26 382
Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000

nr. 5
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 juli 1999

De vaste commissies voor Defensie1 en voor Buitenlandse Zaken2 hebben op 16 juni 1999 overleg gevoerd met minister De Grave van Defensie, staatssecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris Van Hoof van Defensie over de hoofdlijnennotie Defensienota 2000 (26 382).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Zijlstra (PvdA) kon niet vermoeden dat vijf maanden na het verschijnen van de hoofdlijnennotitie de Nederlandse defensie een maximale inspanning zou moeten leveren als gevolg van het Kosovoconflict. Dit conflict is van betekenis voor de beoordeling van de hoofdlijnennotitie door de fractie van de PvdA die daarover intern met deskundigen discussieert; begin september zullen de resultaten van die discussie worden gepresenteerd in de vorm van een notitie.

De regering kiest, naast de algemene verdedigingstaak, terecht voor crisisbeheersing. Het financiële kader is neergelegd in het regeerakkoord dat een bezuinigingsniveau van 375 mln. vermeldt. Mede gelet op bepaalde intensiveringen zal er in de komende tien jaar voor 6,5 mld. moeten worden bezuinigd, hetgeen tot het maken van scherpe keuzen dwingt.

De Nederlandse defensie slaagt erin een behoorlijke bijdrage te leveren aan crisisbeheersing en algemene verdediging, maar vooral met betrekking tot de inzetbaarheid van de landmacht zijn tekortkomingen naar voren gekomen. Nederland dient zich primair te richten op het leveren van gewone militaire middelen: wat de landmacht betreft gevechtseenheden en logistieke ondersteuning, wat de luchtmacht betreft gevechts- en transportvliegtuigen, wat de marine betreft oppervlakteschepen. Daarmee komen andere onderdelen, zoals de Patriots, de Marineluchtvaartdienst (MLD) en de Theater missile defence in een ander daglicht te staan.

Wat het personeel betreft worden hoge bedragen ingezet voor de werving. De fractie van de PvdA staat positief tegenover het voorstel, de verhouding BBT-BOT te wijzigen van 60:40 in 40:60. In de toekomst dient de kern van de krijgsmacht te bestaan uit 18- tot 30-jarigen, zulks met het oog op maximale inzetbaarheid. Bij het aflopen van contracten moet mensen voluit de mogelijkheid worden geboden om scholing en opleiding te volgen. Wellicht verdient het aanbeveling om voor de werving contacten te leggen met uitzendbureaus. Gelet op de gespannen arbeidsmarkt moet Defensie alles uit de kast halen om dit probleem weg te nemen.

In de toekomst zullen militairen niet meer op 55- maar op 58-jarige leeftijd met FLO gaan, hetgeen haaks staat op doelstellingen inzake de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Er zou wat dit betreft moeten worden gekozen voor vrijwilligheid. Kritiek wordt geuit op het feit dat mensen vaker worden uitgezonden dan in de Prioriteitennota is aangegeven: zes maanden uitzending en dan een jaar niet. Gelet op het feit dat men nog jaren in Bosnië en Kosovo aanwezig zal moeten zijn, moeten er wat dit betreft garanties komen.

Duidelijk is dat de Koninklijke marechaussee haar taken naar behoren kan vervullen. Wat de landmacht betreft is terecht gekozen voor het afschaffen van mobilisabele eenheden, meer inzetbare gevechtseenheden en genie-eenheden. Op de positie van het legerkorps kan bij de behandeling van de Defensienota worden teruggekomen. De fractie van de PvdA heeft veel waardering voor de inzet van de luchtmacht, zowel in de lucht als op de grond. De F-16 is een zeer effectief wapensysteem gebleken, zeker na de updating. Dit leidt tot twijfel over het afschaffen van het zesde squadron. Verkoop levert weinig op terwijl er onzekerheden leven over de vervanging van de F-16. De kosten, verbonden aan handhaving van het zesde squadron, kunnen worden bestreden met het niet-aanschaffen van de grondgebonden luchtverdediging op de Nederlandse vliegbases en vermindering van het aantal vlieguren, zij het niet per vlieger; een aantal vliegtuigen kan in reserve worden gehouden. Hoewel het Patriotsysteem eigenlijk niet behoort bij het Nederlandse defensiepakket, beschikt Nederland er al jaren over terwijl een moderniseringsprogramma op gang is gebracht. Tegen die achtergrond is de fractie van de PvdA geneigd hiermee door te gaan.

De heer Zijlstra stelde de atoomtaak voor de F-16 ter discussie. Nader overleg over dit onderwerp is noodzakelijk omdat eenzijdig Nederlands handelen gelet op het NATO-strategisch concept niet mogelijk is, maar deze taak zou naar het oordeel van de fractie van de PvdA moeten worden afgestoten. Voorts is gebleken dat het vroegere hoofd van de tactische helikoptergroep, kolonel Tjepkema, zich in een artikel kritisch uitlaat over de Italiaanse Augustahelikopters. Wat is de reactie van de regering hierop?

De keuze voor grotere inzetbaarheid van de landmacht en handhaving van de gevechtskracht van de luchtmacht dwingt tot het maken van scherpe, echte keuzen. Bovendien is de fractie van de PvdA voor uitbreiding van het korps mariniers en de bouw van een tweede ATS. Tegen die achtergrond ontkomt men niet aan een forse reductie van het aantal fregatten, opheffing van de MLD en sluiting van het vliegkamp Valkenburg. Luchtvaartservicetaken ten behoeve van de marine kunnen door de luchtmacht worden uitgevoerd waar eventueel ook Orions, voorzover ze worden gehandhaafd, kunnen worden ondergebracht. Kustwachttaken behoeven niet te worden vervuld door fregatten, volgestouwd met wapens en elektronica; bij aanschaf van kustwachtschepen kan met minder fregatten worden volstaan. Ook rijst de vraag of Nederland wel over vijftien mijnenvegers moet beschikken en of men een eigen hydrografische dienst moet hebben. Wat zijn de resultaten van het overleg over samenwerking van de Nederlandse MLD met de Duitse? Het avontuur met het Theatre Missile Defencesysteem dreigt handenvol geld te kosten; hiervan moet worden afgezien.

De heer Van den Doel (VVD) wees erop dat sinds het begin van de jaren negentig het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid vorm heeft gekregen doordat het personeel met veel inzet en gevaar voor eigen leven een bijdrage heeft geleverd aan tal van vredesoperaties. De VVD-fractie heeft veel waardering voor al die militairen die op zeer professionele wijze en met grote risico's hun taak verrichten.

Het conflict in Kosovo heeft duidelijk gemaakt dat de NAVO ook nu over voldoende militaire middelen moet kunnen beschikken om dictators zoals Milosevic te stoppen. Dat de Verenigde Staten hiervoor nog steeds het leeuwendeel van de militaire inspanningen moeten leveren, is een teken aan de wand.

De VVD hecht aan een krijgsmacht die op respect en waardering van de politiek kan rekenen en die zowel in personele als in materiële zin toereikend is toegerust. Van zo'n krijgsmacht mag het personeel nooit de sluitpost zijn. Met deze toetsingscriteria als basis heeft de VVD-fractie de hoofdlijnennotitie bezien. Zij heeft waardering voor de notitie en de wijze waarop de bewindslieden het traject hebben ingevuld dat uiteindelijk moet leiden tot de Defensienota 2000.

De hoofdlijnennotitie is geen kaasschaafnotitie maar een helder document waarin de uitgangspunten van het beleid voor de komende tien jaar worden gepresenteerd. In tegenstelling tot de Prioriteitennota wordt terecht de derde hoofdtaak van de krijgsmacht, de bijdrage aan nationale rechtsorde en rampenbestrijding, expliciet vermeld.

Door extra ombuigingen maken de bewindslieden geld vrij voor nieuw beleid. Met het vrijmaken van 100 mln. extra per jaar voor het personeelsbeleid wordt een belangrijk signaal afgegeven naar het personeel. De VVD ziet de concrete uitwerking daarvan in.

In de hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat Nederland intensieve samenwerking tussen de Europese landen actief zal bevorderen. Welke rol ziet de regering hierbij voor zichzelf weggelegd, wat moet worden verstaan onder «actief bevorderen» en om welke landen gaat het?

Wat betreft de ontwikkelingen op het gebied van de internationale veiligheidssituatie ziet de regering een toenemende dreiging van massavernietigingswapens. Nederland wil hieraan onder meer met een aanpassing van de Patriots het hoofd bieden, hetgeen steun verdient. Of Nederland meteen ook op andere platforms deze capaciteit moet gaan aanbrengen, is echter de vraag. Dit vergt zeer hoge bedragen en de vraag is of, gelet op reeds bestaande behoeften op dat terrein, nieuwe taken moeten worden opgenomen. Hoe wordt de geschetste problematiek in NAVO-verband aangepakt en welke andere landen, vergelijkbaar met Nederland, willen eveneens concrete bijdragen leveren?

In de afgelopen maanden is er veel discussie geweest over het feit dat in de hoofdlijnennotitie geen keuzen worden gemaakt. Het zou dan moeten gaan om de keuze tussen een krijgsmacht die uitsluitend vredesoperaties in het lage deel van het geweldsspectrum uitvoert, en een krijgsmacht die geschikt is om een belangrijke bijdrage hoog in het geweldsspectrum te leveren. De VVD vindt die voorstelling van zaken te simpel; het gaat om een schijnkeuze. De praktijk van alledag toont aan dat men beide opties moet aankunnen. De bijdragen in Cyprus, Bosnië en Kosovo tonen dit aan. Overigens is het aanhouden van een pure interventiemacht voor Nederland een maatje te groot. Bovendien zou, gelet op de huidige wervingsresultaten, zo'n krijgsmacht alleen op papier bestaan omdat in werkelijkheid het personeel niet te krijgen is. Door de accentverschuiving van uitbreiding van de parate sterkte ten koste van de mobilisabele sterkte wordt inhoud gegeven aan het veranderende strategisch concept van de NAVO waarin de uitvoering van crisisbeheersingsoperaties als hoofdtaak is opgevoerd. De VVD kan instemmen met de benadering die daarvoor in de hoofdlijnennotitie is gekozen.

Gekozen wordt voor per saldo minder middelen, onder handhaving van het ambitieniveau. Hierbij plaatst de VVD grote vraagtekens. Er vindt weliswaar een bescheiden uitbreiding plaats van pantserinfanterie, genie en mariniers, maar is dit voldoende? De luchtmacht levert een compleet squadron in terwijl het aantal taken niet afneemt. Macro bezien beschikt de krijgsmacht over voldoende eenheden om het ambitieniveau waar te maken, maar wat haar samenstelling betreft blijkt er internationaal een voortdurende behoefte te bestaan aan pantserinfanterie, genie en gevechts- en transportvliegtuigen. Dit wil niet zeggen dat er aan andere eenheden en middelen geen behoefte bestaat. Zo vervullen logistieke en verbindingseenheden een noodzakelijke ondersteunende rol.

Wanneer men bereid is om risico's te delen, ontkomt men er niet aan ook middelen hoog in het geweldsspectrum aan te bieden. Gelet op het ambitieniveau van de regering met betrekking tot Kosovo, moet worden geconstateerd dat de noodzakelijke middelen ontbreken om dit op langere termijn vol te houden. De Nederlandse betrokkenheid bij Bosnië zal nog jaren voortduren. Met betrekking tot Cyprus is een commitment voor drie jaar aangegaan. De betrokkenheid bij Kosovo zal tot ver in de volgende eeuw voortduren. Welke lessen zijn uit de Kosovocrisis te trekken? Is de regering bereid de kwaliteit en de kwantiteit van de middelen die juist voor die operaties noodzakelijk zijn, opnieuw te bezien? Het omvormen van licht bewapende eenheden van de luchtmobiele brigade tot gemechaniseerde eenheden, is een niet uit te sluiten optie.

Dat geldt ook voor het handhaven van het zesde F-16 squadron. De praktijk van de afgelopen maanden waarbij eenheden 24 uur per dag zijn ingezet, toont aan dat meer capaciteit nodig is dan gepland terwijl geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat men van twee separate bases moet opereren. In de planning is ook geen rekening gehouden met een rond-de-klokinzet; voor het permanent inzetten van één squadron zijn er in feite drie nodig. De VVD stond al sceptisch tegenover het opheffen van het zesde squadron maar is nu in die opvatting gesterkt. Waarom een uiterst flexibel middel afstoten? Dit is geen voor de hand liggende keuze. Heroverweging dient plaats te vinden.

De VVD stemt in met de keuze die in de hoofdlijnennotitie wordt gemaakt voor handhaving van een mobilisabel bestand. Het afstoten van 150 moderne tanks verdient toelichting; de opleg daarvan brengt nauwelijks kosten met zich mee en het afstoten brengt nauwelijks iets op. Velen beschouwen het mobilisabel bestand als dood kapitaal, maar de VVD denkt hier anders over. Defensiebeleid is langetermijnbeleid en het mobilisabel bestand kan men als een voorraad voor de winter beschouwen. Critici hebben echter wel gelijk wanneer wordt bezien welke behoefte er is in vredestijd. De VVD vindt het dan ook juister om over «reserve-eenheden» te spreken dan over «mobilisabele eenheden». Ze kunnen worden ingezet in situaties waarin niet meteen sprake is van een bedreiging van het Nederlands grondgebied. In de lezing van de minister van Defensie voor het instituut Clingendael zijn dergelijke overwegingen ook verwoord. Ze dienen verder te worden uitgewerkt in de Defensienota, inclusief het daarbij behorende juridisch kader. Men moet af van de gedachte dat dergelijke eenheden alleen in buitengewone omstandigheden geformeerd kunnen worden. Training en formatie, ook in vredestijd, moeten mogelijk zijn, uiteraard op vrijwillige basis en in overleg met de organisaties van het reservepersoneel.

In de hoofdlijnennotitie wordt terecht de ingeslagen koers met betrekking tot de interservicesamenwerking voortgezet, maar nagegaan moet worden of dit ook tot operationele voordelen leidt. Een verplichte paarse samenwerking heeft geen zin. De VVD-fractie staat zeer gereserveerd tegenover de samenbundeling van de luchtverdedigingscapaciteit van land- en luchtmacht. Bij de operationele inzet scheiden zich de wegen van Koninklijke landmacht en Koninklijke luchtmacht, daarnaast gaat de samenbundeling gepaard met grote kosten. De VVD-fractie wacht de studie af. Maar er zal veel voor nodig zijn om haar op dat punt over de streep te trekken.

Een krijgsmacht waarvan het personeel voortdurend voor vredesoperaties wordt uitgezonden, vereist een ander beleid dan in de defensieorganisatie eind jaren tachtig aan de orde was. Vernieuwing van het personeelsbeleid, toegesneden op de huidige situatie, is dan ook hard nodig. Er zijn te veel oudere militairen en te weinig jongere. Voor een organisatie die voortdurend mensen onder zeer moeilijke geestelijke en fysieke omstandigheden uitzendt, is dat geen ideale situatie. De verhoging van de FLO-leeftijd staat daar dan ook haaks op. Bovendien moet de organisatie nog verder afslanken. Dit zijn argumenten om de verhoging van de FLO-leeftijd als generieke maatregel voorlopig in de ijskast te zetten, afgezien van het toepassen van deze maatregel als maatwerk. Zo zou bij de marechaussee, waar zich tekorten voordoen de verhoging van de FLO-leeftijd op vrijwillige basis al op korte termijn kunnen ingaan.

Om de onder meer hiervoor benodigde financiële ruimte te scheppen doet de VVD twee voorstellen. Allereerst vraagt zij de minister een studie te laten uitvoeren naar de noodzakelijke omvang van de mijnendienst. In de tweede plaats moet worden nagegaan of het uitvoeren van kustwacht- en Caribische taken niet doelmatiger kan plaatsvinden dan nu het geval is. De resultaten van deze onderzoeken dienen te worden betrokken bij het opstellen van de Defensienota.

De uitgestelde investeringen nemen ook in de komende jaren toe. Uit het antwoord op vraag 217 blijkt dat het gemiddelde investeringspercentage de komende jaren op 23 uitkomt. Is dit niet op het randje? De praktijk leert dat dit percentage nog verder zakt tijdens de uitvoering van het beleid. De VVD hecht aan een krijgsmacht die goed is uitgerust.

In de hoofdlijnennotitie zijn de bezuinigingen uit het regeerakkoord verwerkt. De VVD is eerder met die bezuinigingen akkoord gegaan, echter met de aantekening dat zij hierop zou terugkomen wanneer zou blijken dat omstandigheden dit vereisen. De ontwikkelingen op de Balkan en de bereidheid van Europese landen om een grotere verantwoordelijkheid te dragen voor veiligheid en defensie, vereisen zo'n heroriëntatie. Daar komt het geschetste spanningsveld tussen de ambitie van de Nederlandse regering en de beschikbare middelen nog bij. Wanneer blijkt dat het beschikbare budget ontoereikend is om het gewenste ambitieniveau waar te maken, zal daarover een open discussie moeten kunnen plaatsvinden. Dit is blijkbaar ook het oordeel van de minister-president, zoals verwoord tijdens het debat over de Europese top in Keulen.

Mevrouw Van 't Riet (D66) complimenteerde de minister met het uitbrengen van een voorlichtingsboekje dat kan worden gezien als een «handboek voor de soldaat» voor politici. Hiermee wordt het nieuwe voorlichtingsbeleid van Defensie geïllustreerd.

De welvaart van Nederland als handelsland is onlosmakelijk verbonden met vrijheid, stabiliteit en economische ontwikkeling elders in de wereld. Niet voor niets vermeldt artikel 90 van de Grondwet dat de regering de internationale rechtsorde moet bevorderen. Die rol speelt Nederland in NAVO, WEU, OVSE en VN. In de afgelopen periode verdween de oost-westtegenstelling naar de achtergrond, hetgeen de mogelijkheid bood om de krijgsmacht te herstructureren; de drie onderdelen zijn sinds 1990 met 30% tot 40% verkleind, terwijl het defensiebudget werd verminderd met netto 30%. Gekozen werd voor een krijgsmacht die ver van huis kon optreden voor collectieve verdediging en crisisbeheersing. De huidige internationale veiligheidssituatie wordt gekenmerkt door lokale en regionale conflicten en humanitaire catastrofes. Een constante behoefte aan militaire capaciteit is het gevolg. Nederland levert bijdragen als het moet en als het kan.

D66 steunt de taakomschrijving die in de hoofdlijnennotitie voor de krijgsmacht is geformuleerd. Ingezet wordt op een verschuiving naar meer parate en minder mobilisabele eenheden. Het blijkt bijzonder lastig te zijn de in de hoofdlijnennotitie geschetste internationale veiligheidssituatie te vertalen in defensiebeleid. Recente ontwikkelingen zoals de Kosovocrisis en de laatste Europese top, geven aanleiding voor verdergaande aanpassing.

De regering heeft er bewust voor gekozen in de hoofdlijnennotitie niet verschillende scenario's te presenteren waaruit een keuze zou kunnen worden gemaakt. In de bundel «Krijgsmacht of vredesmacht?» van Clingendael worden echter twee scenario's aangegeven: een ontwikkeling die uitmondt in een krijgsmacht voor vredesoperaties en een die leidt tot een expeditionaire krijgsmacht. In het eerste geval wordt alleen meegedaan aan operaties die zich afspelen laag in het geweldsspectrum, in het tweede neemt Nederland ook verantwoordelijkheid hoog in dat spectrum, in de vorm van militaire interventie.

Het feit dat in de hoofdlijnennotitie voor de tweede optie wordt gekozen, leidt tot de conclusie dat verder bezuinigen op Defensie niet in de rede ligt. Wordt gekozen voor de eerste optie, dan moet worden bedacht dat de daaraan verbonden omvorming veel tijd kost terwijl niet op voorhand duidelijk is met hoeveel minder geld een dergelijke vredesmacht toekan. Overigens kan om technische redenen niet eindeloos op defensie worden bezuinigd. Defensie is het enige ministerie dat zelf uitkeringen en pensioenen betaalt; daarom levert reductie van het personeelsbestand relatief weinig op. D66 onderschrijft de lijn van Clingendael en kiest dus voor een expeditionaire krijgsmacht.

In het kader van de top van Keulen heeft de minister van Buitenlandse Zaken gepleit voor een gemeenschappelijk beleid op het terrein van defensie en veiligheid. Beslissingen op militair en politiek gebied dienen in harmonie met de NAVO te worden genomen. Tegen die achtergrond zijn wijzigingen in de bevelsstructuur denkbaar. Europa is absoluut niet in staat om conflicten zoals in Kosovo alléén te benaderen. Het gaat dan ook vooral om kleinschalige vredesmissies en humanitaire taken waarvoor men de NAVO niet nodig heeft. Deze ontwikkeling is door de regeringsleiders ondersteund. De beoogde Eurodefensie moet zich niet afzetten tegen de oppermacht van de Verenigde Staten, zoals Frankrijk wil. In technologisch opzicht loopt Europa ver achter bij de VS, die voor meer dan 50% de capaciteit van de NAVO bepalen.

Het is duidelijk dat investeringen zeer noodzakelijk zijn. Daarom zou de EU, nadat de WEU in de EU is opgegaan, zelf middelen moeten uittrekken voor operaties. Tegen die achtergrond kan worden gedacht aan een start-upfund voor investeringen die in internationaal verband op elkaar moeten worden afgestemd in het kader van takenspecialisatie. Dit is niet geheel nieuw; in de hoofdlijnennotitie wordt al gesproken over modules die in een geïntegreerd verband worden ingepast. Ook kan worden verwezen naar het Duits-Nederlandse legerkorps en de samenwerking met België en het Verenigd Koninkrijk. Britse vliegdekschepen worden beschermd door Nederlandse fregatten. Wanneer de tijdens de top van Keulen uitgezette lijnen serieus worden genomen, is deze taakspecialisatie onontkoombaar. Ook in verband met de opzet van KFOR blijkt dat niet elk land alles in huis behoeft te hebben. Het is van groot belang dat bij de voorbereiding van de Defensienota bij deze ontwikkelingen wordt stilgestaan, vooral ook in relatie met het langetermijnbeleid.

Op welke wijze zullen de als gevolg van de Kosovocrisis veranderde inzichten in de Defensienota worden verwerkt en hoe zullen de resultaten van de maatschappelijke discussie over de hoofdlijnennotitie worden gepresenteerd? Ten behoeve van KFOR worden bedragen uit de algemene middelen ingezet. Komen deze uit de homogene groep? Omdat hiervoor algemene middelen worden ingezet, is het eigenlijk wat bizar dat er nu over bezuinigingen op het defensiebudget wordt gesproken.

De radarsystemen op fregatten, in te zetten tegen massavernietigingswapens, blijken peperduur te zijn. Is het werkelijk noodzakelijk dat Nederland dergelijke technologisch zeer geavanceerde systemen opzet?

Mevrouw Van 't Riet onderstreepte de reeds over het uitzenden van defensiepersoneel gestelde vragen. Blijkt het in de praktijk wel goed mogelijk om aan vier operaties tegelijk deel te nemen?

Wat de bezuinigingen in de hoofdlijnennotitie betreft is de pijn verdeeld; het gaat om tanks, fregatten en F-16's. Op geen enkele manier wordt duidelijk gemaakt dat op deze manier het Nederlandse ambitieniveau kan worden waargemaakt, terwijl de Nederlandse defensie-uitgaven al relatief laag zijn in vergelijking met andere NAVO-landen. Met Clingendael denkt de fractie van D66 aan het opheffen van de mobilisabele eenheden, mede gelet op de tien tot vijftien jaar aan waarschuwingstijd die in verband met grote conflicten wordt genoemd. Wellicht moet een zwaarder accent worden gelegd op het reservistenbeleid. Het lijkt voorts onmogelijk, het zesde F-16-squadron op te heffen. Om dit crisisbeheersingsinstrument te handhaven, zullen elders bezuinigingen moeten plaatsvinden. D66 pleit ervoor het vliegkamp Valkenburg te sluiten en de Orions eventueel te verplaatsen naar De Kooi.

De heer Van Middelkoop (GPV) constateerde dat bij de vaststelling van het nieuwe NAVO-strategisch concept de crisisbeheersing een belangrijke taak is geworden. Andere belangrijke aspecten zijn de recente ervaringen, opgedaan in de Kosovo-oorlog, en de opmerkingen van de heer Melkert over de inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht. De Clingendaelnotitie geeft aan dat er 2500 inzetbare militairen zijn op 35 000 werknemers, hetgeen vragen oproept. De heer Melkert meent dat een einde moet komen aan het incasseren van het vredesdividend, hetgeen een belangrijk signaal is voor de minister met het oog op de voorbereiding van de Defensienota. Wat is zijn visie op de vergaande voorstellen, neergelegd in de Clingendaelnotitie? Wat is, als het erop aankomt, de betekenis van het mobilisabele deel van de krijgsmacht?

Wordt, wanneer de investeringsquota op grond van de hoofdlijnennotitie op 20% uitkomen, het ambitieniveau van de Prioriteitennota verlaten? De gemiddelde NAVO-bijdrage per land is 2,7% BNP, maar Nederland komt uit op 1,7%. Kan de minister dit historisch lage niveau verantwoorden, mede gelet op de ambities die Nederland kent? Meer in het algemeen zijn in de hoofdlijnennotitie ambities en taken onvoldoende uitgeschreven; onduidelijk blijft welke eisen precies aan de krijgsmacht worden gesteld. Dit is ook voor de minister van belang om de krijgsmacht te behoeden voor voortdurende budgettaire aanslagen.

De beslissing om in verband met de hoofdlijnennotitie een maatschappelijke discussie te entameren, verdient waardering. Wellicht kan dit proces leiden tot de conclusie dat de krijgsmacht geen noodzakelijk kwaad is, maar een noodzakelijk instrument om het kwaad te weren.

Meent niet ook de minister dat zo langzamerhand nog slechts lippendienst wordt bewezen aan een belangrijk onderdeel van de Prioriteitennota: het tegelijkertijd deelnemen aan vier operaties, zulks op bataljonsniveau? Uit de hoofdlijnennotitie blijkt dat men hiertoe ook OVSE-waarnemers rekent.

Is de minister bereid om te stoppen met Shirbrig? Wellicht zal de EVDI (Europese veiligheids- en defensie-identiteit) weer leiden tot een militair comité, met staf enz. Bureaucratisering van de krijgsmacht moet worden voorkomen. Nieuw is de militair-civiele samenwerking (CIMIC). Welk ministerie is hiervoor het eerstverantwoordelijk en welke rol kan het bedrijfsleven hierbij spelen?

Wordt het tweede ATS een kopie van de Rotterdam of wordt dit schip zwaarder opgetuigd, bijvoorbeeld met een sea-based hoofdkwartier? Van groot belang zijn de voorstellen inzake samenwerking tussen de krijgsmachtdelen; dit is een harde eis voor de toekomst. Moeten niet, nu met KFOR is begonnen, bepaalde in de hoofdlijnennotitie verwoorde overwegingen naar voren worden gehaald, zoals het uitbreiden van de bevoegdheden van de operationele planning en het versterken van het defensiecrisisbeheersingscentrum?

De verdediging in de hoofdlijnennotitie tegen voorstellen om bijvoorbeeld de onderzeedienst op te heffen, is vrij dun. Er worden geen argumenten aangevoerd die aan taakstelling en ambities zijn ontleend. Anderen geven aan dat deze taken zouden kunnen worden overgelaten aan de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Wat het personeel betreft moet worden uitgelegd waarom men de ontslagleeftijd wil verhogen terwijl de gemiddelde leeftijd te hoog wordt gevonden. Moet niet overwogen worden om de werving van personeel uit te besteden aan een buiten de krijgsmacht staande organisatie? Na verloop van tijd zullen 1700 functies verdwijnen. Zal dit proces tot gedwongen ontslagen leiden? Zo ja, dan zal dit de toch al lastige werving nog moeilijker maken.

De heer Van Bommel (SP) concludeerde dat de hoofdlijnennotitie werd geschreven bij ontbrekende massale Sovjetdreiging. De NAVO stoomde zich met een nieuw strategisch concept klaar om zich als politieman van de wereld op te werpen. Thans staan Rusland en NAVO met tanks tegenover elkaar in een gebied dat als permanente brandhaard moet worden beschouwd. Het eerste optreden van de NAVO als politieman buiten het eigen grondgebied, is uitgelopen op een debacle. Het heeft geleid tot datgene wat men in feite wilde voorkomen: een humanitaire ramp van grote omvang. Het einde is nog niet in zicht, al is het vredesakkoord een belangrijke stap in de goede richting.

Internationale ontwikkelingen kunnen niet zonder gevolgen blijven voor de krijgsmacht. In de hoofdlijnennotitie wordt nog gesteld dat de betrekkingen met Rusland zich gunstig hebben ontwikkeld; er wordt nauw samengewerkt. Op dit moment heeft Rusland alle vormen van samenwerking in de koelkast gezet. Nog nooit, sinds het einde van de koude oorlog, hebben zich zoveel, gelukkig diplomatieke confrontaties tussen Rusland en het Westen voorgedaan. De minister noemt in de hoofdlijnennotitie de westelijke Balkan als bron van instabiliteit en heeft inmiddels zijn vreselijk gelijk gekregen. De escalatie kwam echter pas echt goed op gang nadat de eerste NAVO-bommen waren gevallen.

Moet een nieuwe inschatting worden gemaakt van de potentiële crisishaarden in de wereld? Daarop kan nauwelijks invloed worden uitgeoefend. Duidelijk is echter dat in het licht van de recente ervaringen het zeer hoge ambitieniveau dat uit de hoofdlijnennotitie en het nieuwe strategische NAVO-concept naar voren komt, moet worden getemperd. Gebleken is dat een volk niet naar echte vrede kan worden gebombardeerd. Er moet worden gezocht naar nieuwe instrumenten om conflicten te voorkomen of op te lossen.

De minister meent dat het mogelijk is om met het huidige budget, verminderd met de structurele bezuiniging van 375 mln., tegelijkertijd op bataljonsniveau aan vier vredesmissies deel te nemen. De SP meent dat niet het bezuinigings- maar het ambitieniveau ter discussie moet worden gesteld. Uit een artikel in de NRC blijkt dat het aantal van vier vredesmissies willekeurig tot stand is gekomen; de SP kiest voor drie of twee missies. Vredesmissies blijken lang niet altijd de beste manier te zijn om de vrede te bewaren of te bewerkstelligen. De SP geeft steun aan de bezuinigingsvoorstellen betreffende de mobilisabele eenheden.

De regering meent dat van Europa mag worden verwacht dat het zijn verantwoordelijkheid accepteert met betrekking tot crisisbeheersing. Gedacht wordt aan een euroleger dat er met NAVO- en eigen middelen op uit moet trekken om te voorzien in vrede en veiligheid, wellicht ook buiten Europa, wanneer Europese belangen op het spel staan. Wat is in dezen de positie van de neutrale EU-leden? Hoe is het gesteld met mandaat en commandostructuur van een dergelijk leger, met de zeggenschap van nationale parlementen over de inzet ervan en met de internationaal-rechtelijke inbedding van beslissingen om het in te zetten? Wederom ligt het accent op crisisbeheersing met militaire middelen in plaats van geweldloze conflictpreventie. Het is van groot belang dat deze ontwikkeling goed wordt gevolgd; daartoe dient de Kamer zo uitvoerig mogelijk te worden geïnformeerd.

Heeft de minister al een inzicht in de juiste nazorg ten behoeve van uitgezonden militairen? Tweemaal heeft de SP-fractie een bericht bereikt van zelfdoding door veteranen. Andere veteranen zijn in de WAO beland als gevolg van psychische problemen; zij voelen zich door Defensie in de kou gezet. De huidige volstrekt onvoldoende nazorg steekt schril af tegen de bewondering voor «onze jongens» zolang ze ver weg zitten. Wat onderneemt de regering om hierin verbetering te brengen? De minister kondigt aan dat voor het komende schooljaar de huidige vijf schakelklassen voor zestienjarigen met drie extra scholen worden aangevuld; nog meer zestienjarigen zullen een jaar later dienst nemen in de krijgsmacht. Intussen voert Nederland een lobby om in Genève te voorkomen dat een algemeen verbod op het gebruik van kindsoldaten tot achttien jaar wordt aangenomen. Wat zal de opstelling van Nederland het volgende jaar zijn, wanneer dit verbod wordt voorgesteld als aanvulling op de verklaring van de rechten van het kind?

De SP is van mening dat de principiële bestaansgronden van de NAVO als verdedigingsorganisatie zijn weggevallen. Daarom is een pleidooi voor ontmanteling van deze organisatie logischer dan het gekozen «opendeurbeleid», dat voor de toetredende landen ingrijpende gevolgen heeft. Zo zullen zij hun defensie-uitgaven moeten verhogen om aan de NAVO-eisen te kunnen voldoen. Inmiddels is ook Albanië en Macedonië te kennen gegeven dat hun aanvragen om het NAVO-lidmaatschap met interesse zullen worden bestudeerd. Wat betekent dit in financiële zin voor deze zeer arme landen en hun sociaal-economische ontwikkelingsmogelijkheden? Wat is hierover het oordeel van minister Herfkens? Is dit een voorbeeld van ontschot buitenlands beleid?

Waardering heeft de SP voor de wijze waarop de regering de discussie over de toekomst van defensie aangaat met de Kamer en maatschappelijke organisaties. Op welke wijze zullen de resultaten van deze besprekingen worden betrokken bij de totstandkoming van de Defensienota?

De heer Van der Knaap (CDA) herinnerde eraan dat het CDA zich tijdens de laatste begrotingsbehandeling uitsprak tegen de defensiebezuinigingen. Uit de Voorjaarsnota blijkt dat daarbovenop 150 mln. moet worden bezuinigd terwijl Defensie in het kader van de begroting voor 2000 waarschijnlijk wederom niet zal worden ontzien. Desondanks is het ambitieniveau waaraan Nederland terecht wil voldoen, zeer hoog. Het CDA acht het van groot belang dat de drie krijgsmachtonderdelen beschikken over voldoende goed opgeleid en gemotiveerd personeel dat kan beschikken over kwalitatief goed materieel. Begin september zal het CDA een eigen visie op de toekomst van Defensie presenteren.

De doelstelling van vier vredesoperaties die tegelijkertijd worden uitgevoerd, waarvan al in de Prioriteitennota sprake was, is niet gewijzigd. Welke lessen kunnen worden getrokken uit de Kosovocrisis voor de Defensienota? De uitspraken van de minister over de uitzending van 2050 soldaten naar Kosovo en de roulatieproblemen die dit met zich meebrengt, scheppen weinig vertrouwen.

Uit de beantwoording van vragen blijkt dat op strategische onderdelen de absolute ondergrens is bereikt. Dit betreft onder meer de opheffing van een F 16-squadron. Het CDA is van mening dat het kabinet zijn ambitieniveau niet in alle gevallen kan waarmaken. Een inzet op het niveau van een bataljon of het equivalent daarvan over een periode van maximaal drie jaar is in de huidige structuur alleen met allerlei kunstgrepen haalbaar, hetgeen ook blijkt uit de gang van zaken in Amendola. De conclusie moet zijn dat er sprake is van toenemende spanning tussen ambitieniveau en huidige mogelijkheden.

De minister heeft advies gevraagd aan de Adviesraad internationale vraagstukken. Is dit advies al beschikbaar en, zo ja, leidt het dan mogelijk tot substantiële wijzigingen? Kan de Kamer dit advies worden toegezonden? Voorts heeft de minister onlangs op het Catshuis een gesprek over de hoofdlijnennotitie gehad met de militaire top van de NAVO. Kan een inzicht worden gegeven in de inhoud en de conclusies van dit gesprek? Heeft de NAVO-leiding deze gelegenheid aangegrepen om haar zorgen uit te spreken over de omvang van de grondeenheden die Nederland bij crisissituaties als Kosovo kan inzetten? Welke consequenties hebben de opvattingen van de militaire top van de NAVO voor de Defensienota?

Na de vaststelling van het nieuwe strategisch concept van de NAVO is tijdens de top van Keulen de Europese Unie een stuk dichter bij de vorming van een eigen defensiepoot gekomen. Het idee is dat bij conflicten van lage intensiteit de EU in de toekomst kan ingrijpen zonder hulp van de NAVO. Dit levert tal van vragen op over de financiële gevolgen voor de defensiebegroting en de Defensienota. Welke aanvullende afspraken zijn in NAVO-verband nodig?

Internationale betrokkenheid staat terecht hoog in het vaandel van het kabinet. Uit een artikel in de Volkskrant blijkt dat de minister onlangs in Bremen heeft gepleit voor de oprichting van een Europees fonds voor vredesoperaties. Als de EU via een eigen defensiebeleid sterker betrokken wil raken bij conflictbeheersing, past daar ook een eigen budget bij, aldus de minister. De vraag is echter of een dergelijk fonds puur voor vredesoperaties wordt gebruikt of ook ten behoeve van randvoorwaarden zoals transport, het vergaren van inlichtingen, bevelvoering, commando en controle.

Sinds het verschijnen van de hoofdlijnennotitie is het conflict in Kosovo geëscaleerd, heeft de top van Washington plaatsgevonden en zijn in Keulen afspraken gemaakt over het opzetten van een autonome defensiecapaciteit binnen de Europese Unie. Duidelijk is dat de Defensienota ten opzichte van de hoofdlijnennotitie op nogal wat onderdelen zal moeten worden aangepast.

Taakspecialisatie op internationaal niveau vindt het kabinet aantrekkelijk in het licht van de internationale oriëntatie van de krijgsmacht. Dit zou kunnen leiden tot vergroting van doelmatigheid. Is bij het tot stand brengen van de hoofdlijnennotitie overleg gevoerd met andere landen? Daar lijkt het enthousiasme voor taakspecialisatie niet groot te zijn. Het CDA is van mening dat, wanneer grote landen niet bereid zijn om te komen tot vergaande taakspecialisatie, Nederland niet in een afhankelijke positie terecht mag komen. Welke stappen worden door Nederland ondernomen om taakspecialisatie daadwerkelijk van de grond te krijgen?

In de afgelopen periode is het defensiepersoneel voortdurend geconfronteerd met reorganisaties en veranderingen. De personele gevolgen van de Priorititeitennota en doelmatigheidsoperaties zijn nauwelijks verwerkt of daarbovenop moeten wederom 2000 mensen afvloeien, terwijl door de minister niet wordt gegarandeerd dat het hierbij blijft. De gevolgen zijn zichtbaar. Met name de technisch geschoolde specialisten zoeken hun heil buiten de krijgsmacht. De werving en indiensttreding van met name BBT-ers verlopen bepaald niet voorspoedig. Het beeld van Defensie als werkgever die voortdurend bezuinigt, draagt niet bij aan een wervend imago. De situatie in Kosovo en de heersende cultuur bij de opleidingen lijken hierbij nog een duit in het zakje te doen. Zijn de berichten dat kadetten van de KMA deze opleiding massaal verlaten, juist? Zo ja, welke maatregelen heeft de minister dan voor ogen? Het wordt de hoogste tijd dat kwaliteit en kwantiteit van het personeel centraal komen te staan.

Ook de leeftijdsopbouw binnen de krijgsmacht verdient de aandacht. Pogingen worden ondernomen om de krijgsmacht te verjongen, maar het CDA vraagt zich af of voldoende geld beschikbaar is voor flankerend beleid voor de oudere werknemer. Verder zijn een goed arbeidsvoorwaardensysteem en een gedegen opleidingstraject noodzakelijk om ook buiten Defensie op termijn aan de slag te kunnen. Is het niet gewenst om te komen tot een beleid waarbij opleidingen worden geïntegreerd en mensen binnen de diverse delen van de krijgsmacht kunnen rouleren?

Ook de toekomstperspectieven zijn van belang. Wat is nu precies de positie van de Nationale reserve? Wordt het huidige systeem van bijscholing en rechtspositie gehandhaafd? Kan de minister aangeven hoeveel reservepersoneel er effectief binnen de verschillende onderdelen van de krijgsmacht kan worden ingezet? De belasting van de diverse krijgsmachtonderdelen is divers, zoals ook blijkt uit het onderzoek bij de luchtmacht. Acht de minister dergelijke onderzoeken ook op hun plaats bij de andere delen van de krijgsmacht?

De werkdruk is hoog vanwege de deelname aan internationale missies. Te vaak worden dezelfde mensen keer op keer uitgezonden. De oplossing die de minister aandraagt in de vorm van een betere afstemming en goede voorbereiding, lijkt niet voldoende in het licht van de huidige ontwikkelingen. Hoe denkt de minister tegen deze achtergrond over de verhouding tussen beoogde inzet en beschikbare menskracht? De huidige invulling van het roulatiesysteem legt een te groot beslag op organisatie en personeel.

Militairen dienen goed voorbereid te zijn op ethische dilemma's die zich tijdens de uitzending kunnen voordoen. Hieraan moet tijdens de opleiding maximaal aandacht worden besteed. De krijgsmacht dient daarnaast te zorgen voor een optimale geestelijke verzorging. De CDA-fractie gaat er vanuit dat in de Defensienota wordt beschreven op welke wijze krijgsmachtbreed deze zorg zal worden ingevuld.

De integratie van staven valt niet los te zien van de totale organisatie van de krijgsmacht. Er is op dit moment nog een studie gaande naar de mogelijkheden op dit terrein. Moet de minister op dit punt niet veel voortvarender te werk gaan? Over dit onderwerp wordt al jaren gesproken. Zouden integratie en ontschotting in de top niet kunnen leiden tot een efficiëntere aansturing van de defensieorganisatie? Kan de minister aangeven wat de voordelen zijn van de eventuele benoeming van een opperbevelhebber?

In de hoofdlijnennotitie wordt voor de derde maal het vredesdividend vanwege het wegvallen van het Oostblok geïncasseerd. Eerder was dit het geval bij de Prioriteitennota en bij de doelmatigheidsoperatie. De wereld is sindsdien wel veranderd. De huidige veiligheidsanalyse is voor de Amerikanen en Engelsen een reden om juist meer te gaan investeren in defensie. Bij de toenemende Nederlandse oriëntatie op de internationale gemeenschap vervaagt de grens tussen interne en externe veiligheidsrisico's. De hoofdlijnennotitie besteedt hieraan echter nauwelijks aandacht.

Meer en meer raakt Nederland voor zijn veiligheid afhankelijk van zijn bondgenoten, met als gevolg dat er steeds meer rekening moet worden gehouden met NAVO- en EU-doelstellingen. Een onontkoombare ontwikkeling is dat de Verenigde Staten niet bereid zijn om tot in lengte van jaren voor Europa de kastanjes uit het vuur te halen. Dit besef klinkt niet door in de financiële paragraaf van de hoofdlijnennotitie.

Het investeringspercentage zal gedurende de jaren 2000–2006 23 bedragen, hetgeen aanzienlijk minder is dan werd aangegeven in de Prioriteitennota. Waarom is voor deze verlaging gekozen en hoe verhoudt dit percentage zich met de investeringen van andere NAVO-landen? Het is de bedoeling dat over een periode van ongeveer tien jaar uiteindelijk 6,5 mld. wordt bezuinigd. Geconcludeerd moet worden dat er sprake is van een doorbezuiniging. Vanwaar deze ambitie? Het regeerakkoord beperkt zich tot een bezuiniging van 375 mln. per jaar. Zeker bij een organisatie die kreunt en steunt vanwege de vele reorganisaties die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden, zijn verdergaande bezuinigingen uit den boze. Er is al een forse boeggolf ontstaan. Daarbij komt dat de minister zich rijk rekent. In zijn berekening komt er een bedrag van 600 mln. vrij vanwege de verkoop van materieel; daarnaast boekt men 500 mln. in ten gevolge van efficiencymaatregelen. Hoe hard is dit totaal van 1.1 mld en hoe wil de minister eventuele tegenvallers opvangen? Tussen de regels door laat hij doorschemeren dat op bepaalde terreinen de grens is bereikt waar het gaat om de bezuinigingen. Een ruwe schatting wordt gegeven omtrent bezuinigingen bij de diverse krijgsmachtdelen. Hoe reëel zijn de in de hoofdlijnennotitie opgenomen bedragen? Kan de minister aangeven waar hij met betrekking tot de defensiebezuinigingen de grens legt?

De fractie van het CDA zal in een later stadium ingaan op de nieuwe investeringen. Zij vraagt nu wel meer informatie over de mogelijke toerusting van de vier LCF-fregatten met het Theatre Missile Defencesysteem. De kosten daarvan zijn hoog terwijl de belangstelling bij de bondgenoten niet groot is. Kan dit worden gezien als een voorbeeld van taakspecialisatie? Zo ja, wat staat hier dan tegenover bij andere lidstaten?

De heer Van der Knaap bleef zich verzetten tegen de voorgenomen bezuinigingen op Defensie waarbij te veel belangrijke zaken en investeringen worden doorgeschoven. Wanneer de gevolgen van het conflict in Kosovo en de afspraken in NAVO- en EU-verband niet leiden tot aanpassing van het huidige ambitieniveau, zal er sprake moeten zijn van een andere financiële benadering. De CDA fractie overweegt wat dit betreft het indienen van een motie.

De heer Van den Berg (SGP) kon de hoofdlijnennotitie slechts waarderen als discussiestuk en zag daarin geen verantwoorde basis voor het toekomstige defensiebeleid. Ten onrechte is eerst gekozen voor een bepaald bezuinigingsniveau en vervolgens voor een bepaalde invulling. Bovendien is het verwoorde veiligheidsconcept ontoereikend; te gemakkelijk wordt verwezen naar gewijzigde veiligheidsrisico's. Inmiddels is duidelijk geworden dat er wel degelijk grote, zij het andere risico's zijn. Bovendien waren het AIV-advies en het nieuwe strategisch concept van de NAVO nog niet bekend toen de hoofdlijnennotitie werd opgesteld en dienen de ontwikkelingen op de Balkan zorgvuldig te worden geanalyseerd voordat de kaders voor de Defensienota kunnen worden vastgesteld.

De conclusie moet zijn dat de hoofdlijnennotitie als basis voor de Defensienota goeddeels is achterhaald. Ook de fractie van de PvdA heeft aangegeven dat voor haar verhoging van het defensiebudget bespreekbaar is wanneer de veiligheidsrisico's dit noodzakelijk maken.

De minister heeft aangegeven dat de huidige inspanning in Kosovo met veel moeite één jaar kan worden voortgezet. Het tegelijkertijd deelnemen aan vier operaties in internationaal verband is ondenkbaar bij de huidige omvang en paraatheid van de krijgsmacht. Is het ambitieniveau niet te hoog? De fractie van de SGP kan niet op voorhand instemmen met de verschuiving die de hoofdlijnennotitie qua prioriteitsstelling laat zien van de algemene verdedigingstaak naar bijdragen aan internationale operaties. Allereerst zal er sprake moeten zijn van een goede analyse van de veiligheidsrisico's.

Blijkbaar wil Nederland wat zijn krijgsmacht betreft voor dubbeltje op de eerste rij zitten. Naast de structurele verlaging van het defensiebudget met 375 mln. worden bezuinigingen gerealiseerd door het uitstellen van investeringen, waardoor een omvangrijke boeggolfproblematiek ontstaat. In de hoofdlijnennotitie wordt aangegeven dat over een periode van tien jaar een ombuiging van 6,5 mld. moet worden doorgevoerd. De fractie van de SGP acht dit niet aanvaardbaar, niet alleen in verband met de belangrijke defensietaken maar ook gelet op de verantwoordelijkheid van Defensie als werkgever voor mensen die met gevaar voor eigen leven belangrijke taken vervullen. Met de aangegeven financiële voornemens zou Nederland uitkomen op defensie-uitgaven op het niveau van 1,7% of 1,6% van het BNP terwijl de overige NAVO-partners gemiddeld 2,2% aan defensie uitgeven.

De fractie van de SGP is tegenstander van een eigen Europese defensie-identiteit. Deze optie zou ongetwijfeld belangrijke consequenties hebben voor de opzet van de Nederlandse krijgsmacht.

Onder de huidige omstandigheden is het ondenkbaar dat een F-16-squadron zou worden geschrapt. Ook bij de huidige capaciteit zijn er geen goede aflossingsmogelijkheden voor bepaalde specialismen. Voorts wordt te gemakkelijk gezegd dat de bezuinigingen dan maar bij de marine moeten worden gerealiseerd. Hiermee worden de strategische ligging en de maritieme oriëntatie van Nederland miskend. Zonder grondige analyse gaat het niet aan te stellen dat men wel enkele fregatten en de MLD kan schrappen. Het is eveneens, gelet op de algemene verdedigingstaak, te gemakkelijk om te pleiten voor het laten vervallen van mobilisabele eenheden. Moet niet veel meer aandacht worden gegeven aan reservecapaciteit? De sterkte van de nationale reserve mag niet worden verminderd.

Het personeel verkeert onder zware druk als gevolg van bezuinigingen en doelmatigheidsoperaties, zoals ook blijkt uit het jaarverslag van de inspecteur-generaal der krijgsmacht. Bovendien moet aandacht worden gegeven aan de aflossingsverhouding die nu is gesteld op 1:2. In Engelse strategische studies wordt al gesproken over een verantwoorde verhouding van 1:4 of 1:5. In het kader van de beoogde verjonging van de krijgsmacht werkt een verhoging van de ontslagleeftijd als algemene maatregel averechts. Wat de werving betreft moet de aantrekkelijkheid van de krijgsmacht als werkgever worden vergroot, onder meer in de vorm van adequate beloning.

De heer Harrewijn (GroenLinks) deelde mee dat ook zijn fractie in september 1999 met een defensienotitie komt, waarin de gevolgen van de Kosovocrisis zijn verwerkt.

Terecht wordt in de hoofdlijnennotitie minder accent gelegd op de traditionele algemene verdedigingstaak en meer op internationaal optreden ter bevordering en bescherming van de internationale rechtsorde. Als gevolg hiervan kan worden gesneden in de mobilisabele eenheden en komt de nadruk te liggen op parate eenheden voor uitzending en op structurele capaciteit voor civiel-militaire betrekkingen. Deze lijnen worden echter niet consequent doorgetrokken bij het maken van keuzen ten aanzien van het defensieapparaat; wat troepen en materieel betreft blijft zo ongeveer alles intact.

Waarom nog een omvangrijk mobilisabel deel van de krijgsmacht en standaardtaken van de marine op de oceaan gehandhaafd? Wordt niet een krijgsmacht in stand gehouden voor een oorlog die niet zal worden gevoerd, terwijl die krijgsmacht niet is toegesneden op de taken die nu wél moeten worden uitgevoerd? Hoewel 75 000 mensen bij de krijgsmacht betrokken zijn, blijkt het moeilijk om voldoende parate troepen uit te zenden. Het ambitieniveau ten aanzien van de vredestaken dient niettemin ten minste te worden gehandhaafd.

Wie voor een krijgsmacht als vredesmacht kiest, kiest niet voor «softies» met houten geweertjes. Bij deelname aan SFOR en KFOR komen wel degelijk ook zware middelen aan de orde, zoals ook uit de Clingendaelstudie blijkt. Nederland kan niet in het gehele geweldsspectrum meedoen. De fractie van GroenLinks kiest dan ook niet voor een expeditionaire krijgsmacht op het niveau van een brigade, maar voor bijdragen ingepast in eenheden van «leading nations».

Het grootste gedeelte van de krijgsmacht heeft niets met de Kosovocrisis te maken. Gesteld wordt dat er geen F-16-squadron kan worden afgeschaft omdat men het in Amendola zo moeilijk heeft gehad, maar het probleem zat hem vooral in het aantal piloten en niet in het aantal kisten. Een squadron F-16's meer of minder had weinig uitgemaakt. Voorkomen moet worden dat op grond van emoties die met Kosovo te maken hebben, wordt bepleit om de hele bestaande krijgsmacht te handhaven. De fractie van GroenLinks pleit ervoor meer landmachtbataljons voor vredestaken paraat te stellen, zulks in plaats van het in schuren houden van zaken die nodig zijn voor een oorlog die wellicht nooit wordt gevoerd.

In de hoofdlijnennotitie komt een mix aan de orde van vredesacties en conflictbeheersing. Aan de periferie van het verdragsgebied kunnen conflicten ontstaan die ingrijpen noodzakelijk maken. Welke criteria worden daarvoor gehanteerd? Is daarvoor altijd een VN-mandaat nodig? Is een dergelijk ingrijpen, hoog in het geweldsspectrum, wel gewenst en kan Nederland daarbij een rol spelen? Bij welk soort conflict zou Nederland eventueel mobilisabele eenheden paraat stellen? Zou men bereid zijn in de periferie van het verdragsgebied reservisten te laten sneuvelen? In elk geval moet worden voorkomen dat men zich voorbereidt op iets dat men nooit zal willen doen.

In de hoofdlijnennotitie wordt terecht gesteld dat de middelen, nodig voor de regionale collectieve verdediging, nauwelijks verschillen van de middelen die nodig zijn voor conflictbeheersing en vredesoperaties; parate eenheden zijn van doorslaggevend belang. Wat is, wanneer de verschuiving in de richting van inzet op bataljonsniveau wordt doorgezet, nog de logica van het Duits-Nederlandse legerkorps? Moet niet de conclusie worden getrokken dat men eens af moet van het nostalgische legerkorpsidee, zodat alle aandacht kan worden gegeven aan eenheden voor combined and joined operations?

Meer aandacht moet worden gegeven aan de werving en opleiding van landmachtpersoneel. Defensie dient ook in financieel opzicht een aantrekkelijke werkgever te zijn zodat de parate eenheden kunnen worden gevuld met enthousiaste mensen. De fractie van GroenLinks is voorstander van het versterken van de CIMIC-componenten, vermeld in de hoofdlijnennotitie.

De keuze voor de krijgsmacht als vredesmacht houdt in dat wat de marine betreft het accent sterker moet worden gelegd op de inzet van mariniers, transport en oppervlakteschepen. De vraag is of men nog wel moet doorgaan met de onderzeedienst, kustwachttaken, MLD en het vliegkamp Valkenburg. Het tweede ATS is voor GroenLinks een reële optie omdat dit schip goed past bij taken die bij vredesoperaties aan de orde komen.

Het zesde squadron F-16's kan worden afgeschaft. Met het handhaven van 60 tot 80 jachtvliegtuigen kan worden volstaan, ook wanneer uitzonderlijke bijdragen moeten worden geleverd zoals met betrekking tot Kosovo het geval is geweest.

Nederland dient zijn bijdrage te leveren aan de verdediging tegen ballistische raketten, maar waarom moet hier sprake zijn van een drieslag: jachtvliegtuigen voor het aanpakken van lanceerinstallaties, Patriots en antiraketsystemen op de fregatten? Er dient een keuze te worden gemaakt zodat één taak goed kan worden gedaan in plaats van drie half.

GroenLinks zal zijn defensienotitie voor een financiële screening voorleggen aan gezaghebbende instituten. Bij de gekozen werkwijze, waarbij eerst de inhoud aan de orde komt en vervolgens de financiën, is nog onduidelijk wat de financiële uitkomsten zijn. Tegen die achtergrond houdt GroenLinks niet per se vast aan het eerder naar voren gebrachte bezuinigingsniveau van 3 mld., zij het dat een nettobezuiniging nog haalbaar lijkt.

Met de PvdA stelt GroenLinks de atoomtaak van de F-16 ter discussie. Meer in het algemeen zou op het nucleaire terrein kunnen worden gestreefd naar de-alerting, kernwapenvrije zones in Europa, no first use enz.

Het antwoord van de regering

De minister van Defensie onderstreepte dat met de hoofdlijnennotitie het bijeenbrengen wordt beoogd van meningen en opvattingen over de toekomst van de Nederlandse defensie. Dit proces dient eind 1999 te leiden tot het opstellen van de Defensienota aan de hand waarvan besluitvorming kan plaatsvinden. De gedachtewisseling met de Kamer en de inbreng van de samenleving zijn noodzakelijke bijdragen voor een optimaal draagvlak voor de Defensienota waarin wordt aangegeven wat Nederland in de komende tien jaar van de defensieorganisatie verwacht. Na de begrijpelijke aanpassingen als gevolg van de gewijzigde internationale verhoudingen, is een nieuwe brede maatschappelijke en politieke consensus met betrekking tot Defensie gewenst.

Wat dient een middelgroot land als Nederland aan defensie-inspanningen te leveren? Mede in relatie met de inspanningen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking en ook gelet op handelsbelangen heeft Nederland de ambitie om een forse bijdrage te leveren aan het beïnvloeden van de internationale politiek. Dit ambitieniveau is neergelegd in de hoofdlijnennotitie en moet worden waargemaakt binnen de financiële kaders die in het regeerakkoord zijn verwoord. Het is aan de Kamer om eventueel aan de hand van bepaalde ontwikkelingen te bepleiten dat het budget wordt verruimd omdat men van oordeel is dat het ambitieniveau moet worden verhoogd. Het kabinet is van oordeel dat de recente ontwikkelingen als zodanig niet tot de conclusie leiden dat de beschikbare middelen onvoldoende zouden zijn om het ambitieniveau waar te maken.

Te snel wordt gesteld dat aan de hand van de Kosovocrisis blijkt dat Nederland zijn ambitieniveau niet kan waarmaken; deze opvatting is onjuist. In de hoofdlijnennotitie is neergelegd dat Nederland een bijdrage dient te leveren aan de algemene verdedigingstaak van de NAVO en daarnaast op bataljonsniveau gelijktijdig aan vier vredesoperaties moet kunnen meedoen. Op dit moment wordt de Nederlandse krijgsmacht maximaal belast: een bataljon in Bosnië (SFOR), een compagnie op Cyprus, een squadron-plus in Amendola en twee bataljons in het kader van KFOR. Bij de beoogde vier operaties tegelijkertijd behoeft het niet altijd om de landmacht te gaan. Wat Kosovo betreft lag het accent aanvankelijk sterk op de luchtmacht; nu gaat het vooral om de landmacht, met aanvullende bijdragen van de marine.

Daarmee is de capaciteit maximaal benut en wordt het Nederlandse ambitieniveau op een verantwoorde wijze waargemaakt. Er is bovendien voldoende voortzettingsvermogen. Overigens kan bijvoorbeeld een jaar inzet van een afdeling veldartillerie worden gevolgd door de inzet van een gemechaniseerd bataljon. Het is niet mogelijk om zoveel eenheden te hebben dat één bepaald onderdeel jaren achtereen kan worden ingezet.

Ook de minister had kennis genomen van het door de heer Van Bommel bedoelde artikel over de heer De Wijk in de NRC, waarin de achtergronden van de norm van vier operaties aan de orde komen. Vastgesteld moet worden dat de heer De Wijk in zijn visie hierop geheel alleen staat. De discussie over het aan te houden ambitieniveau is zeer uitvoerig gevoerd, zowel binnen Defensie zelf als met de Kamer. De norm van vier operaties past uitstekend bij de rol die Nederland wenst te spelen; voorstellen om over te stappen op drie of vijf operaties zijn niet gedaan.

In de hoofdlijnennotitie worden mogelijkheden aangegeven om de inzet te verbeteren. In de eerste plaats zal een volledig bataljon, 800 man, extra paraat worden gemaakt, zulks ten koste van de mobilisabele sector. In de tweede plaats is de landmacht doende met een ingrijpende reorganisatie die tot een grotere flexibiliteit moet leiden, gericht op het inzetten van parate eenheden. De organisatie dient zodanig te zijn dat eenheden onder wisselende omstandigheden kunnen worden ingezet.

De minister was van oordeel dat «luchtmobiel» al goed inzetbaar is voor vredesoperaties; als voorbeeld kunnen de aflossingen voor SFOR worden genoemd. In verband met mogelijke vredesoperaties hoger in het geweldsspectrum, moet worden nagegaan of luchtmobiel en de mariniers met behulp van aanpassingen van trainingsschema's en aanwezige gemechaniseerde reserves, meer flexibel kunnen worden ingezet.

Wordt het Nederlandse ambitieniveau voldoende geacht tegen de achtergrond van de actuele Europese discussies over een grotere inbreng, burdensharing enz.? Kan een eventueel hoger ambitieniveau worden waargemaakt met het huidige budget? De minister-president heeft aangegeven dat het kabinet de discussie hierover niet bij voorbaat wil blokkeren. Ook na de recente ontwikkelingen mag worden geconcludeerd dat de hoofdlijnennotitie volledig past in het strategische concept voor de NAVO. In het proces dat tot dit concept heeft geleid, heeft Nederland optimaal geparticipeerd terwijl de hoofdlijnennotitie natuurlijk niet geheel is geschreven zonder enig zicht op de uitkomsten van dat proces. De secretaris-generaal van de NAVO heeft in München Nederland als voorbeeld genoemd aangezien Nederland met de hoofdlijnennotitie op de juiste manier heeft geanticipeerd op datgene wat werd beoogd met het strategisch concept voor de NAVO. Over de vertrouwelijke bijeenkomst op het Catshuis kunnen geen mededelingen worden gedaan, maar Saceur is een onderdeel van de NAVO; uitspraken van de secretaris-generaal worden ook namens Saceur gedaan.

De gebeurtenissen in het kader van de Kosovocrisis hebben aangetoond dat Nederland een buitengewoon professionele krijgsmacht heeft die zeer goed inpasbaar is in de gewenste operaties. Zeker in vergelijking met andere middelgrote landen heeft Nederland een zeer substantiële bijdrage geleverd. De luchtmacht is weliswaar zeer zwaar belast, maar dat mag onder dergelijke bijzondere omstandigheden ook van die organisatie worden verwacht. Inderdaad is alles uit de kast gehaald, maar de luchtmacht had de mensen en de middelen om deze inzet te realiseren.

De minister was bereid nog eens goed na te denken over het handhaven van het zesde F-16-squadron. De Kamer dient haar visie hierop echter goed te formuleren. Gaat het om het aantal vliegtuigen of om piloten, onderhoud enz.? Ook is de suggestie gedaan om vliegtuigen niet te verkopen maar op te slaan hetgeen de flexibiliteit zou vergroten. Geconcludeerd kan worden dat de Kosovoactie ook had kunnen worden uitgevoerd wanneer er een squadron minder zou zijn geweest. Op dit moment ligt het accent van de Kosovo-inspanningen op de inzet van de landmacht; het is niet uitgesloten dat zich over enige tijd weer een andere situatie voordoet, waarin het accent zeer zwaar op de marine ligt. Blijvend moet worden gestreefd naar een adequate krijgsmacht die voor zeer verschillende operaties kan worden ingezet.

Naar aanleiding van bezuinigingssuggesties onderstreepte de minister dat er geen gemakkelijke afwegingen meer zijn. De in dit verband genoemde mijnendienst, fregatten en MLD moeten worden beschouwd als essentiële schakels in het functioneren van de Nederlandse krijgsmacht. Daarmee is niet gezegd dat er in het geheel geen nadere afwegingen en keuzen kunnen worden gemaakt – dat zou niet passen bij de discussie over de hoofdlijnennotitie – maar na tien jaar bezuinigingen, reorganisaties en aanpassingen zijn er geen «free rides» meer zonder aanpassing van het ambitieniveau. Tegelijkertijd kan niet worden gezegd dat de grens in absolute zin is bereikt. Er zijn altijd politieke afwegingen mogelijk waarbij andere maatschappelijke belangen, zoals die van onderwijs en zorg, aan de orde komen. Het is echter van groot belang dat de op te stellen Defensienota een zeer brede politieke steun verkrijgt en ook echt wortelt in de samenleving zodat er consensus over en stabiliteit voor de krijgsmacht ontstaan. Tegen die achtergrond is het een goede zaak dat fracties eigen defensienotities hebben aangekondigd en dat reacties zijn verkregen van vakbeweging, kerken, universiteiten enz. Het is de Nederlandse samenleving die het ambitieniveau voor Defensie vaststelt en bepaalt welke middelen zij daarvoor overheeft. Bij deze werkwijze kan er uiteindelijk sprake zijn van een budget waarop een organisatie gedurende een langere periode kan bouwen. Dat is belangrijker dan een uitspraak van een minister wiens politieke leven beperkt is.

Het paraat stellen van bataljons ten koste van de mobilisabele component en het meer inzetten van reservisten dient te worden beschouwd tegen de achtergrond van de algemene verdedigingstaak van defensie. Het paraat stellen van 800 man extra, zoals aangegeven in de hoofdlijnennotitie, is bovendien tamelijk ambitieus gelet op de huidige krappe arbeidsmarkt. Het streven naar een andere leeftijdsopbouw van defensie leidt tot een nog forser beroep op die arbeidsmarkt. Deze praktische factoren zijn van belang voor het tempo waarin deze processen kunnen worden doorgevoerd.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken was van oordeel dat de analyses en oplossingsrichtingen, weergegeven in de hoofdlijnennotitie, beslist niet gedateerd zijn. Het type conflict dat zich met betrekking tot Kosovo heeft voorgedaan, en de interventies in de vorm van de luchtacties, KFOR en de civiel-militaire samenwerking, komen overeen met datgene wat daarover in de hoofdlijnennotitie is verwoord. Bovendien mag worden geconcludeerd dat het NAVO-strategisch concept in een zekere wisselwerking goed spoort met de hoofdlijnennotitie. Als nieuwe fundamentele veiligheidstaak is in dit concept crisispreventie en -beheersing opgenomen; deze accenten treft men ook in de hoofdlijnennotitie aan, inclusief analyses van de consequenties hiervan voor defensiemiddelen en -mogelijkheden.

Wat de Europese veiligheids- en defensie-identiteit betreft hoort men het niet plotseling in Keulen donderen. Dit proces is al tamelijk oud, heeft enige tijd gestagneerd en is als gevolg van het Verdrag van Amsterdam weer op gang gekomen. In het afgelopen najaar zijn er belangrijke politieke ontwikkelingen geweest waardoor blokkades, onder meer bij het Verenigd Koninkrijk, zijn opgeheven waarna in Keulen een duidelijk politiek standpunt kon worden ingenomen over de ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit. De gevolgen hiervan voor defensiemiddelen ensamenwerking en de operationele uitwerking zullen in de komende periode aan de orde komen; afgesproken is dat dit proces eind 2000 wordt afgerond. De WEU, nu functionerend als verbinding tussen EU en NAVO, zal deze rol verliezen.

In de toekomst zal het in globale zin om drie verschillende operatievormen gaan: NAVO-operaties met NAVO-middelen onder leiding van de NAVO; EU-geleide operaties met NAVO-middelen; EU-geleide operaties met door de EU aangewezen middelen. Van geval tot geval zal een analyse moeten worden gemaakt van het type conflict dat zich voordoet en de daaraan verbonden risico's, waarna een keuze uit deze drie vormen kan worden gemaakt. De voorkeur van de Nederlandse regering gaat uit naar hetzij NAVO-geleide, hetzij EU-geleide operaties met NAVO-middelen; voorkomen moet worden dat er dubbele hoofdkwartieren en commandostructuren ontstaan. Uiteraard zal de besluitvorming over deze zaken binnen de EU meer gewicht krijgen, zodat er van enige ondersteuning sprake zal moeten zijn. De middelen die nu voor de WEU beschikbaar worden gesteld, zullen logischerwijze naar de EU gaan.

De geschetste opzet voorziet in maximale flexibiliteit, ook in politieke zin, op het terrein van crisispreventie en -beheersing en in de relatie tussen de EU en de Verenigde Staten. Ook deze ontwikkelingen bevatten elementen waarmee wordt aangesloten bij de visie en de oplossingsrichtingen die in de hoofdlijnennotitie zijn aangegeven.

De staatssecretaris vond de gedachte om binnen de EU bij vredesoperaties – ook al doen niet alle landen daaraan mee – tot een vorm van burdensharing te komen, zinnig. Daarentegen lijken er geen mogelijkheden te zijn om defensie-investeringen te realiseren via het EU-budget. Daarmee zou het karakter van de defensiesamenwerking worden miskend.

In NAVO-verband is afgesproken dat de discussie over de atoomtaak na de top van Washington wordt gevoerd, waarbij elementen als «no first use» en negatieve veiligheidsgarantie aan de orde zullen komen. Overigens dient de atoomtaak van de F-16 niet uitsluitend met de militaire optiek te worden bekeken; er is ook sprake van een politieke doelstelling in de zin van het delen van de verantwoordelijkheid voor de nucleaire capaciteit van de NAVO.

De verantwoordelijkheidsverdeling in verband met civiel-militaire operaties is zeer gecompliceerd. In Kosovo gaat UNHCR over de vluchtelingen en speelt KFOR in het begin een belangrijke rol die echter geleidelijk zal worden overgenomen door internationale en Kosovaarse civiele organisaties. De bottomline is dat de Nederlandse militaire inzet hetzij onder directe politieke verantwoordelijkheid van de minister van Defensie valt, hetzij onderwerp is van de geëigende geïntegreerde militaire structuren.

De vraag of de interservice-eenheid een primaire verantwoordelijkheid is voor Defensie of voor Buitenlandse Zaken zal op overtuigende wijze worden beantwoord in de Defensienota. In verband met de vraag over de criteria voor interventies zij verwezen naar het antwoord op schriftelijke vraag nr. 25.

De staatssecretaris van Defensie vond dat terecht veel aandacht aan het defensiepersoneelsbeleid was gegeven. Van belang is dat de verschillende elementen van dit beleid, zoals werving, scholing, vorming, personeelsstructuur, FLO enz., niet afzonderlijk maar in samenhang worden bezien. Voor het wegnemen van knelpunten en het doorvoeren van modernisering is 100 mln. beschikbaar gesteld. Uiteraard moeten veel onderdelen nog worden uitgewerkt. De strategische toekomstdiscussie wordt niet alleen buiten de deur maar ook intern gevoerd met het personeel van alle krijgsmachtdelen. De resultaten daarvan worden bij de uitwerking betrokken.

Over het onderwerp werving volgt binnenkort een algemeen overleg, zodat daarop nu niet behoeft te worden ingegaan. Wél moet nu het bericht als zou het Kosovoconflict een groot verloop bij eerstejaarskadetten hebben veroorzaakt, worden tegengesproken. Er is na de eerste militaire opleidingsfase een relatief niet onrustbarend groot verloop opgetreden, vóór er überhaupt sprake was van een ingrijpen in Kosovo. Slechts één kadet is weggegaan met als motief de mogelijke inzet bij vredesoperaties.

Terecht is door de heer Zijlstra gesteld dat voor inzetbare eenheden gekozen dient te worden voor de categorie 18 tot 30 jaar. Daarmee is de noodzaak van het verjongingsproces aangegeven, vooral ook gelet op de uitzendbaarheid en de frequentie van uitzendingen. Daarnaast moet aandacht worden gegeven aan de arbeidsmarktpositie van degenen die op een gegeven moment de krijgsmacht verlaten. In dat verband zullen voldoende opleidings-, scholings- en vormingsmogelijkheden moeten worden aangeboden. Het heeft weinig zin, hiervoor versnipperd steeds een halve dag beschikbaar te stellen. Beter is het om in de eerste contractperiode hiervoor een bepaalde periode in te ruimen. Op de vraag of dit aan het einde of ergens in het midden van die periode dient te gebeuren, wordt nog gestudeerd. In elk geval moeten mensen met behulp van additionele opleidingen een kans krijgen om na hun periode bij defensie een goede start op de arbeidsmarkt te maken. Overigens moeten ook degenen die bij de krijgsmacht blijven goede opleidingsmogelijkheden hebben.

Wat de uitzendfrequentie betreft is gekozen voor het accentmodel dat voorziet in een voorbereidingsperiode van zes maanden, uitzending gedurende zes maanden en recuperatie gedurende zes maanden, hetgeen leidt tot de verhouding 1:2. Wanneer meer tijd beschikbaar wordt gesteld voor voorbereiding en recuperatie, zijn voor dezelfde taakuitoefening meer mensen nodig, hetgeen leidt tot een hogere kostenniveau en andere problemen. Steeds wordt gestreefd naar een goede balans tussen uitzenden en thuiszijn, maar de problemen nemen toe nu mensen toekomen aan de «corebusiness» die nu eenmaal essentieel is voor de krijgsmacht. Meer in het algemeen wordt de verhouding 1:2 in acht genomen, maar hier en daar zijn er specialismen waarvoor een hogere frequentie geldt.

Waar in het kader van de in de hoofdlijnennotitie aangegeven reorganisatie en accentverlegging overtollig personeel ontstaat, is het de intentie van Defensie om op een sociale wijze te handelen. Zo snel mogelijk zal worden nagegaan waar die overtolligheid in welke omvang zal optreden, mede om onrust zoveel weg te nemen. Getracht zal worden om gedwongen ontslagen te voorkomen, maar niet kan worden gegarandeerd dat dit tot en met de laatste persoon zal lukken.

Met betrekking tot de zorg voor het personeel voorafgaande aan, tijdens en na uitzendingen zijn in de afgelopen periode bijzonder veel aanpassingen doorgevoerd. Thans zijn in Kosovo alle mogelijke begeleidingsdeskundigen actief, terwijl veel aandacht wordt gegeven aan de werk-, milieu- en gezondheidsomstandigheden. De nazorg wordt daadwerkelijk georganiseerd. Bij terugkomst is er een debriefing, na twee maanden volgt een gesprek en na negen maanden ontvangen degenen die zijn vertrokken een brief. Wanneer daarop niet adequaat wordt gereageerd, wordt er weer contact opgenomen. Bij dit alles wordt niet alleen naar de psychische aspecten gekeken, maar ook naar de fysieke.

De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,

Valk

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Boer

De griffier van de vaste commissie voor Defensie,

De Lange


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van den Berg (SGP), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Valk (PvdA), voorzitter, Hessing (VVD), ondervoorzitter, Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Stellingwerf (RPF), Essers (VVD), Verhagen (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Van 't Riet (D66), Van den Doel (VVD), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Niederer (VVD), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Oplaat (VVD), Albayrak (PvdA), Balemans (VVD) en Herrebrugh (PvdA).

Plv. leden: Dittrich (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Arib (PvdA), Leers (CDA), Van Oven (PvdA), Weisglas (VVD), Eurlings (CDA), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Passtoors (VVD), Van der Hoeven (CDA), Vendrik (GroenLinks), Lambrechts (D66), Blaauw (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), E. Meijer (VVD), Dijksma (PvdA), Marijnissen (SP), Voorhoeve (VVD), Van Gijzel (PvdA), Wilders (VVD) en Duivesteijn (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Apostolou (PvdA), Van Gijzel (PvdA), Voorhoeve (VVD), Hillen (CDA), Valk (PvdA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), M.B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Van der Knaap (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA) en Wilders (VVD).

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Bolkestein (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Belinfante (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Patijn (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Zijlstra (PvdA), Eurlings (CDA), Cherribi (VVD), De Haan (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van Bommel (SP), Harrewijn (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Remak (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Van den Akker (CDA), Leers (CDA), Vendrik (GroenLinks), Feenstra (PvdA) en Balemans (VVD).

Naar boven