Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-199926398 nr. 3

26 398
Ontwikkelingen rond het IOC

nr. 3
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 10 mei 1999

De vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 hebben op 21 april 1999 overleg gevoerd met minister-president Kok, minister van Algemene Zaken, over zijn brief d.d. 6 april 1999 inzake IOC-lidmaatschap van de Prins van Oranje (ontwikkelingen rond het IOC) (26 398).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Rosenmöller (GroenLinks) benadrukte dat in dit overleg wordt gesproken over de ministeriële verantwoordelijkheid en niet over de persoon van de Prins van Oranje.

Tijdens het algemeen overleg op 8 april vorig jaar had hij al uitgesproken het besluit van kabinet van februari van dat jaar onverstandig te vinden en in de daaropvolgende periode was hij in die opvatting gesterkt. Als het kabinet in februari 1998 had geweten welk een bezoedelde organisatie het IOC was, had het dan ook besloten dat de kroonprins zich van activiteiten voor het IOC moest onthouden tot de uitkomsten van de conferentie van 17 en 18 maart of had het het IOC niet die organisatie gevonden, die passend was voor de activiteiten waarvoor de minister-president de ministeriële verantwoordelijkheid had kunnen nemen? De conferentie van 17 en 18 maart heeft overigens in belangrijke mate achter gesloten deuren plaatsgevonden, waardoor het moderniseringsproces van het IOC voor de GroenLinksfractie bepaald nog niet is afgesloten. In de tweede plaats heeft die conferentie grote steun uitgesproken voor de voorzitter van het IOC. De heer Rosenmöller was bepaald niet gecharmeerd van deze grote steun voor iemand met een discutabele reputatie, ook in politieke zin, hoewel de heer Samaranch veel heeft betekend voor het IOC.

Het belangrijkste is evenwel, dat de conferentie van het IOC tot een aantal belangrijke uitkomsten heeft geleid. Vervolgens gaat het om de vraag hoe het verder moet en dat vormt de kern van het bezwaar van de GroenLinksfractie. Wat gedurende de afgelopen maanden naar buiten is gekomen, is iets wat zich hardnekkig in het IOC heeft voorgedaan, wat als het ware een attitude van de organisatie is. Het is dan ook maar zeer de vraag of deze cultuur en werkwijze zich door een conferentie wijzigen. Wat dat betreft zou het motto voor de heer Rosenmöller zijn: eerst zien en dan geloven. Na een jaar of twee kan de conclusie worden getrokken dat die bezoedelde organisatie een – uiteraard binnen alle bandbreedtes – onbesmette organisatie is geworden.

In haar opvatting werd de fractie van Groenlinks gesterkt door de bijlage bij de brief, waarin wordt gesteld dat er weliswaar een aantal conclusies is getrokken maar dat de effectuering van sommige maatregelen nog minimaal een halfjaar in beslag zal nemen. Vervolgens zegt hij, dat de uitkomsten van nieuw onderzoek aanleiding kunnen geven tot nieuwe discussies. Dat betekent dat aan de ene kant de effectuering van de maatregelen nog niet optimaal is geschied en dat dit aan de andere kant aanleiding zou kunnen geven tot een vergelijkbare, redelijk onverkwikkelijke discussie, die de afgelopen maanden is gevoerd.

Als die uitkomsten van nieuw onderzoek nu weer aanleiding geven tot voorgenomen maatregelen in termen van royement of anderszins, wat is dan de positie van het kabinet dienaangaande? Op welke wijze wordt de ministeriële verantwoordelijkheid dan beleefd? Krijgt de Kamer dan weer een brief zoals die van februari dit jaar, waarin werd aangekondigd dat de kroonprins zijn activiteiten tijdelijk zou moeten opschorten? Deze vragen vloeien voort uit het feit, dat die conferentie van 17 en 18 maart niet of onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over het proces in de toekomst. Op welke gronden neemt de minister-president nu aan dat, als die situatie zich – uiteraard onverhoopt – zou voordoen, er geen redenen zijn om aan te nemen dat het IOC alsdan niet op dezelfde adequate wijze zal reageren als nu is gebeurd? In die zin lijkt het vertrouwen wel nagenoeg onbeperkt te zijn op het moment dat er aanleiding is om weer over dit soort situaties te spreken.Waarom moet dit nu allemaal zo nodig? Neemt de minister-president niet een groter risico ook in termen van de ministeriële verantwoordelijkheid en de politieke consequenties die daaraan vast kunnen zitten voor het kabinet en in eerste instantie voor de minister-president – door dit pad te vervolgen in plaats van een geschikt moment te zoeken en te zeggen, dat dit te riskant is?

De heer Rehwinkel (PvdA) herinnerde eraan dat februari verleden jaar de benoeming van Prins Willem Alexander in het IOC bekend is geworden. De Kamer heeft vervolgens in april 1998 daarover gesproken en de fractie van de PvdA heeft ook toen haar instemming betuigd. Zijn toenmalige collega Sterk zei: het is algemeen bekend, dat het democratische gehalte van het machtigste sportcollege op aarde naar Noordwest-Europese tradities te wensen overlaat. Desondanks meende de PvdA-fractie dat Prins Willem Alexander een positieve bijdrage aan de beoefening van de sport kon leveren en daarmee ook een bijdrage aan de ontwikkeling van de maatschappij. Zij heeft toen geconstateerd, dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het functioneren van Prins Willem Alexander binnen het IOC wat haar betreft goed was geregeld. Hij zou zich in politiek(e) kwesties van een standpunt onthouden en ingeval van twijfel zou hij contact met de regering opnemen.

Aan het begin van dit jaar zijn inderdaad berichten in de wereld gekomen over fraude en corruptie binnen het IOC en naar de mening van de PvdA-fractie heeft de reputatie van het IOC daarmee schade opgelopen. De fractie heeft het lidmaatschap van Prins Willem Alexander van het IOC nog eens heel zorgvuldig bezien. Daarbij heeft zij sterk laten wegen de maatregelen die het IOC inmiddels heeft genomen. Een aantal IOC-leden is daadwerkelijk geroyeerd, nadat zij eerst waren geschorst, er is een fors aantal waarschuwingen uitgedeeld; de eerstvolgende selectieprocedure voor een olympische stad zal anders verlopen; er wordt bovendien een commissie IOC 2000 ingesteld, die ook aanbevelingen zal doen voor de selectieprocedure in de verdere toekomst, voor een andere verkiezing van IOC-leden en ook een andere samenstelling van het IOC, waarbij het ook de bedoeling is dat er meer invloed zal zijn van de internationale sportfederatie. Er zal een zogenaamde ethische commissie komen en ook op het gebied van de financiën is het de bedoeling, dat er voor meer openheid wordt gekozen. De fractie van de PvdA vindt het erg belangrijk, dat bij dat verdere reinigingsproces binnen het IOC ook buitenstaanders worden betrokken, anders dan tot nu toe het geval was.

De heer Rehwinkel meende dan ook, dat hoewel het blazoen van het IOC inmiddels behoorlijk is gezuiverd, er nog zeker geen sprake is van een vlekkeloos blazoen en dat ook niet voor niets over een verdergaand reinigingsproces wordt gesproken, maar zijn fractie vindt dat het IOC van dit moment al een heel ander IOC is dan het IOC van een jaar geleden. Wat haar betreft is er dan ook geen beletsel voor Prins Willem Alexander om zijn lidmaatschap van het comité te continueren.

Ten slotte zei hij ervan uit te gaan dat de eed die in juni door de prins wordt afgelegd, zich ook goed verhoudt met de specifieke afspraken die vorig jaar zijn gemaakt over het functioneren van de prins binnen het IOC.

De heer Rijpstra (VVD) merkte op, dat de VVD-fractie het oordeel van de minister-president steunt, dat er geen reden is om de eerste beslissing inzake het lidmaatschap te herzien en dat de Prins van Oranje zijn activiteiten in het kader van IOC mag hervatten en daarmee zijn bijdrage zal kunnen leveren aan de toekomst van een zich vernieuwend IOC. Vanaf het begin van de bestuurlijke activiteiten van de prins in de sportwereld – bij zijn benoeming in 1994 tot beschermheer van NOC/NSF – heeft de VVD-fractie dit van harte toegejuicht. Zijn beschermheerschap toen was voor hem niet een papieren functie, want hij was veelvuldig op de bestuursvergadering van NOC/NSF aanwezig. Overigens is zijn beschermheerschap na zijn benoeming tot IOC-lid overgegaan in een bestuurslidmaatschap van NOC/NSF. De VVD-fractie heeft vanaf het eerste begin in 1998 positief tegenover de benoeming van de prins gestaan tot lid van het IOC, temeer omdat zij de leden van het Koninklijk Huis als levende maatschappelijk betrokken mensen aanmerkt en ook blijft zien. Zij was en is het met het kabinet eens dat, gezien de berichtgeving rond het IOC eind vorig jaar over allerlei frauduleuze praktijken, onderzoek noodzakelijk was, waarbij de zorgvuldigheid voorop dient te staan. De heer Dijkstal heeft toen gezegd, liever een weekje langer te wachten dan snel en overhaast een beslissing te nemen, een time out.

Het IOC staat op de drempel van grote veranderingen, zoals de aanwijzing van het land waar de spelen gehouden kunnen worden, de wijze van verkiezing van IOC-leden, de besluitvormingsprocedures, de verdeling van inkomsten en het inzichtelijk maken van de uitgaven. Daarnaast komt er ook een ethische commissie, die gaat adviseren over de handelwijze van IOC-leden conform de gebruiken van het internationale bedrijfsleven en de overheden. De VVD-fractie is van mening, dat een dergelijke organisatie als het IOC, waar beslissingen worden genomen die van groot belang voor een land kunnen zijn, geen gesloten organisatie mag zijn. De aanzetten die in relatief korte tijd zijn gegeven, vindt zij ook bemoedigend. Het is voor haar zonneklaar, dat de Prins van Oranje een belangrijke bijdrage zal leveren aan de nieuwe opzet van het IOC in de eenentwintigste eeuw. Samen met personen als de vice-president, de heer Rogge en de heer Verbrugge, kan dit heel goed lukken. De VVD-fractie wordt hierin gesterkt door de indruk die de prins heeft achtergelaten in Brazilië. De parlementaire reis van verleden week naar Brazilië, waar ook collega Rehwinkel aan deelnam, maakte duidelijk dat de prins zich daar zeer goed van zijn taken heeft gekweten, evenals in China. De VVD-fractie heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen, of de Prins van Oranje de taken van het IOC aan zal kunnen.

Op 19 maart heeft een delegatie van de Tweede Kamer een werkbezoek gebracht aan NOC/NSF in Arnhem waar indringend is gesproken over verdergaande democratisering, openheid en transparantie binnen het IOC. Het NOC/NSF is toen gevraagd om via de olympische comités van de bij het IOC aangesloten landen hierop aan te dringen. De heer Rijpstra vroeg de minister-president deze boodschap door te geven aan de staatssecretaris van sport, opdat zij op de Europese sportconferentie bij haar collega's van de Europese lidstaten eenzelfde boodschap zal kunnen afgeven.

De heer Atsma (CDA) merkte op, dat het IOC na de bijzondere zitting in maart in iets rustiger vaarwater terecht lijkt te zijn gekomen. Het IOC heeft in de spiegel gekeken, misstanden zijn aan de kaak gesteld en dat heeft geleid tot een scala aan maatregelen. Het aangekondigde pakket maatregelen moet leiden tot herstel van vertrouwen in het IOC. Of dat lukt, zal uiteraard de toekomst moeten uitwijzen. De CDA-fractie heeft vorig jaar onder voorwaarden ingestemd met toetreding van de Prins van Oranje tot het IOC. Dat door de recente onthullingen en bekentenissen opnieuw discussie is ontstaan over de vraag of de Prins van Oranje beëdigd kan worden als lid van het IOC is in die context dan ook begrijpelijk. De minister-president zegt in de brief aan de Kamer, dat hij mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van mening is, dat het IOC de afgelopen maanden een nieuwe weg heeft ingeslagen, die alle vertrouwen biedt voor de toekomst. De CDA-fractie kan zich daar grotendeels bij aansluiten. Tegelijkertijd moet de kanttekening worden geplaatst, dat de aangekondigde stappen slechts het begin kunnen zijn van een proces tot vernieuwing. Bovendien is het zeer de vraag of op grond van de tal van onderzoeken die nog gaande zijn niet nog meer olympische «problemen» boven water zullen komen. Is al bekend wat de onderzoeken van de Amerikaanse senaatscommissie en de FBI hebben opgeleverd?

Op basis van het rapport van de commissie-Pound zijn een aantal maatregelen genomen. Er zijn leden geroyeerd, opgestapt en er zijn commissies benoemd. Een van de commissies die zijn aangekondigd, is de commissie IOC 2000 die de opdracht heeft gekregen om voor langere termijn een houdbare bidding- en selectionprocedure uit te werken. De vijf besluiten die in maart in Lausanne zijn genomen, gaan ver en dat geeft in die zin zeker vertrouwen in de toekomst. De CDA-fractie hecht eraan in dit verband ook nog een ander punt onder de aandacht te brengen. Het IOC staat, althans voorzover zij dat kan beoordelen, niet bepaald bekend als de meest democratische organisatie. Individuele leden van het IOC hebben geen achterban aan wie verantwoording moet worden afgelegd. Wellicht is dat ook een van de belangrijkste oorzaken van de misstanden die het afgelopen halfjaar aan het licht zijn gekomen. De heer Atsma pleitte er daarom voor, dat vanuit Nederland politiek en sport samen een appèl doen op het IOC, de commissie IOC 2000 en de individuele leden van het IOC om te komen tot een verregaande vorm van democratisering van het IOC. Het Olympisch comité is wereldwijd de grootste en belangrijkste publieke sportorganisatie. Op initiatief van en onder supervisie van het IOC wordt eenmaal in de vier jaar het grootste publieke sportevenement ter wereld georganiseerd. Het is een evenement voor miljarden en het gaat om miljarden. Wie zich dat realiseert, kan onmogelijk tegen een vorm van publieke democratische controle zijn. Een suggestie is wellicht, dat toekomstige IOC-leden uit internationale sportfederaties, uit de bij het IOC aangesloten internationale maar dan nationale olympische comités afkomstig moeten zijn. Daar ligt dan hun democratische legitimatie en tegelijkertijd moet ook de duur van het lidmaatschap van het IOC worden gekoppeld aan het mandaat, aan het vertrouwen dat de eigen achterban geeft.

De CDA-fractie was van mening, dat vanuit Nederland wellicht samen met West-Europese landen of wellicht met Amerika met kracht moet worden aangedrongen op een snelle en niet-vrijblijvende democratisering. Het is een onderwerp, dat op de agenda van de commissie IOC 2000 thuishoort en reeds in juni van dit jaar zouden daarover concrete voorstellen kunnen worden gedaan.

De heer Atsma herhaalde dat er belangrijke stappen zijn gezet om te komen tot een herstel van het vertrouwen en de geloofwaardigheid van het IOC. Het proces is echter nog niet voltooid. Er kunnen nog oude rekeningen op tafel komen. Maar de CDA-fractie was ook van mening – zoals ook door de minister-president in de brief van april wordt geconcludeerd – dat er een belangrijke stap is gezet naar een toekomst die het IOC transparant maakt. Het belangrijkste is, dat de olympische deuren worden opengezet en vanuit dat perspectief is het antwoord van de CDA-fractie op de vraag of de Prins van Oranje definitief kan toetreden tot deze organisatie positief beantwoord. Uiteraard wijst zij in dat verband op de bijzondere positie van de Prins van Oranje in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid. Daar zijn echter in het recente verleden duidelijke afspraken over gemaakt en zij gaat ervan uit en hecht eraan, dat die nog steeds van toepassing zijn en dat de prins zal afzien van deelname aan IOC-besluitvorming met politieke implicaties.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) wees op de allereerste discussie over de benoeming van de kroonprins op 8 april 1998, waarin zij om een evaluatie heeft gevraagd en om een bezinning voor het geval het IOC een netwerk van intriges dan wel een wespennest zou blijken te zijn. Dat bleek in min of meerdere mate het geval. De integriteit van IOC-leden kwam in het geding en de integriteit van het IOC zelf kwam daardoor in opspraak. Dat was voor de D66-fractie het moment om te zeggen, dat de toetreding van de kroonprins tot het IOC niet zou moeten worden geëffectueerd. In een gremium met dit soort problemen hoort de kroonprins niet thuis. Dat standpunt is inmiddels niet gewijzigd, ook al heeft het IOC het er niet bij laten zitten en enig zelfreinigend vermogen getoond. In zijn brief van 9 februari schrijft de minister-president dat niet is uit te sluiten, dat nog meer bezwarende feiten bekend zullen worden. In de brief van 6 april geeft hij aan, dat het proces van onderzoek en herbezinning nog niet is voltooid, dat verschillende besluiten nog moeten worden uitgewerkt en uitgevoerd en dat dit minimaal een halfjaar in beslag zal nemen. Desondanks acht het kabinet geen redenen aanwezig om de beslissing inzake het lidmaatschap te herbezien. Daarbij speelt een rol dat men verwacht, dat bij onverhoopt nieuwe discussies het IOC evenzeer adequaat zal reageren.

Mevrouw Scheltema hoopte dat inderdaad van harte, want dat zou in het belang zijn van de mondiale sport maar zekerheid is er niet. Het proces is net begonnen en problemen zijn bepaald niet uit te sluiten. Daarom blijft zij het geen verstandig idee vinden om de kroonprins te laten toetreden tot het IOC.

Ook al vindt haar fractie het onverstandig, zij laat het kabinet gaarne zijn verantwoordelijkheid nemen. Als de kroonprins in het IOC zit, hoopt zij dat hij inderdaad actief zal bijdragen aan vergroting van de transparantie en democratie in het IOC. Zij sloot echter op voorhand niet uit dat als dergelijke problemen zich weer gaan voordoen, de minister-president op grond van zijn verantwoordelijkheid moet worden aangesproken.

De heer Van der Vlies (SGP) wees op het ongelukkige verloop van het dossier over het lidmaatschap van de Prins van Oranje van het IOC. De behoedzaamheid die bij een lid van de koninklijke familie altijd nodig is als het gaat om een openbare functie, waarbij dus de ministeriële verantwoordelijkheid aan de orde is, is niet in alle opzichten gehaald. Het beeld is gewisseld. Vorig jaar was er sprake van «ja, mits», later van «neen, tenzij» en nu weer van «ja, mits». De heer Van der Vlies zou er vrede mee hebben als de eindconclusie voor zijn partij bevredigend was. De IOC-organisatie is in opspraak geraakt. Er is een reinigingsproces gaande, maar er is nog heel veel in onderzoek. Wie weet wat daaruit voortkomt. Daar zitten dus risico's aan, die het kabinet aanvaardbaar acht. De SGP-fractie was echter van mening dat de risico's gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid nog te groot zijn. Het gaat inderdaad niet om de kroonprins, zijn kwaliteiten, het vertrouwen dat de Kamer in hem stelt, zijn prudente optreden, zijn integriteit, maar alleen over de ministeriële verantwoordelijkheid.

De SGP-fractie is wel verweten dat die narigheid haar wel goed uitkwam omdat zij toch al niet zo veel met die topsport op heeft. Inderdaad heeft zij moeite met nogal wat aspecten van de topsport. Het gaat allang niet meer om gezonde ontspanning en een competitie-element ter aanmoediging. Het is een keiharde business, met exploitatie van mensen en mensverheerlijking. Ook de zondag is daarbij in het geding en dat ligt de SGP-fractie te na aan het hart om daaroverheen te stappen. Alleen al om die redenen zou zij het betreuren als een lid van het Koninklijk Huis zich daar zou profileren. Er zijn waardige alternatieven genoeg.

Afgezien van dat alles zou de SGP-fractie deze toetreding hebben ontraden, maar het kabinet heeft een besluit genomen, waaraan ongetwijfeld veel overleg vooraf zal zijn gegaan. Is er echter ook overleg gevoerd met leidinggevende mensen uit de sport en met constitutioneel georiënteerde mensen, zoals Van Wijnen en Scheltema, die tot een kritisch oordeel kwamen? Ook door diverse kranten is gesteld dat het onverstandig is en dat risico's worden gezocht.

Het slotoordeel van de SGP-fractie moet zijn dat zij zeer terughoudend, zo niet, afwijzend blijft. Dat spijt haar omdat het gaat om een lid van het Koninklijk Huis, maar zij acht de risico's te groot. Het verkeerslicht staat bij de SGP-fractie op rood, bij het kabinet op groen en misschien op oranje. Dat betekent in het verkeer, dat gestopt moet worden als dat maar enigszins mogelijk is. Het kabinet lijkt het hedendaags rijgedrag te vertonen. Dat is gevaarlijk, ook in het verkeer met de Kroon en tussen de Kroon en de Kamer. De staatkundige ongelukken die daarvan onverhoopt het gevolg kunnen zijn, moet de SGP-fractie dus geheel voor rekening van het kabinet laten. De heer Van der Vlies wilde geen motie indienen om toetreding van de kroonprins tot het IOC te ontraden, want dat zou een te geprononceerde discussie over het Koninklijk Huis op dit punt betekenen.

Antwoord van de regering

De minister-president had het verslag van het algemeen overleg van april 1998 erop nagelezen, maar heeft daaruit niet kunnen concluderen dat er van een «ja, mits» sprake was. Hij heeft toen kennis genomen van een aantal duidelijke bezwaren respectievelijk waarschuwingen van sommige fracties, maar er was zijns inziens geen sprake van een geconditioneerd «ja». Hij heeft toen ook aangegeven, dat de ministeriële verantwoordelijkheid hier volop van toepassing was. Er zijn ook illustraties gegeven mede aan de hand van de briefwisseling van de toenmalige staatssecretaris van VWS met de voorzitter van het IOC hoe de afspraken waren met betrekking tot politiek delicate of controversiële kwesties. Natuurlijk waren er verschillende opvattingen. De GroenLinksfractie was tegenstander van het besluit en de SGP-fractie had tot in laatste instantie gesproken over gemengde gevoelens. De CDA-fractie heeft ook geen voorwaarden aan het «ja» verbonden, maar wel enkele opmerkingen gemaakt over de mate waarin de ministeriële verantwoordelijkheid van toepassing zou zijn op het niet-staatshoofd, de kroonprins. De minister-president heeft toen aangegeven dat de kroonprins als toekomstig staatshoofd wat betreft de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid zeer dicht bij de positie van het staatshoofd verkeert, maar ook dat heeft op geen enkele wijze geleid tot een voorbehoud, een voorwaarde of een bijzondere voorwaarde.

Die afweging is toen weloverwogen door het kabinet gemaakt. Een grote meerderheid van de Kamer kon die steunen. Toen is de periode ontstaan waarin het nodige binnen en rond het IOC te doen was. Vervolgens is de brief van februari geschreven met heel nadrukkelijk daarin een ijkpunt, een toetssteen bij de bijzondere vergadering van 17 en 18 maart. Sommigen hebben toen en nadien gezegd, dat zo'n bijzondere vergadering helemaal geen ijkpunt of een toetssteen zou behoren te zijn, omdat er ook van ernstiger voorbehouden sprake zou moeten zijn. Maar in elk geval is voor het kabinet de uitkomst van die bijzondere vergadering wel van groot gewicht geweest. Daarbij was de vraag of de vergadering wel of niet achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden voor de minister-president minder interessant of belangrijk dan de uitkomst. De staatssecretaris heeft in de analyse, bijgevoegd bij de brief van april, de resultaten weergeven en er kan toch niet anders dan geconcludeerd worden, dat het IOC om zeer begrijpelijke redenen heeft gekozen voor een nieuwe toekomst. Er zit voor het IOC ook weinig anders op, wil het de geloofwaardigheid en de positie ook kunnen handhaven en versterken. De manier waarop het IOC bezoedeld was geraakt door de ernstige misslagen die aan het licht zijn gekomen, vroeg inderdaad om een proces van reiniging. Zeer belangrijke besluiten die dat zichtbaar maken, zijn in die vergadering van 17 en 18 maart genomen. In de bijlage is voor de volledigheid aangegeven, dat dit proces van implementatie daarmee niet achter de rug is. Dat proces krijgt voor een deel nog zijn vervolg.

Of het kabinet het een jaar geleden verantwoord had gevonden om de ministeriële verantwoordelijkheid voor zo'n stap te nemen als het kennis had gehad van die mate van bezoedeling, vond de bewindsman een vrij onmogelijke vraag. Het IOC is het afgelopen jaar niet veranderd. Als het vorig jaar midden in die turmoil zou hebben verkeerd, had het kabinet het waarschijnlijk verstandig geoordeeld om een time-out af te spreken en de ontwikkelingen af te wachten. Maar dat was toen niet nodig en de Kamer heeft dat ook in ruime meerderheid gesteund. Als de kroonprins zich in het huidige stadium had gemeld, had het kabinet waarschijnlijk op dezelfde wijze «ja» gezegd tegen de voortzetting van zijn lidmaatschap als het dat nu doet. Als de IOC-vergadering van 17 en 18 maart ook niet die heldere lijnen had aangegeven, zou de minister-president de Kamer ook niet de brief hebben geschreven die hij thans heeft geschreven. De kernvraag is namelijk of het IOC deze handelwijze consistent uitvoert en voortzet. De maat der dingen is niet of er over twee maanden of over een jaar weer een artikel in de krant komt over een IOC-lid die toch weer fouten zou hebben gemaakt, dan wel of er op de een of andere wijze anderszins publiciteit over het IOC ontstaat; de maat der dingen is of het IOC de lijn die het vanaf 17 en 18 maart heeft ingezet consistent voortzet. Het kabinet heeft de vaste overtuiging, dat het dat zal willen en moeten doen. De meningsvorming daarover heeft zeer weloverwogen plaatsgevonden en het kunnen functioneren van het IOC is daarvan mede afhankelijk. Het kabinet is ervan overtuigd, dat het IOC wel die nieuwe koers zal willen en moeten houden en dat ook de kroonprins, zij het op een bescheiden wijze, met vele anderen daaraan een goede bijdrage kan leveren. Als het IOC zich toch in een totaal andere richting zou ontwikkelen, zou de prins daar natuurlijk zelf een ernstig probleem mee hebben. Alles zal erop gericht zijn om het IOC verder in die positieve ontwikkeling te bevestigen. De minister-president hoopt hiermee te hebben aangegeven waarom hij het motto van de heer Rosenmöller «eerst zien en dan geloven» geen verstandige en verantwoorde lijn vindt. Van het IOC wordt nu een belangrijke koersverlegging verwacht die inderdaad leidt tot een nieuwe toekomst. Er zijn belangrijke besluiten genomen en om als consequentie daaraan te verbinden, dat het lidmaatschap van de kroonprins wordt teruggetrokken, is niet chique tegenover het IOC maar ook geen logische lijn ten aanzien van de kroonprins.

Wat betreft de af te leggen eed kon de minister-president de heer Rehwinkel geruststellen. Hij heeft de eed er goed op nagelezen en deze is in de geest en de letter van de olympische beweging en het olympisch charter. Het afleggen van die eed is juist een bevestiging van de ethische en principiële uitgangspunten waar het IOC voor staat.

De wens van de heer Rijpstra of het kabinet ook langs de politieke lijnen de boodschap wil doorgeven, zal hij graag aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport doorgegeven. Hij was er verheugd over, dat het lidmaatschap van de kroonprins van het IOC niet op bezwaren hoefde te stuiten bij de CDA-fractie, ervan uitgaande dat aan de ministeriële verantwoordelijkheid niets veranderd is. Wat betreft de onderzoeken kan hij geen nadere informatie geven over de uitkomsten. De implementatie van de besluiten vindt echter in hoog tempo plaats. Een niet onbelangrijk besluit is de samenstelling van de ethische commissie met een aantal IOC-leden en een aantal prominente personen, die bekend staan om hun onafhankelijke geest en deskundigheid en hun internationale reputatie. De roep om een verdergaande democratisering van het IOC onderschrijft het kabinet natuurlijk van harte. Hij heeft verwezen naar de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport omdat deze als eerste, ook in overleg met de sportbonden en anderszins de contacten heeft en de lijnen kan uitzetten die stap voor stap tot die verdergaande democratisering kunnen leiden.

Hij voelde er weinig voor om persoonlijk met de heer Samaranch over dit onderwerp te gaan spreken en ziet ook geen functionele relatie, behalve dan dat hij de ministeriële verantwoordelijkheid voor de kroonprins draagt, maar die gaat niet zo ver dat hij over het hoofd van de kroonprins heen de heer Samaranch moet gaan bellen of daar belet moet vragen. Natuurlijk zal de Nederlandse regering het proces van democratisering toejuichen, hoewel het IOC een andersoortige organisatie is dan semi-publieke of publieke instellingen.

Hij betreurde het dat hij de D66-fractie niet heeft kunnen overtuigen. Aan het adres van de heer Van der Vlies merkte hij op alles over dit onderwerp te hebben gelezen, van constitutionele tot niet-constitutionele adviezen en beschouwingen. Begin vorig jaar heeft het kabinet een verantwoord besluit genomen. Het is zeer te betreuren voor het IOC dat de gebeurtenissen eind vorig jaar begin dit jaar zich hebben voltrokken. Het zicht op de verdere toekomst is thans voldoende duidelijk: geen oranje knipperlicht of een oranje stoplicht, maar voor het kabinet groen al heeft hij overigens uiteraard een voorkeur voor andere kleuren. De kroonprins kan verder en zal een goede bijdrage kunnen leveren.

Nadere gedachtewisseling

De heer Rosenmöller (GroenLinks) benadrukte nogmaals, dat het niet gaat over de kwaliteiten van de kroonprins of over de vraag of het IOC op 17 en 18 maart een aantal dingen heeft verbeterd. Dat is ook onomstreden, maar het gaat uiteindelijk om de waardering daarvan en om de ministeriële verantwoordelijkheid.

De minister-president had het, ook naar aanleiding van de berichtgeving die niemand in april vorig jaar kon bevroeden, niet chique gevonden naar het IOC en naar de kroonprins zelf om een terugtrekkende beweging te maken. In februari is een stap gezet, waar direct het point of no return mee gepasseerd leek te zijn. Daar zit een bepaalde mate van consequentie in, zeker ook met de time-out zoals die in februari is aangekondigd en is geëffectueerd, maar de uitkomst blijft toch onzeker. De minister-president zegt niet te zullen schrikken op het moment dat er weer iets over het IOC in de krant staat. Nu zal het niet direct de ministeriële verantwoordelijkheid raken, maar bericht op bericht kan leiden tot eenzelfde situatie als in het afgelopen halfjaar. Dat zou betekenen dat die koers inderdaad niet consequent wordt doorgezet en daar neemt de minister-president een risico mee. Dat risico vindt de heer Rosenmöller van dien aard, dat het beter ware geweest de kwaliteiten van de kroonprins, die onmiskenbaar zijn, op andere wijzen op het terrein van sport en de maatschappelijke activiteiten, voor het land te benutten.

De heer Rehwinkel (PvdA) was een andere mening toegedaan dan de heer Rosenmöller en waardeerde dat een aanzienlijk deel van de Kamer er nu anders tegenaan kijkt. De brief van het kabinet van een paar weken geleden kan op brede instemming van de Kamer rekenen en het kabinet kan daar dan ook tevreden over zijn.

De heer Rijpstra (VVD) was het er volledig mee eens dat het IOC koers moet houden. Mocht het toch verkeerd gaan, dan kan dat op den duur de ondergang van het IOC zijn. De druk op het IOC moet gehandhaafd worden en die kan wel degelijk via de nationale olympische comités opgevoerd worden. Die nationale olympische comités zijn weer beïnvloedbaar door de bewindslieden van de onderhavige landen. Er komt een Europese sportconferentie en wellicht kan de staatssecretaris voor Sport die gebruiken om er bij haar collega's op aan te dringen, dat via de nationale olympische comités maximale druk op het IOC uitgeoefend wordt.

Voor de heer Atsma (CDA) viel de afweging uiteindelijk positief uit, mede gelet op hetgeen er is gezegd en afgesproken over de ministeriële verantwoordelijkheid. De CDA-fractie ziet graag een einde komen aan de publieke discussie over de positie van de Prins van Oranje. Zij is ervan overtuigd, dat door zijn toetreding en beëdiging een grote impuls uitgaat voor de sport in het algemeen.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) wees erop, dat het verschil van inzicht tussen het kabinet en de fractie van D66 vooral is terug te brengen tot een waardering van de situatie en een inschatting van de risico's. Zij nam aan, dat de minister-president op grond van de ervaringen als een gewaarschuwd mens voor twee telt en de vinger aan de pols zal houden. Zij begreep heel goed, dat niet elk krantenbericht het bloed naar de kaken zal doen stijgen maar het is een IOC in beweging en het is niet bekend waar het uitkomt. Haar fractie laat het kabinet de verantwoordelijkheid dragen en zal zich niet verzetten tegen de beëdiging van de kroonprins, hoewel zij het een onverstandig besluit van het kabinet blijft vinden.

De heer Van der Vlies (SGP) wees erop, dat de door de minister-president geciteerde «gemengde gevoelens» van de fractie van de SGP werden veroorzaakt door de worsteling over de staatsrechtelijke posities. In dat debat heeft hij de minister-president geraden, het lidmaatschap van de kroonprins te heroverwegen. Die was daartoe niet bereid en daarom rees voor de SGP-fractie de vraag hoe het nu verder moest. De SGP-fractie zou inderdaad tegen hebben gestemd als het toen op het scherpst van de snede zou zijn uitgevochten. Daar kan inderdaad geen enkele twijfel over bestaan. De minister-president kiest voor groen, de heer Van der Vlies zou in dit geval liever kiezen voor rood, maar was ervan overtuigd dat zij samen Oranje alle goeds toewensen.

De minister-president merkte op dat de februaribrief van dit jaar was gebaseerd op de oprechte overtuiging – die ook door de kroonprins werd gedeeld – dat het afgelopen zou zijn als onverhoopt de IOC-besluitvorming niet tot de goede resultaten zou hebben geleid. Dat is dus het tegendeel van een point of no return. De beslissing was afhankelijk van de besluitvorming in maart.

Natuurlijk is het mogelijk dat er weer nieuwe publicaties ontstaan, maar maatgevend is dan de vraag of het IOC daar een goed antwoord op weet te geven, in lijn met de afspraken die in maart zijn gemaakt. Op die manier zal ook de vinger aan de pols moet worden gehouden. Het IOC zal, nu het eenmaal deze lijn heeft gekozen, bij de implementatie van de afspraken en bij het verder voortzetten van het beleid die richting moeten vasthouden.

De minister-president wilde de kwesties van de nationale olympische comités en hun boodschap zeker niet alleen aan de staatssecretaris van VWS overdragen. Het kabinet zal er samen met de nationale olympische comités alles aan doen om via de sportconferentie en anderszins een maximale druk op het IOC te handhaven, opdat het die ingeslagen koers vasthoudt.

Ten slotte sloot hij zich van harte aan bij de slotwoorden van de heer Van der Vlies over rood en groen en dat uiteindelijk niets boven Oranje gaat.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Cloe

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Terpstra

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Rehwinkel (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wagenaar (PvdA), De Boer (PvdA), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD).

Plv. leden: Van den Doel (VVD), Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Wijn (CDA), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Nicolaï (VVD), Van Oven (PvdA), Brood (VVD), Apostolou (PvdA), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Essers (VVD).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Rouvoet (RPF), De Vries (VVD), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Gortzak (PvdA), Hermann (GroenLinks), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA).

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Örgü (VVD), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Ravestein (D66), Weekers (VVD), Schutte (GPV), Cherribi (VVD), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA).