nr. 8
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 december 2003
Het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden, een
verdrag van de Raad van Europa, beoogt een aantal juridische beginselen te
formuleren die de staten dienen te respecteren met het oog op het verzekeren
van de bescherming van (nationale) minderheden. De bepalingen zijn geformuleerd
als opdrachten aan de staten en zij beogen als zodanig geen rechtstreekse
werking.
Het Kaderverdrag bevat geen definitie van het begrip nationale minderheden.
De reden hiervan is dat bij de voorbereiding van het verdrag geen overeenstemming
kon worden bereikt over een voor alle landen aanvaardbare definitie. Voor
Nederland werd bij de onderhandelingen over het Kaderverdrag uitgegaan van
de Friezen en van de legaal in Nederland verblijvende etnische minderheden
die behoren tot de doelgroepen van het integratiebeleid. Deze doelgroepomschrijving
is door Nederland in een verklaring bij het Kaderverdrag gevoegd (zie bijlage).
Het Goedkeuringswetsvoorstel van het Kaderverdrag1 is op 28 maart 2000 in uw Kamer aangenomen. Met uitzondering
van de SGP stemden alle fracties voor het wetsvoorstel. Bij de behandeling
van het wetsvoorstel in uw Kamer is door het lid Van Middelkoop een motie
ingediend2 waarin de regering wordt verzocht bij
de bekrachtiging van het verdrag een verklaring af te leggen, waarin wordt
aangegeven dat het verdrag uitsluitend zal worden toegepast op de Friezen.
Voor de motie stemden het CDA, het GPV, de RPF en de SGP, zodat de motie werd
verworpen.
Op 29 mei 2001 heeft in de Eerste Kamer de 1e termijn van de
plenaire behandeling van het Goedkeuringswetsvoorstel van het Kaderverdrag
plaatsgevonden3. Gelet op de inbreng van de fracties
tijdens de 1e termijn bleek dat er geen meerderheid te vinden zou
zijn voor de bij het wetsvoorstel bijgevoegde verklaring, waarin Nederland
aangeeft welke invulling Nederland geeft aan het begrip nationale minderheden,
n.l. de Friezen en de personen die behoren tot de doelgroepen van het integratiebeleid.
Van de grote fracties hadden met name de VVD- en de CDA-fractie zwaarwegende bezwaren tegen die invulling. Na de 1e termijn van
regeringszijde heeft de toenmalige Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid
schorsing van de behandeling gevraagd om binnen het kabinet te kunnen bespreken
hoe de 2e termijn van de behandeling ingegaan zou moeten worden,
die zoals het er op dat moment uitzag niet de verlangde meerderheid zou gaan
opleveren.
Het toenmalige kabinet heeft naar aanleiding daarvan besloten het Goedkeuringswetsvoorstel
in de Eerste Kamer aan te houden.
Het vorige kabinet is niet aan afronding van de behandeling van het Goedkeuringswetsvoorstel
in de Eerste Kamer toegekomen.
Ondergetekende heeft thans het voornemen, om de behandeling van het Goedkeuringswetsvoorstel
in de Eerste Kamer zo snel mogelijk voort te zetten en af te ronden.
Gelet op de huidige samenstelling van de Eerste Kamer, waarin de fracties
van de VVD en het CDA een meerderheid vormen, bestaat er geen meerderheid
voor de bij het wetsvoorstel bijgevoegde verklaring, waarin Nederland aangeeft
welke invulling Nederland geeft aan het begrip nationale minderheden, n.l.
de Friezen en de personen die behoren tot de doelgroepen van het integratiebeleid.
De behandeling van het Goedkeuringswetsvoorstel met de inhoud van die verklaring
voortzetten zal naar verwachting leiden tot niet aanvaarden ervan door de
meerderheid van de Eerste Kamer. Dit betekent dat Nederland het Kaderverdrag
niet kan ratificeren. Ook intrekking van het Goedkeuringswetsvoorstel met
bedoelde verklaring leidt tot niet ratificeren. Het is echter wenselijk dat
Nederland het Kaderverdrag ratificeert, mede in het licht van het voorzitterschap
van de raad van Europa.
De Nederlandse regering zou kunnen worden verweten dat zij de voortgang
van het Goedkeuringswetvoorstel niet bevordert. Ondergetekende stelt dan ook
voor de verklaring bij het Kaderverdrag te wijzigen door de invulling van
het begrip nationale minderheden te beperken tot de Friezen. Door deze wijziging
mag worden verwacht dat een meerderheid van de Eerste Kamer zal instemmen
met het Goedkeuringswetsvoorstel en daarmee met het door Nederland ratificeren
van het Kaderverdrag. Een in die zin gewijzigde verklaring is bijgevoegd.
Dit voorstel sluit aan bij de omslag in het integratiebeleid, zoals dat
is verwoord in de Beleidsbrief bij de Rapportage Integratiebeleid Etnische
Minderheden 20031. Deze omslag houdt kort samengevat
in: In het integratiebeleid is van oudsher veel nadruk gelegd op de acceptatie
van verschillen tussen minderheden en de autochtone bevolking. Dat beleid
was er minder op gericht om afstanden te overwinnen. Echter de eenheid van
onze samenleving moet juist worden gevonden in wat de deelnemers met elkaar
gemeen hebben, wat zij met elkaar delen. Dat is, naar de mening van het kabinet,
dat ze burgers zijn van één samenleving. Dat gedeeld burgerschap
is het doel van het nieuwe integratiebeleid.
Nederland behoort tot een kleine groep van landen die het Kaderverdrag
nog niet hebben geratificeerd. Mede op grond daarvan mag worden verwacht dat
ratificeren van het Kaderverdrag, waarbij Nederland het begrip nationale minderheden
beperkt tot Friezen, internationaal positiever zal overkomen dan in het geval
Nederland niet ratificeert.
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer heeft ondergetekende separaat een
brief gezonden, waarin de gewijzigde verklaring bij het Kaderverdrag wordt
aangeboden. Tevens is in die brief verzocht de behandeling van het Goedkeuringswetsvoorstel
van het Kaderverdrag met de gewijzigde verklaring voort te zetten.
Indien de Eerste Kamer instemt met het Goedkeuringswetsvoorstel en de
gewijzigde verklaring zullen te zijner tijd de periodieke rapportages op grond
van het Kaderverdrag en de overige verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien
door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden behartigd,
omdat hij op rijksniveau verantwoordelijk is voor de coördinatie van
het beleid inzake de Friese-taalminderheid.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M. C. F. Verdonk
BIJLAGE
VERKLARING
Het Koninkrijk der Nederlanden zal het Kaderverdrag inzake de bescherming
van nationale minderheden toepassen op de Friezen.
De regering van het Koninkrijk gaat ervan uit, dat de bescherming geboden
door het derde lid van artikel 10, ondanks de verschillen in redactie, niet
afwijkt van die geboden door het tweede lid van artikel 5 en het derde lid,
onder a en onder e, van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden.