harrewijn (GL), Van Zuijlen (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Koenders (PvdA), Bos (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Lambrechts (D66), Kant (SP), Feenstra (PvdA), Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Schimmel (D66), Stroeken (CDA), Wijn (CDA), Hindriks (PvdA), Rietkerk (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Reitsma (CDA), Rabbae (GL), Van Blerck-Woerdman (VVD), Geluk (VVD), Smits (PvdA), De Vries (VVD), Balemans (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26400-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.