Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200126396 nr. 5

26 396
Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR

nr. 5
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 januari 2001

Inleiding

Voor de vervanging van de ongeveer 1600 bij de Koninklijke landmacht ingedeelde pantservoertuigen van het type M577 en YPR is in 1997 het project «Vervanging pantservoertuigen» gestart. Op 18 april 1997 (Kamerstuk 25 000 X, nr. 74) bent u in het kader van het Defensiematerieelkeuzeproces geïnformeerd over de behoeftestelling. Daarbij werd onder meer gemeld dat het project in twee fasen wordt uitgevoerd. In de eerste fase zullen vrijwel uitsluitend de parate eenheden met nieuwe voertuigen worden uitgerust. In de tweede fase, na 2017, worden vervolgens de voertuigen bij de reserve-eenheden vervangen. Dit gebeurt door de voertuigen van de parate eenheden te laten doorstromen naar de reserve-eenheden. De parate eenheden worden dan van de nieuwste voertuigen voorzien. Overigens zal voor fase 2 te zijner tijd, maar zeker niet vóór 2010, een separate behoeftestelling worden opgesteld.

Omdat het project valt onder de procedureregeling «grote projecten» ontving u op 5 februari 1999 (Kamerstuk 26 396, nr. 1) de basisbeschrijving.

Met mijn brief van 6 maart 2000 (Kamerstuk 26 396, nr. 3) bood ik u de eerste jaarrapportage over het project «Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR» aan.

Met deze brief beperk ik mij tot fase 1 van het project. In mijn brief van 6 maart 2000 gaf ik al aan dat in de behoefte aan nieuwe voertuigen kan worden voorzien met een drietal typen pantservoertuigen:

– een groot pantserwielvoertuig;

– een klein pantserwielvoertuig;

– een infanteriegevechtsvoertuig.

Inmiddels is de gecombineerde voorstudie- en studiefase voor de eerste twee voertuigtypen voltooid. Over de resultaten hiervan informeer ik u met deze brief, die voorts een actueel overzicht bevat van de gevalideerde behoefte voor de totale eerste fase.

Tot slot verzoek ik u deze brief in het kader van de procedureregeling «grote projecten» te beschouwen als de jaarrapportage 2001 over het project. Gevoegd is het rapport van de Defensie Accountantsdienst over het project van 4 januari 2001.1

De operationele behoefte

Zowel voor de bondgenootschappelijke verdediging als voor vredesoperaties zijn pantservoertuigen binnen de Koninklijke landmacht onmisbaar. Samen met tanks leveren zij een belangrijke bijdrage aan de gevechtskracht.

De pantservoertuigen van het type M577 zijn al in de jaren zestig ingevoerd en doen dienst als commandovoertuig bij staven van eenheden. Het YPR-voertuig is sinds 1979 binnen de Koninklijke landmacht operationeel en dient als wapendrager van het 25 mm boordkanon en antitankwapens. Daarnaast voert het voertuig onder meer taken uit als gepantserd personeelsvoertuig, mortiertrekker gewondentransport-, genie- en bergingsvoertuig.

Beide typen voertuigen zullen binnen enkele jaren het einde van hun operationele en technische levensduur bereiken. Ze voldoen namelijk niet meer aan de eisen die het moderne gevecht stelt op het gebied van onder meer vuurkracht, bescherming, mobiliteit en commandovoering. Ook zijn ze nog slechts met een hoge onderhoudsinspanning inzetbaar te houden. Tot slot is bij beide typen voertuigen het groeipotentieel maximaal benut, waardoor een gevechtswaardeverbeteringsprogramma geen oplossing voor de bovengenoemde tekortkomingen biedt.

In de basisbeschrijving van 5 februari 1999 kwamen de algemene eisen op het gebied van mobiliteit, commandovoering & inlichtingen, bescherming, vuurkracht en groeipotentieel uitgebreid aan de orde. Deze eisen zijn nog steeds actueel. Wel zijn in de afgelopen periode de specifieke eisen voor de eerdergenoemde typen voertuigen uitgewerkt.

Het kleine pantserwielvoertuig zal dienen als transportmiddel voor onder meer de «Medium Range Anti-Tank»(MRAT)-ploegen, de infanterieploegen van verkenningseenheden, de genieverkenner, de commandogroep van mortierpelotons en de artilleriewaarnemers. Voor deze taken zijn een laag silhouet en een hoge mobiliteit van groot belang. Dit beperkt evenwel de mogelijkheden om het voertuig van een ballistische bescherming te voorzien. Omdat bij de uitvoering van de taken een heimelijk optreden en dus het voorkómen van ontdekking voorop staat, kan, overeenkomstig de eisen die op dit gebied ook zijn gesteld aan het licht verkennings- en bewakingsvoertuig Fennek, worden volstaan met een bescherming tegen maximaal 7.62 mm AP projectielen. Als bewapening dient het voertuig te beschikken over een mitrailleur op affuit die vanuit het voertuig kan worden bediend. Zoals al in de Defensienota is gemeld, wordt gedacht aan een voertuig met kenmerken van de Fennek. Inmiddels zijn de voorstudie- en studiefase voor dit deelproject voltooid. De resultaten worden later in deze brief gepresenteerd.

Het grote pantserwielvoertuig zal gevechtsondersteunende taken verrichten, waarbij de volgende versies zijn voorzien: commandovoering, gewondentransport, «battle damage repair», vracht, genie en mortiertrekker. Deze taken vergen een groot laadvolume en -gewicht, wat vrijwel onherroepelijk leidt tot een voertuig met een relatief hoog silhouet. Een ballistische bescherming tegen ten minste 14,5 mm projectielen is daarom noodzakelijk. Met oog op de behoefte aan dit type voertuig wordt al geruime tijd aansluiting gezocht bij het Duits/Britse ontwikkelingsproject «Gepantzertes Transport Kraftfahrzeug/Multi Role Armoured Vehicle/PantserWielVoertuig (GTK/MRAV/PWV)». Ook in de Defensienota werd het streven naar samenwerking in dit project met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk onderstreept. Inmiddels zijn de onderhandelingen ten einde en zijn de voorwaarden voor deelneming bekend. Verderop in deze brief komen deze resultaten eveneens uitgebreid aan de orde.

De Koninklijke landmacht onderzoekt nog welke specifieke eisen aan het infanteriegevechtsvoertuig moeten worden gesteld. Vaststaat dat het voertuig moet beschikken over boordbewapening om soortgelijke voertuigen, helikopters en personeel tot een afstand van 2000 meter uit te schakelen. Voorts moet het voertuig hoge prestaties leveren op het gebied van mobiliteit en bescherming. Terwijl bij de andere typen voertuigen een voorkeur bestaat voor een wielonderstel, is de keuze bij dit type voertuig nog niet gemaakt. De Koninklijke landmacht volgt de internationale ontwikkelingen op dit gebied nauwgezet en zal de voorstudieresultaten voor het infanteriegevechtsvoertuig separaat in 2001 rapporteren. Dan zal ook meer duidelijkheid bestaan over de wijze van voortzetting van het project, zoals deelnemen aan een internationaal ontwikkelingsproject of het (nagenoeg) van de plank kopen van een product.

Ten opzichte van het gestelde in mijn brief van 6 maart 2000 is voor alle drie typen voertuigen de kwantitatieve behoefte geactualiseerd. Voor de kleine pantservoertuigen is de behoefte vastgesteld op 208 stuks. Door de bij reserve artillerie-eenheden ingedeelde M577's vooralsnog niet te vervangen kon de behoefte aan grote pantserwielvoertuigen worden verlaagd tot 384 stuks. Voor het infanteriegevechtsvoertuig is de behoefte verlaagd tot 200 voertuigen. Voor een belangrijk deel wordt dit bereikt door voor opleidingen gebruik te maken van voertuigen van parate eenheden. Hierdoor zijn geen extra voertuigen meer nodig.

Het deelproject «klein pantserwielvoertuig»

Zoals ook gemeld in de Defensienota, gaat voor het kleine pantserwielvoertuig de belangstelling uit naar een voertuig met vergelijkbare kenmerken als het licht verkennings- en bewakingsvoertuig Fennek. Operationeel gezien maken vooral het lage silhouet, de kleine detectiekans en de grote mobiliteit de Fennek bij uitstek ook geschikt voor de uitvoering van de taken die voor het klein pantserwielvoertuig zijn voorzien. Ook zijn in beide gevallen de voorziene voertuigbemanning en uitrusting en, daarmee, de afmetingen van het benodigde voertuig gelijk. Omdat daarnaast een keuze voor de Fennek binnen de Koninklijke landmacht tot standaardisatie van voertuigen zou leiden, geniet dit uitontwikkelde en beproefde voertuig ook vanuit logistiek oogpunt de voorkeur. Tot slot kunnen er ook voordelen op opleidingsgebied worden behaald omdat er nauwelijks extra opleidingsleermiddelen nodig zijn.

Een keuze voor de Fennek biedt de Nederlandse industrie interessante mogelijkheden. Het voertuig zal worden geproduceerd door de Nederlands/Duitse Arbeitsgemeinschaft (Arge)-SP/Krauss-Maffei-Wegmann (KMW), waardoor een aanzienlijk deel van de productie bij Nederlandse bedrijven terechtkomt.

In mijn brief over het project «Licht verkennings- en bewakingsvoertuig» van 19 januari 2000 (Kamerstuk 26 637, nr. 3) meldde ik dat in de nieuwe offerte-aanvraag voor dit voertuig ook de mogelijkheid van een aanvullende serie voor Nederland zou worden meegenomen. Zoals ook gesteld in de begroting 2001 geldt voor het project «Licht verkennings- en bewakingsvoertuig» een taakstellend budget van f 440 miljoen (prijspeil 2000). De gevraagde offertes zijn inmiddels ontvangen en worden door de Koninklijke landmacht beoordeeld. Ik verwacht de resultaten van de verwervingsvoorbereidingsfase voor zowel het licht verkennings- en bewakingsvoertuig Fennek als het klein pantserwielvoertuig Fennek in de eerste helft van 2001 met een D-brief aan u te kunnen presenteren.

Het deelproject «groot pantserwielvoertuig»

In het deelproject «groot pantserwielvoertuig» zoekt Nederland al sinds 1997 om vooral technische, operationele, logistieke en politiek-industriële redenen aansluiting bij het Duits/Britse project «GTK/MRAV/PWV». In mijn brief van 5 februari 1999 ging ik al uitgebreid in op de redenen hiervoor.

Voor de ontwikkeling en de serieproductie van het PWV-voertuig is een internationaal industrieel consortium – Artec – opgericht, waarin namens de Nederlandse industrie de firma Stork PWV participeert. In mijn brief van 6 maart 2000 meldde ik al dat Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Artec op 5 november 1999 het contract hebben getekend voor zowel de ontwikkeling als een eerste optionele serie van in totaal 600 voertuigen. Op 1 december 1999 is vervolgens een offerte voor de Nederlandse deelneming aangevraagd. De aanvraag had betrekking op deelneming aan de ontwikkeling van het basisvoertuig, de ontwikkeling van vier Nederlandse versies («commandovoering», «gewondentransport», «vracht», en «battle damage repair») en de productie van een optionele eerste serie van 200 stuks. Tevens werden maximale prijzen gevraagd voor een mogelijke tweede serie. Na lang onderhandelen is uiteindelijk op 25 oktober 2000 een offerte van Artec ontvangen die past binnen de vastgestelde financiële grens van f 1900 miljoen (prijspeil 2000). Van dit bedrag is f 245 miljoen (prijspeil 2000) bestemd voor de ontwikkeling, de bouw en de beproeving van prototypen alsmede de logistieke voorbereiding. Daar de versies «genie» en «mortiertrekker» geen deel uitmaken van de eerste optionele serie van 200 stuks, kon voor de ontwikkeling van deze modules geen offerteprijs worden gevraagd. In de f 245 miljoen is een stelpost van ruim f 14 miljoen opgenomen voor de relatief eenvoudige ontwikkeling van deze afgeleide versies.

Uit de offerte blijkt dat van de door Nederland te betalen ontwikkelingskosten ongeveer 80 procent bij Nederlandse bedrijven zal terechtkomen. Omdat de ontwikkelingsfase al in november 1999 is begonnen, is dit percentage waarschijnlijk het maximaal haalbare. Voor de optionele serieproductie bestaat al overeenstemming over participatie door de Nederlandse industrie voor ruim 85 procent van de Nederlandse kosten. Waarschijnlijk zal dit percentage de komende jaren nog toenemen. Omdat enkele Nederlandse bedrijven als «single source»-leverancier aan het project deelnemen, zijn er reële mogelijkheden de 100 procent te overschrijden als er vervolgbestellingen worden geplaatst. De participatievoorstellen hebben de instemming van het ministerie van Economische Zaken.

In het met de industrie overeengekomen tijdschema moeten voor alle deelnemende landen de prototypen vanaf oktober 2002 beschikbaar komen. Tot midden 2004 ondergaan de prototypen vervolgens een uitgebreide beproeving, waarna de resultaten begin 2005 met een D-brief aan u worden bekendgemaakt. In juridische zin worden thans geen verplichtingen voor de optionele serie aangegaan. Door nu te gaan deelnemen is de intentie echter duidelijk: bij een gelijkblijvende behoefte en een succesvolle ontwikkelingsfase zal Nederland de voertuigen binnen de thans overeengekomen prijs verwerven.

Zoals onder meer is uiteengezet in de Defensienota, werd reeds in een vroeg stadium besloten te streven naar aansluiting bij het Duits/Britse project. Een formele marktverkenning naar mogelijke alternatieven is daarom niet uitgevoerd. Toch is de Koninklijke landmacht de marktontwikkelingen blijven volgen. Het staat vast dat er thans geen uitontwikkeld of bijna uitontwikkeld voertuig op de markt is dat aan de eisen voor een groot pantserwielvoertuig voldoet. Met name het voldoen aan de gestelde beschermingseis vormt een groot probleem. Verhoging van het beschermingsniveau lijkt bij enkele alternatieven wel mogelijk, maar zou gepaard gaan met een onaanvaardbare vermindering van het nuttig laadvermogen.

De technische risico's

Indien in de verwervingsvoorbereidingsfase wordt gekozen voor het Fennek-voertuig als klein pantserwielvoertuig worden nauwelijks nog technische risico's onderkend. De prototypenbeproeving van het Fennek-voertuig is in april 2000, in het kader van het project «licht verkennings- en bewakingsvoertuig», met succes voltooid. Het Fennek-voertuig is thans productiegereed. Omdat bij het klein pantserwielvoertuig géén behoefte bestaat aan het in hoogte verstelbaar waarnemingssysteem uit het LVB-voertuig, wordt de Fennek in technisch opzicht zelfs minder ingewikkeld. Wel zullen in het voertuig nieuwe opbergvoorzieningen moeten worden aangebracht. Vanuit technisch oogpunt kan deze activiteit evenwel als eenvoudig worden aangemerkt. Het technische risico bij dit voertuig is daarom gering.

Bij een keuze voor deelneming aan het Duits/Britse project GTK/MRAV/PWV is het technische risico gelegen in het feit dat het een ontwikkelingstraject betreft. Overigens hebben de hoofdaannemers in het consortium Artec, Alvis uit het Verenigd Koninkrijk, KMW en Rheinmetall Landsystems uit Duitsland en het Nederlandse bedrijf Stork, veel ervaring in het managen en uitvoeren van multinationale (ontwikkelings)projecten. Alvis, KMW en Rheinmetall Landsystems hebben daarnaast ook een goede reputatie op het gebied van gepantserde voertuigen.

Om de technische risico's zoveel mogelijk te beperken, zijn met het consortium gedetailleerde afspraken gemaakt. Zo worden tijdens de ontwikkelingsfase frequent «designreviews» en beproevingen uitgevoerd en is het ontwikkelingstraject in fasen verdeeld. Dit draagt bij tot een goede beheersing van het project. Samenvattend wordt het technische risico bij de deelneming aan het project «GTK/MRAV/PWV» als laag beoordeeld.

Het budget en de financiële risico's

Voor de eerste fase van het project «Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR» is in de periode tot 2015 in de plannen van de Koninklijke landmacht in totaal f 3620 miljoen (prijspeil 2000) gereserveerd. Zoals in de begroting 2001 (Kamerstuk 27 400 X, nr.2) al aan u werd gemeld, geldt voor het deelproject «groot pantserwielvoertuig» een taakstellend budget van f 1900 miljoen (prijspeil 2000). Voor het deelproject «klein pantserwielvoertuig» is binnen het totale budget f 375 miljoen (prijspeil 2000) gereserveerd en voor het deelproject «infanteriegevechtsvoertuig» een budget van f 1345 miljoen (prijspeil 2000).

Zoals eerder is opgemerkt, kan het deelproject «groot pantserwielvoertuig» binnen het taakstellend budget van f 1900 miljoen (prijspeil 2000) worden uitgevoerd. Binnen dit budget is de omvang van een aantal posten echter nog niet definitief. Zo moet een deel van de kosten in Engelse ponden worden betaald. Het betreft voor de ontwikkelingsfase een bedrag van ongeveer 10 miljoen pond. Hieraan is een koersrisico verbonden. Daarnaast is in het budget ook een stelpost opgenomen voor de initiële logistieke ondersteuning, onvoorziene kosten en technische wijzigingen. Op basis van ervaringen bij andere projecten is voor deze stelpost f 187 miljoen, ongeveer 10 procent van de totale omvang, gereserveerd. De concrete invulling van deze stelpost zal in de D-brief aan de orde komen.

Het «klein pantserwielvoertuig» zal binnen het gereserveerde bedrag van f 375 miljoen moeten worden verworven. Uit de offerte voor het «licht verkennings- en bewakingsvoertuig» en de tot dusver gevoerde onderhandelingen, is af te leiden dat dit haalbaar wordt geacht. Zoals al eerder gesteld zal ik u hierover, in de eerste helft 2001, met een D-brief gedetailleerder informeren.

In de basisbeschrijving meldde ik dat voor het infanteriegevechtsvoertuig een stuksprijs van f 6 miljoen als richtbedrag is gehanteerd. Inmiddels is echter uit informatie van de industrie gebleken dat voor een voertuig, voorzien van een modern boordkanon, inclusief de initiële voorraad munitie, rekening moet worden gehouden met een hogere stuksprijs. Daar de prijzen onder meer afhankelijk zijn van de eisen die aan het infanteriegevechtsvoertuig worden gesteld, kan pas bij de presentatie van de voorstudieresultaten van dit deelproject, medio 2001, meer duidelijkheid worden verschaft. Dan zal ik u nader informeren over de mogelijkheden het project binnen het budget te verwezenlijken of het ten koste van andere projecten te financieren.

De projectorganisatie

De voltooiing van de verwervingsvoorbereidingsfase voor het deelproject «klein pantserwielvoertuig» zal binnen de Koninklijke landmacht worden overgedragen aan het projectteam «licht verkennings- en bewakingsvoertuig». De deelprojecten «groot pantserwielvoertuig» en «pantserinfanteriegevechtsvoertuig» blijven binnen de Koninklijke landmacht ressorteren onder het projectteam «Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR». Internationaal wordt het deelproject «groot pantserwielvoertuig» uitgevoerd door een projectteam dat ressorteert onder Occar. In dit projectteam zijn momenteel zeven functies voor Nederlandse vertegenwoordigers gereserveerd.

Het gevoegde rapport van de Defensie Accountantsdienst geeft een oordeel over de projectorganisatie van het totale project.

Voortzetting van het project

Ik ben voornemens, desgewenst na overleg met u, de Koninklijke landmacht toestemming te verlenen het deelproject «groot pantserwielvoertuig» voort te zetten door deel te nemen aan de ontwikkelingsfase van het Duits/Britse project «GTK/MRAV/PWV». De totale kosten bedragen f 245 miljoen (prijspeil 2000). Voor de serie worden nog geen verplichtingen aangegaan. Over de resultaten van de verwervingsvoorbereidingsfase (inclusief prototypenbeproeving) zult u naar verwachting in 2005 worden geïnformeerd.

De resultaten van de verwervingsvoorbereidingsfase van het deelproject «klein pantserwielvoertuig» zullen integraal worden behandeld in de D-brief over het project «licht verkennings- en bewakingsvoertuig» die in de eerste helft 2001 wordt aangeboden.

De resultaten van de voorstudiefase van het deelproject «infanteriegevechtsvoertuig» zal ik u in 2001 in een separate B-brief aanbieden.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.