26 396
Vervanging pantservoertuigen M577 en YPR

nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 maart 2002

Inleiding

Met mijn brief van 18 april 1997 (Kamerstuk 25 000X, nr. 74) informeerde ik u over de behoeftestelling voor de vervanging van ongeveer 1600 pantservoertuigen van het type YPR 765 en M577 voor de Koninklijke landmacht. Daarin werd onder meer gemeld dat gezien de omvang van het project, de vervanging gefaseerd zal plaatsvinden. De eerste fase omvat de vervanging van voornamelijk paraat ingedeelde voertuigen. De levering van de nieuwe voertuigen is gepland na 2007. In de tweede fase, na 2017, worden vervolgens de voertuigen bij de reserve eenheden vervangen door de voertuigen uit de eerste fase te laten doorstromen. De parate eenheden worden dan van nieuwe voertuigen voorzien. Overigens zal voor fase 2 te zijner tijd, maar zeker niet voor 2010, een separate behoeftestelling worden opgesteld.

In mijn brief van 6 maart 2000 (Kamerstuk 26 396, nr. 3) gaf ik aan dat in de toekomstige behoefte aan pantservoertuigen kan worden voorzien door de invoering van drie typen:

– een klein gepantserd wielvoertuig (Fennek)

– een groot gepantserd wielvoertuig (PWV)

– een infanteriegevechtsvoertuig (IGV).

Na de voltooiing van de gecombineerde voorstudie- en studiefase van het totale project «Vervanging pantservoertuigen YPR 765 en M577» heb ik u met mijn brief van 9 januari 2001 (Kamerstuk 26 396, nr. 5) geïnformeerd over de resultaten daarvan. Daarin schreef ik dat de actualisering van de kwalitatieve behoefte aan infanteriegevechtsvoertuigen nadere studie vereiste en dat ik u daarover in een afzonderlijke brief zou rapporteren. Met deze brief bericht ik u over de voorstudieresultaten van het project «Infanteriegevechtsvoertuig (IGV)».

De operationele behoefte

De Koninklijke landmacht moet over de middelen beschikken om in het gehele geweldsspectrum op te treden. Daarbij wordt het onderscheid tussen crisisbeheersing en de bondgenootschappelijke verdedigingstaak militair-operationeel gezien steeds minder relevant. Ook crisisbeheersingstaken kunnen het hogere deel van het geweldsspectrum bestrijken. Voor optreden onder gevechtsomstandigheden vormen pantserinfanterievoertuigen – naast tanks en overige pantserbestrijdingsmiddelen – de kern van de gemechaniseerde gevechtseenheden. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de gevechtskracht.

Het infanteriegevechtsvoertuig geldt als basisgevechtsvoertuig voor de pantserinfanterie-bataljons. Het toekomstig optreden van deze eenheden in het gehele geweldsspectrum stelt een aantal specifieke eisen aan het voertuigconcept. Het betreft eisen op het gebied van transportvermogen, bescherming, mobiliteit, commandovoering en vuurkracht. Tevens moet ten aanzien van genoemde aspecten voldoende groeipotentieel aanwezig zijn.

Het transportvermogen moet voldoende zijn om naast een commandant, schutter en chauffeur, een infanteriegroep – zeven gevechtssoldaten – inclusief persoonlijke- en groepsuitrusting te vervoeren.

Het voertuig moet rondom bescherming bieden tegen 14,5 mm pantserdoorborende munitie. Frontaal geldt er een bescherming tegen 30 mm pantserdoorborende projectielen. Daarnaast moet het voertuig bescherming bieden tegen mijnen, en scherfwerking van conventionele artillerie- en mortiergranaten. Bovendien moet het voertuig beschikken over groeipotentieel om ten minste 3000 kg extra bepantsering aan te kunnen brengen, als aanvulling op de geëiste basisbescherming. Bescherming tegen NBC-middelen is eveneens vereist.

Als mobiliteitseis is gesteld, dat het infanteriegevechtsvoertuig in alle soorten terrein naast tanks moet kunnen optreden. De maximale snelheid op de weg moet minstens 75 km/u bedragen. Als actieradius geldt een afstand van minimaal 600 km. Daarnaast is bij het optreden tijdens gevechtsacties een hoge mate van wendbaarheid vereist, waarbij onder meer moet worden gedacht aan duelsituaties met vijandelijke voertuigen en operaties in stedelijk gebied. De combinatie van eisen op het gebied van transportwaardigheid, mobiliteit en bescherming is alleen met een rupsvoertuig te realiseren.

De verschillende sensor-, verbindings- en informatieverwerkingssystemen moeten het mogelijk maken snel en onder alle omstandigheden doelen te onderkennen en te bestrijden, informatie te verwerken en uit te wisselen.

Het infanteriegevechtsvoertuig moet doelen tot op een afstand van 2000 meter kunnen uitschakelen, zoals infanteriegevechtsvoertuigen, personeel en gevechtshelikopters. Met het oog op de geplande gebruiksduur van het infanteriegevechtsvoertuig en de toename van bescherming op pantservoertuigen moet er op gebied van vuurkracht – uitgedrukt in kaliber – groeipotentieel aanwezig zijn. Op basis van deze eisen en een door TNO uitgevoerde studie naar de effectiviteit en de levensduurkosten van de verschillende kalibers munitie, is gekozen voor het kaliber 35 mm.

De integrale beschouwing van de hierboven genoemde eisen leidt tot de keuze voor een rupsvoertuig met een 35 mm boordkanon.

De huidige infanteriegevechtsvoertuigen zijn vanaf 1979 ingevoerd en bereiken in de periode 2007–2012 het einde van de technische en economische levensduur. Dan voldoen ze niet meer aan de eisen die het moderne gevecht stelt op het gebied van transportvermogen, bescherming, mobiliteit, vuurkracht en commandovoering. Tevens is van deze voertuigen het groeipotentieel maximaal benut, zodat een gevechtswaardeverbeteringsprogramma geen oplossing voor de genoemde tekortkomingen biedt.

De kwantitatieve behoefte is ten opzichte van het gestelde in mijn brief van 9 januari 2001 niet gewijzigd. Voor het infanteriegevechtsvoertuig geldt een behoefte van 200 voertuigen verdeeld over de typen: pantserrupsinfanterie (PRI), pantserrupscommando (PRCO) en pantserrupsberging (PRB). In de infanterie uitvoering is er behoefte aan 151 voertuigen waarvan er 144 worden ingedeeld bij de drie parate infanteriebataljons. Van de commando versie zijn 29 voertuigen benodigd, waarvan 27 voertuigen worden ingedeeld bij de parate bataljons. Van de totale behoefte aan 20 bergingsvoertuigen zijn 15 voertuigen bestemd voor de drie infanteriebataljons en worden 4 voertuigen ingedeeld bij de pantsergeniecompagnieën. De resterende 10, niet bij parate eenheden ingedeelde voertuigen, vormen de Algemene Reserve. Deze voertuigen zullen voor opleidingen worden gebruikt.

De opleidingen bestaan uit een specifiek deel (functieopleiding) en een algemeen deel (onderdeel- en tactische opleiding). De specifieke opleidingen – zoals de rijopleiding – worden verzorgd met behulp van (geavanceerde) onderwijsleermiddelen en voertuigen afkomstig van de Algemene Reserve. De algemene opleiding vindt plaats bij het onderdeel waarbij de paraat ingedeelde voertuigen worden gebruikt. Hierbij moet worden gedacht aan het opwerken van de eenheid om te kunnen deelnemen aan het gevecht van verbonden wapens dat bijvoorbeeld nodig is om in een vredesafdwingende operatie te kunnen optreden. Om te voorkomen dat een deel van de voertuigen onevenredig hoge slijtage gaat vertonen als gevolg van een verhoogd (opleidings)gebruik, zal het materieel dat voor opleidingen wordt ingezet, in voorkomend geval rouleren met paraat ingedeelde voertuigen.

Resultaten marktverkenning

Uit een eerste marktverkenning bleek dat bestaande voertuigen of uitontwikkelde voertuigconcepten die worden geproduceerd door, dan wel in gebruik zijn bij Europese en Navo-landen, voldoende aanknopingspunten boden voor het vervolgtraject. In de voorstudiefase is «kopen van de plank» dan ook als uitgangspunt gehanteerd. Naast de eigen marktverkenning is tevens een «WEAG-publicatie» geplaatst. Daarnaast zijn de attachés in de Navo-landen benaderd om niet onderkende alternatieven aan te melden.

Na een eerste selectie zijn tien kandidaten nader beschouwd. Dit zijn:

a. CV-90Hägglunds Vehicle (Zweden)
b. BradleyUnited Defense (Verenigde Staten)
c. Warrior-2000Alvis Vehicles Ltd (Verenigd Koninkrijk)
d. ABSVVickers Defence Systems (Verenigd Koninkrijk)
e. MarderHenschel Wehrtechnik (Duitsland)
f. KentaurusHellenic Vehicle Industry (Griekenland)
g. Trojan TC-500Patria Vehicles (Finland)
h. UlanSteyr Daimler Puch (Oostenrijk)
i. PizarroSanta Barbara (Spanje)
j. BionixSingapore Technologies Automotive (Singapore)

De Ulan en de Pizarro zijn gebaseerd op een gezamenlijk concept dat is ontwikkeld door een samenwerkingsverband tussen de bedrijven Steyr Daimler Puch en Santa Barbara. De productie is echter door genoemde bedrijven afzonderlijk ter hand genomen, waardoor de configuratie van deze voertuigen verschilt.

Uit de voorstudie bleek dat vier typen, de CV-90, de Warrior-2000, de Ulan en de Pizarro, mogelijkheden bieden om, waar nodig na verbeteringen, aan de gestelde eisen te voldoen. De verbeteringen betreffen met name de integratie van een 35 mm boordkanon, de mogelijkheid voor het aanbrengen van extra bepantsering en, in het geval van de Ulan en Pizarro, een groter laadvermogen door een effectievere indeling van de laadruimte. De zes niet geselecteerde voertuigtypen vielen na de voorstudie af, omdat ze of nog in een pril stadium van de ontwikkelingsfase verkeren, of de mobiliteitseis niet halen, of te weinig groeipotentieel bieden.

Internationale samenwerking

Bij alle vier de productalternatieven, die mogelijkheden bieden om aan de gestelde eisen te voldoen, lijkt internationale samenwerking in meer of mindere mate mogelijk. De CV-90 is oorspronkelijk ontworpen en gebouwd voor het Zweedse leger. Noorwegen heeft inmiddels een doorontwikkelde versie van de CV-90 in gebruik. Ook Zwitserland en Finland hebben recent voor dit voertuig gekozen. De Ulan en Pizarro zijn gebaseerd op een gezamenlijk concept en zijn in gebruik bij Oostenrijk en Spanje. De Warrior-2000 is een doorontwikkelde versie van de Warrior die bij het Verenigd Koninkrijk in gebruik is. Mogelijk besluit het Verenigd Koninkrijk om elementen van het Warrior-2000 concept op de bestaande Warriors toe te passen. In de studie- en verwervingsvoorbereidingsfase worden de samenwerkingsmogelijkheden met de genoemde landen in relatie tot de geselecteerde productalternatieven nader bezien.

Naast de genoemde landen heeft Duitsland te kennen gegeven concrete plannen te hebben voor de ontwikkeling van een nieuw infanteriegevechtsvoertuig (Schützenpanzer-3). Gelet op de nauwe samenwerking met Duitsland (o.a. het gezamenlijke legerkorps), wordt het Duitse programma voor de ontwikkeling van een nieuw pantserinfanterievoertuig in de vervolgfase gevolgd.

Financiën

Voor het totale project «Vervanging pantservoertuigen YPR en M577» fase 1 is, zoals verwoord in de B/C-brief van 9 januari 2001, € 1642,7 miljoen (f 3620 miljoen, prijspeil 2000) opgenomen in de plannen van landmacht. Voor de verwerving van 208 stuks kleine pantserwielvoertuigen is een budget van € 170,2 miljoen (f 375 miljoen, prijspeil 2000) gereserveerd. Voor 384 stuks grote pantserwielvoertuigen werd het taakstellende budget vastgesteld op € 862,2 (f 1900 miljoen, prijspeil 2000). Hierdoor resteerde een budget van € 610,3 miljoen (f 1345 miljoen, prijspeil 2000) voor de aanschaf van 200 stuks infanteriegevechtsvoertuigen.

Op basis van de antwoorden op de uitgestuurde «Requests for information (RFI)» en gegevens uit landen die recent soortgelijke systemen hebben aangeschaft (o.a. Zwitserland), blijkt dat bijstelling van de financiële randvoorwaarde naar een bedrag van € 828 miljoen (f 1825 miljoen) in prijspeil 2001 en inclusief 19 procent BTW noodzakelijk is. In dit bedrag is opgenomen de initieel benodigde munitie, de logistieke ondersteuning, mogelijke infrastructurele consequenties en de op dit moment ingeschatte technische aanpassingen om geheel aan de eisen te kunnen voldoen. Dit bedrag is in de landmacht plannen en in de Defensiebegroting voor 2002 opgenomen. De verhoging van het budget was reeds vermeld in de beantwoording van de vragen over de halfjaarrapportage van het project«Pantserwiel-voertuigen (PWV)» van 16 oktober 2001.

Risico's

Omdat dit project uitgaat van bestaande voertuigen of concepten (van de plank) wordt alleen de integratie van een 35 mm boordkanon met aanvoermechanisme van munitie als technisch risico onderkend. Hoewel het kanon en de munitie reeds op de «markt» zijn te verkrijgen, vergt de financiële en technische haalbaarheid van de integratie in een bestaand voertuig nadere studie.

Voorzetting van het project

In de vervolgfase wordt studie verricht naar de ergonomische omstandigheden, de bescherming en de beladingmogelijkheden van de vier genoemde productalternatieven. Tevens vindt er in samenwerking met TNO een vervolgstudie plaats op het gebied van munitie en de integratie van het 35 mm boordkanon. Voor de uitvoering van de studies, de realisatie van de testopstellingen, de verkrijging van de studiemodellen en de uitvoering van de beproevingen is een bedrag gereserveerd van € 5,5 miljoen.

Ik ben voornemens, desgewenst na overleg met u, de Koninklijke landmacht toestemming te verlenen het project «Infanteriegevechtsvoertuig (IGV)» voort te zetten met de vier overgebleven producten van de kandidaten: Hägglunds Vehicle, Alvis Vehicles Ltd, Steyr Daimler Puch en Santa Barbara. Over de resultaten van de studiefase wordt u naar verwachting begin 2004 geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

Naar boven