26 396
Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR

nr. 40
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 oktober 2004

Met de brief van 18 maart 2002 (Kamerstuk 26 396, nr. 11) bent u geïnformeerd over de resultaten van de voorstudiefase (B-fase) van het project «Infanteriegevechtsvoertuig». Dit project maakt deel uit van het totale project «Vervanging Pantservoertuigen YPR 765 en M577» dat de verwerving betreft van drie nieuwe typen pantservoertuigen voor de Koninklijke landmacht. Dit betreft een klein gepantserd wielvoertuig (Fennek), een groot gepantserd wielvoertuig (PWV/Boxer) en een infanteriegevechtsvoertuig (IGV). In deze brief informeer ik u over de resultaten van de gecombineerde studie- en verwervingsvoorbereidingsfase (C/D-fase) van het project «Infanteriegevechtsvoertuig (IGV)».

Deze brief is tevens te beschouwen als het projectvoorstel in het kader van de procedureregeling grote projecten. Het rapport van de Audit Dienst Defensie (ADD)1 inzake dit project wordt conform deze procedureregeling als afzonderlijk document meegezonden.

Operationele behoefte

De Koninklijke landmacht kan worden ingezet in conflicten die het gehele geweldsspectrum bestrijken en moet kunnen beschikken over middelen die dat mogelijk maken. Daarbij is het onderscheid tussen de uitvoering van crisisbeheersingsoperaties en de bondgenootschappelijke verdedigingstaak uit militair-operationeel oogpunt minder relevant geworden. Ook crisisbeheersingstaken kunnen het hogere deel van het geweldsspectrum bestrijken. Voor optreden onder gevechtsomstandigheden vormen infanteriegevechtsvoertuigen – naast tanks en overige pantservoertuigen – de kern van de gemechaniseerde gevechtseenheden. Ze leveren een essentiële bijdrage aan de gevechtskracht.

De huidige YPR-voertuigen zijn vanaf 1979 ingevoerd en bereiken in de periode 2007–2012 het einde van de technische levensduur. Daarnaast voldoen vooral de infanteriegevechtsvoertuigen van dit type niet langer aan de eisen die de hedendaagse operationele inzet stelt. De YPR heeft geen groeipotentieel meer, zodat een gevechtswaardeverbeteringsprogramma geen oplossing voor de tekortkomingen biedt.

Het infanteriegevechtsvoertuig geldt als basisgevechtsvoertuig voor de pantserinfanteriebataljons. Het huidig en toekomstig optreden van deze eenheden in het gehele geweldsspectrum stelt een aantal specifieke eisen aan het voertuigconcept. Het betreft eisen op het gebied van transportvermogen, bescherming, mobiliteit, commandovoering en vuurkracht. Tevens moet het voertuig over voldoende groeipotentieel beschikken om eventuele toekomstige eisen op deze gebieden te accommoderen.

Het transportvermogen moet voldoende zijn om naast een commandant, een schutter en een chauffeur, een infanteriegroep van zeven gevechtssoldaten inclusief persoonlijke en groepsuitrusting te vervoeren.

Het voertuig moet rondom bescherming bieden tegen 14,5 mm pantserdoorborende munitie. In de frontale zone van het voertuig geldt een bescherming tegen 30 mm pantserdoorborende projectielen. Daarnaast moet het voertuig bescherming bieden tegen mijnen en tegen scherfwerking van conventionele artillerie- en mortiergranaten. Het groeipotentieel van het voertuig moet voorzien in de mogelijkheid van het aanbrengen van extra bepantsering om het voertuig op enig moment met bescherming tegen nieuwe of andersoortige dreigingen te kunnen uitrusten. Bescherming tegen NBC-middelen is eveneens vereist.

Als mobiliteitseis is gesteld, dat het infanteriegevechtsvoertuig in alle soorten terrein naast tanks moet kunnen optreden. Hiervoor dient het voertuig te beschikken over een goede terreinvaardigheid en voldoende acceleratievermogen. Daarnaast is bij het optreden tijdens gevechtsacties een hoge mate van wendbaarheid vereist, waarbij onder meer moet worden gedacht aan duelsituaties met vijandelijke voertuigen en operaties in stedelijk gebied.

De verschillende sensor-, verbindings- en informatieverwerkingssystemen moeten het mogelijk maken snel en onder alle omstandigheden doelen te onderkennen en te bestrijden, informatie te verwerken en uit te wisselen. Het IGV is daarmee geschikt voor operaties in een «netwerk» omgeving (Network Enabled Capabilities).

Het infanteriegevechtsvoertuig moet doelen, zoals infanteriegevechtsvoertuigen, personeel en gevechtshelikopters tot op een afstand van 2000 meter kunnen uitschakelen. Met het oog op de geplande gebruiksduur van het infanteriegevechtsvoertuig en de toename van bescherming op pantservoertuigen moet er op het gebied van vuurkracht – uitgedrukt in kaliber – groeipotentieel aanwezig zijn. Op basis van deze eisen en een door TNO uitgevoerde studie naar de effectiviteit en de levensduurkosten van de verschillende kalibers, is gekozen voor het kaliber 35 mm. Het kaliber 35 mm biedt een vuurkracht die in ruime mate voldoet aan de gestelde eisen; het biedt tevens de mogelijkheid van verdere groei en is daarmee voorbereid op toekomstige ontwikkelingen. Door de grote effectiviteit van het kaliber 35 mm in vergelijking met het kaliber 30 mm is de behoefte aan projectielen kleiner. Hierdoor worden de hogere kosten van de afzonderlijke projectielen en de hogere verwervingskosten van de wapensystemen gecompenseerd.

De combinatie van hiervoor genoemde eisen op het gebied van transportvermogen, bescherming, mobiliteit en vuurkracht is alleen met een rupsvoertuig te realiseren.

Zoals ik 31 maart jl. in de vijfde jaarrapportage over het project «vervanging pantservoertuigen M577 en YPR» (Kamerstuk 26 396, nr. 26) heb gesteld, is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte ten opzichte van het gestelde in de brief van 18 maart 2002 niet gewijzigd. Voor het infanteriegevechtsvoertuig geldt een behoefte aan 200 voertuigen verdeeld over de typen: pantserrupsinfanterie (PRI), pantserrupscommando (PRCO) en pantserrupsberging (PRB). De Prinsjesdagbrief van 16 september 2003 heeft geleid tot een reorganisatie van de pantserinfanteriebataljons van drie bataljons met vier infanteriecompagnieën tot vier bataljons met drie infanteriecompagnieën. Dit heeft geresulteerd in een gewijzigde onderverdeling over de drie genoemde typen: 150 stuks PRI, 34 stuks PRCO en 16 stuks PRB. Hiervan zijn in totaal 10 voertuigen bestemd als Logistieke Reserve. Deze voertuigen zijn bedoeld om verliezen ten gevolge van inzet op te vangen en zullen deels voor opleidingen worden gebruikt.

In de hiervoor genoemde vijfde jaarrapportage heb ik u tevens geïnformeerd dat er behoefte is aan extra geavanceerde onderwijsleermiddelen. Dit betreft onder andere een rijsimulator, specifieke instructievoertuigen voor de rijopleiding (acht stuks), leermiddelen voor de bedienings- en onderhoudsopleiding en IGV-modules ten behoeve van Tactis (Tactische Indoorsimulatie, zie ook Kamerstuk 28 600, nr. 51). Ook zijn aanpassingen nodig voor het «Mobile Combat Trainings Centre» (MCTC) en het in Duitsland gelegen «geïnstrumenteerde» oefenterrein Altmark.

Resultaten studie- en verwervingsvoorbereiding

In mijn brief van 6 november 2002 (Kamerstuk 26 396, nr. 15) heb ik u gemeld dat twee kandidaat-leveranciers zich tijdens de studiefase hebben teruggetrokken. De twee overgebleven kandidaten, de Ulan van Steyr Daimler Puch en de CV-90 van Alvis-Hägglunds, zijn samen met de voor Duitsland in ontwikkeling zijnde Puma van het PSM-consortium van Krauss-Maffei Wegmann en Rheinmetall Land Systems, in beschouwing genomen.

Op basis van een gedetailleerd programma van eisen is in februari 2004 bij de drie kandidaat-leveranciers een offerte gevraagd voor zowel de levering van een kwalificatievoertuig als voor een optionele serielevering. Deze offerten zijn vervolgens geëvalueerd, waarbij tevens de uitkomsten van de in de studiefase uitgevoerde beproevingen zijn betrokken. Uit de evaluatie blijkt dat de CV-90 aan de eisen voldoet, het laagste risico heeft, de laagste prijs heeft en het snelst kan worden geleverd.

Wat de Ulan betreft geldt dat dit voertuig nagenoeg geheel moeten worden vernieuwd om aan de Nederlandse eisen te voldoen. Dit leidt tot een hoog ontwikkelrisico. Bovendien zal de Ulan ook na deze (door)ontwikkeling nog steeds niet voldoen aan de eis op het gebied van groeipotentieel. De gewichtsreserve wordt namelijk al benut om aan de huidige beschermingseisen te kunnen voldoen. Als toch extra bepantsering zou worden aangebracht heeft dit negatieve gevolgen voor het motorvermogen waardoor de mobiliteit niet meer zou voldoen. Verder is de Ulan beduidend duurder dan de CV-90 en is de serielevering pas vanaf medio 2010 mogelijk.

De Puma betreft een geheel nieuwe ontwikkeling die bovendien onder hoge tijdsdruk staat. Het risico van deze kandidaat wordt als hoog ingeschat, zo is het voertuig nog niet beproefd en is de verdere voortgang afhankelijk van besluitvorming in Duitsland. Op basis van het huidige concept kan verder worden gesteld dat de Puma vooral niet aan de eis van transportvermogen voldoet. Het interne volume is onvoldoende om de Nederlandse infanteriegroep met essentiële uitrusting te vervoeren. Verder is de Puma veel duurder dan de CV-90 en kan de serielevering pas omstreeks 2010 aanvangen.

Op basis van de resultaten van de studiefase en van de evaluatie van de drie ingediende offertes concludeert Defensie dat de verschillen tussen de kandidaten dermate onderscheidend zijn, dat nu al een definitieve keuze voor de CV-90 kan worden gemaakt. Door nu te kiezen, kan de serielevering ten opzichte van de planning in de Ontwerpbegroting 2005 worden versneld en vanaf 2007 plaatsvinden. Dit komt tegemoet aan de behoefte om sneller dan voorzien te starten met de vervanging van de huidige verouderde YPR-gevechtsvoertuigen.

Gerelateerde deelprojecten

Deelprojecten die aan de keuze voor het IGV zijn gerelateerd betreffen de benodigde uitbreidingen van Tactis en de rijsimulator. Nadat het contract voor het nieuwe IGV is afgesloten, wordt begonnen met de verwervingsvoorbereiding voor deze aanpassingen. Desbetreffende middelen zijn dan tijdig beschikbaar om de instroom van het nieuwe IGV te ondersteunen.

Ook de munitiebehoefte vormt een gerelateerd deelproject. Naast de benodigde oorlogsvoorraad wordt ook de initiële trainingsbehoefte voor drie jaar aangeschaft. In een deel van deze munitiebehoefte kan worden voorzien door gebruik te maken van de munitie die overtollig wordt door het afstoten van het 35 mm luchtdoelgeschut PRTL. Er resteert dan nog een behoefte van circa 30 000 stuks airburst munitie en 25 000 stuks trainingsmunitie. Deze nieuw aan te schaffen munitietypen worden thans uitontwikkeld en gekwalificeerd. Nadat dit proces is voltooid, wordt overgegaan tot verwerving van deze munitie zodat ook de munitie gelijk met de invoering van het IGV beschikbaar is.

Risico's

De resultaten van de studie- en verwervingsvoorbereiding leiden tot de conclusie dat de CV-90 de enige reële kandidaat is voor het seriecontract.

Tijdens de studiefase zijn de productrisico's die zijn verbonden aan de realisatie van het project met de CV-90 inmiddels verder gereduceerd door de uitvoering van diverse beproevingen. Dit geldt ook voor de integratie van het 35 mm boordkanon met aanvoermechanisme van munitie dat in de B-brief van 18 maart als technisch risico was geïdentificeerd. Inmiddels is het functioneren van dit subsysteem conform het eisenpakket uitgebreid beproefd. In 2005 zal een kwalificatievoertuig worden geleverd om de definitieve Nederlandse configuratie te kwalificeren, voor aanvang van de serieproductie.

Door voor de CV-90 te kiezen is het tijdsrisico het kleinst. Het betreft immers een uitontwikkeld en getest product dat op korte termijn geleverd kan worden. Hierdoor wordt het operationele risico dat inherent is aan de inzet van de huidige verouderde YPR voertuigen zo snel mogelijk weggenomen. In het contract zijn boeteclausules opgenomen voor het geval de fabrikant de leververplichtingen niet nakomt. De kans dat het kwalificatievoertuig niet aan de gestelde eisen voldoet is gering. In dat geval zal de producent de vereiste wijzigingen moeten doorvoeren wat mogelijk enige vertraging tot gevolg kan hebben voor aanvang van de serieleveringen.

Het financiële risico van valuta-effecten wordt door de fabrikant afgedekt. De voorschotbetalingen worden met bankgaranties afgedekt. Voor het overige worden geen bijzondere financiële risico's in dit project voorzien.

Keuzemogelijkheden

De offerten van de drie kandidaten lagen beduidend boven het beschikbare budget. Dit was reden om nadere maatregelen te ontwikkelen om de financiële overschrijding te verminderen.

Als eerste maatregel is de mogelijkheid bezien om de hoeveelheid te verwerven pantserpakketten te verminderen. De pantserpakketten zijn modulair en worden tijdens uitzendingen aan het basisvoertuig gemonteerd. Door in eerste instantie slechts pantserpakketten te kopen voor honderd voertuigen wordt een besparing bereikt van € 25 miljoen en zijn er toch voldoende pantserpakketten voor uitzendingen beschikbaar. Bij de berekening van het aantal pantserinfanterie-eenheden dat gelijktijdig kan worden uitgezonden, is uitgegaan van het actuele ambitieniveau van de krijgsmacht. Naast financiële redenen wordt dit alternatief ook ingegeven door het feit dat de huidige pantserpakketten nog geen optimale bescherming bieden tegen raketsystemen. Nieuwe beschermingspakketten zijn momenteel in ontwikkeling. Nederland volgt deze ontwikkeling nauwgezet en zal in de toekomst, afhankelijk van de bereikte meerwaarde ten opzichte van de initiële pantserpakketten, overwegen of verwerving opportuun is.

Als tweede maatregel is de behoefte aan bergingsvoertuigen in beschouwing genomen. De Koninklijke landmacht heeft thans nog voldoende Leopard-1 bergingstanks in voorraad die als alternatief kunnen dienen voor de IGV-berging. Deze tanks zijn overtollig geworden nadat in de Prinsjesdagbrief 2003 is besloten tot afschaffing van de reserve eenheden en deze tanks waren bestemd voor afstoting. Deze tanks hebben het eind van hun technische levensduur echter nog niet bereikt en kunnen derhalve nog als bergingsvoertuig voor het IGV dienst doen. Dit levert een besparing van ongeveer € 73 miljoen op. In vergelijking met de IGV-berging zullen de exploitatiekosten naar verwachting iets hoger zijn gezien de leeftijd van de Leopard-1 bergingstanks.

Het aantal van honderd pantserpakketten en het afzien van een IGV-bergingsvariant zijn operationeel acceptabel en zijn dan ook in de finale onderhandelingen met Alvis-Hägglunds meegenomen.

Financiën

Het projectbudget in de Ontwerpbegroting 2005 bedraagt thans in totaal € 896 miljoen (prijspeil 2004). Hiervan is inmiddels € 6 miljoen verplicht voor de studieactiviteiten en beproevingen. Het contract voor de CV-90 van Alvis-Hägglunds betreft € 891 miljoen. Daarnaast is € 91 miljoen gereserveerd voor aanpassingen van Tactis en de rijsimulator, de aanschaf van de benodigde munitie en de post onvoorzien. Het totale benodigde projectbudget komt daarmee op € 988 miljoen (prijspeil 2004) hetgeen in de begroting zal worden verwerkt.

Zoals aangegeven doet zich de mogelijkheid voor het project te versnellen ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2005, waardoor tegemoet wordt gekomen aan de operationele behoefte om op zo kort mogelijke termijn in de vervanging van de huidige YPR-voertuigen te voorzien. Deze versnelling heeft als consequentie dat de eerste betalingen al in 2004 plaatsvinden. De eerste jaren kan de versnelde realisatie worden geaccommodeerd vanwege reeds onderkende budgetvrijval door verschuivingen van andere investeringsprojecten zoals FENNEK en minder urgente infrastructuurprojecten. Over de wijze waarop het gehele projectbudget in het defensiebudget zal worden verwerkt, zal de Kamer nog vóór de begrotingsbehandeling worden geïnformeerd, in samenhang met de reeds aangekondigde brief over de Studies naar aanleiding van de Prinsjesdagbrief 2003. Vooralsnog denk ik hierbij voor de latere jaren aan het temporiseren van andere infrastructuurprojecten die niet randvoorwaardelijk zijn voor de maatregelen uit het «Nieuwe Evenwicht» en aan verschuivingen binnen het project Pantserhouwitser en het beperkt vertragen van de serielevering van het project Groot Pantserwielvoertuig. Bovendien valt er geld vrij binnen het project BMS omdat de CV-90 al is voorzien van BMS hardware.

De exploitatiekosten van het gehele CV-90 bestand worden thans geraamd op circa € 44 miljoen per jaar. Dit is gebaseerd op de voor de CV-90 uitgevoerde levensduurkosten analyse.

Personele aspecten

Per saldo leidt de invoering van het nieuwe infanteriegevechtsvoertuig niet tot een wijziging in de IGV gerelateerde behoefte aan personeel. Wel is er een verschuiving te verwachten van onderhouds- naar opleidingspersoneel. Dit wordt in de nieuwe structuur van de Koninklijke landmacht verwerkt.

Internationale samenwerking

De CV-90 is reeds ingevoerd in Finland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland. Er worden mogelijkheden gezien voor samenwerking tijdens de gebruiksfase. Zo is het mogelijk de krachten te bundelen voor de gezamenlijke verwerving van reservedelen en het herstel van componenten.

Inschakeling Nederlandse industrie

De drie kandidaten hebben zich bereid verklaard de totale opdrachtwaarde in Nederland te compenseren. De CV-90 heeft in vergelijking met de andere kandidaten de voorkeur omdat daarvoor inmiddels 36 procent compensatie is zekergesteld tegen 22 procent voor de Ulan. Voor de Puma is wel een potentiële inschakeling van de Nederlandse industrie gemeld, maar hierover kunnen geen zekerheden worden verschaft, mede vanwege het vroege stadium van het Duitse ontwikkelingstraject. Voordat de opdracht voor levering van de CV-90 bij Alvis-Hägglunds wordt geplaatst, zal een afzonderlijke compensatieovereenkomst worden gesloten tussen het ministerie van Economische Zaken en Alvis-Hägglunds. Wat de coproductie in Nederland betreft, zijn er onder andere mogelijkheden op het gebied van assemblage- en integratiewerkzaamheden, toepassing van een als Codema-project ontwikkelde Nederlandse warmtebeeldkijker, een gecombineerde airconditioning- en NBC-installatie en productie van loopwielen en complete loopwielsamenstellen.

Milieu aspecten

De nieuwe gevechtsvoertuigen, met inbegrip van de munitie, voldoen geheel aan de Nederlandse milieuwetgeving. Op milieugebied is onder meer getoetst aan de regelgeving op het gebied van uitlaatgasemissie, gevaarlijke stoffen en hcfk's.

Slot

Het infanteriegevechtsvoertuig van Alvis-Hägglunds voldoet aan de gestelde eisen en kan tijdig in de behoefte voorzien. Binnen de Defensiebegroting wordt het benodigde budget vrijgemaakt om deze essentiële behoefte in te vullen.

De urgentie van zo spoedig mogelijke vervanging van de YPR-voertuigen bij de pantserinfanterie is bij u bekend. Tijdens het laatste Algemeen Overleg (Kamerstuk 26 396, nr. 31) met de vaste commissie van Defensie over het project Vervanging Pantservoertuigen heb ik toegezegd u zo spoedig mogelijk na het zomerreces te informeren over het verwervingsvoornemen van het IGV. In lijn hiermee wil ik uiterlijk begin december 2004 tot contractondertekening overgaan en verzoek u in uw besluitvorming rekening te houden met deze urgentie.

Ik ben voornemens, desgewenst na overleg met u, over te gaan tot verwerving van de infanteriegevechtsvoertuigen en toebehoren bij de firma Alvis-Hägglunds. De eerste serieleveringen van deze systemen worden begin 2007 verwacht. De laatste eenheden zullen volgens planning in 2011 uitgerust zijn met de CV-90. Tevens ben ik voornemens de Koninklijke landmacht te mandateren voor de verwervingsvoorbereidingsfase van de gerelateerde aanpassingen van Tactis en de rijsimulator, alsmede voor de benodigde munitie.

De Staatssecretaris van Defensie,

C. van der Knaap


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven