Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-199926398 nr. 1

26 398
Ontwikkelingen rond het IOC

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 9 februari 1999

Op 26 januari jl. heb ik uw Kamer een nadere analyse toegezegd van de recente ontwikkelingen rond het IOC met inbegrip van de vraag hoe in dat licht het lidmaatschap van de Prins van Oranje moet worden beoordeeld.

Het rapport van de ad hoc commissie Pound van het IOC heeft een reeks ernstige misslagen binnen het IOC aan het licht gebracht. Daarmee heeft de reputatie van het IOC grote schade opgelopen. De ad hoc commissie heeft in het rapport voorts een aantal belangrijke voorstellen tot verbetering gedaan. Zoals uit het rapport blijkt, zijn verschillende andere onderzoeken nog gaande resp. in voorbereiding. Niet uit te sluiten is dat meer bezwarende feiten bekend zullen worden.

Enkele van de in gang gezette onderzoeken zullen, zoals het er nu naar uitziet, vóór de buitengewone zitting van het IOC kunnen zijn afgerond (Salt Lake City Olympic Committee; US Olympic Committee en mogelijk het IOC-vervolgonderzoek van de commissie Pound en het IOC-onderzoek naar de gang van zaken bij de keuze van andere steden).

Deze onderzoeken zullen nadere gegevens kunnen opleveren die van belang zijn bij de beoordeling van de omvang en ernst van de ongewenste praktijken. Het onderzoek van de Amerikaanse justitie is nog in het stadium van vooronderzoek. Een termijn valt hiervoor op dit moment niet te geven. Onduidelijk is of het Amerikaanse Congres een eigen onderzoek zal starten.

Zoals in de Kamer aan de orde is geweest, is het van het grootste belang dat het IOC zo spoedig mogelijk afrekent met het verleden en met een schone lei de toekomst ingaat.

De maatregelen die worden voorgesteld bieden een uitzicht op herstel van vertrouwen in de integriteit van het IOC. De uitkomsten van de bijzondere zitting van het IOC op 17 en 18 maart a.s. zullen duidelijkheid moeten brengen over het zelfreinigend vermogen van de organisatie en zijn daarmede bepalend voor de vraag of de Prins van Oranje zijn activiteiten ten behoeve van de internationale sport in het kader van het IOC zal kunnen voortzetten.

Ook de Prins van Oranje beoordeelt de ontstane situatie als zeer ernstig en heeft in overleg met mij besloten zich tot na de bijzondere zitting van activiteiten in het kader van het IOC te onthouden.

Kort na de desbetreffende zitting zal ik uw Kamer berichten over de alsdan ontstane situatie en hoe in dat licht het lidmaatschap van de Prins van Oranje moet worden beoordeeld.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok