26 396
Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR

nr. 37
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 12 oktober 2004

De vaste commissie voor Defensie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Defensie over de brief van 28 juni 2004 inzake de mogelijke verkoop van de Mechanisch Centrale Werkplaats (26 396, nr. 33).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 11 oktober 2004.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,

Albayrak

De adjunct-griffier van de commissie,

Kok

1

Kan de regering aangeven in hoeverre er met de huidige kennis van zaken voldaan wordt aan de overwegingen die ten grondslag liggen aan het project Competitieve dienstverlening hoger (CDV) onderhoud Koninklijke Landmacht, bij een eventuele verzelfstandiging van de Mechanisch Centrale Werkplaats (MCW)?

In het kader van het project competitieve dienstverlening hoger onderhoud KL (CDVHOKL) is in 2001 een voortraject uitgevoerd, dat bestond uit een reikwijdtebepaling en analyse. Daarbij is gebleken dat een groot gedeelte van de mechanische werklast, afgezet tegen de CDV-criteria, zonder bezwaar kon worden overgelaten aan de markt.

Verder kwam uit de analyse een tendens naar voren van steeds verdergaande internationale samenwerking, die leidt tot toenemende standaardisatie en veelvuldiger gebruik van civiele componenten bij mechanische systemen. Deze tendens biedt perspectieven op doelmatigheidswinst bij het uitbesteden van het onderhoud aan de industrie. Uit de analyse is verder gebleken dat inbesteden bij de MCW versus uitbesteden bij de binnen- of buitenlandse industrie geen duidelijk financieel voordeel laat zien voor één van beide opties. Zoals gesteld in de brief van mijn ambtsvoorganger van 7 juni 2002 zou een uiteindelijke keuze voor in- of uitbesteden echter niet alleen worden gemaakt op basis van financiële overwegingen.

Het bovenstaande, en het gegeven dat de complexiteit van mechanische systemen steeds verder toeneemt terwijl de nationale aantallen significant afnemen, waren voor de KL aanleiding principieel te kiezen voor uitbesteding van het hoger onderhoud bij de aanschaf van nieuwe (wapen)systemen. Hierdoor zal de werklast voor de MCW op termijn geheel verdwijnen. Uit het oogpunt van zorg voor het personeel is daarom gekozen voor een onderzoek naar de mogelijkheid de MCW te verkopen, waarbij niet alleen de werklast maar ook het personeel en de infrastructuur van de MCW zouden worden overgenomen en tevens eigen werk zou worden ingebracht. Hierdoor zou voor het betreffende MCW-personeel ook op lange termijn perspectief op behoud van werk ontstaan.

Al deze overwegingen zijn ook nu nog valide, zeker nu de MCW-werklast sneller afneemt dan voorzien vanwege het opheffen van de mobilisabele component van de landmacht.

2 en 10

In hoeverre zal het voor Defensie mogelijk zijn om bij een geprivatiseerde MCW in het kader van vredesoperaties en andere operationele redenen de prioriteitsstelling voor wat betreft het onderhoud te wijzigen dan wel extra capaciteit te vorderen?

Waar kan Defensie straks zijn spoedeisende opdrachten neerleggen? Gaat dit alsnog naar de geprivatiseerde MCW? Zo ja, wat gebeurd er als er door escalatie van een conflict in de wereld, waar Nederland bij betrokken is, strategische onderhoudscapaciteit nodig is?

Het aantal spoedeisende opdrachten is in de loop der jaren afgenomen omdat bij de aanschaf van nieuw materieel rekening wordt gehouden met een mogelijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties. Indien het in een bepaalde situatie nodig zal zijn materieel snel aan te passen, zal dat na privatisering in principe worden uitbesteed bij de strategische partner. Defensie zal in de eventuele privatiseringsovereenkomst met de strategische partner garanties bedingen dat spoedeisende opdrachten met de vereiste flexibiliteit, prioriteit en tegen vastgestelde uurtarieven kunnen worden uitgevoerd.

3, 11 en 28

Valt de beoogde uitbesteding van het mechanisch onderhoud onder artikel 296 EG-verdrag, op grond waarvan geen openbare aanbesteding hoeft plaats te vinden?

Is er een Europese aanbestedingsprocedure noodzakelijk in relatie tot de zogenaamde «niet lijstgoederen» (civiele voertuigen)? Zo ja, wat is de stand van zaken hiervan?

Zal met een geprivatiseerde MCW eerst nog beperkte tijd kunnen worden samengewerkt op basis van een onderhoudscontract en dient daarna veelal sprake te zijn van aanbestedingen conform Europese richtlijnen? Wat is het oordeel van de regering hierover?

Omdat bij de beoogde verkoop van de Mechanisch Centrale Werkplaats een substantiële hoeveelheid specifiek militair materieel betrokken is, kan een beroep worden gedaan op art. 296 van het EG-verdrag. Bij de uitbesteding van het onderhoud aan het materieel met een civiele achtergrond dient in beginsel de Europese aanbestedingsprocedure te worden gevolgd.

4

In hoeverre kan de regering garanderen dat het mechanisch onderhoud vanuit een concurrentiestelling uitbesteed zal worden aan het bedrijfsleven?

De mogelijkheden voor concurrentiestelling worden bepaald door de marktomstandigheden. Voor wielvoertuigen met een civiele achtergrond bestaat een transparante civiele markt. De markt voor lichte gevechtsvoertuigen is relatief klein en de markt voor zware gevechtsvoertuigen omvat doorgaans slechts één of enkele leveranciers. Binnen de mogelijkheden van de markt wordt in voorkomend geval het onderhoud zoveel mogelijk in concurrentie uitbesteed.

5

Zal de Koninklijke Landmacht (KL), in het geval van uitbesteding van het mechanisch onderhoud, de BTW die verschuldigd is over opdrachten aan het bedrijfsleven vergoed krijgen?

De Minister van Financiën kan aan een departement compensatie verlenen voor de BTW die door een departement is betaald bij opdrachten aan het bedrijfsleven. Die compensatie wordt verleend als er sprake is van een keuze tussen zelfdoen en uitbesteden. Dit is bij uitbesteding van mechanisch onderhoud het geval.

6

In hoeverre heeft het faillissement van RDM en de eventuele overname van «groene» onderdelen van RDM door andere bedrijven invloed op de onderhandelingen met het bedrijfsleven over de verkoop van de MCW?

Het faillissement van RDM heeft geen invloed op de aanpak zoals weergegeven in mijn brief van 28 juni jl. (Kamerstuk 26 396 nr. 33) over de mogelijke verkoop van de MCW.

7 en 8

Hoe wordt binnen de Defensieorganisatie geborgd dat er voldoende kennis aanwezig blijft voor smart buyership?

Wordt er nog een nieuwe organisatie opgezet om het kennisniveau te borgen in het kader van het zogenaamde smart buyer- ensmart maintainer-ship?

Door de inbedding van het systeemmanagement in het nieuw opgerichte Materieellogistiek Commando van de Koninklijke landmacht, alsmede door de ontwikkeling en invoering van nieuwe materieellogistieke informatiesystemen, wordt een voldoende kennisniveau ten aanzien van smart buyership en smart maintainership op het gebied van landsystemen gewaarborgd.

9

Is er nog sprake van intellectueel eigendom dat niet overdraagbaar is? Zo ja, wat gebeurt er met die werklast?

Ja, in de inventarisatie van de potentiële werklast is geconstateerd dat Defensie niet in alle gevallen gerechtigd is de benodigde informatie aan derden ter beschikking te stellen. Indien sprake is van niet-overdraagbare informatie, zal de strategische partner zelf zorgdragen voor het verkrijgen van de gebruiksrechten op de noodzakelijke informatie.

12

Wordt de infrastructuur van de huidige MCW mee verkocht? Zo nee, waar wordt het nieuw op te richten bedrijf geplaatst?

De vervreemding van de infrastructuur is mede afhankelijk van de medewerking van de diverse overheden op de gebieden infrastructuur, ruimtelijke ordening en milieu. Uit nog te verrichten onderzoek zal blijken of op gemeentelijk en provinciaal niveau de bestuurlijke bereidheid bestaat de privatisering van de MCW op de huidige locatie mogelijk te maken, en of daarmee voor Stork NV (Stork) en Thales Nederland B.V. (Thales) een voldoende aantrekkelijke «business case» ontstaat. In dit kader is door de genoemde bedrijven gesteld dat zij ook de mogelijkheden van eventuele alternatieve locaties zullen onderzoeken.

13

Heeft de regering exclusief onderhandeld met Thales Nederland B.V. en Stork of heeft de regering ook aan andere bedrijven de mogelijkheid geboden een substantieel deel van de MCW te verwerven?

14 en 15

Op welke manier zijn mogelijke gegadigden op de hoogte gesteld van de mogelijkheid de MCW over te nemen en heeft de regering ook met andere (buitenlandse) bedrijven dan Stork en Thales oriënterende gesprekken gevoerd?

Is er nog steeds sprake van een beperkte deelname van binnen- en buitenlandse bedrijven naast Stork en Thales Nederland BV?

27

Hoe heeft de selectie van de in de brief genoemde bedrijven (Thales Nederland B.V. en Stork) plaatsgevonden?

In juni 2001 heeft de Koninklijke landmacht aan de stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensie (NIID) gevraagd om in Nederland te inventariseren welke bedrijven als potentiële strategische partner in aanmerking kunnen komen voor de overname van de MCW. In oktober 2001 zijn circa 35 Nederlandse bedrijven geïdentificeerd die een rol zouden kunnen spelen op de zgn. landsystemenmarkt. Begin 2002 zijn deze bedrijven schriftelijk uitgenodigd door de stichting NIID om hun eventuele interesse kenbaar te maken. Daarbij is duidelijk gemaakt dat de overname van de MCW slechts zou kunnen worden gerealiseerd door een verenigd optreden van geïnteresseerde partijen, die bereid zijn ieder een substantieel risicodragend aandeel in de nieuw op te richten rechtsvorm van de MCW te nemen met het oogmerk deze gezamenlijk in zijn geheel over te nemen. Daarnaast is duidelijk gemaakt dat het inbrengen van eigen werk een voorwaarde zou zijn voor een succesvolle overname. Uiteindelijk bleken drie partijen serieuze interesse te hebben. Dit waren de bedrijven Stork, Thales en RDM. RDM claimde daarbij een meerderheidsbelang. Nadat de accountantsdienst van het ministerie van Defensie eind 2003 concludeerde dat de financiële positie van RDM in het kader van een mogelijke verkoop van de MCW onduidelijk was, en daarnaast bleek dat RDM niet bereid was te participeren in de overname van de MCW zonder een meerderheidsbelang, is Thales en Stork in april van dit jaar gevraagd een voorstel te doen.

Kort na het algemeen overleg van 8 april jl. gaven beide laatstgenoemde bedrijven in een gesprek met mij gezamenlijk te kennen toekomstmogelijkheden te zien voor een overgenomen MCW waarbij zij samen een gelijkwaardig en aanzienlijk aandeel in de nieuwe onderneming zouden willen nemen, naast een beperkte deelneming van enkele binnenlandse en buitenlandse bedrijven. Zoals ik in mijn brief van 28 juni en het algemeen overleg van 30 juni heb gesteld zal uit onderzoek moeten blijken of en zo ja onder welke voorwaarden andere binnen- of buitenlandse bedrijven hierin beperkt zullen deelnemen.

16, 17, 40 en 44

Hoe denkt de regering bij verkoop aan een samenwerkingsverband van onder meer Thales en Stork te voorkomen dat Defensie feitelijk (buitenlandse bedrijven staan door de afstand bij voorbaat op achterstand) afhankelijk wordt van een monopolist?

Is er sprake van een zogenaamd «Herenakkoord» over de verdeling van de werklast binnen de Nederlandse Defensie industrie? Wordt dit akkoord door de regering erkend? Zo ja, is er dan straks, wanneer de verkoop van de MCW gepasseerd is, feitelijk geen sprake van een monopolist op het gebied van Defensieonderhoud (met name voor het rupsvoertuigendeel)? Zo nee, hoe denkt de regering dat akkoord ongedaan te maken respectievelijk te bestrijden?

Hoe zal worden voorkomen dat er sprake zal zijn van een privaat monopolie?

Bieden de ideeën van Thales en Stork voldoende aanknopingspunten om te voorkomen dat Defensie bij privatisering van de MCW afhankelijk wordt van een monopolist die zelf de prijs van geleverde diensten en producten in de hand heeft?

De geografische afstand tot buitenlandse producenten van mechanische landsystemen vormt geen belemmering voor concurrentiestelling bij de uitbesteding van het hoger mechanisch onderhoud. Een samenwerkingsverband tussen Thales en Stork op de markt voor dit onderhoud zal dus altijd een voldoende concurrerende aanbieding moeten doen om onderhoudsopdrachten van Defensie te verkrijgen.

Vertegenwoordigers van de Nederlandse industrie hebben Defensie duidelijk gemaakt bezorgd te zijn over de versnippering op de Nederlandse markt van activiteiten op het gebied van nieuwbouw, hoger onderhoud en levensduurverlenging van mechanische landsystemen. Zij hebben vanuit deze optiek voorstellen gedaan voor bundeling van deze activiteiten binnen een geprivatiseerde MCW. Defensie onderschrijft deze zorg, maar ziet geen aanleiding te oordelen over de wijze waarop de Nederlandse industrie samenwerkt. Evenmin ziet Defensie aanleiding een eventueel akkoord tussen bedrijven onderling te erkennen, ongedaan te maken of te bestrijden. Dit laat onverlet dat Defensie zich zal inspannen om een bepaalde industriële samenwerking te bevorderen indien dat wenselijk is.

18 en 19

Wat houdt het uitgroeien van de nieuwe onderneming tot «strategische partner van Defensie» tussen nu en 2010 in en wat zal deze status na 2010 betekenen? Kan de regering in het antwoord ingaan op de mate van vrijheid voor Defensie voor en na 2010 om te kiezen voor een ander bedrijf als het gaat om onderhoudsopdrachten?

Kan de regering aangeven hoe de fasen zullen verlopen voor wat betreft tijd en omvang, tot aan het streefjaar 2010, waarin de nieuwe onderneming de status van strategisch partner moet bereiken?

In mijn brief van 28 juni jl. heb ik gemeld dat de haalbaarheid en consequenties van het voorstel van Thales en Stork worden onderzocht. Beide bedrijven gaven gezamenlijk te kennen toekomstmogelijkheden te zien voor een overgenomen MCW. Volgens hun voorstel zou de nieuwe onderneming fasegewijs uiteindelijk in 2010 de status van strategische partner van Defensie op het gebied van landsystemen moeten bereiken. Waar in de begin periode na de eventuele overname van de MCW sprake zal zijn van een bepaalde gegarandeerde werklast voor het nieuwe bedrijf zal dat op termijn veranderen in het op basis van concurrentie op de markt brengen van de werklast. In de onderhandelingsfase zal duidelijk worden of tussen Defensie en de genoemde bedrijven hierover tot overeenstemming kan worden gekomen.

20

Kan de regering het begrip «strategische partner» nader toelichten?

In dit kader wordt hieronder verstaan een bedrijf dat in Nederland een rol kan spelen bij de aanschaf van nieuwe systemen in het kader van compensatie, bij modificatie en bij hoger onderhoud aan landsystemen. Een dergelijk bedrijf is in staat de Nederlandse industriële kennis en kunde op dat gebied te bundelen, te ontwikkelen en voor de toekomst zeker te stellen.

21

Is het mogelijk dat Defensie belang krijgt bij het toekennen van orders, niet zijnde onderhoudsopdrachten, aan de twee belangrijkste betrokken bedrijven, omdat de daarmee gepaard gaande omzet een positief effect kan hebben op de belangen van Defensie op het gebied van onderhoud?

Het ligt niet in de bedoeling van Defensie om een stem te hebben in het wel of niet toekennen van andere opdrachten, niet zijnde Defensie-opdrachten, aan een eventueel geprivatiseerde MCW of aan de twee belangrijkste betrokken bedrijven. Dit zal een van de uitgangspunten zijn bij de onderhandelingen met de gegadigden voor overname van de MCW.

22

Is de optie van externe verzelfstandiging met 100% aandelen in overheidshanden (vergelijk Schiphol of de NS) of een meerderheidsbelang voor de Staat overwogen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dit volgens Defensie geen begaanbare weg?

Neen, deze opties zijn of worden niet overwogen. Indien Defensie een meerderheidsbelang behoudt, ontstaat geen wezenlijk verschil met de huidige situatie. Bovendien is het niet gewenst dat de Staat zowel eigenaar als opdrachtgever is van een bedrijf.

23 en 25

Welke contacten hebben specifiek met RDM (hiermee worden alle bedrijven bedoeld die op verschillende momenten onderdeel uitmaakten van de RDM Holding) plaatsgevonden over mogelijke overname van de MCW? Op welk(e) moment(en) hebben die contacten plaatsgevonden en wanneer is RDM te verstaan gegeven dat het bedrijf geen kandidaat was?

Was bij de regering bekend dat er een overeenkomst was tussen de bedrijven Stork, Thales en RDM met als doel de gezamenlijke overname van de MCW?

Contacten met RDM hebben uitsluitend plaatsgevonden met de grootaandeelhouder en/of diens vertegenwoordigers. De contacten vonden in eerste instantie plaats in de periode van november 2001 tot maart 2002 tijdens besprekingen onder voorzitterschap van de NIID. Hieraan namen ook Thales en Stork deel. In maart 2002 lieten de drie bedrijven weten dat RDM in het vervolg aan industriezijde het aanspreekpunt voor Defensie zou zijn. Nadien hebben de contacten vanuit de industriezijde een minder structureel karakter gekregen, en is ook enkele malen met vertegenwoordigers van de drie bedrijven afzonderlijk gesproken.

Vertegenwoordigers van de KL-top hebben op 2 februari 2004 in een bespreking met RDM (vertegenwoordigd door de grootaandeelhouder), Stork en Thales meegedeeld dat RDM geen meerderheidsaandeel zou kunnen verwerven, op basis van een rapport van de Audit Dienst Defensie (ADD) uit december 2003. Hierbij werd de drie bedrijven verzocht binnen de door mij gestelde randvoorwaarde met een gezamenlijk voorstel te komen voor een mogelijk vervolgtraject voor de privatisering van de MCW. Een door deze bedrijven ondertekend voorstel is niet ontvangen. Van een overeenkomst tussen RDM, Thales en Stork voor de overname van de MCW draagt Defensie geen kennis. Wel hebben de drie bedrijven gezamenlijk op 1 maart 2002 een eerste en, zoals is gebleken, tevens laatste concept overnamevoorstel ingediend waarmee zij de intentie om de MCW over te nemen, wilden onderstrepen.

24

Heeft Defensie op enig moment onderhandeld over verkoop van de MCW met een samenwerkingsverband van de bedrijven Stork, Thales en RDM of een vertegenwoordiger van deze bedrijven?

Neen. Tot op heden zijn slechts oriënterende besprekingen gevoerd.

26, 31 en 33

Waaruit blijkt dat er een duidelijke kosten/batenanalyse is gemaakt die de keuze om de MCW te verkopen rechtvaardigt?

Waar in het traject CDV is het besluit genomen om alleen de externe aanbieder nader uit te werken en de MCW als interne partij buiten beschouwing te laten? Op welke gronden is dit besluit genomen?

Kan de regering aangeven wat de kosten zullen zijn van het aanpassen van de MCW-organisatie aan de afnemende werklast en kan de regering aangeven hoeveel werknemers de MCW na aanpassing van de organisatie zal hebben, kijkend naar de werklastprognoses die ook voor het overleg met Thales en Stork zullen worden gebruikt?

35 en 41

Als de MCW wordt vergeleken met gelijkwaardige (private) buitenlandse onderhoudsbedrijven en de transportkosten ook in ogenschouw worden genomen, wat zijn dan de prijsverschillen?

Wat is de financiële doelstelling van het kabinet ten aanzien van deze privatisering?

Uit het CDV-voortraject is op basis van vergelijking van uurtarieven geconcludeerd dat inbesteden bij de MCW versus uitbesteden bij de binnen- of buitenlandse industrie geen duidelijk voordeel laat zien voor een van beide opties. Zoals gesteld in de brief van mijn ambtsvoorganger van 7 juni 2002, zou de financiële onderbouwing van de vergelijking bij de uiteindelijke keuze voor uitbesteding dan ook niet het enige onderscheidende criterium zijn. Ook de complexiteit van het materieel en de geringere aantallen aan te schaffen systemen, alsmede de beleidsbeslissing het hoger onderhoud van nieuwe systemen direct uit te besteden, zo mogelijk bij de oorspronkelijke leverancier, spelen een rol.

Als gevolg van het uitfaseren en vervangen van het huidig mechanisch materieelbestand van de KL zal de werklast voor de MCW uiteindelijk reduceren tot nagenoeg nihil. Er komt daarom onvermijdelijk een moment waarop voortzetting van de bedrijfsvoering niet meer verantwoord is, het alsdan resterende personeel overtollig wordt en de beperkte resterende werklast alsnog moet worden uitbesteed. Aan een dergelijk traject zijn de nodige kosten verbonden. Daarnaast dienen, als de MCW binnen Defensie blijft, op het gebied van veiligheid, arbeidsomstandigheden en milieu nader te bepalen kosten te worden gemaakt.

Mijn ambtsvoorganger heeft daarom op basis van die overweging besloten om nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid om grote delen van de bestaande hoger onderhoudswerklast van de Koninklijke landmacht uit te besteden. Hierbij is privatisering in beschouwing genomen vanuit de zorg om het personeel van het hoger onderhoudsbedrijf ook op langere termijn hoogwaardig werk te bieden. In de brief van 7 juni 2002 is tevens gemeld dat ook wordt gekeken naar samenwerking met een strategische partner die naast het seriematig onderhoud aan gemechaniseerde systemen, ook de toekomst van het daarbij betrokken personeel zeker stelt.

29

Is de conclusie juist dat de regering feitelijk nog geen principebesluit genomen heeft en het personeel derhalve nog steeds in onzekerheid verkeert, ook na 1 juli 2004?

Defensie heeft met het onderzoeken van de mogelijkheid de MCW te verkopen, een keuze gemaakt voor privatisering. Hierover kan bij het personeel geen misverstand bestaan. De onzekerheid bij het personeel betreft de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het personeel in voorkomend geval wordt overgenomen. Als de gesprekken met Stork en Thales uitwijzen dat privatisering volgens de voorstellen van deze twee bedrijven niet aanvaardbaar is, blijft de MCW bij Defensie en zal de organisatie worden aangepast aan de afnemende werklast op het gebied van het hoger mechanisch onderhoud van de Koninklijke landmacht. Hierbij wordt het alternatieve plan van de Medezeggenschapscommissie nadrukkelijk betrokken.

30

Kent de regering het alternatieve plan van de medezeggenschapscommissie van de MCW om te komen tot een Technologie & Onderhoudscentrum Landsystemen, waarin de huidige MCW wordt gehandhaafd, maar dan afgeslankt en hergepositioneerd, en de ondersteuning van dat plan door het Twijnstra Gudde rapport van 5 maart 2003? Wat is de opvatting van de regering over dit plan?

Dit plan en de ondersteuning daarvan door het adviesbureau Twijnstra Gudde zijn bekend. Het voorziet in een reductie van de formatiesterkte van circa 450 vte'n tot 290 vte'n. Het plan gaat ervan uit dat niet alleen het hoger onderhoud aan bestaande mechanische systemen bij de MCW wordt inbesteed maar ook het hoger onderhoud aan nieuwe systemen. Hierdoor zou een afgeslankte MCW voor onbepaalde tijd binnen de defensieorganisatie kunnen voortbestaan. Defensie kiest echter principieel voor uitbesteding van het hoger onderhoud aan nieuwe (wapen)systemen. Hiermee vervalt op termijn de behoefte het hoger onderhoud binnen Defensie uit te voeren. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het alternatieve plan van de Medezeggenschapscommissie van de MCW. Indien privatisering niet mogelijk blijkt en de MCW binnen Defensie blijft zal het plan van de MC worden betrokken in het onderzoek naar de wijze waarop de MCW, binnen Defensie, kan worden aangepast aan de afnemende mechanische hoger onderhoudswerklast.

32

Beschouwt de regering het (onverhoopt) duurder uitvallen van privatisering van de MCW dan behoud van de MCW binnen Defensie eveneens als een aspect dat het welslagen van een verkoop direct negatief kan beïnvloeden? Is de regering bereid tot een vergelijkend onderzoek naar de uitkomst van de onderhandelingen met het bedrijfsleven enerzijds en behoud van de MCW binnen Defensie anderzijds?

Tijdens het CDV-voortraject is gebleken dat de beheersinvloed op het hoger mechanisch onderhoud voor een groot gedeelte aan de markt kan worden overgelaten. Om deze reden is gekozen voor een onderzoek naar de mogelijkheden tot verkoop van de MCW. Dit sluit aan bij het regeringsbeleid activiteiten die niet behoren tot de kerntaken van de overheid zo veel mogelijk af te stoten. De uitkomsten van het CDV-voortraject en van de nadien uitgevoerde berekeningen voor de lange termijn zijn voor Defensie nog steeds aanleiding aan te nemen dat privatisering per saldo niet duurder uitvalt dan behoud van de MCW binnen Defensie. Indien in de komende onderhandelingsfase blijkt dat privatisering wel duurder uitpakt, zal hiervan worden afgezien.

34

Is de inschatting van de regering dat de bedrijven die de MCW willen overnemen naar verhouding meer werknemers willen overnemen onder vergelijkbare arbeidsvoorwaarden dan de prognose van de (afnemende) werklast voor zover afkomstig van Defensie gerechtvaardigd?

Uit onderzoek voortvloeiend uit het voorstel van Thales en Stork dient te blijken welke aard en omvang de door de KL in een geprivatiseerde MCW onder te brengen werklast heeft en welk aantal personeelsleden daaraan gerelateerd zal zijn. Afhankelijk van de door Stork en Thales hierin onder te brengen werklast kan het aantal werknemers van de MCW al dan niet hoger uitvallen.

36

Kan de regering in algemene zin aangeven wat rechtspositioneel de gevolgen zullen zijn voor alle huidige werknemers van de MCW?

Het personeel dat in voorkomend geval overgaat naar Stork en Thales zal de ambtenarenstatus verliezen. Na de overgang, zo hebben Stork en Thales laten weten, zullen op dit personeel in principe de rechtspositie c.q. arbeidsvoorwaarden van genoemde bedrijven van toepassing zijn. Bij een overgang van het MCW-personeel naar Stork en Thales hanteert Defensie het uitgangspunt dat een pakket arbeidsvoorwaarden wordt aangeboden dat in samenhang zoveel mogelijk gelijkwaardig is aan het arbeidsvoorwaardenpakket bij Defensie. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt van de arbeidsvoorwaarden die bij Defensie gelden met de arbeidsvoorwaarden bij Stork en Thales Nederland. Vervolgens zou in een Sociaal Statuut moeten worden vastgelegd op welke wijze het personeel van de MCW wordt overgebracht naar Stork en Thales. De bepalingen in het Sociaal Statuut worden opgenomen en toegepast in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel.

Het personeel dat niet overgaat, wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat. Op dit personeel is het Sociaal Beleidskader (SBK) van toepassing.

37

Blijft er, daar waar gesproken wordt over een prognose van de toekomstige werklast in relatie tot het aantal over te nemen werknemers, nog een deel van de werknemers bij Defensie achter? Wat is voor deze werknemers het toekomstperspectief?

De functies, met het bijbehorende personeel, die gerelateerd zijn aan de over te dragen onderhoudswerklast komen in aanmerking voor een eventuele overdracht naar Stork en Thales.

In geval de MCW wordt geprivatiseerd zullen de functies die niet overgaan naar Stork en Thales vervallen. Dit betekent dat het personeel dat gekoppeld is aan die functie, wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat. Op dit personeel is vervolgens het Sociaal Beleidskader Defensie van toepassing.

38

Zal het resultaat van de vervolggesprekken en het onderhandelingstraject met het oog op een privatisering van de MCW eerst aan de Kamer worden gemeld alvorens een definitieve beslissing over die privatisering wordt genomen? Hoe denkt de regering de Kamer in de gelegenheid te stellen een beslissing te nemen op basis van een totaal voorstel?

Zoals gesteld in mijn brief van 28 juni jl. vraag ik naar aanleiding van een voorstel van Thales en Stork uw instemming om met beide partijen te onderhandelen over de voorwaarden waaronder een eventuele verkoop van de MCW plaats zou kunnen vinden. Ik heb u in die brief tevens gemeld dat ik u eind dit jaar zou informeren over de stand van zaken van het onderzoek naar de eventuele verkoop van de MCW. Het eindresultaat van de onderhandelingen, evenals de overwegingen die aan te maken keuzes ten grondslag liggen, zullen uiteraard met u worden gedeeld alvorens ik een definitieve beslissing neem.

39

Aan welke vooraf vastgestelde criteria dient een uiteindelijk voorstel te voldoen?

Onder meer valt hierbij te denken aan inbreng van eigen werk, prijsstelling, bereidheid tot het met de vereiste flexibiliteit en met prioriteit uitvoeren van spoedeisende opdrachten, en een werkgarantie voor een nader te bepalen periode.

42

Zijn over de privatisering van de MCW negatieve adviezen uitgebracht door respectievelijk binnen het meest betrokken krijgsmachtdeel, zoals kan worden opgemaakt uit een bericht in het Algemeen Dagblad van 9 september 2004? Wat is het commentaar van de regering op de strekking van deze adviezen?

Er zijn door de Koninklijke landmacht over het voornemen tot privatisering geen negatieve rapporten uitgebracht zoals door het artikel in het Algemeen Dagblad van 9 september jl. is gesuggereerd. Uit onderzoek voortvloeiend uit het voorstel van Thales en Stork dient te blijken of en zo ja in welke vorm aspecten aan de orde komen die het welslagen van een verkoop direct negatief kunnen beïnvloeden. Indien deze zich niet blijken voor te doen kan vervolgens een aanvang worden gemaakt met de onderhandelingen.

43

Wat zijn de redenen dat de termijn van twee maanden die de staatssecretaris zichzelf gesteld heeft om afspraken te maken met andere bedrijven dan RDM over een mogelijke privatisering van de MCW (algemeen overleg van 8 april jl.) niet gehaald is en alles nog steeds in de fase van voorstellen en ideeën verkeert?

Op 7 juni jl. hebben Thales en Stork mij een gezamenlijk voorstel gepresenteerd voor de overname van de MCW. Hierover heb ik u 28 juni geïnformeerd. Omdat de eventuele overname van de MCW grote consequenties heeft voor zowel Defensie als de genoemde bedrijven heeft het voorstel van de industrie en de beoordeling daarvan de nodige tijd gevergd. Omdat u 1 juli jl. meldde vragen te willen stellen over mijn voornemen met als inbrengdatum 9 september jl., heb ik bepaald dat alleen voorbereidende onderzoeken en gesprekken met de betrokken partijen mogen plaatsvinden.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: De Vries (PvdA), Bakker (D66), Koenders (PvdA), Van Beek (VVD), Karimi (GL), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Voorzitter Balemans (VVD), Van Baalen (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Van Winsen (CDA), Van den Brink (LPF), Mastwijk (CDA), Herben (LPF), Ondervoorzitter Duyvendak (GL), Kortenhorst (CDA), Huizinga-Heringa (CU), Van Velzen (SP), Algra (CDA), Haverkamp (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Straub (PvdA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Brinkel (CDA) en Szabó (VVD).

Plv. leden: Van Dam (PvdA), Van der Laan (D66), Waalkens (PvdA), Cornielje (VVD), Halsema (GL), Fierens (PvdA), De Ruiter (SP), Adelmund (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Visser (VVD), Oplaat (VVD), De Haan (CDA), Vacature (algemeen), Smilde (CDA), Hermans (LPF), Vendrik (GL), Bruls (CDA), Van der Staaij (SGP), De Wit (SP), De Vries (CDA), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Van Heemst (PvdA), Tichelaar (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Jonker (CDA) en Veenendaal (VVD).

Naar boven