26 382
Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000

nr. 2
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 13 april 1999

De vaste commissie voor Defensie1 heeft over de Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000 (26 382, nr. 1) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd.

Deze vragen, alsmede de daarop gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Valk

De griffier van de commissie,

De Lange

Opmerking vooraf van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken en van de staatssecretaris van Defensie:

Hoewel waar nodig in de beantwoording van de schriftelijke vragen is verwezen naar het conflict rond Kosovo, kunnen de eventuele gevolgen hiervan voor de op te stellen Defensienota pas over enige tijd worden vastgesteld. Te zijner tijd zullen wij hierop terugkomen.

1

De krijgsmacht zal bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal verband optreden. Ze levert «modulen» die worden ingepast in een groter geheel. Op pag. 17 blijkt dat de maximale omvang van zo'n module een bataljon zal zijn of een equivalent daarvan, zoals een heel squadron jachtvliegtuigen of 2 fregatten. Wat is de praktijk tot nu toe? Is er ooit een heel squadron ingepast in een internationale missie, of 2 fregatten? (pag. 2)

De omvang van een «module» wordt onder meer bepaald door de aard en de omvang van de operatie waaraan Nederland bijdraagt. Bij waarnemingsmissies of bij gespecialiseerde missies zoals voor mijnenruiming zal het in de regel gaan om een beperkt aantal militairen. Bij grotere vredebewarende of vredeafdwingende operaties worden organieke gevechtseenheden ingezet. Aan de Unprofor- en de Ifor/Sfor-operaties werd en wordt deelgenomen met een eenheden van bataljonsgrootte. Ook bij de omvangrijke VN-operatie in Cambodja (1994-'96) was dat het geval. Aan de missies op Haïti (1992-'93) en nu op Cyprus (Unficyp) werd en wordt op compagniesniveau deelgenomen.

Tijdens de Golfcrisis van 1990-'91 werden twee fregatten uitgezonden ten behoeve van de operatie Phalanx in de Perzische Golf. Van 1993 tot 1996 namen twee fregatten deel aan de operatie «Sharp Guard» in Adriatische Zee. Van 1993 tot 1996 nam een squadron F-16's deel aan de operatie's in verband met de situatie in het voormalige Joegoslavië. Bijna een heel squadron (16 van de 18 vliegtuigen) is aan de Navo ter beschikking gesteld voor luchtaanvallen tegen Servië.

Zie ook het antwoord op vraag 97.

2

Blijkens het gestelde in de Hoofdlijnennotitie zal de Nederlandse krijgsmacht bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal verband optreden. Geldt dit ook ten aanzien van de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba? Met welke militaire dreigingen en diffuse veiligheidsrisico's moet men aldaar rekening houden? (pag. 2)

Krachtens het Statuut voor het Koninkrijk is de handhaving van de onafhankelijkheid en de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba een aangelegenheid van het Koninkrijk. Deze verdediging is in vredestijd opgedragen aan de Koninklijke marine. De Nederlandse Antillen en Aruba leveren hieraan zelf ook een bijdrage. Overigens is thans geen sprake van een bedreiging van de onafhankelijkheid van de Nederlandse Antillen en Aruba.

De geloofwaardigheid van deze verdedigingstaak berust mede op het manifeste voornemen om, mochten de buitenlands politieke en militaire verhoudingen verslechteren, versterkingen van zee-, land- of luchtstrijdkrachten uit Nederland aan te voeren. Het ligt in de rede dat de krijgsmacht ook in een dergelijke situatie in internationaal verband zou optreden.

De defensie-inspanningen in de West zijn er ook op gericht een bijdrage te leveren aan de strijd tegen de grensoverschrijdende illegale handel in drugs en de georganiseerde criminaliteit. Daartoe levert de Koninklijke marine een belangrijke bijdrage aan de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Daarnaast fungeert de Commandant der Zeemacht in het Caraïbisch gebied als taakgroepcommandant onder de Amerikaanse commandant van de «Joint Inter Agency Task Force», die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de bestrijding van de drugshandel in die regio.

3

Bij het paraat houden van 15 medische teams is op creatieve wijze samenwerking gezocht met burgerziekenhuizen. Is dit een werkwijze die ook bij andere ondersteunende activiteiten toe te passen is, zoals bij transport en logistiek, catering en dergelijke? (pag. 3)

De samenwerking met burgerziekenhuizen is tot stand gekomen op grond van een grotere behoefte aan onmiddellijk inzetbaar geneeskundig personeel bij uitzendingen voor vredebewarende en vrede-afdwingende operaties. Ter oplossing van dit specifieke probleem worden chirurgische teams bovenformatief ondergebracht in vijftien ziekenhuizen. Een dergelijke constructie is niet zondermeer toepasbaar en niet noodzakelijk voor andere ondersteunende activiteiten. Wel wordt in dit verband gewezen op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar uitbesteding van ondersteunende diensten bij Defensie (zie Hoofdlijnennotitie, blz. 46). In dit onderzoek worden de bewaking en beveiliging, het transport en het hoger onderhoud bezien. Het onderzoek beoogt het ontwikkelen van criteria voor het uitbesteden van ondersteunende diensten. Dit IBO wordt onder leiding van het ministerie van Financiën uitgevoerd. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan.

4, 141, 142, 169, 200 en 237

Wat zijn de strategische argumenten om precies twee standaard-fregatten uit de vaart te nemen, een squadron F16-jachtvliegtuigen op te heffen en het aantal Orions terug te brengen van 13 naar 10? (pag. 3)

Het aantal fregatten van de Koninklijke marine wordt teruggebracht van zestien naar veertien. Kan dit aantal onderbouwd worden en welke taken worden niet meer vervuld door het afstoten van twee fregatten? (pag. 23)

Waarom wordt het aantal patrouillevliegtuigen van de MLD niet terug gebracht naar zeven in plaats van tien? (pag. 23)

Kan worden aangegeven waarom, ondanks de in de Hoofdlijnennotitie aangegeven «sterk verminderde dreiging» van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakte schepen, en de in verhouding tot de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke landmacht bescheiden bijdrage van de marine aan vredesoperaties, de hoeveelheid fregatten met slechts twee wordt verminderd? (pag. 24 e.v.)

Voor het afschaffen van een squadron F-16 gevechtsvliegtuigen wordt (pag. 30) het argument gehanteerd van het verdwijnen van de acute dreiging van een massale aanval tegen het grondgebied van de NAVO. Vervolgens wordt echter vastgesteld dat juist deze vliegtuigen voldoen aan de nieuwe eisen van snelle inzetbaatheid, flexibiliteit en mobiliteit. Hoe verhouden deze twee opmerkingen zich tot elkaar?

Kan de regering aangeven welke missies niet meer kunnen worden uitgevoerd door het afstoten van fregatten, jachtvliegtuigen en Orions? Welke gevolgen heeft dit voor het voortzettingsvermogen tijdens crisisbeheersingsoperaties? (pag. 45)

De afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-grondgebied rechtvaardigt de keuze voor vermindering van het aantal middelen dat voor een dergelijke aanval door het bondgenootschap beschikbaar wordt gehouden. Deze keuze is ook gebaseerd op de overtuiging dat de oorlogsdreiging het best kan worden bestreden door tijdig te reageren op spanningen in de periferie van het Navo-grondgebied. Dat vereist onder andere meer direct inzetbare grondtroepen en een grotere strategische transportcapaciteit. Daarnaast zijn er investeringen nodig op specifieke gebieden, zoals de verdediging tegen ballistische raketten, die meer dan in het verleden een bedreiging vormen voor de Nederlandse uitgezonden eenheden. Met de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde reducties wordt financiële ruimte gevonden voor dit nieuwe beleid en voldoende flexibiliteit in stand gehouden om aan de taken in bondgenootschappelijk verband een geloofwaardige bijdrage te kunnen leveren.

De intrinsieke eigenschappen van het F-16 gevechtsvliegtuig – in het bijzonder de snelle inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit – maken dit wapensysteem geschikt voor inzet in zowel grootschalige conflicten als in crisisbeheersings-operaties, zoals de praktijk duidelijk heeft aangetoond. Daarom zal de beschikbaarheid van drie squadrons F-16 voor crisisbeheersingsoperaties worden gecontinueerd. Om deze inzet te garanderen is een bredere basis qua beschikbare middelen nodig; zie tevens antwoord op vraag 187. Met de nu voorgestelde vermindering is het voortzettingsvermogen nog verzekerd.

Ook voor de Koninklijke marine zijn de reducties zo gekozen dat de huidige inzetopties uitvoerbaar blijven. Wel zal met minder middelen het activiteitenniveau moeten afnemen. Dat kan bij langdurige vredes-, crisisbeheersings- of humanitaire operaties consequenties hebben voor de huidige vaste verplichtingen, zoals de inzet van fregatten in de permanente Navo-eskaders, de presentie met een fregat en maritieme patrouillevliegtuigen in het Caraïbisch gebied en stationering van een Orion op Keflavik. In voorkomend geval zal een prioriteitenafweging worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 153.

5

Schat de regering de veiligheidsrisico's van de verspreiding van wapens voor massavernietiging vooral in termen van terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied in, of in bedreiging van het grondgebied van de NAVO (lidstaten)? (pag. 3)

Gelet op het aantal landen dat zich reeds vele jaren bezighoudt met de ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens is kans op inzet van deze wapens door reguliere strijdkrachten op dit moment groter dan het risico van terroristisch gebruik. De kans op terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied is momenteel klein. Toch dient met beide verschijningsvormen rekening te worden gehouden gezien de proliferatie van zowel massavernietigingswapens als de technologische kennis dergelijke wapens in te zetten.

Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat Nederlandse troepen tijdens uitzending worden geconfronteerd met inzet van massavernietigingswapens. Een adequate bescherming tegen deze wapens is dan ook geboden.

6

Welke politieke drukmiddelen zijn beschikbaar om Noord Korea tot verantwoord gedrag te bewegen op het punt van export van raketsystemen en massavernietigingswapens? (pag. 3)

Het Noord-Koreaanse regime is moeilijk te benaderen en nog moeilijker te beïnvloeden, zelfs door landen die diplomatieke relaties onderhouden met dit land. Het belangrijkste drukmiddel is de «Korean Energy Development Organization» (Kedo), waaraan ook de Europese Unie bijdraagt. De Kedo is opgericht als uitvloeisel van het «Agreed Framework» dat de Verenigde Staten en Noord-Korea in 1994 hebben afgesloten. Noord-Korea zegde toe een aantal verdachte nucleaire activiteiten te staken. De Kedo stelt gratis ruwe olie beschikbaar aan Noord-Korea, ter compensatie van de elektriciteit die niet langer kan worden geleverd door de verdachte kerncentrale. Voorts zullen twee licht-watercentrales worden gebouwd, waarvan geen proliferatie-risico uitgaat.

De Kedo heeft de mogelijkheden van Noord-Korea op het gebied van nucleaire proliferatie verminderd, hoewel een aantal onzekerheden blijft bestaan. Het welslagen van de Kedo heeft onder druk gestaan vanwege de lancering van een Taepo Dong raket door Noord-Korea in 1998 en de onduidelijke status van een, wellicht nucleair, ondergronds complex bij Kumchangri. Op grond van deze lancering schortte Japan de betalingen aan de Kedo op. Het Amerikaanse Congres insisteerde, onder dreiging van opzegging van de steun aan de Kedo, op inspecties van genoemd complex. Op 15 maart jl. bereikten de Verenigde Staten en Noord-Korea overeenstemming over inspecties.

Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de export van Noord-Koreaanse rakettechnologie te voorkomen. De Verenigde Staten pogen door een combinatie van sancties en beloningen tot nadere afspraken te komen. Noord-Korea ziet de export van rakettechnologie als een belangrijke bron van buitenlandse valuta's. Een complicerende factor is dat er geen internationale verdragen bestaan die de ontwikkeling van ballistische raketten verbieden. Wel bestaat een samenwerkingsverband, het «Missile Technology Control Regime», tussen landen die over relevante technologieën beschikken om de export daarvan naar proliferanten te voorkomen. Noord-Korea is daarbij niet aangesloten en het is onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn zal gebeuren.

Op langere termijn biedt slechts een internationale dialoog de mogelijkheid het zelf gekozen isolement van Noord-Korea te doorbreken. Vorig jaar heeft de EU-Troika op ambtelijk niveau besprekingen gevoerd in Noord-Korea. Hierbij zijn onder meer de zorgen op non-proliferatiegebied naar voren gebracht, tot dusver zonder resultaat.

7, 8, 9 en 235

Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 150 Leopard-2 tanks oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? (pag. 3)

Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 2 S-fregatten oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? (pag. 3)

Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van een squadron F-16's oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? In hoeverre is de uitgesproken verwachting realistisch, gezien de eerdere moeilijkheden om F-16 te verkopen? (pag. 3)

De verkoop van «overtollig» materieel leidt tot een inboeking van 600 miljoen. Hoe reëel is dit bedrag? (pag. 45)

De inkomsten uit de verkoop van het in de Hoofdlijnennotitie overtollig gestelde materieel zijn in totaal geraamd op ruim f 600 miljoen. Dit bedrag is gebaseerd op de ervaring met gerealiseerde verkoopopbrengsten in de afgelopen jaren. Binnenkort zal het desbetreffende materieel worden aangeboden aan de regeringen van daarvoor in aanmerking komende landen, rekening houdend met de restricties van het wapenexportbeleid. Dit zal gebeuren onder het voorbehoud van parlementaire goedkeuring van de besluiten die in de Defensienota zullen worden opgenomen. Zie ook het antwoord op vraag 232.

10 en 196

Kan worden aangegeven binnen welke termijn de studie om de LCF-fregatten te voorzien van een capaciteit voor een «Theatre Missile Defence» zal worden afgerond? (pag. 3)

Er vindt onderzoek plaats naar de uitrusting van de LFC-fregatten van de Koninklijke marine voor de verdediging tegen ballistische raketten (aanpassing APAR-radar). Wanneer wordt hiertoe besloten, om welke kosten gaat het en hoe verloopt de samenwerking met Duitsland en de Verenigde Staten? Zijn nog andere landen geïnteresseerd in deelname? (pag. 29)

De eerste fase van de studie over de TMD-capaciteit van de LCF-fregatten, waaraan ook Duitsland deelnam, is afgerond. Hieruit is gebleken dat het in beginsel mogelijk is de systemen van de LCF-fregatten zo aan te passen dat deze schepen over TMD-capaciteit kunnen beschikken. De hiermee gemoeide kosten zijn afhankelijk van de samenwerkingsmogelijkheden met Duitsland en de Verenigde Staten. Vooralsnog is in de plannen f 300 miljoen gereserveerd.

Momenteel wordt met Duitsland onderhandeld over een gezamenlijke uitvoering van de vervolgfase van de studie, waarin – samen met de Verenigde Staten – de resultaten van de eerste fase gevalideerd moeten worden; de validatie zal drie jaar in beslag nemen. Definitieve besluitvorming is pas mogelijk als de tweede fase van de studie afgerond is. De studie richt zich vooralsnog op de specifieke systemen die alleen zijn voorzien voor de Duitse en Nederlandse schepen, zodat aan de studie geen andere landen kunnen deelnemen.

11

Op welke wijze krijgt de detectie van biologische wapens meer aandacht? (pag. 3)

TNO ontwikkelt in samenwerking met de TU Delft een prototype van een detectiesysteem gebaseerd op fysische principes.

Nederland neemt deel aan Europese projecten op het gebied van detectie en identificatie van biologische agentia en van pathogene micro-organismen. De resultaten hiervan zijn over enkele jaren te verwachten.

De huidige en toekomstige onderzoeksinspanningen worden samengebracht in een integraal onderzoeksprogramma op het gebied van passieve verdediging tegen NBC-strijdmiddelen. Hiermee wordt bundeling van de (schaarse) nationale expertises, inbedding in internationaal verband en, vooral op biologisch gebied, intensivering nagestreefd. Landen waarmee zal worden samengewerkt zijn met name Canada, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

12

Waarom wordt de waarschuwingstijd (10–15 jaar) voor de opbouw van de krijgsmacht tot een grotere omvang steeds gebaseerd op een eventuele Russische dreiging? Worden andere bedreigingen die zulks kunnen vereisen uitgesloten? Zo ja, waarop is dat dan gebaseerd? (pag. 6)

Tijdens de Koude Oorlog was er sprake van een zeer sterk bewapende vijand en van verstarde politieke en militaire verhoudingen. Deze situatie is sinds het begin van de jaren negentig ingrijpend veranderd. De verdeling van Europa in twee blokken met de daarbij behorende ideologische tegenstellingen is verdwenen en het militair potentieel is sterk verminderd. In deze situatie is er geen directe dreiging van een grootschalige aanval meer tegen het bondgenootschappelijke grondgebied en is de politieke waarschuwingstijd voor een dergelijk scenario aanzienlijk langer geworden. De militaire voorbereidingstijd zal waarschijnlijk korter zijn. Rusland is meest nabije grote mogendheid in Europa; andere dreigingen worden overigens geenszins uitgesloten.

13

Wat wordt bedoeld met: «De krijgsmacht verschaft zekerheid tegen niet te voorziene risico's...»? Niet te voorziene risico's zijn immers risico's die niet bekend zijn; hoe kan de Krijgsmacht er dan op anticiperen? Verschaft de Krijgsmacht ook zekerheid tegen minder grote, maar wel reële risico's zoals een massale aanval op NAVO-gebied? (pag. 6)

Juist tegen niet voorziene, dus onbekende, veiligheidsrisico's is een flexibel inzetbare capaciteit nodig, die een «verzekering» is tegen inbreuken op onze veiligheid of de Nederlandse belangen. Zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, beschikt de krijgsmacht over de capaciteit om desgewenst voldoende strijdkrachten te genereren voor het bondgenootschappelijk verdedigingspotentieel in geval van een groot conflict.

14

Welke in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde investeringen kunnen worden gebruikt voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid?

De in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde nieuwe investeringen zijn deels investeringen die voortvloeien uit de aangekondigde operationele maatregelen zoals de uitbreiding van het mariniersbestand en de genie. Gelet op de uitbreiding van de parate capaciteit zullen ook aanvullende investeringen nodig zijn voor infrastructuur. Voorts zijn nieuwe materieel-investeringen voorzien voor helikopters voor onder meer medische evacuatie, een tweede amfibisch transportschip en extra investeringen voor een maritieme TMD-capaciteit. Met uitzondering van de TMD-capaciteit worden alle nieuwe investeringen in meerdere of mindere mate gebruikt voor alle hoofdtaken van het defensiebeleid. De TMD-capaciteit zal geen directe bijdrage leveren aan de ondersteuning en hulpverlening door de krijgsmacht. Afzonderlijke investeringsprojecten zullen steeds worden getoetst aan de op blz. 7 van de Hoofdlijnennotitie genoemde taken.

15

Welke middelen voor verdediging tegen een massale aanval zijn niet bruikbaar voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid, en welke wel? Hoe is bij het schrijven van de Hoofdlijnennotitie rekening gehouden met het feit dat het nieuwe Strategische Concept van de NAVO nog niet vastgesteld is? (pag. 7)

De Nederlandse krijgsmacht heeft geen specifieke middelen die alleen bruikbaar zijn voor verdediging tegen een massale aanval. Alle middelen zijn in min of meerdere mate bruikbaar voor zowel de eerste als de tweede hoofdtaak (zie het antwoord op vraag 14). Een deel van de middelen en vrijwel al het personeel kan tevens worden ingezet voor de derde hoofdtaak. Daarbij is in het licht van de analyse van de internationale veiligheidssituatie bewust gekozen voor fregatten, maritieme patrouillevliegtuigen, mobilisabele tanks en jachtvliegtuigen. Hoewel deze middelen allemaal bruikbaar zijn voor de bondgenootschappelijke verdediging én crisisbeheersingstaken, kan de beschikbare hoeveelheid van deze middelen worden aangepast vanwege de afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-verdragsgebied. Zie ook het antwoord op vraag 4.

De herziening van het Strategische Concept van de Navo is reeds eind 1997 begonnen. In de voorbereidingen heeft Nederland een duidelijk herkenbare positie ingenomen, onder meer ten aanzien van de taakstelling van de Navo; ook is een indruk ontstaan van de standpunten van de bondgenoten. Het nieuwe Strategische Concept zal eerst tijdens de Top van de Navo te Washington, eind april 1999, worden vastgesteld. Bij de opstelling van de Defensienota zullen de daarin op te nemen maatregelen worden getoetst aan het Strategische Concept.

16

Op welke wijze worden de inspanningen van de bondgenoten beter op elkaar afgestemd? (pag. 7)

De defensie-inspanningen van de bondgenoten worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd door middel van het Navo-defensieplanningsproces. Als uitgangspunt voor de defensieplanning dient het Strategische Concept. Dit bevat een algemene uiteenzetting van de doelstellingen en de middelen van het bondgenootschap. De ministers van Defensie geven om de twee jaar meer gedetailleerde richtlijnen in de «Ministerial guidance». Op grond hiervan worden de «force goals» vastgesteld, de specifieke doelstellingen voor de strijdkrachten van de lidstaten. Deze doelstellingen worden vertaald in concrete voorstellen, de «force proposals». Jaarlijks wordt overlegd om te bezien of de defensieplannen van de landen sporen met de afgesproken doelstellingen. Dan maken de landen bekend in hoeverre ze de voorgestelde «force proposals» kunnen accepteren en uitvoeren.

Naast dit planningsproces is ook sprake van multilaterale en bilaterale samenwerking, operationeel en bij de ontwikkeling van defensiematerieel.

17 en 19

De taken van de Krijgsmacht in de toekomst spitsen zich toe op de verdediging van eigen en bondgenootschappelijk gebied, bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde en de handhaving van de nationale rechtsorde inclusief ondersteuning van de civiele overheden. Is er een prioriteitstelling in taken aan te geven in het geval er beroep wordt gedaan op dezelfde middelen op hetzelfde tijdstip? (pag. 7)

De regering formuleert drie taken voor de krijgsmacht (algemene verdediging, crisisbeheersing en civiele taken). Is de regering het eens met de constatering dat de krijgsmacht primair een instrument is waarmee de staat op grootschalige wijze geweld kan toepassen? Zo ja, is dan de civiele taak geen afgeleide taak? (pag. 7)

Als er sprake mocht zijn van een directe bedreiging van het eigen of bondgenootschappelijke grondgebied, zal aan de verdediging daarvan op dat moment de hoogste prioriteit worden gegeven. Naarmate een dergelijke bedreiging minder actueel is, zullen de Nederlandse eenheden meer elders kunnen worden ingezet voor andere vredebewarende en vrede-afdwingende taken, danwel kunnen worden ingezet voor civiele taken.

De krijgsmacht ontleent haar legitimiteit aan het feit dat zij als enige institutie in opdracht van de regering in staat is tot het toepassen van beheerst en zonodig grootschalig geweld. Om deze taak te kunnen uitvoeren beschikt zij over een scala van capaciteiten. Deze reeds in de krijgsmacht aanwezige capaciteiten kunnen ook in het kader van civiele taken worden ingezet.

18

Is er een tegenspraak tussen de beperkte, militaire dreiging en de verdediging tegen een veelheid van veiligheidsrisico's die diffuus van aard zijn? (pag. 7)

Neen, beide zijn elementen van de beschrijving van de huidige veiligheidssituatie. De directe militaire dreiging is sinds het einde van de Koude Oorlog sterk verminderd. De krijgsmacht moet daarnaast berekend zijn op de op blz. 11 en 12 van de Hoofdlijnennotitie beschreven, meer diffuse, veiligheidsrisico's.

19

De regering formuleert drie taken voor de krijgsmacht (algemene verdediging, crisisbeheersing en civiele taken). Is de regering het eens met de constatering dat de krijgsmacht primair een instrument is waarmee de staat op grootschalige wijze geweld kan toepassen? Zo ja, is dan de civiele taak geen afgeleide taak? (pag. 7)

Zie antwoord op vraag 17.

20, 174, 175, 180 en 181

In de Hoofdlijnennotitie wordt de keuze voor een geheel parate krijgsmacht niet gemaakt; waarom niet? (pag. 7)

Welke rol spelen mobilisabele eenheden in het Duits-Nederlandse legerkorps? Wat zou een verdere verkleining van de mobilisabele reserve voor die samenwerking hebben? (pag. 25)

Is het Duits-Nederlandse legerkorps voldoende toegesneden op de verschuiving naar vredesoperaties en crisisbeheersing of is het vooral een samenwerkingsverband geënt op de meer traditionele gebiedsverdediging? (pag. 25)

Kan de regering de conclusie dat niet alle mobilisabele eenheden gemist kunnen worden nader omschrijven? (pag. 25)

Zijn er mogelijkheden mobilisabele eenheden geheel paraat, dan wel inzetbaar voor crisisbeheersingsoperaties te maken? (pag. 25)

Wat betreft de omvang van de mobilisabele component is bij de reducties op grond van de Defensienota 1991 en de Prioriteitennota (1993) besloten vast te houden aan het legerkorpsniveau. Het legerkorps is de belangrijkste eenheid in de organisatie van de Navo-strijdkrachten. Nederland beschikte in het begin van de jaren negentig zelf over een legerkorps; de verkleining van de Koninklijke landmacht leidde tot de vorming van een legerkorps samen met Duitsland. Beide landen nemen daarin deel met een volledige divisie en een deel van de legerkorpstroepen. Een deel van zowel de Duitse als de Nederlandse eenheden is mobilisabel. Zo wordt op een kosteneffectieve wijze aan de Navo-verplichtingen voldaan.

Door de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde verkleining (de opheffing van drie tankbataljons) van het mobilisabele bestand bestaat de divisie nog uit drie gemechaniseerde brigades van elk drie bataljons. Op basis van algemene Navo-richtlijnen voor de omvang en structuur van de eenheden dient een divisie te beschikken over drie tot zes brigades en een brigade over drie tot vijf manoeuvrebataljons. Nederland bevindt zich daarom nog binnen de grens van wat operationeel noodzakelijk wordt geacht, maar bij een verdere inkrimping is geen sprake meer van een volwaardige inbreng in het binationale legerkorps (zie ook het antwoord op vraag 190). Zo'n besluit zou haaks staan op het beleid gericht op internationale samenwerking. Naast de taak in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging zijn het hoofdkwartier en de eenheden van het Duits-Nederlandse legerkorps beschikbaar voor de Weu. Nu van de vroegere terughoudendheid van Duitsland op het gebied van deelneming aan vredesoperaties geen sprake meer is, ligt ook op dit terrein meer samenwerking in de rede, zoals dat nu al het geval is met het Verenigd Koninkrijk.

In de Hoofdlijnennotitie is een verschuiving aangekondigd van de mobilisabele naar de parate component. Wat betreft de personele vullingsmogelijkheden lijkt met de huidige uitbreiding van de parate component het maximaal haalbare bereikt. Zie ook het antwoord op vraag 111.

21 en 96

Volgens de Grondwet is er een krijgsmacht «tot bescherming van de belangen van de Staat». De basis voor de Britse «Strategic Defence Review» vormde een gezamenlijke evaluatie door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie van de nationale belangen, afspraken en verantwoordelijkheden en een beoordeling van de risico's en uitdagingen in de komende decennia. Hiermee is voor het SDR-proces het algemeen beleidskader («Policy Framework») geschapen waarin de algemene rol van Defensie ter ondersteuning van het Britse buitenlandse- en veiligheidsbeleid is uiteengezet. In de uitgangspunten van de Hoofdlijnennotitie ontbreekt een definiëring van Nederlandse belangen etc. en doelstellingen op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid. Kan de regering deze alsnog verstrekken? (pag. 7)

In de Hoofdlijnennotitie blijven de nationale politieke en economische belangen in het Golfgebied onbenoemd. Kan de regering ingaan op deze belangen, alsmede op de gevolgen van een onverhoopte aantasting daarvan? Hoe afhankelijk is Nederland bijvoorbeeld van de olie-aanvoer uit het Perzische Golfgebied?

In de beschrijving van de taken van de krijgsmacht op blz. 7 en 17 van de Hoofdlijnennotitie wordt verwezen naar de Nederlandse belangen en doelstellingen op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid. Ook in het in 1995 verschenen Toetsingskader voor de uitzending van militaire eenheden gelden de Nederlandse belangen als een belangrijke toetssteen voor deelneming aan internationale operaties. In de Defensienota zal nader worden ingegaan op deze problematiek.

Sinds de jaren zeventig is de herkomst van de Nederlandse energievoorziening aanzienlijk gediversificeerd. Dit neemt niet weg dat de Golfregio met zeventig procent van de bewezen oliereserves en haar zeer omvangrijke gasreserves een gebied van groot strategisch belang is. Dit wordt mede bepaald door de strategische ligging ervan en door de gevolgen die instabiliteit in deze regio heeft voor Europa.

22, 23 en 24

Wat is de relatie van landen in conflict zoals opgesomd op pag. 7 tot de Nederlandse Defensie-inspanning, die is gebaseerd op de 4–3 formule? Waarom deelname aan vier missies en niet meer of minder? Is er een rangorde, in de zin dat het ene conflict voor Nederland bedreigender is dan het andere? (pag. 7)

In de Hoofdlijnennotitie is sprake van drie type taken: 1. verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk gebied, 2. bescherming internationale rechtsorde, 3. handhaving nationale rechtsorde en ondersteuning (nationaal en internationaal) bij rampenbestrijding en vredesopbouw. De afbakening tussen crisisbeheersing, vredesoperaties en steun bij vredesopbouw is onduidelijk. Bij de bescherming van de internationale rechtsorde ligt de specifieke nadruk op de bevordering van veilige en stabiele verhoudingen in de periferie van het NAVO-verdragsgebied. Is hier sprake van een onderliggende accentverschuiving, waarbij enige robuustheid slechts aan de dag gelegd wordt in de periferie van het NAVO-verdragsgebied (het bestrijden van «schurkenstaten»)? Van vredesoperaties elders met enige omvang en slagkracht om vrede te bewaren of af te dwingen lijkt geen sprake meer. Slechts hand- en spandiensten voor vredesopbouw blijven dan over. Klopt dit beeld? Zo neen, kan dan wat preciezer aangegeven worden wat de reikwijdte van de diverse begrippen is? (pag. 7)

Is de uitwerking van de veiligheidsanalyse naar veiligheidsbeleid niet te eenzijdig gericht op Europa en in het bijzonder het NAVO-verdragsgebied? Wat vragen ontwikkelingen in Afrika en Azië van de Internationale Gemeenschap? Zijn er verdere ontwikkelingen te verwachten bij de Verenigde Naties ten aanzien van vredesoperaties, of blijft het bij de UNSAS? (pag. 7)

De opsomming van de veiligheidsrisico's op blz 10 t/m 12 van de Hoofdlijnennotitie leidt tot de conclusie dat de nieuwe veiligheidssituatie een breed en actief veiligheidsbeleid vereist. Naast politieke, economische en financiële middelen kan de regering daartoe ook militaire middelen inzetten. De vaststelling van het ambitieniveau van vier gelijktijdig uit te voeren operaties weerspiegelt de inspanning die Nederland kan en wil leveren. Het geeft uitdrukking aan de verantwoordelijkheid die ons land neemt bij de handhaving van de internationale rechtsorde en bescherming van de mensenrechten. Genoemd ambitieniveau is vastgelegd in het Regeerakkoord van 1998.

Het in onderlinge samenhang toepassen van alle genoemde middelen richt zich vooral ook op de veiligheidsrisico's in de periferie van het Navo-verdragsgebied. Daardoor kan de inzet van massale middelen ter verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied worden voorkomen. Juist omdat op voorhand niet kan worden aangegeven welk conflict het meest bedreigend is, dient de krijgsmacht over voldoende flexibiliteit te beschikken om deel te kunnen nemen aan een groot aantal verschillende inzetopties. Uitgezonden eenheden kunnen altijd worden geconfronteerd met militaire gevechtshandelingen en dienen dan ook voldoende uitgerust en bewapend te zijn. Noch in de huidige operaties, noch in toekomstige zal de bijdrage van Nederlandse eenheden zijn beperkt tot de ondersteuning van vredesopbouw.

Zie ook het antwoord op vraag 82.

25, 74, 75 en 76

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesproken over de noodzaak van een «toereikende internationaal-rechtelijke grondslag voor internationale operaties buiten het NAVO-gebied». Wat verstaat de regering onder «toereikend»? Bedoelt de regering hiermee expliciet de VN Veiligheidsraad? (pag. 7)

In de notitie wordt gesteld dat de grondslag voor de inzet van NAVO-middelen ter handhaving van de internationale rechtsorde bij voorkeur een mandaat van de VN of de OVSE dient te zijn. Welke andere mandaten komen hiervoor nog meer in aanmerking? Kan geconcludeerd worden dat een expliciete resolutie van de VN Veiligheidsraad geen absolute voorwaarde is voor het inzetten van Nederlandse militairen in het kader van een NAVO-inzet buiten het NAVO-grondgebied? Wat is de minimale «internationaalrechtelijke» grondslag die voor zo'n beschikbaarstelling noodzakelijk wordt geacht? Wat zijn de criteria voor een dergelijke grondslag? (pag. 14)

Op welke wijze zal de nieuwe kerntaak van de NAVO (crisisbeheersing en vredesoperaties) internationaal-rechterlijk moeten worden gemandateerd waar het niet gaat om artikel 5 NAVO-verdrag operaties? (pag. 14)

Op welke wijze wordt door onder andere Nederland getracht het primaat van de VN-Veiligheidsraad te behouden met betrekking tot de internationaalrechtelijke mandatering van militaire operaties? (pag. 14)

Volgens het volkenrecht is militair optreden buiten het Navo-gebied in drie gevallen toegestaan:

– in geval van zelfverdediging, inclusief de verdediging van bondgenoten (artikel 51 van het VN-Handvest);

– op grond van een mandaat van de Veiligheidsraad (hoofdstuk VII van het Handvest);

– op verzoek van de wettige regering van het land op wiens grondgebied de operatie plaatsvindt. In dit geval is een mandaat van de Veiligheidsraad (hoofdstuk VI van het Handvest) of een verzoek van de OVSE wenselijk, maar juridisch niet strikt noodzakelijk.

Het algemeen aanvaarde volkenrecht heeft echter geen goed antwoord op de vraag wat dient te gebeuren als onaanvaardbaar menselijk lijden dreigt, terwijl de regering van het desbetreffende land niet langer functioneert of juist schuldig is aan dit lijden en de Veiligheidsraad het niet eens wordt over een mandaat voor militair ingrijpen.

Het feit dat de Veiligheidsraad in sommige situaties niet in staat is zijn verantwoordeljkheid te nemen, mag de internationale gemeenschap niet verplichten tot werkeloos toezien. Naar het oordeel van de regering kan daarom onder extreme omstandigheden in een zich ontwikkelend volkenrecht een voldoende internationaalrechtelijke grondslag bestaan voor humanitaire interventie. Daarbij dient te worden onderstreept dat het beginsel van humanitaire interventie een uitzondering vormt op de regel; een uitzondering waarvan niet lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat het beginsel van humanitaire interventie ook worden gebruikt door staten ter rechtvaardiging van andersoortige militaire interventies.

26

Waarop is de verwachting gebaseerd dat met name de verspreiding van massavernietigingswapens zich in de komende decennia mogelijk zal ontwikkelen tot een bedreiging van de internationale veiligheidssituatie? Sinds welk moment of welke gebeurtenis of ontwikkeling speelt deze overweging een belangrijke rol in het denken over de inrichting van de Nederlandse krijgsmacht? (pag. 7)

Er zijn onmiskenbaar aanwijzingen dat een aantal landen programma's heeft voor de ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen. Tegen deze achtergrond besloot de Navo-top van 1994 deze problematiek grotere prioriteit te geven. In dit verband wordt ook verwezen naar de veiligheidsanalyse die als bijlage werd gevoegd bij de Memorie van Toelichting op de begroting 1996 en de in mei 1998 aan de Kamer gezonden notitie over de proliferatie van massavernietigingswapens.

27 en 28

Als Nederland steeds in internationaal verband zal optreden, zoals in de inleiding wordt gesteld, en de krijgsmacht «modules» levert voor het «grotere geheel», hoe waarborgt de regering dan de functie van de Nederlandse krijgsmacht in de verdediging van het eigen grondgebied? (pag. 7)

Leiden verdere specialisatie en afstemming met NAVO-partners tot een krijgsmacht die steeds minder in staat zal zijn zelfstandig te opereren? Hoe verhoudt een dergelijke ontwikkeling zich tot de kerntaak van de Nederlandse krijgsmacht om de nationale integriteit te waarborgen? (pag. 7)

Een aanval op het Nederlandse grondgebied wordt gezien als een aanval op het Navo-verdragsgebied, zoals vastgelegd in artikel 5 van het Navo-verdrag. Door de inbedding van de Nederlandse krijgsmacht in internationaal verband worden de beste waarborgen geschapen voor de bescherming van de nationale integriteit. Dit betekent echter wel dat de krijgsmacht minder in staat is zelfstandig te opereren en dat er sprake is van een verminderde nationale invloed.

29, 30, 31, 40 en 41

Een belangrijk richtsnoer voor de noodzakelijke koersverandering als aangekondigd in de Hoofdlijnennotitie is het Strategisch Concept van de NAVO dat in april 1999 zal verschijnen. Voorts wordt in deze notitie aangekondigd dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) nog een beoordeling zal moeten geven omtrent de internationale veiligheidssituatie en de gevolgen die dit mogelijk zal hebben voor het Nederlandse veiligheidsbeleid. Tenslotte zal een maatschappelijk debat over de toekomst van de krijgsmacht eveneens bovengenoemde koersverlegging dienen. Kan de regering aangeven wat dan precies de status van deze notitie is? Hoe waarschijnlijk acht de regering het dat nog dit jaar het personeel bij elkaar moet worden geroepen om hen te vertellen dat het toch weer anders moet? (pag. 7 en 8)

Is de adviesaanvraag aan de AIV niet mosterd na de maaltijd als de hoofdlijnen van het Defensiebeleid al zo zijn ingekleurd? Of kunnen er nog majeure wijzigingen in worden aangebracht? (pag. 8)

Mag uit het gestelde op pag. 8 de conclusie getrokken worden dat de AIV in het geheel niet gekend is in de totstandkoming van de Hoofdlijnennotitie?

Overwogen is om de toekomst van de krijgsmacht te presenteren in de vorm van scenario's of alternatieven. Het verdient de voorkeur, aldus de regering, in het licht van de toekomstige discussies zèlf een duidelijke richting aan te geven. Is de regering het ermee eens dat hiermee de nog te voeren discussie aan belang inboet, vooral ook gezien het feit dat de financiële uitkomst reeds vastligt en de Bevelhebbers hun onderlinge onderhandelingen reeds hebben afgerond? (pag. 9)

«De Hoofdlijnennotitie is ook de bijdrage van de regering aan de STD...» Wordt hiermee bedoeld dat de notitie zelf ook een discussiestuk is en de inhoud daarvan door de uitkomsten van de STD gewijzigd kan worden (m.a.w. is de uitkomst van de STD committerend) of is de STD slechts bedoeld om de gedachtenvorming omtrent de Defensienota 2000 op gang te brengen? (pag. 9, 47–48)

De Hoofdlijnennotitie verwoordt het standpunt van de regering inzake de toekomst van de krijgsmacht. De Hoofdlijnennotitie bevat een voorlopige analyse in kort bestek van de internationale veiligheidssituatie, waarbij onder andere ook gebruik is gemaakt van de «Strategic Defence Review» in het Verenigd Koninkrijk. Alvorens de internationale verhoudingen uitvoeriger te beschrijven en te beoordelen hecht de regering er zeer aan de opvattingen daarover van de AIV te vernemen. De AIV is gevraagd om een beoordeling van de internationale veiligheidssituatie en de gevolgen daarvan voor het Nederlandse defensiebeleid. De AIV zal zijn advies in de loop van mei uitbrengen. Dit advies kan wel degelijk van invloed zijn op de maatregelen die in de Defensienota worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor het nieuwe Strategische Concept van de Navo en de resultaten van de strategische toekomstdiscussie defensie (STD). De STD is in volle gang. In de besluitvorming over de Defensienota 2000 bestaat vanzelfsprekend ruimte voor de verwerking van opvattingen en ideeën die in het kader van de STD naar voren worden gebracht.

32

Welke maatregelen zullen er getroffen worden indien er met de vakorganisaties geen overeenstemming bereikt kan worden over de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden? (pag. 8)

Over maatregelen betreffende de arbeidsvoorwaarden moet met de vakorganisaties overeenstemming worden bereikt. Er wordt onderhandeld over een totaalpakket van positieve en minder aangename maatregelen. In het vrijwel ondenkbare geval dat daarover uiteindelijk geen overeenstemming wordt bereikt, blijven de arbeidsvoorwaarden ongewijzigd.

33

Bij de opsomming in de Hoofdlijnennotitie van de veiligheidsrisico's wordt niet genoemd het toenemende risico van information (of cyber) warfare. Kan de regering hiervan alsnog een omschrijving geven, alsmede een overzicht van het nationaal beleid in deze en van de rol die Defensie vervult bij de bescherming tegen dit soort veiligheidsrisico's? (pag. 8)

De grote belangen van een goede informatievoorziening en het toenemend gebruik van informatietechnologie leiden ertoe dat de samenleving en dus ook Defensie kwetsbaarder wordt. Tegelijkertijd biedt de informatietechnologie nieuwe operationele mogelijkheden. Onder de noemer «information operations» (Info Ops) doet de Navo onderzoek op dit terrein. Bovendien doen de Duitse en Nederlandse krijgsmachten in samenwerking met het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en het Duitse onderzoeksinstituut IABG een verkennend onderzoek op genoemd gebied. Deze studie is te beschouwen als een bijdrage aan de ontwikkeling van nationaal beleid terzake.

34

In de Hoofdlijnennotitie wordt een stap in de richting van een «expeditionaire» krijgsmacht gezet. Is de regering van mening dat de voorgestelde stappen ver genoeg gaan? Dient het tweede ATS niet de capaciteit van helikoptercarrier te krijgen? Dient niet meer aandacht te worden gegeven aan gemakkelijk te transporteren vuurkracht? (pag. 8)

Het tweede transportschip zal, evenals Hr.Ms. Rotterdam, in staat zijn een aantal helikopters mee te voeren. Helikoptercarriers vervoeren naast de helikopters zelf ook commando- en logistieke elementen die voor grootschalige helicopteroperaties benodigd zijn. De configuratie van het tweede schip is nog onderwerp van studie. Daarbij wordt de nodige aandacht besteed aan het transporteren van vuurkracht. Een voorbeeld hiervan is de mogelijkheid tot het transport over zee van tanks, helikopters, vuurmonden, pantservoertuigen en Patriotsystemen.

35 en 56

In hoeverre wijkt de analyse van de veiligheidssituatie af van die zoals die geformuleerd is in de Prioriteitennota? (pag. 8)

Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in de Prioriteitenota en in deze notitie samen met de nieuwe beleidsvoornemens die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden?

De Hoofdlijnennotitie bouwt voort op een aantal ontwikkelingen die ook in de Prioriteitennota zijn beschreven. Een belangrijk voorbeeld is de constatering in de Prioriteitennota dat de defensie-inspanning meer gericht zal moeten zijn op crisisbeheersingstaken. De Hoofdlijnennotitie geeft hieraan een vervolg. Nieuwe ontwikkelingen in de Hoofdlijnennotitie zijn de rol die de Navo speelt in de periferie van het verdragsgebied, de verdere verslechtering van de situatie in het voormalige Joegoslavië, de aanpassingen in de Navo-doctrine, de aandacht voor de Europese veiligheidsen defensie-identiteit en de grotere nadruk op de risico's van de verspreiding van massavernietigingswapens.

36, 44, 56 en 132

Er is niet gekozen voor presentatie van meerdere scenario's of alternatieven, maar voor één bepaald scenario. Kan de regering aangeven welke andere scenario's in de discussie ter voorbereiding van de Hoofdlijnennotitie een rol hebben gespeeld? (pag. 8)

Kan de regering verduidelijken hoe zij de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de maatregelen ziet? (pag. 10)

Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in de Prioriteitennota en in deze notitie samen met de nieuwe beleidsvoornemens die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden? (pag. 10–12)

Hoe is meer precies de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de verschuiving naar meer in internationaal verband snel, flexibel en mobiel optreden ten koste van de middelen voor landsverdediging enerzijds en de gepresenteerde keuzen voor middelen en de omvang daarvan anderzijds? Passen het strategische verhaal en de uitwerking van middelen wel goed op elkaar? Is er niet teveel toegeschreven naar de bestaande situatie? (pag. 21)

De regering heeft op grond van een analyse van de internationale veiligheidssituatie de taken en het «ambitie-niveau» voor de krijgsmacht bepaald. Vervolgens is bezien welke middelen daarvoor nodig zijn. Hoewel de plannen dienen te passen in de budgettaire afspraken in het Regeerakkoord, zijn de in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde aanpassingen in het licht van de analyse van de de internationale veiligheidssituatie veel ingrijpender dan wanneer de regering zich had beperkt tot invulling van de financiële taakstelling.

De regering heeft er de voorkeur aan gegeven de toekomst van de krijgsmacht niet te presenteren in de vorm van scenario's of alternatieven. Daardoor zou de inzet van de regering te vrijblijvend zijn geweest. De Kamer dient de inzet van de regering te kennen. Ook heeft meegewogen dat de discussie over de Nederlandse krijgsmacht niet in abstracto wordt gevoerd, maar dat rekening dient te worden gehouden met de structuur van de huidige krijgsmacht. Tenslotte is het gewenst personeelsleden van Defensie zo veel mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de toekomst van de organisatie waarin zij werkzaam zijn.

37

In de notitie wordt gesteld dat het ministerie er rekening mee houdt dat er steeds meer militairen flexibel en op korte termijn klaar moeten zijn voor internationale operaties. Gezien de ervaring uit het verleden met het verwerken van trauma's door uitgezonden militairen, hoe denkt de regering te voorzien in de groter wordende behoefte aan psychologische begeleiding of nazorg? (pag. 8)

Defensie zorgt voor een goede begeleiding van militairen vóór, tijdens en na de uitzending. In de Nazorgbrief van 31 oktober 1996 (Kamerstukken 25 000 X, nr. 18) en de Veteranenbrief van 17 april 1998 (Kamerstukken 21 490, nr. 21) is uiteengezet dat de toegenomen behoefte aan begeleiding en nazorg wordt onderkend en tevens op welke wijze Defensie aan die behoefte tegemoet komt.

Overigens wordt door een intensief preventief zorgbeleid getracht de behoefte aan nazorg zo gering mogelijk te houden. Waar mogelijk wordt de behoefte aan nazorg actief opgespoord; dan kunnen behandelingen eerder beginnen en in het algemeen korter en effectiever zijn. De verplichte terugkeergesprekken en readaptatieprogramma's, alsmede de vragenlijsten die de krijgsmachtdelen enkele maanden na terugkeer aan de uitgezonden militairen toezenden zijn voorbeelden van die actieve benadering. Overigens zal, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de «Begeleidingscommissie Gezondheidsonderzoek Unprofor» naar aanleiding van het zogenoemde Lukavac-onderzoek (bij brief van 26 februari 1999, nr. P/99 001 368 aangeboden aan de Kamer) de medische nazorg zodanig worden ingericht dat eerder een mogelijk patroon in gelijksoortige klachten kan worden onderkend.

38, 39, 108, 146, 148 en 150

Aan welke mogelijkheden van taakverdeling wordt gedacht? (pag. 8, tweede alinea)

In de notitie wordt taakspecialisatie op internationaal niveau aantrekkelijk genoemd in het licht van de internationale oriëntatie van onze krijgsmacht. Is dit het enige argument vóór taakspecialisatie (in de notitie staan meer argumenten tégen) of kan de regering er meer geven? Welke mogelijkheden ziet de Nederlandse regering voor taakspecialisatie? (pag. 8, 22–23)

Binnen de NAVO kan een grotere samenwerking tussen de Europese bondgenoten ontstaan. Nu al is er sprake van samenwerking tussen landen. In hoeverre kan men nu al spreken over taakspecialisatie tussen landen? Als militaire bijdragen (pag. 15) aan multinationale verbanden kunnen worden gezien als modules die goed inpasbaar moeten zijn in een groter geheel, is er dan al niet een proces gaande in Europa dat in de richting van taakspecialisatie gaat? Hoe moet in dit licht de conclusie (pag. 23) worden gezien dat eenzijdige stappen het internationale overleg over taakspecialisatie schaden? (pag. 17)

Waarop baseert de regering de stelling dat eenzijdige taakafstoting de reputatie van de krijgsmacht zou schaden en acht zij om die reden taakafstoting onwenselijk? (pag. 23)

Wat is er tegen eenzijdige taakspecialisatie? Er van uitgaand dat Nederland alleen geen rol kan spelen, noch in de landsverdediging noch bij internationale operaties, zou toch gekozen kunnen worden voor de ontwikkeling van enkele sterke taken, onder afstoting van andere? Bepaalde modulen kan Nederland dan prima leveren, andere niet. Dit kan de internationale discussie over taakspecialisatie toch juist stimuleren, in plaats van schaden? (pag. 23)

Waarom dient beëindiging van taken in beginsel gepaard te gaan met intensivering van andere activiteiten? Er kan toch ook besloten worden dat bepaalde taken niet meer nodig zijn? (pag. 23)

Internationale militaire samenwerking levert mogelijkheden om de doelmatigheid van de defensie-inspanning door onderlinge afstemming te vergroten. Voorbeelden daarvan zijn taakverdeling en taakspecialisatie en «modulaire» bijdragen aan vredesoperaties. Wat Nederland betreft hangt dit samen met het uitgangspunt dat de krijgsmacht altijd in enigerlei internationaal verband zal optreden. De Nederlandse krijgsmacht hoeft daarom niet in staat te zijn tot elke denkbare militaire activiteit, maar moet wel bijdragen van uiteenlopende aard kunnen leveren.

Feitelijk is er in het bondgenootschap sprake van taakverdeling. Het defensieplanningsproces van de Navo biedt landen de mogelijkheid zich sterker te richten op bepaalde taken en andere taken aan andere landen over te laten. De komende jaren zal systematisch moeten worden onderzocht hoe onderlinge afstemming van de taakuitvoering de doelmatigheid kan vergroten. Dat kan in de Navo als geheel, maar ook in het kader van de versterking van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit.

Zie het antwoord op vraag 136.

40 en 41

Overwogen is om de toekomst van de krijgsmacht te presenteren in de vorm van scenario's of alternatieven. Het verdient de voorkeur, aldus de regering, in het licht van de toekomstige discussies zèlf een duidelijke richting aan te geven. Is de regering het ermee eens dat hiermee de nog te voeren discussie aan belang inboet, vooral ook gezien het feit dat de financiële uitkomst reeds vastligt en de Bevelhebbers hun onderlinge onderhandelingen reeds hebben afgerond? (pag. 9)

«De Hoofdlijnennotitie is ook de bijdrage van de regering aan de STD...» Wordt hiermee bedoeld dat de notitie zelf ook een discussiestuk is en de inhoud daarvan door de uitkomsten van de STD gewijzigd kan worden (m.a.w. is de uitkomst van de STD committerend) of is de STD slechts bedoeld om de gedachtenvorming omtrent de Defensienota 2000 op gang te brengen? (pag. 9, 47–48)

Zie het antwoord op vraag 29.

42

Op welke wijze kunnen de regionale problemen in de Kaukasus veiligheidsconsequenties hebben voor de NAVO-landen die tot de inzet van militaire middelen door het bondgenootschap zouden kunnen leiden? (pag. 10)

Regionale conflicten in de Kaukasus zouden tot inzet van militaire middelen van het bondgenootschap kunnen leiden, indien de Navo-landen om bijstand wordt verzocht om toe te zien op een vredesregeling of als zich onverhoopt vanuit dit gebied een rechtstreekse militaire dreiging tegen het verdragsgebied van de Navo zou voordoen.

43

Kan de regering een antwoord formuleren op de problemen in de Kaukasus, Moldavië en Georgië? Is hier naar het oordeel van de regering onder meer een rol voor de OVSE weggelegd? (pag. 10)

De internationale gemeenschap is actief betrokken bij het zoeken naar oplossingen voor de problemen in de Kaukasus, Moldavië en Georgië. Ook de OVSE speelt hierbij een rol met missies in Georgië en Moldavië, een Assistentiegroep voor Tsjetsjenië, de Minsk conferentie voor het conflict rond Nagorno-Karabach en een «High Level Planning Group» op het OVSE-secretariaat voor de planning voor een eventuele vredesmacht voor Nagorno-Karabach. De OVSE Raad van Ministers heeft tijdens zijn bijeenkomst in Oslo, op 2 en 3 december 1998, besluiten genomen over Georgië en Moldavië. Deze besluiten beogen een oplossing van de conflicten in Abchazië en Zuid-Ossetië en van de kwestie Transdnjestrië dichterbij te brengen. Zie hierover ook de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 1998 over genoemde OVSE-vergadering.

44

Kan de regering verduidelijken hoe zij de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de maatregelen ziet? (pag. 10)

Zie het antwoord op vraag 36.

45

Is de regering van mening dat het gevaar van Rusland niet zozeer gelegen is in herbewapening maar in een ineenstorting van de federatie en het ontstaan van «failed states»? Welke gevolgen kan een dergelijke ontwikkeling hebben voor de veiligheid van Nederland? (pag. 10)

De instabiliteit van de Russische Federatie vormt een niet te veronachtzamen risico. Dat zou nog aanzienlijk groter worden in het geval de Russische Federatie ineen zou storten en plaats maken voor een aantal «failed states». Maar het is moeilijk te voorspellen of dat inderdaad zal gebeuren. Zou zo'n ineenstorting zich voordoen, dan kan dat ingrijpende gevolgen hebben op een groot aantal terreinen, zoals de risico's van onderlinge conflicten en een mogelijk gebrek aan centrale controle op kernwapens.

46

Wat betekent de toetreding van drie nieuwe lidstaten tot de NAVO voor de verdeling van de taken binnen het bondgenootschap? Is er bij die nieuwe lidstaten sprake van een zekere specialisatie, ook in verband met de kosten? (pag. 10)

De toetreding tot de Navo van de drie nieuwe lidstaten leidt niet tot een specifieke taakverdeling binnen het bondgenootschap. De nieuwe lidstaten hebben de afgelopen jaren deelgenomen aan programma's om hun krijgsmacht interoperabel te maken met die van de bondgenoten. Mede om financiële redenen lag daarbij het zwaartepunt op communicatie en informatie-systemen en de inpassing van deze landen in de geïntegreerde luchtverdediging.

Via het systeem van «force goals» zullen de strijdkrachten van de toegetreden landen in de komende jaren steeds dieper worden geïntegreerd in de Navo-structuren. Zie ook het antwoord op vraag 16.

47

Hoe realistisch is de nucleaire afschrikking van Rusland nog? (pag. 10)

Rusland bezit nog steeds een aanzienlijk nucleair strategisch afschrikkingsvermogen. Voor dat doel beschikbare kernwapens en inzetmiddelen worden onderhouden en gemoderniseerd. Daarnaast beschikt de Russische federatie ook over een groot aantal tactische kernwapens. De lopende en nader overeen te komen reducties van (strategische) kernwapens (Start-akkoorden) en de financiële problemen in Rusland zullen ongetwijfeld leiden tot verkleining van het Russische kernwapenarsenaal. Ook in de toekomst zal de Russische Federatie echter een belangrijke nucleaire mogendheid blijven.

48

In de notitie wordt gesteld dat «een aanzienlijke betrokkenheid in deze regio (Balkan) nog jarenlang nodig zal blijven». Hoe lang schat de regering in dat Nederlandse troepen nog aanwezig zullen moeten blijven in Bosnië, Macedonië, Cyprus en wellicht Kosovo? (pag. 10)

De praktijk met betrekking tot het Dayton-akkoord heeft geleerd dat het creëren van een duurzame vrede veel tijd vergt. Daarnaast bestaat in veel gevallen het risico van een «spill-over» van een bepaald conflict naar buurlanden, zoals is gebleken uit de gebeurtenissen rond Kosovo. Het is te vroeg om conclusies te trekken over de vorm en de tijdsduur van de Nederlandse militaire betrokkenheid bij dit conflict.

Over de betrokkenheid van de internationale gemeenschap bij de ontwikkelingen in Bosnië dient te worden aangetekend dat deze meer en meer uitgaat van een «end-state» en minder van een «end-date». Het wantrouwen tussen de diverse etnische groepen blijft vaak lang bestaan. De regering acht het dan ook niet zinvol in dit verband een tijdstip te noemen. Dit houdt overigens niet in dat er geen zorgvuldige afweging zou worden gemaakt van onze betrokkenheid. De Navo evalueert elke zes maanden de voortgang van Sfor en beziet in dat verband of reducties in de troepensterkte mogelijk zijn.

De Nederlandse participatie in het Britse VN-contingent op Cyprus is toegezegd voor een periode van drie jaar.

49

Betekent de jarenlange aanwezigheid in de Balkan dat deze inzet beslag legt op de capaciteit om gelijktijdig aan vier internationale missies deel te nemen? (pag. 10)

De betrokkenheid van Nederland bij crisisbeheersingsoperaties op de Balkan legt beslag op een deel van de capaciteit om gelijktijdig aan vier internationale missies deel te nemen. Daarnaast wordt ook nog bijgedragen aan crisisbeheersings-operaties elders in de wereld, zoals op Cyprus in het Midden-Oosten en in de Perzische Golf. Voorts is in beginsel deelname aan een eventuele VN-operatie in de Westelijke Sahara in de plannen opgenomen. De krijgsmachtdelen beschikken tezamen over voldoende parate capaciteit om aan vier internationale missies op het niveau van een bataljon of het equivalent daarvan deel te nemen.

50 en 51

Hoe verhoudt de stelling in de Hoofdlijnennotitie dat buitenlandse troepen nog jarenlang in Bosnië zullen blijven zich met het toetsingskader voor internationale missies dat stelt dat een duidelijke einddatum moet zijn afgesproken? (pag. 10)

Betekent de stelling over de nog jarenlange betrokkenheid van troepen in Bosnië dat de regering overweegt het toetsingskader in deze te wijzigen? Zo ja, in welke zin dan en wanneer verwacht de regering hierover een voorstel te doen? (pag. 10)

In het in 1995 aan de Kamer gezonden Toetsingskader wordt gesteld dat iedere toezegging tot deelneming aan internationale militaire operaties een termijn dient te bevatten. De duur van de operatie in Bosnië is niet aan een einddatum gebonden, maar aan een te bereiken eindstadium. Wel vormen stapsgewijze reducties van de troepensterkte en aanpassingen van de samenstelling ervan een belangrijk element van de overgangsstrategie. In verband hiermee zal de Navo regelmatig – in beginsel elk half jaar – de voortgang van het vredesproces bespreken en beoordelen of tussentijdse aanpassingen in de omvang of zelfs – op termijn – beëindiging mogelijk zijn. Over alle aanpassingen wordt de Kamer geïnformeerd en wordt met de Kamer overleg gevoerd. Overigens bevat het Toetsingskader geen lijst van strikte voorwaarden waaraan bij deelneming aan internationale operaties moet zijn voldaan. Het Toetsingskader is een overzicht van de aandachtspunten die in de besluitvorming moeten worden meegewogen, zowel voorafgaand aan een operatie als bij veranderingen in de randvoorwaarden gedurende een operatie. Zie ook het antwoord op vraag 79.

52

In hoeverre is volgens de regering de veiligheidssituatie sinds de totstandkoming van de Prioriteitennota verbeterd? (pag. 10)

Zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, hebben de betrekkingen met de Russische Federatie zich relatief gunstig ontwikkeld. Met andere Oost-Europese landen wordt nauw samengewerkt. Ook de relaties tussen Oost-Europese landen hebben zich gunstig ontwikkeld. Polen, Hongarije en Tsjechië zijn lid geworden van de Navo. Enkele andere positieve ontwikkelingen zijn de totstandkoming van het Chemisch Wapenverdrag en de «Comprehensive Test Ban Treaty».

De gebeurtenissen in en om Kosovo tonen echter aan hoe instabiel de politieke en militaire verhoudingen in de periferie van het Navo-verdragsgebied kunnen zijn.

53

Kan een overzicht worden gegeven van het nucleaire arsenaal waarover de Russische krijgsmacht momenteel beschikt? Kan worden aangegeven in hoeverre de TOPOL-M operationeel is? Is de invoering van deze nieuwe raketten te beschouwen als een vervanging van oudere kernwapens? (pag. 10)

De Russische strijdkrachten beschikken over ongeveer 7000 strategische en ongeveer 10 000 tactische kernwapens. Het aantal inzetmiddelen (strategische raketten en vliegtuigen) voor strategische kernwapens is onder de 1500 gedaald (in 1990 waren dit er nog 2500).

Sinds eind 1998 is een eerste TOPOL-M regiment operationeel. De hiertoe behorende raketten vervangen oudere kernwapens.

54

Welke concrete aanwijzingen zijn er dat nucleaire technologie en nucleair materiaal vanuit Rusland naar andere landen is uitgevoerd? Om welke landen gaat het? (pag. 10)

De Russische Federatie heeft in de afgelopen jaren nucleaire kennis en middelen overgedragen aan enkele andere landen, vooral aan Iran en in mindere mate India. Een deel van deze exporten heeft een civiel karakter en wordt gebruikt bij de bouw of afbouw van bijvoorbeeld kerncentrales. Daarnaast worden componenten geleverd voor nucleair onderzoek bij universiteiten. Deze exporten worden aangemeld bij het internationale atoombureau (IAEA) en staan dus buiten verdenking. Dat kan niet in alle gevallen worden gezegd van de levering van «dual-use» onderdelen waarvan in veel gevallen niet duidelijk is waar en waarvoor ze worden gebruikt. Dat een aanzienlijk deel van deze onderdelen in het parallelle (militaire) Iraanse nucleaire programma terechtkomt, staat vast. De Russische autoriteiten zijn tot op heden niet bij machte gebleken voldoende vat te krijgen op deze situatie. Ook tussen Rusland en India bestaat een jarenlange intensieve nucleaire samenwerking. Niettemin heeft India nagenoeg geheel zelfstandig zijn militaire nucleaire capaciteit ontwikkeld en opgebouwd. Wel heeft Rusland in het verleden indirect bijgedragen aan de opbouw van dit vermogen door bepaalde «dual-use» onderdelen te leveren.

55

Welk deel van Azerbajdzjan valt feitelijk buiten het gezag van de centrale regering? Wie voert het feitelijk gezag over dit gebied? (pag. 10)

Ongeveer twintig procent van het grondgebied valt buiten het gezag van de centrale regering van Azerbajdzjan. Het betreft vooral Nagorno-Karabach en het gebied tussen Nagorno-Karabach en de Armeense grens. Die gebieden vallen onder het gezag van de provisionele regering van Nagorno-Karabach.

56

Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in de Prioriteitennota en in deze notitie samen met de nieuwe beleidsvoornemens die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden? (pag. 10–12)

Zie het antwoord op vraag 36.

57

Welke concrete aanwijzingen zijn er dat Noord-Korea zich lijkt toe te leggen op de export van raketsystemen? Welke systemen worden naar welke landen uitgevoerd? (pag. 11)

Noord-Korea heeft in het verleden verbeterde Scud-raketten geleverd aan onder andere Iran en Syrië. Een aantal potentiële kopers in het Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft ook belangstelling voor de meer recente No Dong raket, met een bereik van ongeveer 1000 kilometer. Onder druk van met name de Verenigde Staten is tot op heden afgezien van werkelijke export van deze raket.

58

Wat kan de rol zijn van de internationale gemeenschap bij conflicten binnen staten, zoals burgeroorlogen en genocide? Welk militair optreden kan hierbij aan de orde zijn? Onder welke politieke conditie? (pag. 11)

Optreden van de internationale gemeenschap in burgeroorlogen en in geval van genocide kan verschillende vormen aannemen: internationale veroordeling, boycot, sancties en, in het uiterste geval gewapend ingrijpen. Militair optreden moet zijn gericht op het bereiken van een politieke oplossing.

59

Hoe reëel is de dreiging van ballistische raketten met NBC-wapens? Moet er rekening gehouden worden met een massale aanvalsoorlog? Of met meer losstaande (terroristische of wraak-) acties? Wat betekent dit voor de omvang en de dichtheid van verdedigingssystemen? Is er een op alles berekend verdedigingsschema denkbaar? Of vraagt de aard van de dreiging veeleer om vroegtijdig inzetbare, op de bron gerichte strategieën en middelen? (pag. 11)

De omvang van de NBC-dreiging wordt beschreven in de notitie «De proliferatie van nucleaire, biologische en chemische wapens en de Nederlandse krijgsmacht» die in mei 1998 aan de Kamer werd gezonden (Zie Kamerstuk 26 051, nr.1). De landen die een offensieve NBC-capaciteit bezitten, beschikken ook over ballistische raketten waarmee deze wapens kunnen worden ingezet. Door deze proliferatie van massavernietigingswapens en de militair-technologische kennis om ze in te zetten, neemt het risico toe dat dit soort wapens wordt gebruikt om (politieke) doelstellingen na te streven. Door het toenemende bereik van overbrengingsmiddelen komt op termijn een steeds groter deel van het bondgenootschap binnen het bereik van dergelijke wapens.

Bij inzet van dit soort wapens moet voorlopig rekening worden gehouden met een selectieve inzet. De Navo streeft vooralsnog naar de beschikbaarheid van een mobiel in te zetten, lokaal gebiedsdekkende verdedigingscapaciteit. Een op alles berekend verdedigingsysteem is, zo in de toekomst al technisch mogelijk, financieel onhaalbaar.

Een geoptimaliseerd raketverdedigingsssysteem bestaat uit meerdere lagen. Ook de voorwaartse verdediging in de vorm van vroegtijdig, op de bron gerichte middelen maakt daar deel van uit.

60, 94 en 114

Hoe denkt de regering in te spelen op de risico's van terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied? (pag. 11)

De regering constateert dat er nieuwe veiligheidsrisico's zijn, zoals terrorisme en de bedreiging van massavernietigingswapens en raketten. Hier wordt slechts het middel van TMD tegenover gesteld, Op welke wijze denkt de regering de overige dreigingen teniet te doen? (pag. 15)

Welke veranderingen zijn nodig om beter te kunnen optreden tegen terroristische acties? Hoe ligt hierbij de taakverdeling tussen politie en krijgsmacht? Is er een samenwerking en/of een dubbeling van structuren en middelen? (pag. 17)

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in Nederland. In bijzondere gevallen kunnen eenheden van de Koninklijke marechaussee bijstand verlenen aan de regionale politiekorpsen. Ook andere onderdelen van de krijgsmacht kunnen bijstand verlenen, indien door de Koninklijke marechaussee niet in de bijstandsbehoefte kan worden voorzien.

In geval van ernstige (terroristische) misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden kunnen door de minister van Justitie bijzondere bijstandseenheden worden ingezet. Naast de bijzondere bijstandseenheid van de politie (BBE-P) kan ook worden beschikt over de bijzondere bijstandseenheden van Defensie. De bijzondere bijstandseenheden van politie en Defensie oefenen intensief met elkaar. Voorts hebben de ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie, op basis van de Politiewet, een samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven gesloten.

Zie ook de antwoorden op de vragen 62 en 83.

61

Welke inhoud heeft de dialoog tussen de NAVO en de Middelandse zee-landen? (pag. 11)

De mediterrane dialoog van de Navo heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de veiligheid en de stabiliteit in het gebied rond de Middellandse Zee, meer wederzijds begrip te creëren en eventuele misverstanden recht te zetten. Onderwerpen die tijdens de dialoog met individuele partnerlanden aan de orde komen, zijn het vredesproces in het Midden-Oosten, de situatie in de Golf, de verspreiding van massavernietigingswapens en de Westelijke Sahara. Ook heeft de Navo informatie gegeven na ministeriële bijeenkomsten.

Naast de politieke dialoog heeft de Navo een samenwerkings-programma met de mediterrane partners. Dit omvat de aanwijzing van zogenaamde contactambassades, informatie-activiteiten, civiele rampenbestrijding, wetenschappelijke activiteiten, opleidingen en militaire samenwerking.

62

Welke substantiële bijdrage van Nederland aan de bescherming tegen massavernietigingswapens staat de regering voor ogen? (pag. 11)

Nederland neemt in Navo-verband deel aan de samenwerking op het gebied van actieve verdediging tegen ballistische raketten die als drager kunnen fungeren van massavernietigingswapens.

Voor Nederland gaat het daarbij in de eerste plaats om de gemoderniseerde Patriotbatterijen en in de toekomst mogelijk de capaciteit van de LCF'n. Gezien de schaarste van dergelijke middelen in het bondgenootschap en de kwaliteit van de Nederlandse inbreng is sprake van een substantiële bijdrage.

Nederland draagt daarnaast bij aan de zogenoemde «response capabilities», middelen ter voorkoming dan wel ter vergelding van het gebruik van massavernietigingwapens. Hierbij kan het gaan om het uitschakelen van lanceerinstallaties door F-16 jachtvliegtuigen, gevechtshelikopters, artillerie of speciale eenheden. Voorts levert Nederland een bijdrage aan de bondgenootschappelijke (nucleaire) afschrikking.

Nederland levert ook een bijdrage aan het onderzoek op het gebied van «Theatre Missile Defence» (TMD). Zie hiervoor het antwoord op vraag 11. Voorts wordt onderzocht welke maatregelen op geneeskundig gebied (diagnose, preventie, therapie) vereist en/of mogelijk zijn. Hierover wordt overleg gevoerd met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) en met Navo-bondgenoten. Daarnaast zal door civiel-militaire samenwerking worden voorzien in een kenniscentrum voor klinische deskundigheid op biologisch en chemisch gebied in het Centraal Militair Hospitaal. Ook deze activiteiten worden afgestemd met het ministerie van VWS.

63, 92 en 95

In de notitie wordt voorgesteld in de nucleaire paragraaf van het Strategisch Concept van de NAVO op te nemen hoe ver we inmiddels verwijderd zijn van omstandigheden waaronder het gebruik van kernwapens aan de orde zou kunnen zijn. Hoe verhoudt zich deze optimistische uitspraak tot de analyse van de veiligheidsrisico's waarin gesteld wordt dat de voortgaande verspreiding van onder andere NBC-wapens «zeer verontrustend» is? Hoe denkt de Nederlandse regering zelf over de verhouding tussen de door kernwapenstaten afgegeven negatieve veiligheidsgaranties en het huidige nucleaire beleid van de NAVO? (pag. 11, 15)

Wat wordt bedoeld met de zinsnede: «Ook kan worden bezien hoe de door de kernwapenstaten eenzijdig afgegeven «negatieve veiligheidsgaranties» over het gebruik van kernwapens zich verhouden tot het huidige nucleaire beleid van de NAVO.»? Welk standpunt neemt de Nederlandse regering op dit punt in? Hoe beoordeelt de regering deze negatieve garanties? Is een verandering van het beleid van de NAVO noodzakelijk? (pag. 15)

Betekent de zin over de verhouding tussen negatieve veiligheidsgaranties en het nucleaire beleid van de NAVO dat de regering meent dat ere op dit punt sprake is van tegenspraak? (pag. 15)

De verspreiding van NBC-wapens is een zorgelijke ontwikkeling en zal een belangrijk element vormen in de discussies over de rol van kernwapens binnen de Navo, die na de Top van Washington zijn voorzien. Toch zijn door het einde van de Koude Oorlog en de voortdurende verbetering van de relaties met de Russische Federatie de omstandigheden waarin de inzet van kernwapens zou kunnen worden overwogen verder verwijderd dan ooit. Dit moet ook tot uitdrukking komen in het nieuwe Strategische Concept. De voortschrijdende proliferatie van massavernietigingswapens kan echter een terugslag betekenen. Reden temeer om binnen en buiten het bondgenootschap de activiteiten tegen deze proliferatie onverminderd voort te zetten.

Over de verhouding tussen de door kernwapenstaten afgegeven negatieve veiligheidsgaranties en het huidige nucleaire beleid van de Navo heeft de minister van Buitenlandse Zaken tijdens het algemeen overleg met de vaste Kamercommissies voor Buitenlandse Zaken en Defensie op 17 maart 1999 een notitie toegezegd.

64

De nieuwe veiligheidssituatie, zo wordt gesteld, vereist een breed en actief veiligheidsbeleid waarin politieke, economische, financiële en zo nodig ook militaire middelen in onderlinge samenhang worden gebruikt. Op welke wijze, en door welke instanties, wordt aan dit breed en actief veiligheidsbeleid vormgegeven? (pag. 12)

Dit beleid krijgt vorm in een samenspel van diverse organisaties zoals de Navo, de EU en de OVSE, in nauwe samenhang met een nationale aanpak. Een goed voorbeeld van een geïntegreerde aanpak, waarbij aan verschillende facetten aandacht wordt besteed, is de ontwikkeling in de EU van een gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland. Zo'n gemeenschappelijke strategie moet zijn ingebed in een breder Europees veiligheidsbeleid. Daarom heeft Nederland geopperd dat de EU op grond van het Strategische Concept van de Navo een gemeenschappelijk veiligheidsconcept ontwikkelt waarin de politieke, economische en militaire aspecten worden ondergebracht.

65

De veiligheidsanalyse in de notitie laat een nogal diffuse bedreiging zien. Is het mogelijk en wenselijk je daar afdoende tegen te bewapenen? Blijft er niet altijd een zeker risico op onverwachte en ongrijpbare acties bestaan? Welk risico is aanvaardbaar? (pag. 12)

Een volledige bescherming tegen alle mogelijke risico's is niet mogelijk en wordt door de regering ook niet nagestreefd. Wel is het defensiebeleid gericht op de instandhouding van een krijgsmacht die in bondgenootschappelijk verband berekend is op een groot deel van de mogelijke risico's.

De mate van aanvaardbaarheid van een risico is moeilijk vooraf vast te stellen. Voor deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties biedt het Toetsingskader voldoende aandachtspunten om tot een goede afweging te komen.

66

In de notitie wordt melding gemaakt van nu al zichtbare verschijnselen die de veiligheidssituatie kunnen beïnvloeden, waaronder een tekort aan natuurlijke hulpbronnen. Aan welke regio's, aan welke bronnen (naast water) en aan welk soort conflicten moeten worden gedacht in het kader van een tekort aan hulpbronnen? Doen milieuproblemen vergelijkbaar met die in de Russische Federatie zich ook elders in de wereld voor? (pag. 12)

Voor de nabije toekomst lijken conflicten over de toegang tot water en brandstoffen het grootste risico op te leveren. Milieuproblemen in de opvolgerstaten van de Sovjet-Unie hebben door hun omvang en aard van de vervuiling een eigen dimensie. Het valt echter niet uit te sluiten dat ook in andere landen zich omvangrijke milieuproblemen zullen gaan voordoen.

67

Wordt de groeiende NAVO niet steeds meer een organisatiestructuur voor wisselende samenwerkingsverbanden van landen (coalitions of the willing) die samen een bepaalde operatie uitvoeren? Is in de afzienbare toekomst nog te verwachten dat de NAVO als geheel met inzet van alle verdragspartners zal optreden? Wordt de NAVO in de toekomst niet veel meer een facilitair bedrijf, een soort uitzend- en detacheringsorganisatie? (pag. 13)

Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen taken op grond van verdediging (art. 5 van het Navo-verdrag), waar een bijstandsverplichting bestaat en taken op het gebied van vredesoperaties, waar geen verplichting geldt om deel te nemen. Nadat de Navo bij consensus heeft besloten aan een vredesoperatie deel te nemen, staat het landen vrij al dan niet te participeren. In het voormalige Joegoslavië blijkt dat tot nu toe vrijwel alle Navo-landen actief deelnemen aan door de Navo geleide vredesoperaties. Ook de strijdkrachten die betrokken zijn bij de acties naar aanleiding van het conflict in Kosovo zijn breed samengesteld. Alle bondgenoten zien het belang in van een brede participatie. De kans dat de Navo een soort «detacheringsorganisatie» wordt met geringe participatie van de bondgenoten, is dan ook klein.

68

Waar in de wereld zou de VN militair moeten interveniëren om veiligheid en stabiliteit te faciliteren en humanitaire nood te bestrijden? (pag. 13)

De ervaring leert dat het niet goed mogelijk is te voorspellen waar zich situaties zullen voordoen die een militair optreden van de Verenigde Naties vergen.

69 en 70

Op welke wijze speelt Nederland een actieve rol in de oprichting van Shirbrig? Aangezien het de planning is dit jaar operationeel te zijn, kan de regering aangeven waar dit opgenomen is in de begroting? Kan de regering aangeven wat andere landen van zins zijn aan te bieden voor deze brigade? Hoe ontwikkelt Shirbrig zich overigens? (pag. 13)

Worden voor de inzet van Nederlandse eenheden in Shirbrig ook gelijksoortige eenheden achter de hand gehouden voor aflossing? Zo ja, hoeveel? Voor wiens rekening komen de kosten die gemaakt worden bij inzet van Nederlandse militairen in het kader van Unsas of Shirbrig? (pag. 13)

De «Stand-by high readiness brigade», Shirbrig, is een bundeling van de militaire bijdragen van een aantal gelijk-gezinde landen aan het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas), een oproepbare brigade die binnen twee tot vier weken kan worden ontplooid in operaties onder hoofdstuk VI van het VN-Handvest. De Shirbrig wordt voor maximaal zes maanden ingezet. Daarom hoeft niet in aflossing te worden voorzien.

Deelneming aan de brigade behelst samenwerking in de Stuurgroep, de permanente kernbrigadestaf en kleine gemeenschappelijke oefeningen. Deze samenwerking bevordert een verantwoorde inzet van Nederlandse eenheden in VN-verband.

Nederland bekleedt sinds juni 1998 het jaarlijks roterende voorzitterschap van de Stuurgroep van de brigade. Het aantal deelnemende landen aan de brigade is gegroeid tot twaalf en de militair-operationele voorbereidingen voor de oprichting van de Shirbrig vorderen gestaag.

Het streven is binnen de «brigadepool» van de Shirbrig voor elke eenheid toezeggingen van twee landen te krijgen. Dit vergroot de kans dat als een of meer landen besluiten niet aan een operatie deel te nemen, de Shirbrig toch kan worden ontplooid. Nederland heeft onlangs zijn aanbod aan de brigadepool bekendgemaakt. Het omvat een brigadehoofdkwartier, een gemechaniseerd of een infanterie-bataljon, een geniecompagnie en een detachement helikopters. Dit aanbod betekent dat Nederland in beginsel bereid is deze eenheden ter beschikking te stellen voor inzet in een Shirbrig-operatie. De eenheden blijven nationaal gelegerd en beschikbaar voor andere taken, bijvoorbeeld in Navo-verband. Het is overigens wegens de beoogde dubbele vulling van de brigadepool niet waarschijnlijk dat alle Nederlandse eenheden die nu aan de brigadepool zijn aangeboden ook werkelijk zullen worden ontplooid als Nederland besluit deel te nemen aan een Shirbrig-operatie.

Ook de militaire bijdragen van andere deelnemende landen zijn gekoppeld aan hun bijdragen aan het Unsas. Argentinië stelt een verkenningseskadron ter beschikking, Finland een geniebataljon en Noorwegen een helikoptereenheid. De Canadese bijdrage bestaat uit een gepantserd infanteriebataljon, versterkt met een genie-eenheid en medische en logistieke eenheden. Ook Italië, Zweden, Polen en Jordanië, dat spoedige toetreding overweegt, denken aan bijdragen met infanterie-eenheden, versterkt met ondersteunende eenheden. Voorts levert Oostenrijk een transportcompagnie, Denemarken een brigadehoofdkwartier en Roemenië een medisch bataljon.

Door het groeiende aantal deelnemende landen ligt de dubbele vulling van de brigadepool binnen bereik. Eind maart heeft een door Nederland bijeengeroepen werkgroep van logistieke specialisten vastgesteld dat de nationale bijdragen aan de brigadepool voldoende logistieke elementen bevatten om de brigade in een VN-operatie in te zetten. Deze conclusie dient tevens als richtsnoer voor nieuw toetredende landen en deelnemende landen die hun definitieve bijdrage nog niet hebben vastgesteld.

De kosten die voortvloeien uit Nederlandse deelneming aan de Shirbrig zijn gering. Het betreft een bijdrage aan de instandhouding van de kernbrigadestaf (ongeveer een ton per jaar) en de additionele uitgaven die verband houden met de plaatsing van een Nederlandse officier in deze staf. Deze uitgaven komen ten laste van artikel 08.02 van de defensiebegroting («multi-service projecten en activiteiten»).

Bij deelneming van Nederlandse eenheden aan een door de Shirbrig uit te voeren VN-vredesoperatie gelden de gebruikelijke VN-procedures voor vergoedingen aan deelnemende landen. Aan deelneming aan het Unsas zijn geen kosten verbonden.

Zie ook het antwoord op vraag 73.

71

Voor verdere uitbreiding van de NAVO is Nederland voorstander van een «Membership Action Plan», het gaat dan om een voorbereidingsprogamma. Is er al enig zicht op de vormgeving van dit plan? Kan hier enige toelichting op gegeven worden? Is niet een risico van een dergelijk «Membership Action Plan» voor aspirant (NAVO) leden dat het open deur-beleid voorlopig inhoudt dat geen nieuwe NAVO-leden worden uitgenodigd? (pag. 13)

Voor een toelichting op het «Membership Action Plan» wordt verwezen naar de brief van de regering over de Navo-top en het Strategische Concept, van 12 maart 1999 (Kamerstuk 26 200 V, nr 55).

72

Welk beleid wordt ontwikkeld voor Albanië, gezien de specifieke omstandigheden die de regering noemt? (pag. 13)

Voor de korte termijn is alle aandacht gericht op de opvang van de vele vluchtelingen uit Kosovo. Nederland levert een bijdrage aan de noodhulpoperatie «Allied Harbour». In het kader van deze operatie stationeert de Navo een troepenmacht van ongeveer 10 000 militairen in Albanië voor de opvang van de vluchtelingen.

Voor de langere termijn is het beleid van de Navo gericht op het oplossen van de problemen bij de handhaving van de openbare orde en de democratisering. In verband hiermee heeft de Navo een aangepast «Individueel partnerschaps programma» ontwikkeld in het kader van het Partnerschap voor Vrede (PvV). Dit programma is gericht op de wederopbouw en de herstructurering van de Albanese strijdkrachten onder democratische controle. Onderwijs en training krijgen veel aandacht. Voor coördinatie en ondersteuning van de PvV-activiteiten is sinds mei 1998 een PvV-cel van de Navo in Albanië gevestigd. Nederland draagt hieraan bij door de schenking van medische goederen en transportmiddelen en door de ondersteuning van het munitie- en wapen-inzamelingsprogramma. Ook helpt Nederland bij de herstructurering van de militair geneeskundige dienst.

73

De regering ondersteunt de versterking van het Unsas en werkt mee aan het oprichten van de multinationale Shirbrig. Kan de regering uitleggen hoe de commandostructuren van zowel Unsas als Shirbrig zijn georganiseerd? Wie of welke organisatie neemt de politieke beslissing over de inzet van Unsas of Shirbrig en wat zijn hiervoor de richtlijnen en procedures? Wat is de zeggenschap van de Nederlandse regering over de inzet van Nederlandse militairen in het kader van Unsas of Shirbrig na een politieke beslissing? Wat is de inbreng van het Nederlandse parlement bij de inzet van Nederlandse militairen in dit kader in het geval dat het parlement de «politieke beslissing» tot inzet of de wijze waarop dit zal plaatsvinden niet ondersteunt? (pag. 13)

Het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas) is een gegevensbestand met informatie over de militaire inspanningen die VN-lidstaten in beginsel bereid zijn zich te getroosten op het gebied van VN-vredesoperaties. Het Unsas beschikt dan ook niet over een commandostructuur.

Een Nederlands besluit over deelneming aan een vredesoperatie, of het nu gaat om inzet in Shirbrig-verband of in enig ander samenwerkingsverband, wordt altijd genomen overeenkomstig de bestaande nationale politieke besluitvorming bij deelneming aan crisisbeheersingsoperaties, dus met inachtneming van het Toetsingskader.

Hetzelfde geldt voor de bevelsstructuur van een VN-vredesoperatie waaraan Nederlandse eenheden deelnemen. Bij elk besluit tot deelneming aan een crisisbeheersingsoperatie vormt een heldere bevelsstructuur een belangrijk aandachtspunt. Bij VN-vredesoperaties worden nationale contingenten geplaatst onder een VN-commandant. Bij de inzet van de Shirbrig vallen de Nederlandse eenheden onder de commandant van Shirbrig die, afhankelijk van de omvang van de VN-operatie, tevens kan optreden als commandant van de hele VN-vredesmacht. Ook voor de zeggenschap van de Nederlandse regering en het parlement over de Nederlandse eenheden na een politieke beslissing over deelneming, maakt het geen verschil in welk soort VN-vredesoperatie de eenheden worden ingezet.

Zie ook het antwoord op de vragen 69 en 70.

74, 75 en 76

In de notitie wordt gesteld dat de grondslag voor de inzet van NAVO-middelen ter handhaving van de internationale rechtsorde bij voorkeur een mandaat van de VN of de OVSE dient te zijn. Welke andere mandaten komen hiervoor nog meer in aanmerking? Kan geconcludeerd worden dat een expliciete resolutie van de VN Veiligheidsraad geen absolute voorwaarde is voor het inzetten van Nederlandse militairen in het kader van een NAVO-inzet buiten het NAVO-grondgebied? Wat is de minimale «internationaalrechtelijke» grondslag die voor zo'n beschikbaarstelling noodzakelijk wordt geacht? Wat zijn de criteria voor een dergelijke grondslag? (pag. 14)

Op welke wijze zal de nieuwe kerntaak van de NAVO (crisisbeheersing en vredesoperaties) internationaal-rechterlijk moeten worden gemandateerd waar het niet gaat om artikel 5 NAVO-verdrag operaties? (pag. 14)

Op welke wijze wordt door onder andere Nederland getracht het primaat van de VN-Veiligheidsraad te behouden met betrekking tot de internationaalrechtelijke mandatering van militaire operaties? (pag. 14)

Zie het antwoord op vraag 25.

77 en 80

De nieuwe kerntaak van de NAVO is blijkens de notitie het beschikbaar stellen van bondgenootschappelijke middelen voor crisisbeheersing en vredesoperaties. Geldt dit voor crises in de hele wereld? Is Nederland daadwerkelijk bereid troepen uit te zenden in de hele wereld? Zou het niet wenselijk zijn om dit duidelijker aan te geven? (pag. 14)

Is de stelling: «Naarmate crisishaarden verder van het verdragsgebied gelegen zijn, ligt optreden minder voor de hand.» (pag. 14) vooral principieel of praktisch gemotiveerd?

Deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties is een volwaardige taak van de Nederlandse krijgsmacht. Deze taak kan in beginsel wereldwijd worden uitgevoerd. Daarbij moet worden aangetekend dat naarmate crisishaarden verder van het verdragsgebied gelegen zijn een Navo-optreden om praktische redenen minder voor de hand ligt. In zulke situaties neemt de VN of een «coalition of the willing» het voortouw. Deelname van Nederland aan een dergelijke operatie zal afhankelijk zijn van een beoordeling van de specifieke omstandigheden.

Voor de besluitvorming is het Toetsingskader een belangrijk richtsnoer. Ook de afgelopen jaren heeft Nederland in het kader van de VN militairen uitgezonden naar een aantal vredes-operaties in verschillende delen van de wereld.

78

Naar de Nederlandse opvatting zou het beschikbaar stellen van NAVO-middelen voor crisisbeheersing en vredesoperaties een nieuwe kerntaak van de NAVO kunnen worden. Ter beschikking van wie worden deze bondgenootschappelijke middelen dan gesteld en onder welk commando zullen deze troepen worden ingezet? (pag. 14)

Bij de herziening van het Strategische Concept van de Navo pleit Nederland voor het beschikbaar stellen van bondgenootschappelijke middelen voor crisisbeheersing en vredesoperaties als bondgenootschappelijke kerntaak. Hierbij wordt gedoeld op door de Navo geleide operaties die met alleen Navo-strijdkrachten dan wel gecombineerd met bijvoorbeeld strijdkrachten van Partnerlanden worden uitgevoerd. In beide gevallen zullen de middelen ter beschikking worden gesteld aan de Navo en worden opgenomen in een commandostructuur van de Navo. Hoe deze commandostructuur vorm wordt gegeven kan van geval tot geval variëren. Dit geldt ook voor het directe commando waaronder de bondgenootschappelijke middelen zullen vallen. Zo valt de Nederlandse F-16 bijdrage aan de operatie «Allied Force» naar aanleiding van het conflict rond Kosovo onder «ComAirSouth», een bestaand commando binnen de Navo, en valt het Nederlandse Sfor-bataljon rechtstreeks onder de door het Verenigd Koninkrijk geleide «Multi-National Division South-West», die speciaal voor de Sfor-taak is opgericht.

79

De vaste commissie voor Defensie heeft onlangs besloten aan de Kamer het voorstel voor te leggen tot instelling van een tijdelijke commissie. Deze tijdelijke commissie zou (onder meer) de politieke besluitvorming van uitzendingen en het toetsingskader moeten evalueren. Gesteld dat deze tijdelijke commissie daadwerkelijk wordt ingesteld en een opdracht krijgt als hiervoor omschreven, zullen (en zo ja, op welke wijze) de bevindingen van deze commissie worden betrokken bij de opstelling van de nieuwe Defensienota? (pag. 14)

De Tweede Kamer heeft besloten een tijdelijke commissie in te stellen die onder meer is belast met een evaluatie van het Toetsingskader. De commissie zal haar werkzaamheden in maximaal een jaar afronden (zie Kamerstuk 26 122 nr. 8). De Defensienota zal, als dat op verantwoorde wijze mogelijk is, nog in 1999 verschijnen. De regering is gaarne bereid resultaten van de tijdelijke commissie te betrekken bij de opstelling van de Defensienota voorzover de werkzaamheden van de commissie dat mogelijk maken.

80

Is de stelling: «Naarmate crisishaarden verder van het verdragsgebied gelegen zijn, ligt optreden minder voor de hand.» (pag. 14) vooral principieel of praktisch gemotiveerd?

Zie het antwoord op vraag 77.

81

Naar Nederlandse opvatting dient als een nieuwe kerntaak aan de NAVO te worden geformuleerd: «het beschikbaar stellen van bondgenootschappelijke middelen voor crisisbeheersing en vredesoperaties». Wordt deze zienswijze door bondgenoten gedeeld? In hoeverre worden door de NAVO-leden nu al strijdkrachten in het NAVO Defensie Planning Proces ingebracht t.b.v. non-artikel 5 operaties? Valt onder deze vorm van «crisisbeheersing» ook het tegengaan van de proliferatie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen en de bescherming tegen dit soort wapens alsmede verdediging tegen terrorisme? (pag. 14)

De discussie over het nieuwe Strategische Concept is nog niet afgerond, maar er bestaat brede steun voor de Nederlandse zienswijze. De precieze formulering is overigens nog onderwerp van onderhandelingen.

In de Defensieplanningscyclus van de Navo die dit jaar begint wordt voor het eerst specifiek ingegaan op strijdkrachten ten behoeve van non-artikel 5 operaties. De middelen voor de uitvoering van collectieve verdediging en die voor conflictbeheersing zijn in veel gevallen dezelfde. Ten behoeve van beide is er vooral behoefte aan parate, snel inzetbare eenheden.

Het nieuwe Strategische Concept van de Navo moet de nodige aandacht besteden aan de gevaren die voortvloeien uit de verspreiding van massavernietigingswapens en internationaal terrorisme en de maatregelen die daartegen moeten worden ondernomen. Deze dreigingen kunnen zich voordoen zowel in de context van niet-artikel 5 operaties als bij de verdediging van het Navo-verdragsgebied.

82

Hoe luiden de huidige definities van «crisisbeheersing» en «vredesoperaties» binnen de NAVO en/of het Nederlandse kabinet? In hoeverre komen de definities van «crisisbeheersing» en «vredesoperaties» overeen – of verschillen zij – van de in de Britse SDR genoemde missies van «Peace Support» en «Humanitarian Operations»? (pag. 14)

De Navo definieert het begrip crisisbeheersing als: «a process of intense political activity, using Allied means including military assets and is the common denominator for the management for Article 5 and non-Article 5 missions».

Deze definitie is door Nederland onderschreven, en wordt overeenkomstig toegepast. Het begrip vredesoperaties, zoals gebruikt in het Regeerakkoord, doelt op door de krijgsmacht in vredes- en crisistijd uitgevoerde operaties. Zij omvatten onder meer vredesondersteunende operaties, evacuatie van non-combattanten, vredesopbouwende operaties en humanitaire operaties.

Vredesondersteunende operaties («Peace Support Operations») zijn operaties waarbij de krijgsmacht wordt ingezet ter ondersteuning van het vredesproces, zodat uiteindelijk een politieke oplossing kan worden bereikt. Het omvat het hele scala aan militaire operaties dat gericht is op het handhaven of het herstellen van vrede.

Vredesopbouwende operaties worden na afloop van een conflict uitgevoerd ter bestendiging van een fragiele vrede. Zij ondersteunen politieke, economische, sociale en militaire maatregelen en structuren om de politieke oplossingen van een conflict te versterken.

Een humanitaire operatie is een op zich zelf staande operatie gericht op het verminderen van menselijk lijden. Wanneer een dergelijke operatie wordt uitgevoerd als deel van een meeromvattende vredesondersteunende operatie, wordt gesproken over humanitaire hulpverlening. «Peace Support» zoals gebruikt in de «Strategic Defence Review»(SDR) is gelijk aan het Nederlandse begrip van vredesondersteunde operaties. Het begrip «Humanitarian Operations» omvat de beide Nederlandse termen humanitaire operaties en hulpverlening.

83

Hoe zit het met de taakverdeling bij de verdediging tegen NBC-wapens? Wanneer is het logisch dat Nederland bijdraagt aan verdediging ook op grote hoogte? Is het vanzelfsprekend dat zowel de Nederlandse marine (anti-raketsystemen op LCF-fregatten) als de Nederlandse lucht- en landmacht (Patriots en jachtvliegtuigen die raketten uitschakelen bij de bron) bijdragen aan de bestrijding van ballistische raketten. Is hier geen keuze op zijn plaats? (pag. 15)

In Navo-verband wordt een onderscheid gemaakt in de passieve en actieve verdediging tegen NBC-wapens. Op passief gebied is het uitgangspunt dat elke militaire eenheid ter zelfbescherming van het personeel beschikt over de noodzakelijke individuele en collectieve beschermingsmiddelen. Internationale taakverdeling past hierin niet.

Nederland richt zich in het kader van de actieve verdediging tegen «theatre ballistic missiles» (TBM's) op het uitschakelen van dergelijke raketten in de laatste fase van hun vlucht (<30 kilometer), de zogeheten «lower-layer». Wel wordt binnen deze «lower-layer» gestreefd naar het zo hoog mogelijk uitschakelen van de TBM om de effecten op de grond van eventueel meegevoerde massavernietigingswapens te minimaliseren. Verdedigingssystemen voor de «upper-layer» zijn nog niet operationeel inzetbaar en aanschaf van dit soort systemen wordt binnen het Bondgenootschap momenteel alleen door de Verenigde Staten nagestreefd.

Om (met name financiële) inspanningen op het gebied van actieve verdediging binnen de «lower-layer» ook op langere termijn vol te houden, streeft Nederland naar het zoveel mogelijk verbeteren van al aanwezige systemen en het mogelijk benutten van reeds geplande capaciteiten. Bij de Patriot gaat het om doorontwikkelen en verbeteren van een bestaand luchtverdedigingssysteem. Onderzocht wordt of de LCF-fregatten geschikt kunnen worden gemaakt voor de verdediging tegen ballistische raketten. Hierbij wordt samengewerkt met Duitsland en de Verenigde Staten. Zie hierover ook het antwoord op vraag 10.

Door de verschillen in eigenschappen (met name zee- versus landgebonden) vullen Patriot en LCF elkaar aan. Het LCF kan door zijn zelfstandige, strategische mobiliteit reeds bij het ontstaan van een crisis in de nabijheid in gereedheid worden gebracht en zonodig snel ingezet voor bijvoorbeeld de verdediging van een aanvoerhaven of als vooruitgeschoven detectiecapaciteit. De Patriot beschikt over een flexibele, tactische mobiliteit en kan worden ingezet ter verdediging van (ontplooide) eenheden of bevolkingscentra. De systemen zijn complementair.

84

De Patriot diende oorspronkelijk voor het neerhalen van vliegtuigen. Het is niet ontworpen als een volwaardig anti-raketsysteem. In hoeverre is het moderniseren van de Patriot tot een volwaardig anti-raketsysteem realistisch gezien de oorspronkelijke bestemming van de Patriot en de hoge kosten die hiermee gemoeid zijn? Zijn er geen andere, betere oplossingen? (pag. 15)

Hoewel het Patriot-systeem ontworpen is voor de luchtverdediging tegen vliegtuigen is het voortdurend aangepast aan de zich ontwikkelende luchtdreiging, zoals de verminderde radarreflectie van gevechtsvliegtuigen, alsmede kruisraketten en tactische ballistische raketten. Het Pac-3 programma voegt daar onder meer raketten aan toe die specifiek zijn ontworpen om tactische ballistische raketten op relatief grote hoogte met hoge trefzekerheid te vernietigen. Een dergelijke evolutionaire verbetering van het wapensysteem gedurende de levensduur is in dit geval doelmatiger dan het aanschaffen van nieuwe wapensystemen, zo die al beschikbaar zouden zijn.

85

Nederland legt zich samen met Duitsland en de Verenigde Staten toe op de verdere ontwikkeling van de anti-raketverdediging. Het blijft onduidelijk hoe een en ander zich verhoudt tot de voornemens en inspanningen op dit gebied van andere partners. Laten zij de bescherming van hun troepen tegen raketaanvallen over aan onder meer Nederland? Wat zijn de consequenties daarvan voor de vrijheid van besluitvorming in specifieke gevallen? (pag. 15)

Nederland loopt inderdaad samen met Duitsland en de Verenigde Staten voorop met de investeringen in anti-raketverdediging, gericht op de bescherming van troepen tegen aanvallen met korte- tot middellange afstands ballistische raketten. Het is niet bekend of ook andere bondgenoten belangrijke investeringen op dit gebied zullen doen. Het is niet uitgesloten dat dit terrein zich leent voor taakverdeling. Voor de besluitvorming over inzet in specifieke gevallen behoudt Nederland de volledige zeggenschap over de eigen eenheden, overeenkomstig de bestaande procedures.

86, 88, 90 en 91

Welk doel is nog gediend met de mogelijke aanwezigheid van kernwapens op Nederlands grondgebied? Welk veiligheidsrisico verzet zich tegen het instellen van een kernwapenvrije zone in Europa? (pag. 15)

Wat zijn de voor- en nadelen van een no first use verklaring ten aanzien van kernwapens, speciaal afgegeven aan die landen die alle internationale verdragen betreffende de NBC wapens hebben ondertekend en uitgevoerd? Wordt een no first use verklaring door de regering afgewezen? (pag. 15)

Wat behelst precies de actualisering van de nucleaire paragraaf in het Strategisch Concept van de NAVO die Nederland beoogt? Is de regering bereid de nucleaire taak van Nederland (Volkel) te heroverwegen? (pag. 15)

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat eventuele agressors in maximale onzekerheid dienen te verkeren over de omstandigheden waaronder de NAVO het gebruik van kernwapens overweegt. Betekent dit tevens dat ook het Nederlandse parlement en de Nederlandse bevolking in maximale onzekerheid zal verkeren over de mogelijke inzet van dit middel? Zo ja, hoe stelt de regering zich een maatschappelijk debat over de rol van de Nederlandse krijgsmacht in de NAVO voor als over dit belangrijke onderwerp maximale onduidelijkheid blijft bestaan? (pag. 15)

De Navo heeft thans, in tegenstelling tot de periode voor het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, geen militair-operationele plannen voor de inzet van kernwapens. De verminderde paraatstelling en het feit dat het bondgenootschappelijke kernwapenarsenaal inmiddels met ongeveer 80 procent is ingekrompen, weerspiegelen hoe ver wij thans zijn verwijderd van de omstandigheden waaronder het gebruik van kernwapens aan de orde zou zijn. Op Nederlands voorstel zijn deze ontwikkelingen verdisconteerd in de nucleaire paragrafen in het ontwerp-Strategische Concept dat tijdens de aanstaande Navo-top wordt vastgesteld. De minister van Buitenlandse Zaken is hierop ingegaan in zijn brief aan de Tweede Kamer van 12 maart jl. (Kamerstuk 26 200 V, nr 55).

Er bestaan binnen de Navo wel afspraken over de manier waarop de inzet van kernwapens zou moeten worden besproken, mocht toch de nood aan de man komen. Deze afspraken stroken met het afschrikkingsbeleid van de Navo, dat erop is gericht de inzet van massavernietigingswapens te voorkomen door tegenstanders die het gebruik van dergelijke wapens overwegen in onzekerheid te laten over de inzet van kernwapens door de Navo. De afschrikkende werking bestaat uiteraard niet langer als de inzet volkomen denkbeeldig is. Zolang ons land in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging zijn kerntaak uitvoert, zal de Koninklijke luchtmacht dan ook voorbereid moeten blijven op de inzet, onder meer door middel van oefeningen.

Het huidige afschrikkingsbeleid van de Navo, hoe zeer dat ook verschilt van het beleid tijdens de Koude Oorlog, is uiteraard niet te verenigen met een kernwapenvrije zone in Europa. De instelling van een dergelijke zone is voorts niet goed denkbaar zolang het beheer van de nucleaire erfenis van de Sovjet-Unie de wereld ernstige zorgen baart. Door de Russische overheid te steunen, onder meer bij ontmantelingsprogramma's en door nonproliferatie- en ontwapeningsregimes te versterken, wordt getracht de ongewenste verspreiding van deze wapens en onderdelen, alsmede technieken en kennis vanuit de voormalige Sovjet-Unie te voorkomen.

87

Kan een vertrouwenwekkend signaal uitgaan van het in de-alert toestand brengen van kernwapens? Zou dan kunnen bijdragen aan een verdere ontspanning en ontwapening? (pag. 15)

Sinds het einde van de Koude Oorlog is de paraatheid aanzienlijk verlaagd. De gereedheid van nucleaire systemen werd destijds uitgedrukt in minuten, nu in dagen, respectievelijk weken. De Navo heeft dit in het kader van het permanente overleg in Brussel aan Rusland medegedeeld; dit land heeft aangekondigd soortgelijke maatregelen te hebben genomen.

88

Wat zijn de voor- en nadelen van een no first use verklaring ten aanzien van kernwapens, speciaal afgegeven aan die landen die alle internationale verdragen betreffende de NBC wapens hebben ondertekend en uitgevoerd? Wordt een no first use verklaring door de regering afgewezen? (pag. 15)

Zie het antwoord op vraag 86.

89

Zijn er in NAVO-verband concrete afspraken gemaakt over een gezamenlijke behoeftestelling en taakverdeling in het kader van de «theatre missile defence»? Op welke van die afspraken berust het voornemen van Nederland om een substantiële bijdrage op dit gebied te leveren? (pag. 15)

De «Conference of National Armaments Directors (CNAD)» van de Navo heeft in het voorjaar van 1998 een plan goedgekeurd om een gelaagde defensie bestaande uit «lower layer» en «upper layer» systemen voor de verdediging tegen ballistische raketten te onderzoeken. Het gaat hierbij zowel om op land als op zee gestationeerde systemen. Deze studie wordt gefinancierd uit Navo fondsen. Na 2004 zal worden bezien of de Navo een volledig geïntegreerd systeem voor de «lower» en «upper layer» moet verwerven. Zie ook het antwoord op vraag 62.

90 en 91

Wat behelst precies de actualisering van de nucleaire paragraaf in het Strategisch Concept van de NAVO die Nederland beoogt? Is de regering bereid de nucleaire taak van Nederland (Volkel) te heroverwegen? (pag. 15)

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat eventuele agressors in maximale onzekerheid dienen te verkeren over de omstandigheden waaronder de NAVO het gebruik van kernwapens overweegt. Betekent dit tevens dat ook het Nederlandse parlement en de Nederlandse bevolking in maximale onzekerheid zal verkeren over de mogelijke inzet van dit middel? Zo ja, hoe stelt de regering zich een maatschappelijk debat over de rol van de Nederlandse krijgsmacht in de NAVO voor als over dit belangrijke onderwerp maximale onduidelijkheid blijft bestaan? (pag. 15)

Zie het antwoord op vraag 86.

92

Wat wordt bedoeld met de zinsnede: «Ook kan worden bezien hoe de door de kernwapenstaten eenzijdig afgegeven «negatieve veiligheidsgaranties» over het gebruik van kernwapens zich verhouden tot het huidige nucleaire beleid van de NAVO.»? Welk standpunt neemt de Nederlandse regering op dit punt in? Hoe beoordeelt de regering deze negatieve garanties? Is een verandering van het beleid van de NAVO noodzakelijk? (pag. 15)

Zie antwoord op vraag 63.

93

Zal de «flexible response-strategie» van de NAVO in de toekomst gehandhaafd blijven? (pag. 15)

De «flexible response»-strategie van de Navo werd in de jaren zestig geformuleerd; deze legde de nadruk op de wenselijkheid van een antwoord met militaire middelen aangepast aan de aard en de omvang van de agressie tegen het bondgenootschap. Dit in tegenstelling tot het eerdere uitgangspunt dat een offensief tegen de Navo altijd met massale inzet van middelen, ook nucleaire, zou worden beantwoord. In de nieuwe internationale veiligheidssituatie is grootschalige agressie onwaarschijnlijker geworden. De veelheid van mogelijke inzetscenario's en de wenselijkheid geweldstoepassing zoveel mogelijk te beperken, maakt overigens dat de Navo meer dan ooit uitgaat van een aan de omstandigheden aangepaste inzet van militaire middelen als antwoord op agressie en instabiliteit.

94

De regering constateert dat er nieuwe veiligheidsrisico's zijn, zoals terrorisme en de bedreiging van massavernietigingswapens en raketten. Hier wordt slechts het middel van TMD tegenover gesteld, Op welke wijze denkt de regering de overige dreigingen teniet te doen? (pag. 15)

Zie het antwoord op vraag 60.

95

Betekent de zin over de verhouding tussen negatieve veiligheidsgaranties en het nucleaire beleid van de NAVO dat de regering meent dat ere op dit punt sprake is van tegenspraak? (pag. 15)

Zie antwoord op vraag 63.

96

In de Britse SDR geldt als zwaarste scenario waarop de Britse krijgsmacht zich operationeel moet voorbereiden een ernstige regionale crisis waarbij Britse belangen in het geding zijn. Dit kan zijn aan de periferie van het NAVO-verdragsgebied of in het Golfgebied. In de Hoofdlijnennotitie blijven de nationale politieke en economische belangen in het Golfgebied onbenoemd. Kan de regering ingaan op deze belangen, alsmede op de gevolgen van een onverhoopte aantasting daarvan? Hoe afhankelijk is Nederland bij voorbeeld van de olie-aanvoer uit het Perzische Golfgebied? (pag. 15, 16)

Zie het antwoord op vraag 21.

97

Volgens de Britse SDR is het voor instandhouding van een capaciteit voor deelneming aan een crisisbeheersings- of vredesoperatie van langere duur optimaal om drie tot vier vliegtuigsquadrons in reserve te houden voor ieder(e) uitgezonden schip, landmachteenheid of squadron. Onderschrijft de regering dit uitgangspunt bij haar capaciteitsdoelstelling van gelijktijdige deelneming aan vier operaties gedurende minstens drie jaar? Kan de regering op basis van de Britse en de Nederlandse modellen een overzicht geven van de theoretische voorzettingsvermogens van uit te zenden eenheden door de Nederlandse krijgsmachtdelen? Kan de regering een overzicht geven van daadwerkelijke bijdragen aan crisisbeheersings- en vredesoperaties sinds 1989? (pag. 15, 16)

De omvang van de Nederlandse krijgsmacht is gebaseerd op het totale takenpakket van de krijgsmacht in vredes- en oorlogstijd. Eén van de taken is het gelijktijdig kunnen bijdragen aan vier crisisbeheersings- of vredesoperaties op het niveau van een bataljon of het equivalent daarvan. Bij het aanbieden van Nederlandse eenheden voor langer lopende vredesoperaties wordt steeds gekeken naar het voortzettingsvermogen. Het Nederlandse beleid is dat een eenheid steeds zes maanden uitgezonden kan worden, gevolgd door een periode van twaalf maanden zonder uitzendingen. Daardoor kan een eenheid slechts voor langere tijd worden aangeboden als er vergelijkbare eenheden in Nederland beschikbaar zijn voor aflossing. Om deze reden wordt bij het inrichten van de defensie-organisatie voor de belangrijkste eenheden in het algemeen gestreefd naar een beschikbaarheid van drie parate eenheden van een bepaald type. In beginsel kunnen alle parate eenheden van de Nederlandse krijgsmacht worden ingezet ten behoeve van internationale operaties. Zie ook het antwoord op vraag 49.

Het overzicht van de Nederlandse bijdragen aan crisisbeheersings-, vredesen humanitaire operaties sinds 1989 is hieronder weergegeven. Hierin is nog niet de hulpverlening verwerkt voor de opvang van vluchtelingen in Albanië en Macedonië als gevolg van het conflict rond Kosovo.

Bijdragen van de Nederlandse krijgsmacht aan crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties sinds 1989

LandOperatienaamKMDperiodematerieel/eenheid/functie
M-OostenUNTSO/KL,KM,1956-hedenwaarnemers UNTSO
 UNDOFKlu,Kmar commandant UNDOF
CyprusUNFICYPKL,Kmar1998-hedencompagnie
Egypte/MFOKL,KM,1982–1995eenheid
Israël Klu,Kmar verbindingspersoneel militaire politie
PerzischeOctopusKM1987–1989mijnenjagers stingerteams
GolfCalender   
 Cleansweep   
NamibiëUNTAGKmar1989–1990politiewaarnemers
Golfgebiedo.mKM,KL,1990–1991o.m. fregatten, bevoorrader
Irak, KoeweitDesert StormKlu, Kmar stingerteams, P3C,
 Desert Shield  squadron Patriot,Hawk detachementen Kmar
Irak/VSUNSCOMKL,Klu1994-hedenNBC-deskundigen
CambodjaUNAMIC UNTACKM,KL, Klu,Kmar1991–1993o.m.Bataljon Marns, F27, helicopters, politiecommandant
 UNDP,CMACKl1993-hedenexplosievendeskundigen
AngolaUNAVEM,KL,Klu,1991–1998militaire-en politie-
 II,III,Kmar,KM waarnemers
 UNOPS,CMATSKl1997-hedenmijnenruimingsinstructeurs
SomaliëUNOSOMKmar1993–1994adviseur
HaïtiUNMIHKM/Kmar1994–1996o.m. cie marns,
 Support Democracy  detachement opleiding
 IPM Columbus  lokale politie fregat, P3C
Zuid-AfrikaUNOMSAKmar1993waarnemers
MoldaviëOVSEKL/Klu1993-hedenwaarnemer
MozambiqueUNOMOZKL1993–1995mijnenruimingspersoneel
OegandaUNOMURKL1993–1996waarnemers
RwandaUNAMIRKlu,Kl1994–1996instructeurs
  Kmar  
GeorgiëOVSEKlu1994–1996waarnemer
AdriatischeMaritime MonitorKM1992–1996fregatten, P3C,
ZeeMaritime Guard (SNFM)  tankersupport, boarding teams,
 Sharp Guard  onderzeeboten
 (SNFM),(SNFL)   
 Sharp Fence, Grapple   
Bosnië-Herzegovina (vml. Joegoslavië)o.m. UNPROFOR IFOR UNPF UNHCRKL, KM, KLU, Kmar1992–1996o.m. verbindingsbat, manoeuvre bat, logbat, EOD detachement, Kmar detachement, Heli-detachement,
    marnsmortiercompagnie,
    F-16 squadron, P3C, C130,
    F-60, KDC-10, F-27, monitoren, Mortier-opsporingsradar batterij
 SFORKL,KM,1997-hedeno.m. gemechaniseerd bataljon,
 Deny FlightKlu,Kmar «Crowd-and-riot»-peloton, EOD-detachement, EOV peloton, Apache detachement, KDC-10, F-16 detachement, Cimic, C130, F-60 Contigentscommando, Kmar detachement, marnsinfcie/pel, tactische/strategische reserve (o.m. marnsbat)
 WEU MostarKmar1993–1996politiewaarnemers
 POCD,WEU DonauKmar1994–1996waarnemers
 UNIPTFKmar1996-hedenwaarnemers
 UNMAC,BHMACKL1998-hedenmijnenruimingspersoneel
 UNMiBHKL1995-hedenstaffunctionaris
 ICFYKL,KM,1992–1996grenscontroleurs
  Klu,Kmar  
KroatiëUNTAESKL,KM,1995–1998stafpersoneel
  Klu  
BalkanECMMKL, KM,1991-hedenwaarnemers
  Klu, Kmar  
AlbaniëMAPE/OVSEKmar,KL,1997-hedenwaarnemers
  KM,Klu politie-adviseurs
Kosovo/MacedoniëExtraction Force Eagle Eye allied Force SNFMKl,Klu, KM, KMAR1998-hedengeniecie, Chinook detachement, MORbatterij, P3C, F-16 squadron, KDC10, fregat, LPD
PerzischeMIFKM1996-hedenfregat, P3C, bevoorrader,
Golf   boardingteams
     
Noord-IrakProvideKM, KL,Klu1991HUMANITAIRE OPERATIES
ZuidTurkijeComfort   
RuslandEG Task ForceKl1992 
 voedseldistributie   
ZaïreProvide CareKlu,KM1994 
(Goma)Silverback   
Nederlandseorkaan LuïsKM,Klu,1995 
Antillen KL  
Polen/BestrijdingKl1997 
Tsjechiëwateroverlast   
AfghanistanaardbevingKlu1998 
Nederlandseorkaan GeorgesKlu, KM1998 
Antillen NHVT  
AlbaniëevacuatieoperatieKM1997 
EritreaevacuatieoperatieKM1998 
IndonesiëevacuatieoperatieKlu1998 
Middenorkaan MitchKM,KL,1998 
Amerika Klu,  
  NHVT  

98

Wat zal het aandeel van Nederland zijn in het beheersen van regionale conflicten in de nabijheid van het NAVO-verdragsgebied? (pag. 16)

Ieder conflict is verschillend en vereist een daarop toegesneden aanpak. Voor de vorm van een Nederlandse bijdrage zijn verschillende factoren van belang, zoals de mogelijkheden voor een politieke oplossing, de behoeftestelling voor de desbetreffende vredesoperatie, de omgeving waarin moet worden geopereerd, de bijdragen van andere bondgenoten, de omvang van de operatie en de vraag in hoeverre Nederland beschikt over de benodigde middelen.

99, 101, 102, 104 en 109

Hoe stelt de regering zich de nauwere samenwerking tussen NAVO en EU voor? Wat wordt de rol van EU-lidstaten die geen NAVO-lid zijn of NAVO-lidstaten die niet tot de EU behoren in de politieke en militaire beslissingsprocedures rond het inzetten van NAVO-middelen in internationale missies? (pag. 16)

Hoe wordt de besluitvorming in de NAVO geregeld als binnen deze organisatie er één apart, aan de derde pijler van het EU-verdrag gekoppeld, Europees Defensie-mechanisme ontstaat? Met andere woorden, kan de EU een besluit nemen tot militair opereren en vervolgens de uitvoering hiervan overdragen aan een Europees mechanisme binnen de NAVO zonder dat niet EU-lidstaten hiermee uitdrukkelijk instemmen? (pag. 16)

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat een Nederlandse bijdrage uitsluitend in internationaal kader zal plaatsvinden en in de vorm van «modules». Kan nader omschreven worden wat een module omvat? (pag. 16)

«Een voortvarende ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid, waarvan de operationele defensie-identiteit gestalte wordt gegeven in de NAVO». Kan de regering aangeven wat bedoeld wordt met operationele (planning, militaire middelen, militairen) Defensie-identiteit? (pag. 16)

Kan hieruit worden afgeleid dat er geen veiligheidsrol voor Europa is weggelegd zonder ruggenspraak met de Verenigde Staten?

Is de geringe aandacht voor de Europese veiligheids- en defensie-identiteit in de Hoofdlijnennotitie een weerspiegeling van de geringe politieke betekenis die de regering hieraan hecht? Kan de regering aangeven hoe de geest en de inhoud van de St. Malo-verklaring doorwerkt in haar beleid? (pag. 16)

Op welke wijze wil Nederland de defensiesamenwerking met andere Europese landen bevorderen? (pag. 17)

De samenwerking tussen de EU en de Navo dient in de visie van de regering te worden versterkt. Beide organisaties spelen een cruciale rol in Europa op het gebied van veiligheid en defensie en kunnen bij een goede samenwerking elkaar wederzijds versterken. De regering hecht grote waarde aan de versterking van de Europese Veiligheids- en Defensie Identiteit. Op 10 maart jl. heeft de regering de Kamer over dit onderwerp een notitie gezonden, waarover op 17 maart jl. een algemeen overleg is gehouden. In genoemde notitie, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen, is uitvoerig ingegaan op de gestelde vragen. Ook de Defensienota zal de nodige aandacht besteden aan dit onderwerp en ingaan op de gevolgen voor de krijgsmacht.

100

Wat gebeurt er met de bijstandsverklaring, de verdedigingstaak van WEU, als de WEU opgaat in de EU? (pag. 16)

Overbrenging van artikel V naar het EU-Verdrag is op dit moment niet aan de orde. De Verklaring van St.Malo vermeldt dat de Navo de basis blijft vormen voor collectieve verdediging. Ook nu wordt deze verdragsverplichting de facto door de Navo uitgevoerd.

101 en 102

Hoe wordt de besluitvorming in de NAVO geregeld als binnen deze organisatie er één apart, aan de derde pijler van het EU-verdrag gekoppeld, Europees Defensie-mechanisme ontstaat? Met andere woorden, kan de EU een besluit nemen tot militair opereren en vervolgens de uitvoering hiervan overdragen aan een Europees mechanisme binnen de NAVO zonder dat niet EU-lidstaten hiermee uitdrukkelijk instemmen? (pag. 16)

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat een Nederlandse bijdrage uitsluitend in internationaal kader zal plaatsvinden en in de vorm van «modules». Kan nader omschreven worden wat een module omvat? (pag. 16)

«Een voortvarende ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid, waarvan de operationele defensie-identiteit gestalte wordt gegeven in de NAVO». Kan de regering aangeven wat bedoeld wordt met operationele (planning, militaire middelen, militairen) Defensie-identiteit? (pag. 16)

Kan hieruit worden afgeleid dat er geen veiligheidsrol voor Europa is weggelegd zonder ruggenspraak met de Verenigde Staten?

Zie het antwoord op vraag 99.

103

Nederland moet in internationaal opzicht bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor het Europese veiligheidsbeleid. Hoe ziet de regering deze verantwoordelijkheid in het licht van de aangekondigde bezuinigingen? En hoe gaan andere Europese landen om met deze verantwoordelijkheid? Is er sprake van afstemming op dit gebied? Op welke wijze en waar vindt die afstemming plaats? (pag. 16)

De inzet van de huidige discussie over het Europese veiligheidsbeleid, die zowel in de EU, de Weu als de Navo wordt gevoerd, is dat effectiever gebruik kan worden gemaakt van de bestaande militaire capaciteit om indien nodig een grotere Europese verantwoordelijkheid te kunnen dragen op veiligheidsterrein. Bij bezuinigingen zal hiermee uiteraard rekening worden gehouden.

In de Weu wordt een inventarisatie gemaakt van de huidige Europese militaire capaciteiten, die aanwezig zijn om de voornoemde verantwoordelijkheid te kunnen dragen.

Afstemming met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het Europese veiligheidsbeleid geschiedt in de hierboven genoemde fora en op bilaterale basis.

104

Is de geringe aandacht voor de Europese veiligheids- en defensie-identiteit in de Hoofdlijnennotitie een weerspiegeling van de geringe politieke betekenis die de regering hieraan hecht? Kan de regering aangeven hoe de geest en de inhoud van de St. Malo-verklaring doorwerkt in haar beleid? (pag. 16)

Zie het antwoord op vraag 99.

105 en 106

In de Hoofdlijnennotie wordt gesteld dat de Nederlandse krijgsmacht operationeel in staat moet zijn tot het gelijktijdig deelnemen aan vier internationale missies op bataljonsniveau en dat deze inzet minstens drie jaar achtereen moet kunnen worden volgehouden. Acht de regering de termijn van drie jaar realistisch gezien de ervaringen in Bosnië en de uitspraak van de regering dat aanwezigheid van buitenlandse troepen nog wel twintig jaar kan duren? Betekent dit tevens dat voor vier missies personeel en materieel achter de hand gehouden moet worden ter aflossing? Betekent de noodzaak om aflossing paraat te hebben dat deze aflossing met betrekking tot materieel, personeel en taken vergelijkbaar moet zijn met de troepen die zij zouden moeten aflossen? Denkt de regering met de voorgestelde inrichting van de Nederlandse krijgsmacht deze pretentie te kunnen waarmaken? (pag. 16, 17)

Nederland zou aan vier missies tegelijk moeten kunnen deelnemen. Aangezien de ervaring leert dat die missies vaak langer duren dan de drie jaar die de regering voorziet, moeten voor elke eenheid vier of vijf eenheden ter aflossing achter de hand worden gehouden. Welke druk legt dit op de werving van nieuw personeel en welke gevolgen heeft dit voor de werkdruk van militairen? Aangezien voor deze missies behalve personeel ook materieel voor langere tijd in het buitenland zal zijn gestationeerd, rijst de vraag wat de gevolgen hiervan zijn voor het paraat hebben van troepen voor andere activiteiten dan vredesmissies. Welke gevolgen zouden het uitvoeren van vier missies tegelijkertijd hebben op de capaciteit om met het resterende materiaal nog voldoende te oefenen? (pag. 17)

De termijn van drie jaar wordt gehanteerd als planningsrichtlijn. Dit neemt niet weg dat een langere termijn mogelijk is. Door een goede afstemming van de specifieke voorbereidingen voor uitzending en het reguliere oefen- en trainingsprogramma wordt het effect op de werkdruk tot een minimum beperkt.

Voor deelneming aan vredesoperaties wordt de systematiek gehanteerd dat eenheden zich voorbereiden op een uitzending, uitgezonden kunnen worden en vervolgens recupereren; zie hierover tevens het antwoord op vraag 97. Na uitvoering van de maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie is de krijgsmacht nog beter toegerust voor deze taken. Een en ander heeft geen effect op de werving.

107

Is het mogelijk om in geval van een vijfde crisisgebied nog enkele middelen of manschappen (modules) beschikbaar te stellen indien er een beroep op Nederland wordt gedaan?

Ja. Zoals in de Hoofdlijnennotitie (blz. 17) is uiteengezet is de krijgsmacht en haar personeel voldoende flexibel om in aanvulling op de vier operaties van bataljonsgrootte ook eenheden van kleinere omvang of individuele militairen uit te zenden.

108

Binnen de NAVO kan een grotere samenwerking tussen de Europese bondgenoten ontstaan. Nu al is er sprake van samenwerking tussen landen. In hoeverre kan men nu al spreken over taakspecialisatie tussen landen? Als militaire bijdragen (pag. 15) aan multinationale verbanden kunnen worden gezien als modules die goed inpasbaar moeten zijn in een groter geheel, is er dan al niet een proces gaande in Europa dat in de richting van taakspecialisatie gaat? Hoe moet in dit licht de conclusie (pag. 23) worden gezien dat eenzijdige stappen het internationale overleg over taakspecialisatie schaden? (pag. 17)

Zie het antwoord op vraag 38.

109

Op welke wijze wil Nederland de defensiesamenwerking met andere Europese landen bevorderen? (pag. 17)

Zie het antwoord op vraag 99.

110

Hoe kan een parate brigade worden ingezet voor een vredesafdwingende operatie als een deel van deze eenheid mobilisabel is? (pag. 17)

Bij de inzet van een brigade voor een vredesafdwingende operatie wordt ervan uitgegaan dat die inzet eenmalig is en voor de periode van maximaal één jaar. Binnen het parate deel van iedere gemechaniseerde brigade zijn de meeste elementen aanwezig voor een dergelijke operatie. Om de in te zetten brigade op volledige sterkte te brengen moet de brigade worden versterkt met parate eenheden uit de andere brigades. Ook is versterking met parate elementen van legerkorps- en/of divisietroepen noodzakelijk.

111 en 112

«In het kader van genoemde hoofdtaken moet de Nederlandse krijgsmacht... operationeel in staat zijn tot... de opbouw in een aantal jaren tot een krijgsmacht van grotere omvang als zich ooit een dreiging zou ontwikkelen van een groot conflict of een grootscheepse bedreiging van het NAVO-verdragsgebied.» Betekent dit concreet dat de Krijgsmacht in de komende jaren groter moet worden met het oog op genoemde dreiging, of pas dan groter moet worden als de kans op zo'n grote aanval groeit? Wat wordt bedoeld met «operationeel in staat zijn tot»? Het uitbreiden van de Krijgsmacht is toch een kwestie van het vrijmaken van extra middelen daarvoor? (pag. 17)

Op welke wijze kan er in een aantal jaren een opbouw plaatsvinden tot een krijgsmacht van grotere omvang? Kan de dienstplicht dan weer ingevoerd worden en is dit gewenst? (pag. 17)

Op basis van door de regering en het parlement te nemen besluiten kan de omvang van de krijgsmacht worden uitgebreid door het paraat stellen van reserve-eenheden. Daarbij wordt in eerste instantie een beroep gedaan op reservisten, zoals vermeld in de Nota Reservistenbeleid (Kamerstuk 24 400 X, nr. 104). De Wet voor het reservepersoneel bepaalt onder welke voorwaarden deze groep personeel wordt opgeroepen.

In de Memorie van Toelichting bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden is met voorbeelden aangegeven wanneer hiertoe kan worden overgegaan. Daarbij is vooral de vraag belangrijk of sprake is van «buitengewone omstandigheden». Zolang niet in voldoende mate wordt beschikt over reserveplichtig beroepspersoneel zal worden teruggevallen op personeel uit de laatste lichtingen dienstplichtigen. Voor een activering van de opkomstplicht is de procedure beschreven in de Kaderwet dienstplicht; een dergelijk besluit treedt eerst in werking na instemming van Tweede en Eerste Kamer.

113

Aan welke concrete situaties wordt gedacht bij de mogelijkheid een brigade in te zetten? Hoe verhoudt zich dit tot de «module» formule? Is bij de inzet van een complete brigade het gevaar niet aanwezig dat Nederland alleen staat voor bepaalde deeltaken en aan haar lot wordt overgelaten? (pag. 17)

Inzet van een gehele brigade is voorzien als Nederlandse bijdrage aan een vrede-afdwingende operatie. De brigade kan in dit laatste geval worden beschouwd als een module in een groter internationaal verband. Crisisbeheersings- of vredesoperaties zullen immers altijd in multinationaal verband worden uitgevoerd. De staf van de brigade kan ook worden gezien als een module, net als de bataljons en zelfstandige eenheden van de brigade. Al die modules zijn in te passen in multinationale verbanden.

114

Welke veranderingen zijn nodig om beter te kunnen optreden tegen terroristische acties? Hoe ligt hierbij de taakverdeling tussen politie en krijgsmacht? Is er een samenwerking en/of een dubbeling van structuren en middelen? (pag. 17)

Zie antwoord op vraag 60.

115

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesproken over een aantal civiele taken die door de krijgsmacht zouden kunnen worden uitgevoerd. Kan worden aangegeven hoe de kostenverdeling met betrekking tot deze civiele taken zijn beslag zal krijgen? (pag. 17, 18)

Op dit gebied wordt overleg gevoerd tussen de betrokken departementen. Bij dit overleg zal tevens het onderwerp van kostenverdeling aan de orde worden gesteld. In de Defensienota wordt nader op deze problematiek ingegaan. Zie de antwoorden op de vragen 119 en 122.

116

Gezien de inzet bij rampen elders in de wereld niet alleen van de Nederlandse krijgsmacht maar ook van militaire eenheden van bondgenoten, is het de vraag of op dit gebied niet meer internationale sturing en samenwerking mogelijk is (al dan niet in NAVO-verband) (pag. 18)

Internationale coördinatie van inzet van militaire capaciteit bij humanitaire noodsituaties geschiedt in eerste instantie door de Verenigde Naties, namelijk door de «Military Civil Defence Unit» van het «Office for the Coordination of Humanitarian Affairs».

In juni 1998 hebben de Navo-lidstaten in het kader van «Civil Emergency Planning» een coördinerende instantie opgericht, het zogenoemde «Euro Atlantic Disaster Response Coordination Center». Dit coördineert zonodig en ter aanvulling op andere inspanningen de bijdragen van de lidstaten aan rampenbestrijding.

117 en 126

Er zijn plannen om probleemjongeren op te vangen in militaire kazernes. Zal deze opvang structureel zijn? Gaat dat op basis van vrijwilligheid of is het in plaats van een straf? Bij wie ligt uiteindelijk de verantwoordelijkheid? Bestaat binnen Defensie genoeg pedagogisch inzicht om met probleemjongeren te werken? Zo ja, kan die ervaring en dat inzicht dan niet beter uitgeleend worden aan civiele organisaties? (pag. 18)

Het ministerie van Defensie staat open voor verzoeken van andere overheidsinstellingen om randgroepjongeren middels een militaire opleiding structuur in hun leven te bieden. Is er reeds sprake van dergelijke projecten? Zo ja, zou de regering hierover inlichtingen kunnen verschaffen? Wat is of wordt de status van jongeren in een dergelijke project (arbeidscontract, inzetbaarheid)? Vormen dergelijke projecten onderdeel van de wervingsactiviteiten van de Nederlandse krijgsmacht? (pag. 19)

Defensie is bereid op verzoek van andere overheidsinstellingen een scholingsprogramma te bieden aan jongeren die dreigen af te glijden naar de criminaliteit. Het doel van een dergelijk project is om deze jongeren door het bijbrengen van fysieke en sociale vaardigheden, werkstructuur en het geven van een deelopleiding in een gedisciplineerde omgeving, meer perspectief te bieden op reguliere arbeid en een volwaardige deelname aan het maatschappelijk leven. Eerdere scholingsprogramma's bij Defensie met een soortgelijke opzet voor randgroepjongeren in het begin van de jaren negentig zijn succesvol verlopen.

Voorop staat dat Defensie vanuit zijn maatschappelijke verant-woordelijkheid een bijdrage wil leveren aan de problematiek met betrekking tot zogenoemde randgroepjongeren. Het is dan ook geen wervingsproject en het streven is dus niet deze jongeren voor te bereiden op een baan bij Defensie.

Op verzoek van de gemeente Amsterdam zal op 12 april 1999 een eerste scholingsproject beginnen. Het project wordt verzorgd op het Opleidingscentrum Logistiek van de Koninklijke landmacht te Bussum. Daarbij krijgen zestien jongeren gedurende drie maanden een programma aangeboden waarbij civiel erkende diploma's lastechniek, bedrijfshulpverlening en computergebruik behaald kunnen worden en daarnaast ruim aandacht wordt besteed aan sociale vaardigheden en sport. De jongeren worden door de gemeente Amsterdam op basis van vrijwilligheid vanuit diverse hulpverleningstrajecten geselecteerd. Deelname wordt betrokkenen niet opgelegd als straf. De deelnemers zijn als cursist te gast bij Defensie en hebben met Defensie dus geen arbeidsrelatie. Zij worden opgevangen op een regulier opleidingsonderdeel. De doorstroom van deze jongeren naar een vervolgtraject (werk of voortgezette scholing) wordt door de gemeente Amsterdam verzorgd. De gemeente Amsterdam vergoedt aan Defensie de additionele kosten van het project.

Hoewel het defensiepersoneel grote ervaring heeft in het opleiden van jongeren, zal voor de pedagogische begeleiding uiteraard ook een beroep gedaan worden op civiele deskundigen. De gemeente Amsterdam betrekt hiertoe dan ook verschillende instanties (reclassering, politie, jeugdhulpverlening, arbeidsvoorziening) bij het project.

Als dit project voor de jongeren succesvol verloopt en de gemeente Amsterdam of andere overheidsinstanties opnieuw een beroep op Defensie doen, zal de mogelijkheid van een structureel aanbod van dergelijke projecten welwillend worden overwogen. Een voorwaarde daarbij blijft uiteraard dat ze inpasbaar moeten zijn in het normale opleidingsprogramma van Defensie.

118

Dreigt Defensie, ter legitimatie van haar budget en middelen, niet te veel taken te gaan verrichten die buiten haar eigenlijke kerntaken liggen? Is het voor wat betreft dergelijke taken niet verstandiger de betreffende middelen over te hevelen naar civiele organisaties? (pag. 18)

De taken die worden beschreven in de Hoofdlijnennotitie vloeien voort uit de analyse van de veiligheidssituatie. Voorts is een van de uitgangspunten bij het opstellen van de notitie geweest dat gestreefd dient te worden naar het efficiënt gebruik van overheidsmiddelen. Defensie is niet op zoek naar nieuwe taken, maar biedt de ter beschikking staande capaciteiten ter ondersteuning aan.

119

Welke personele en materiële capaciteit van de parate krijgsmacht is altijd minimaal in Nederland beschikbaar voor hulpverlening in geval van calamiteiten? Wordt bij de beschikbaarstelling voor vredesoperaties rekening gehouden met de middelen benodigd voor rampenbestrijding? (pag. 18)

In beginsel zijn alle in Nederland aanwezige eenheden van het parate deel van de krijgsmacht inzetbaar voor hulpverlening in geval van calamiteiten. Onder normale omstandigheden in vredestijd is deze capaciteit toereikend om in de behoefte aan militaire steun te kunnen voorzien.

Op dit moment is er alleen sprake van gegarandeerde minimale steun voor hulpverlening bij calamiteiten in geval van buitengewone omstandigheden en na mobilisatie. In zogenaamde bestuursafspraken tussen de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie is vastgelegd dat Defensie in dat geval rampenbestrijdingseenheden beschikbaar stelt voor het ondersteunen van civiele diensten. Op dit moment worden deze bestuursafspraken door een interdepartementale werkgroep herzien waarbij ook de mogelijkheid van nadere afspraken voor hulpverlening bij calamiteiten in vredestijd wordt onderzocht. Hierop zal in de Defensienota nader worden ingegaan.

Bij de beschikbaarstelling van eenheden voor vredesoperaties wordt geen rekening gehouden met middelen voor rampenbestrijding.

120

Worden er maatregelen genomen om te komen tot een Europese Kustwacht? Op welke wijze kan Nederland hiervoor haar expertise inzetten? (pag. 18)

In 1997 is samen met de beleidsverantwoordelijke ministeries bezien of de samenwerking tussen de diverse kustwachten van de EU-, Schengen- of Noordzee-landen zou kunnen worden versterkt. De conclusie was dat de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zeer divers is, zodat de vorming van een Europese kustwacht vooralsnog een brug te ver is. Dit neemt niet weg dat het wenselijk is te streven naar een intensivering van de samenwerking bij de rechtshandhaving in Europees verband. Defensie heeft in dit kader een ondersteunende rol door de taken van de Koninklijke marine in het verband van de Kustwacht en door de taken van de Koninklijke marechaussee. Een goed voorbeeld van de intensivering van samenwerking is de «Search and Rescue» (Sar). Regionale samenwerking is onderwerp van gesprek tijdens de Noordzee ministersconferenties.

121

Wat zijn de opvattingen van potentiële civiele partners over samenwerking met militairen? Volgens het arbeidscontract van medewerkers van Artsen zonder Grenzen is het verboden om welke samenwerking dan ook aan te gaan met militairen in welke situatie dan ook. Is de regering hiervan op de hoogte en hoe verwacht de regering dat AZG of andere NGO's reageren op voorstellen mee te werken aan Cimic. Wat vinden Nederlandse MFO's en NGO's daarvan, wat is de opstelling van het Rode Kruis met betrekking tot Cimic en wat zijn de ervaring met deze manier van werken in andere landen en in Nederland? Heeft het ministerie voor de interservice-eenheid ten behoeve van Cimic een civiele partner op het oog (en zo ja welke) of wordt dit een louter militaire eenheid? (pag. 18, 19)

Bij vredes- of humanitaire operaties is het van groot belang dat alle beschikbare beleidsinstrumenten – politiek, ontwikkelingssamenwerking, militair – coherent en geïntegreerd worden ingezet. Onder ontwikkelingssamenwerking worden zowel reguliere OS-programma's als noodhulp en rehabilitatiehulp verstaan. Civiel-militaire samenwerking beoogt vooral de daartoe noodzakelijke nauwe coördinatie tussen alle actoren te verzorgen. De taak van een militaire Cimic-eenheid ligt voornamelijk op het gebied van coördinatie en liaison. Hiertegen hebben, voor zover bekend, de humanitaire hulp-organisaties geen bezwaren; de ervaringen op dit gebied zijn in het algemeen positief. De samenwerking tussen Sfor-militairen en hulporganisaties in Bosnië is hiervan een goed voorbeeld.

Defensie heeft geen specifieke civiele partner op het oog. Wel werkt Defensie al geruime tijd samen met een aantal civiele hulporganisaties. Met het Nederlandse Rode Kruis heeft Defensie in 1996 een intentieverklaring voor samenwerking gesloten. Doel hiervan is de kwaliteit van de humanitaire hulp te verbeteren door middel van samenwerking bij opleidingen, personeelsuitwisseling, informatie-uitwisseling en wederzijdse steunverlening.

122

Bij nieuwe investeringen zal Defensie rekening houden met eisen die aan materieel moeten worden gesteld voor taken op het gebied van rampenbestrijding. Op welke wijze wordt hieraan invulling gegeven? Zijn de civiele taken alleen beperkt tot rampenbestrijding? (pag. 19)

Op basis van het Materieelprojectenoverzicht wordt interdepartementaal overleg gevoerd over eventueel civiel medegebruik van materieel door andere ministeries. Onderwerpen die daarin thans aan de orde zijn, betreffen onder meer de ontwikkeling en aanschaf van vercijferkaarten, militaire satellietcommunicatie en de vervanging wielvoertuigen. Met het oog op civiel medegebruik worden zo nodig – voor rekening van het betreffende departement – aanvullende eisen gesteld aan het materieel.

Op het gebied van de rampenbestrijding is een afzonderlijke interdepartementale werkgroep in het leven geroepen die de militaire bijstand bestudeert die Defensie kan bieden in gevallen waarin de civiele middelen tekort schieten. Hierin zijn de departementen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties, Welzijn, Volksgezondheid en Sport, Justitie en Defensie vertegenwoordigd. De werkgroep bestudeert alle mogelijke vormen van samenwerking tussen civiele autoriteiten en Defensie op het terrein van de (handhaving van de) openbare orde en veiligheid. De resultaten van deze werkgroep worden gebruikt voor de Defensienota en moeten tevens leiden tot vernieuwde bestuursafspraken tussen BZK en Defensie. Zie ook het antwoord op vraag 119.

123

Kan worden aangegeven hoe de kostenverdeling met betrekking tot Cimic zijn beslag zal krijgen? (pag. 19)

Defensie is voornemens de kosten van de eventuele oprichting van een Cimic-eenheid voor zijn te rekening nemen. Dit betreft (voorzieningen voor) een kerngroep van enkele tientallen militairen, die bij inzet naar behoefte kan worden uitgebreid tot een Cimic-groep. Bij inzet zullen de additionele exploitatiekosten ten laste worden gebracht van het artikelonderdeel vredesoperaties in de HGIS.

124

Wat wordt bedoeld met het leveren van een actieve bijdrage door Defensie aan het Integraal Veiligheidsplan? (pag. 19) Op welke wijze zal de samenwerking tussen de drie genoemde ministeries plaatsvinden? Bij wie ligt de aansturing als het gaat om het bestrijden van terrorisme en internationale misdaadorganisaties? Welke plaats neemt de BVD hierbij in?

In het Integraal Veiligheidsplan, dat binnenkort verschijnt, worden de kabinetsvoornemens ten aanzien van het bredere veiligheidsbeleid gepresenteerd. Bij het vergroten van de veiligheid in Nederland zijn vele instanties betrokken. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie werken elk vanuit de eigen verantwoordelijkheden samen met het ministerie van Defensie waar het de civiele taken van de krijgsmacht betreft (zoals beschreven in de Hoofdlijnen-notitie). Daarbij zijn onder meer de taken van de Koninklijke marechaussee van belang. In het Beleidsplan Nederlandse Politie dat in december 1998 is verschenen, zijn de landelijke beleidsthema's voor de politie aangegeven. Voorzover het Beleidsplan Nederlandse Politie betrekking heeft op de algemene politietaken is het ook van toepassing op de Koninklijke marechaussee.

Het bestrijden van terrorisme en internationale misdaadorganisaties behoort tot de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. De Binnenlandse Veiligheidsdienst is belast met de taken die haar ingevolge de wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten zijn opgedragen. Vanuit die wettelijke taakstelling houdt ook de Binnenlandse Veiligheidsdienst zich onder meer bezig met de bestrijding van terrorisme.

125

Zijn de beloften inzake het verlenen van ontwikkelingshulp aan burgemeesters in Bosnische dorpen die meewerken aan de terugkeer van de oorspronkelijke bevolking (Algemeen Dagblad, 18 februari 1999) een voorbeeld van de in de notitie bedoelde civiel-militaire samenwerking? Zo ja, zijn er duidelijke afspraken gemaakt over de samenwerking tussen de ministeries van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking? Zo ja, zouden hierover meer inlichtingen kunnen worden verschaft? (pag. 19)

De terugkeer van vluchtelingen en ontheemden naar hun oorspronkelijke woonplaats in Bosnië-Herzegovina is primair een taak van de UNHCR en de Hoge Vertegenwoordiger. Zonodig verleent Sfor assistentie bij de feitelijke terugkeer. Voorts draagt Sfor in het kader van civiel-militaire samenwerking bij aan de wederopbouw van Bosnië-Herzegovina. Het Nederlandse bataljon stelt zich hierin actief op. In de dorpen waar mensen terugkeren is de behoefte aan scholen, openbare en nutsvoorzieningen en andere faciliteiten het grootst. Het bataljon verleent assistentie bij het synchroniseren van subsidieaanvragen van lokale autoriteiten. Voorts is het bataljon betrokken bij kleinschalige herstelwerkzaamheden in het Nederlandse operatiegebied die door Ontwikkelingssamenwerking worden gefinancierd. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen het ministerie van Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken. De aanvragen voor dergelijke projecten worden door de ambassade in Sarajevo getoetst en goedgekeurd. Daarbij kan rekening worden gehouden met de door het bataljon aangegeven behoeften van lokale autoriteiten die de terugkeer van de oorspronkelijke bevolking actief bevorderen.

126

Het ministerie van Defensie staat open voor verzoeken van andere overheidsinstellingen om randgroepjongeren middels een militaire opleiding structuur in hun leven te bieden. Is er reeds sprake van dergelijke projecten? Zo ja, zou de regering hierover inlichtingen kunnen verschaffen? Wat is of wordt de status van jongeren in een dergelijke project (arbeidscontract, inzetbaarheid)? Vormen dergelijke projecten onderdeel van de wervingsactiviteiten van de Nederlandse krijgsmacht? (pag. 19)

Zie het antwoord op vraag 117.

127

Blijkens het gestelde in de Hoofdlijnennotitie vormt de inzet van militairen bij humanitaire noodsituaties (zoals in Afghanistan en Honduras) voor het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking een nuttige bron van informatie over de hulpbehoefte. Onderkent de regering gezien de ervaringen met UNscom ook de mogelijkheid dat humanitaire activiteiten van militairen gezien kunnen worden als een informatiebron voor militaire organisaties en militaire activiteiten in de toekomst? (pag. 20)

De regering is van mening dat in VN-verband uitgevoerde activiteiten, zoals de humanitaire hulpverlening en toezicht op de naleving van overeenkomsten, in beginsel niet mogen worden gebruikt om informatie te vergaren voor andere militaire activiteiten.

128

Is het denkbaar dat met betrekking tot de ontwikkeling van de «Cimic-capaciteit», samenwerking wordt gezocht met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? Is het daarbij denkbaar dat wordt bezien of eenheden van de politie eventueel daarin kunnen participeren? Ligt het daarnaast niet voor de hand om in Europees verband een «Cimic-capaciteit» te formeren, als onderdeel van het Europees veiligheidsen Defensiebeleid en in het verlengde van de afspraken die gemaakt zijn over de zgn. «Petersberg-taken»? (pag. 20)

Uitvoering van politietaken door de internationale gemeenschap kan belangrijk zijn voor duurzame vrede en stabiliteit in een ontwrichte samenleving. Meestal betreft dit een op zich staand onderdeel van een vredesoperatie. Een structurele bijdrage van Nederlandse politie-eenheden aan de Cimic-eenheid ligt niet voor de hand, omdat de taak van dergelijke eenheden niet vergelijkbaar is met die van de Cimic-eenheid. Wel dienen de activiteiten van de Cimic-eenheid goed te worden afgestemd op het werk van de lokale politie-autoriteiten in het operatie-gebied. Defensie wil de eenheid daarom zoveel mogelijk vullen met actief dienende militairen en reservisten. Voor schaarse, specialistische functies kan wellicht in individuele gevallen gebruik worden gemaakt van terzake deskundig personeel bij andere overheidsinstellingen of het bedrijfsleven. Hierover zullen goede afspraken moeten worden gemaakt met de betrokken werknemers en werkgevers. Overigens is wat betreft internationale rampenbestrijding al sprake van regulier overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het kader van de «Civil-Emergency-Planning».

De Cimic-capaciteit zal inzetbaar zijn in uiteenlopende internationale verbanden, zoals de VN, de Navo en de Weu. Inzet in Europees verband behoort derhalve tot de mogelijkheden, al zijn de inspanningen niet in eerste instantie hierop gericht. De Weu ontwikkelt op dit ogenblik beleid voor civiel-militaire samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met het beleid van de Navo terzake.

129

De bondgenootschappelijke strijdkrachten worden beter toegesneden op snel, flexibel en mobiel optreden bij lokale of regionale crises die zouden kunnen overslaan naar het NAVO-gebied. Kan de regering aangeven welke bondgenoten de inrichting van hun strijdkrachten aan het wijzigen zijn en op welke wijze dit gebeurt? Is het mogelijk om een overzicht te geven van de reorganisaties bij de NAVO-bondgenoten waarin de aard en de financiële gevolgen van de reorganisatie zijn opgenomen? (pag. 21)

Het overgrote deel van de bondgenoten heeft de laatste jaren de krijgsmacht gereorganiseerd. De strijdkrachten worden flexibeler en mobieler gemaakt met het oog op de nieuwe taken. Vaak is daarbij overgegaan tot opheffing of opschorting van de dienstplicht. Kleinere beroepskrijgsmachten uitgerust met moderne middelen beschikken over een grotere strategische en tactische mobiliteit.

Het Verenigd Koninkrijk heeft in juli 1998 de «Strategic Defence Review» gepubliceerd. Frankrijk, Italië en Spanje zijn bezig met de omvorming naar een beroepskrijgsmacht. In Duitsland, dat de dienstplicht niet heeft afgeschaft, heeft de regering een onderzoekscommissie benoemd die aanbevelingen moet formuleren voor het functioneren van de krijgsmacht in de huidige veiligheidscontext.

Vaak leidt herstructering tot de behoefte aan nieuwe investeringen. Deze spoort in veel gevallen niet met een dalende trend van de defensie-uitgaven. Een van de zorgen in de Navo is dat kwalitatief noodzakelijke verbeteringen worden uitgesteld vanwege bezuinigingen. De Verenigde Staten kennen voor het eerst sinds jaren weer een stijgende defensie-begroting.

130

Dienen de Luchtmobiele Brigade, de pantserinfanteriebrigades en het Korps Mariniers niet meer in onderlinge samenhang te worden gezien? Dienen deze eenheden elkaar niet naadloos te kunnen aflossen en dienen de bewapende helikopters niet ten behoeve van alle landgebonden eenheden te kunnen worden ingezet? (pag. 21)

Het Korps mariniers, de Luchtmobiele brigade en pantserinfanterie-eenheden hebben gemeen dat hun optreden gericht is op het land. Het Korps mariniers beschikt ook over amfibische capaciteiten, waarbij inzet te land vanuit zee het belangrijkste kenmerk is. Er bestaan overeenkomsten in uitrusting en tactisch optreden tussen Korps mariniers en de infanteriebataljons van de Luchtmobiele brigade. De pantser-infanteriebataljons van de gemechaniseerde brigades zijn zwaarder bewapende eenheden en treden ook anders op.

Op grond van de operationele taken en de internationale inbedding zijn er echter ook aanzienlijke verschillen in optreden, organisatie en uitrusting inclusief bewapening tussen eerder genoemde eenheden. Vooral de samenwerkingsverbanden stellen ieder hun specifieke eisen wat betreft training en opleiding.

Daar waar bij de uitvoering van operaties kan worden volstaan met een lichte infanterie capaciteit kunnen alle drie de soorten eenheden een relevante bijdrage leveren. Bij dat soort operaties kunnen zij elkaar dan ook naadloos aflossen; wel is soms aanvullende training en oefening nodig, bijvoorbeeld voor het gebruik van pantservoertuigen.

De bewapende helikopter kan ten behoeve van alle gevechtseenheden worden ingezet. Inzet in het hogere deel van het geweldsspectrum vergt echter een intensief en geïntegreerd opleidings- en trainingsprogramma zoals dat op dit moment bij de Luchtmobiele brigade geschiedt.

131 en 183

Er vindt een verschuiving plaats flexibele en mobiele inzet bij crises ten koste van de middelen van traditionele landsverdediging. Moet dat geen grotere consequenties hebben voor het Nationaal Commando? Wat is de rechtvaardiging van de eventuele handhaving van regionale commando's en de daarbij horende infrastructuren? (pag. 21)

Kan er een overzicht worden gegeven van alle functies bij het Nationaal Commando? (pag. 27)

In de Defensienota wordt nader ingegaan op de nieuwe structuur van het Nationaal Commando.

132

Hoe is meer precies de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de verschuiving naar meer in internationaal verband snel, flexibel en mobiel optreden ten koste van de middelen voor landsverdediging enerzijds en de gepresenteerde keuzen voor middelen en de omvang daarvan anderzijds? Passen het strategische verhaal en de uitwerking van middelen wel goed op elkaar? Is er niet teveel toegeschreven naar de bestaande situatie? (pag. 21)

Zie het antwoord op vraag 36.

133

Kan worden aangegeven hoe de bezuinigingen op de verschillende krijgsmachtdelen in financiële zin uitwerken? (pag. 21 e.v.)

De Hoofdlijnennotitie bevat geen gedetailleerde financiële uitwerking van de beleidsvoornemens. In hoofdstuk 5 wordt algemeen inzicht gegeven in een gedifferentieerde benadering, die uiteenlopende gevolgen heeft voor de verschillende beleidsterreinen. De voornemens hebben niet alleen betrekking op de structurele taakstelling van f 375 miljoen (de komende tien jaar ongeveer f 3,8 miljard). Op sommige terreinen wordt bezuinigd en op andere terreinen is er sprake van vernieuwing en intensivering. Het realiseren van nieuw operationeel beleid vergt de komende tien jaar ongeveer f 2,7 miljard. In totaal moeten daarom voor een bedrag van ongeveer f 6,5 miljard maatregelen worden genomen. Los daarvan moet de uit het Regeerakkoord voortvloeiende versobering van de Uitkeringwet gewezen militairen (UKW) – waarmee ongeveer f 0,8 miljard gemoeid is – worden uitgevoerd in een afzonderlijk traject.

Een deel van eerder genoemd bedrag van f 6,5 miljard wordt gevonden door met de Hoofdlijnennotitie samenhangende verkoopopbrengsten (ongeveer f 0,6 miljard). Door mogelijke samenvoeging van delen van materieeldiensten, mogelijke wijziging inzake de kosten van compensatie en verkleining van de omvang van technologisch onderzoek wordt ongeveer f 0,5 miljard gevonden. Het resterende deel (ongeveer f 5,4 miljard) wordt opgebracht door de in de notitie beschreven structurele maatregelen.

De in de Hoofdlijnennotitie gegeven financiële uitwerking is een momentopname gekoppeld aan de lopende planperiode van tien jaar. Omdat thans nog slechts een globaal beeld bestaat en sommige van de maatregelen financiële gevolgen hebben buiten de planperiode zou een toedeling naar de krijgsmachtdelen een nogal willekeurig beeld opleveren. Er is een schatting gemaakt van de financiële gevolgen (over een periode van tien jaar) van de maatregelen, die afzonderlijk zijn beoordeeld binnen het defensiebudget als geheel. De verdeling van de bezuinigingen over de krijgsmachtdelen is daarvan een gevolg en geen beleidsuitgangspunt. In de Defensienota worden de maatregelen voor de komende tien jaar meer in detail beschreven.

134 en 135

De Europese Defensie-industrie maakt een ontwikkeling door van herstructurering en concentratie. Wat zijn daarvan momenteel de consequenties voor de Nederlandse Defensie-industrie? Welke kansen en mogelijkheden ziet de Nederlandse regering voor «instandhouding en versterking» van de eigen Defensie-industrie? Is het Europees materieelagentschap-in-oprichting alleen bedoeld voor internationale afstemming van behoeften of krijgt het ook nog andere taken? (pag. 22, 41)

Is er inderdaad sprake van concentratie van de Defensie-industrie in Europa? Is er niet eerder sprake van herstructureringen waarin nationale belangen binnen Europa en in de verhouding tot de Verenigde Staten domineren? (pag. 22)

Het herstructurerings- en concentratieproces van de Europese defensie-industrie is vergelijkbaar met de ontwikkelingen die zich op dit gebied eerder hebben voorgedaan bij de Amerikaanse industrie. De gevolgen in Europa zijn nog niet in volle omvang te overzien. Recente ontwikkelingen in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk laten zien dat herstructurering in eerste aanleg geschiedt in een nationale context. De gecompliceerde eigendomsverhoudingen in deze industriële sector in Europa en daarbuiten leidt er evenwel toe dat belangenbehartiging niet meer langs nationale lijnen verloopt. De ontwikkelingen in de Europese landen met een grote defensie-industriële sector zullen van beslissende invloed zijn op de uitkomst van het lopende proces van herstructurering.

De Nederlandse defensie-gerelateerde industrie wordt gekenmerkt door een beperkte omvang, een beperkte diversiteit en concentratie in de private sector. Vooral vanwege dit laatste zal de Nederlandse overheid voornamelijk in een ondersteunende rol haar invloed op het herstructureringsproces moeten laten gelden. Het doel is en blijft bestaande (technologische) «niche»-posities optimaal te benutten en te handhaven. In dit opzicht liggen er mogelijkheden voor de Nederlandse industrie door aansluiting te blijven zoeken bij de Europese herstructurering, zonder overigens de kansen elders uit het oog te verliezen.

Het materieelagentschap Occar is belast met de gemeenschappelijke ontwikkeling en productie van defensiematerieel. Op termijn zal dit mogelijk kunnen leiden tot verdere afstemming van de materieelbehoeften van de deelnemende landen.

136, 137, 138 en 139

Is het streven intensiever om met zoveel mogelijke landen samen te werken of juist met enkele landen? Wat zijn de overwegingen daarbij? (pag. 22)

Tot dusver is internationale taakspecialisatie een moeilijk begaanbare weg gebleken. Kan de regering aangeven welke argumenten een rol spelen bij de gedachte dat internationale taakspecialisatie de komende jaren wellicht bespreekbaar wordt? (pag. 22)

Speelt de NAVO een rol in het kader van de discussie over de taakspecialisatie en zo ja, welke? (pag. 22)

Welke andere landen tonen zich niet enthousiast over taakspecialisatie? Hoe beoordeelt de regering de belangrijkste motieven van deze landen? (pag. 22)

Taakspecialisatie houdt in dat landen onderling afspreken zich te concentreren op bepaalde capaciteiten en die mede aan andere landen ter beschikking te stellen. Een voorwaarde is dat de samenwerkende landen in het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid overeenstemmen en dat zij gezamenlijk deelnemen aan militaire operaties. Echte taakspecialisatie is een zaak van lange adem. Het betekent overigens ook dat voor bepaalde capaciteiten altijd een beroep moet worden gedaan op bondgenoten en dat geen garantie bestaat voor levering van die capaciteiten.

Voor de komende jaren zijn de volgende ontwikkelingen van belang:

– de wederzijdse afhankelijkheid neemt toe, zowel in Europa als mondiaal. Nationale belangen vallen vaak samen, met een groeiende kans op gezamenlijke inzet;

– in de geïndustrialiseerde wereld nemen in het algemeen de defensie-uitgaven af. Dit vergroot de behoefte aan verdergaande samenwerking;

– om hun technologische kennis op peil te houden zijn kleinere krijgsmachten aangewezen op nauwe samenwerking met anderen.

De Navo biedt bij uitstek een kader voor verregaande internationale samenwerking en voor afstemming van capaciteiten. Hieraan wordt ook aandacht besteed in het Navo-planningsproces. Een voorbeeld is het Awacs-programma, dat te duur is voor aanschaffing door afzonderlijke landen.

140

Welke andere drastische ingrepen in de operationele capaciteit van de krijgsmacht zijn overwogen? (pag. 23)

Overwogen is onderdelen of diensten volledig op te heffen. Daarnaast is bezien of het in het in het licht van de internationale veiligheidssituatie en uit budgettaire overwegingen gewenst zou zijn het aantal fregatten en gevechtsvliegtuigen verder te verminderen dan nu in de Hoofdlijnennotitie is voorgesteld. Ook is een verdere verkleining van de mobilisabele component van de landstrijdkrachten overwogen. Om redenen die in de Hoofdlijnennotitie zijn uiteengezet, is van genoemde ingrepen afgezien. Zie met betrekking tot de mobilisabele component ook het antwoord op vraag 20.

141 en 142

Het aantal fregatten van de Koninklijke marine wordt teruggebracht van zestien naar veertien. Kan dit aantal onderbouwd worden en welke taken worden niet meer vervuld door het afstoten van twee fregatten? (pag. 23)

Waarom wordt het aantal patrouillevliegtuigen van de MLD niet terug gebracht naar zeven in plaats van tien? (pag. 23)

Zie antwoord op vraag 4.

143

Welke operationele redenen bestaan er, in het licht van de analyse van de veiligheidssituatie en de keuze voor crisisbeheersing als kerntaak van het Defensiebeleid, om de Onderzeebootbestrijdingstaak te behouden? (pag. 23)

De onderzeebootbestrijdingstaak is primair een defensieve taak. Gezien het vermogen om onzichtbaar te opereren en de beperkte opsporingsmogelijkheden is de onderzeeboot een belangrijke dreiging ter zee. Daarom moeten alle militaire eenheden op zee in staat zijn zichzelf tegen een onderzeeboot te beschermen. Ook koopvaardijschepen moeten tegen deze dreiging beschermd worden. Met deze taken is de Onderzeedienst belast.

144 en 198

Op grond van welke gezamenlijke behoeftestelling en onderlinge afstemming binnen de NAVO wordt nu de mogelijkheid bestudeerd om de vier LCF-fregatten uit te rusten voor de verdediging tegen ballistische raketten? (pag. 23)

Welke andere, enigszins met Nederland vergelijkbare, Europese landen geven prioriteit aan theatre missile defence en extended air defence? Waarom wil Nederland als relatief klein land een substantiële bijdrage leveren? (pag. 29)

De Navo stelt momenteel een stafdoelstelling op voor verdediging tegen ballistische raketten. Deze stafdoelstelling zal medio 1999 gereed zijn en omvat zowel de verdediging op lage hoogte als op grote hoogte. Het is de bedoeling dat daarna een «feasibility» studie wordt begonnen die in 2004 zal worden afgerond. Hierna dient besluitvorming plaats te vinden hoe dit project wordt vervolgd en waaruit de bijdrage van de verschillende Navo-bondgenoten zal bestaan.

Gezien de urgentie van de dreiging zijn Nederland en Duitsland bezig met het ontwikkelen van systemen voor de verdediging tegen ballistische raketten op lagere hoogte. Daarbij is van belang dat alleen deze landen, naast de Verenigde Staten, beschikken over het Patriotsysteem. In beginsel bestaat ook de mogelijkheid de LCF-fregatten een vergelijkbare capaciteit te geven. Nederland wil op dit gebied een redelijke bijdrage leveren. Dit past in het streven naar internationale inpasbaarheid en concentratie op gebieden waar sprake is van bondgenootschappelijke tekortkomingen.

Zie ook het antwoord op de vragen 10, 83, 84 en 89.

145

Kan de Nederlandse behoefte aan Combat search and rescue nader worden onderbouwd? (pag. 23)

Het uitvoeren van «Combat Search and Rescue» (CSar) tijdens een internationale operatie is een verantwoordelijkheid van de desbetreffende internationale troepenmacht. De behoefte aan een capaciteit voor de redding van geïsoleerd en bedreigd personeel, bijvoorbeeld vliegtuigbemanningen die gedwongen zijn hun vliegtuig boven vijandelijk gebied te verlaten, wordt door een groeiend aantal Navo-landen onderkend. Nederland heeft niet de intentie zelfstandig een CSar capaciteit te ontwikkelen, maar zal in voorkomend geval met bestaande middelen een bijdrage leveren aan CSar operaties.

146

Waarop baseert de regering de stelling dat eenzijdige taakafstoting de reputatie van de krijgsmacht zou schaden en acht zij om die reden taakafstoting onwenselijk? (pag. 23)

Zie het antwoord op vraag 38.

147 en 151

Waarom hebben de veranderde veiligheidsomstandigheden – in tegenstelling tot de taak van de marine patrouillevliegtuigen – geen invloed op de omvang van een Onderzeedienst, die is afgestemd op de periode van de Koude Oorlog? Waarom wordt bij de Onderzeedienst wel rekening gehouden met kapitaal-vernietiging en bij de Leopard 2 niet? (pag. 23)

Wat is er tegen kapitaalvernietiging van materiaal dat niet meer nodig is? Is het in bedrijf houden van overbodige kapitaalgoederen uiteindelijk geen grotere vernietiging? (pag. 23)

De onderzeedienst met haar vier onderzeeboten is een integraal onderdeel van de Koninklijke marine. Onderzeeboten zijn, al dan niet in combinatie met vlooteenheden, van belang in vrijwel alle maritieme scenario's. Het afstoten van de onderzeedienst betekent dat steeds een beroep op een bondgenoot moet worden gedaan zonder dat er een garantie is dat deze de benodigde capaciteit kan leveren. In de Hoofdlijnennotitie is ervoor gekozen de taak van de onderzeedienst niet af te stoten. Voorts is in de Hoofdlijnennotitie in algemene zin gesteld dat kapitaalvernietiging een criterium is dat wordt meegewogen bij het vraagstuk van taakspecialisatie. Als een taak volledig zou worden beëindigd en het materieel dus niet meer nodig is, zal in beginsel altijd worden overgegaan tot afstoting van het desbetreffende materieel.

148

Wat is er tegen eenzijdige taakspecialisatie? Er van uitgaand dat Nederland alleen geen rol kan spelen, noch in de landsverdediging noch bij internationale operaties, zou toch gekozen kunnen worden voor de ontwikkeling van enkele sterke taken, onder afstoting van andere? Bepaalde modulen kan Nederland dan prima leveren, andere niet. Dit kan de internationale discussie over taakspecialisatie toch juist stimuleren, in plaats van schaden? (pag. 23)

Zie het antwoord op vraag 38.

149

Op pagina 7 werden 3 criteria genoemd waarnaar gekeken moet worden bij de invulling van de taken van de krijgsmacht. Waarom worden daar voor de Koninklijke marine (marineluchtvaartdienst, onderzeebootvloot) andere criteria aan toegevoegd, zoals het vooruitlopen op taakspecialisatie, kapitaalvernietiging en de reputatie en goede naam van de krijgsmacht? (pag. 23)

Volgens de Hoofdlijnennotitie krijgen middelen die kunnen worden gebruikt voor alle hoofdtaken voorrang. Deze overweging is maatgevend voor de inrichting van de krijgsmacht. De Hoofdlijnennotitie spreekt in dit verband niet over criteria. Wel wordt in de notitie uiteengezet dat deze benadering leidt tot een grotere nadruk op paraatheid, inzetbaarheid, flexibiliteit, mobiliteit en internationale inpasbaarheid van eenheden. Daarmee is geenszins de rigide intentie uitgesproken middelen af te stoten die niet voor alle drie de hoofdtaken geschikt zijn. Voor een nadere afweging van mogelijkheden tot afstoting van middelen zijn meer criteria nodig. Die worden genoemd op blz. 23 van de notitie. Deze gelden voor alle krijgsmachtdelen.

150

Waarom dient beëindiging van taken in beginsel gepaard te gaan met intensivering van andere activiteiten? Er kan toch ook besloten worden dat bepaalde taken niet meer nodig zijn? (pag. 23)

Zie het antwoord op vraag 38.

151

Wat is er tegen kapitaalvernietiging van materiaal dat niet meer nodig is? Is het in bedrijf houden van overbodige kapitaalgoederen uiteindelijk geen grotere vernietiging? (pag. 23)

Zie het antwoord op vraag 147.

152

In de notitie wordt gekozen voor een Koninklijke marine die een volwaardig aandeel kan leveren in de maritieme eskaders en verbanden van de NAVO. Wat zijn de argumenten die aan deze keuze ten grondslag liggen? Waarom geldt dit specifiek voor de marine en niet voor de andere krijgsmachtdelen? (pag. 23)

De regering kiest voor het inbedden van de gehele Nederlandse krijgsmacht in internationale verbanden, zowel voor artikel-5 als voor niet-artikel-5 operaties. Hierbij levert de krijgsmacht modules die worden ingepast in een groter geheel van bijdragen van andere landen. Dit uitgangspunt geldt voor alle krijgsmachtdelen en dus niet alleen voor de Koninklijke marine.

153, 154, 157, 164 en 170

Wat zijn de taken van de Onderzeedienst in toekomstige vredesmissies en wat zijn de kosten voor het instandhouden van zo'n onderzeedienst? Hoeveel zou het ministerie besparen door de Onderzeedienst op te heffen? Hoeveel zouden de onderzeeboten bij verkoop opbrengen? (pag.§23)

Nu de taak van maritieme patrouillevliegtuigen bij de onderzeebootbestrijding boven de Atlantische oceaan aanzienlijk is verminderd, is het dan niet mogelijk de MLD op te heffen? Zo nee, waarom niet, welke (nieuwe) taken heeft/krijgt de MLD en rechtvaardigt dat het behoud van tien maritieme patrouillevliegtuigen? (pag. 23)

Bij de bespreking van internationale taakspecialisatie worden grote bezwaren genoemd tegen het opheffen van de Onderzeedienst en de MLD of het voorstellen van andere drastische ingrepen in de operationele capaciteit van de krijgsmacht. Bij de bespreking van de Koninklijke marine blijft het specifieke belang van behoud van de Onderzeedienst onbesproken. Kan de regering een overzicht geven van het belang van de Onderzeedienst, waarin ook wordt ingegaan op huidige taken van de Nederlandse onderzeeboten, hun daadwerkelijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties, de mogelijkheden om bondgenootschappelijke onderzeeboten in te huren als oefenobject alsmede de financiële consequenties van het eventueel opheffen van de Onderzeedienst? Wanneer zouden investeringskosten moeten worden gemaakt ten behoeve van modernisering en vervanging van de huidige Nederlandse onderzeeboten? Kan een overzicht worden gegeven van de proliferatie sinds 1989 van onderzeeboten in de wereld?

Wanneer dient te worden beslist over een eventuele midlife update van de boten in de Walrusklasse? (pag. 24)

Sinds de Nederlandse krijgsmacht in 1993 crisisbeheersing, vredeshandhaving en hulpverlening als hoofdtaak kreeg, is ingrijpen door zwaargewapende landen/of luchtstrijdkrachten noodzakelijk gebleken. De Koninklijke marine werd ingezet in Cambodja en Bosnië, maar de mariniers deden dienst als infanterie, en voerden dus een taak uit van de Koninklijke landmacht. Verder is een enkele keer gepatrouilleerd ter controle van de naleving van embargo's. Wat is de rol van de Koninklijke marine (in internationaal verband) precies bij vredesoperaties? Wat is de rol in het bijzonder van de onderzeebootvloot? In hoeverre, gezien bovenstaand, is het behoud van de huidige 16 fregatten gerechtvaardigd? Waarom worden er maar 3 Orions afgestoten van de Marineluchtvaartdienst, gezien het huidige accent binnen internationale vredesoperaties dat veel meer gericht is op landoperaties? (pag. 24, 25)

De dreiging

In de Atlantische Oceaan is de dreiging van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakteschepen sterk verminderd. De risico's in (potentieel) onstabiele regio's, zoals de Balkan, het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn echter allerminst weggevallen. Omdat de Nederlandse krijgsmacht in de toekomst ook in die gebieden ingezet moet kunnen worden, dient ons land te beschikken over het vermogen zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten te bestrijden ter bescherming van de eigen maritieme middelen en transportschepen, alsmede van koopvaardijschepen. Bovendien is sinds de Koude Oorlog de prioriteit verschoven van oorlogvoering op de Atlantische oceaan naar operaties in kustgebieden zoals bij het voormalige Joegoslavië. In deze gebieden kan de opponent in de nabijheid van de (eigen) kust volstaan met relatief weinig en eenvoudige middelen, terwijl het opereren voor de eigen eenheden extra veeleisend is, onder meer door de grote dichtheid van het civiele lucht- en scheepvaartverkeer.

Rol van de Koninklijke marine

De marine speelt door presentie met eenheden een rol bij het ondersteunen van de diplomatie, bij het voorkomen van gewapend geweld en bij vredesoperaties. Marine-eenheden zijn bij operaties buiten Navo-verdragsgebied vaak als eerste ter plaatse, zonder dat de integriteit van het grondgebied in de desbetreffende land wordt geschonden. Als afschrikking onvoldoende is, kunnen marine-eenheden operaties op land direct beïnvloeden met wapens of door het (dreigen met) landen van ingescheepte mariniers. Daarnaast kunnen marine-eenheden onder meer met hun sensoren, wapensystemen, C2-mogelijkheden en met het strategisch transport een belangrijke bijdrage leveren aan de ondersteuning van operaties op het land.

De omvang van de Koninklijke marine is gericht op de inbreng van kleine, kwalitatief goede modules in internationale samenwerkingsverbanden. Als Nederland met de eenheden die het bijdraagt aan internationale coalities niet op een te laag organisatorisch niveau afhankelijk wil zijn van bondgenoten, moeten die eenheden in ieder geval zichzelf kunnen beschermen. De Koninklijke marine moet daarom nog steeds zelf kunnen beschikken over expertise en middelen voor de bestrijding van zowel onderzeeboten als oppervlakteschepen. Dit geldt zowel bij algemene (bondgenootschappelijke) verdediging als bij crisis-beheersings- en vredesoperaties.

De rol van de fregatten

Fregatten kunnen in het kader van vredesoperaties worden gebruikt om bescherming te geven aan maritieme verbanden. Dit kan een amfibisch verband betreffen, een konvooi van koopvaardijschepen, een vliegdekschip of een groep van mijnenbestrijdingsvaartuigen. Daarnaast kunnen fregatten zelfstandig op kleine schaal operaties uitvoeren. Zij kunnen zich snel verplaatsen en beschikken over een veelheid van wapensystemen, waaronder een helikopter. Bovendien is de bemanning van een fregat in staat om assistentie te verlenen. Bij de humanitaire hulpverlening in Honduras (1998) was bijvoorbeeld een fregat voor de kust nodig om de inzet van mariniers voor de hulpverleningsoperatie te leiden en logistiek te ondersteunen. Ook zijn er op de fregatten medische faciliteiten aanwezig.

De rol van de Orion maritieme patrouillevliegtuigen

Maritieme patrouillevliegtuigen leveren een essentiële bijdrage aan verkenningen boven, op en onder water. Daarom zijn ze onmisbaar voor zowel de bestrijding van oppervlakteschepen als de onderzeebootbestrijding. Bovendien neemt in de veelal kustgebonden operatiegebieden in het algemeen de behoefte aan waarnemingscapaciteit toe. Met geringe aanpassingen zijn de maritieme patrouillevliegtuigen bovendien in te zetten voor verificatiemissies boven land (Kosovo).

Het Orion maritieme patrouillevliegtuig is bovendien bruikbaar voor nationale taken met een breder maatschappelijk belang, zoals de kustwacht, de milieu-inspectie, de opsporing en redding en gewondenvervoer. De opsporings- en reddingsdienst (OSRD) op het Nederlandse deel van de Noordzee is een nationale verantwoordelijkheid. De Orions spelen hierbij een cruciale rol, in samenwerking met helikopters en fregatten. De behoefte aan maritieme patrouillevliegtuigen voor kustwachttaken en drugsbestrijding neemt toe. De permanente stationering van deze vliegtuigen in de Nederlandse Antillen en Aruba is hiervan een gevolg.

De rol van onderzeeboten

De omvang van de Onderzeedienst is met de Defensienota 1991 aangepast aan de situatie na het einde van de Koude oorlog en verkleind van zes onderzeeboten naar vier. Omdat Nederland beschikt over eigen expertise en oefenmogelijkheden met onderzeeboten kan het kwalitatief hoogstaande maritieme modules leveren die flexibel zijn in te passen in internationale verbanden. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 143.

Daarnaast zijn onderzeeboten geschikt voor het (onopgemerkt) verzamelen van inlichtingen, ook in gebieden die voor andere eenheden niet of slechts met aanvaarding van grote risico's toegankelijk zijn of waar het bekend maken van de aanwezigheid van eenheden niet gewenst is. Daarmee leveren onderzeeboten een bijdrage aan zowel de klassieke verdedigingstaak als crisisbeheersingsoperaties. De feitelijke inzet van onderzee-boten voor crisisbeheersingsoperaties is opgenomen in het overzicht in het antwoord op vraag 97.

In de Navo is er schaarste aan moderne conventionele onderzeeboten als oefendoel. Het leveren van onderzeeboten om mee te oefenen is daardoor niet alleen van belang voor Nederland, maar ook voor het bondgenootschap. Hierbij is sprake van wederzijds nut: door het beschikbaar stellen van onderzeeboten als oefendoel voor operationele zeetraining van bondgenoten, kan de Koninklijke marine gebruik maken van middelen van bondgenoten voor het opwerken van Nederlandse oppervlakteschepen.

De kosten van onderzeeboten

Bij de Onderzeedienst werken 364 mensen. De exploitatie van de Onderzeedienst bedraagt ongeveer f 60 miljoen per jaar. Hiertegenover staan de kosten die gemaakt moeten worden als Nederland niet over eigen onderzeeboten zou beschikken. De Koninklijke marine zou dan namelijk onderzeeboten in moeten huren voor het opwerken van oppervlakteschepen. De huidige oefenbehoefte legt beslag op minstens twee onderzeeboten per jaar.

De onderzeeboten van de Walrus-klasse zijn in de jaren 1990–1994 in dienst gekomen. Omstreeks 2009 is een moderniseringsprogramma voor deze boten voorzien. Vervanging is nog niet aan de orde. De opbrengst van een eventuele verkoop van de onderzeeboten is moeilijk te schatten.

Proliferatie

Sinds 1989 is het aantal onderzeeboten van de landen van de Navo (inclusief Nederland) en het voormalige Warschaupact afgenomen. In diezelfde periode is het aantal onderzeeboten van de landen daarbuiten echter met 27 stuks toegenomen tot 181. Hierbij is niet alleen de groei van het aantal boten, maar ook de geografische verspreiding ervan zorgwekkend. In totaal zijn er in de wereld 451 onderzeeboten. Naast de Navo beschikken de volgende landen over onderzeeboten: Albanië, Algerije, Argentinië, Australië, Brazilië, Bulgarije, Chili, China, Colombia, Cuba, Ecuador, Egypte, India, Indonesië, Iran, Israël, Japan, Joegoslavië, Kroatië, Libië, Noord-Korea, Oekraïne, Pakistan, Peru, Polen, Roemenië, Rusland, Singapore, Syrië, Taiwan, Venezuela, Zuid-Afrika, Zuid-Korea en Zweden. Een aantal van deze landen heeft dubieuze en/of instabiele regimes en ligt aan voor Nederland en de Navo vitale handelsroutes.

155, 156 en 167

De reorganisatie van de MLD wordt in samenhang gezien met de toekomst van het vliegkamp Valkenburg. Kan de regering nader inzicht in deze toekomst geven? Kan de MLD overgeplaatst worden naar Den Helder, welke infrastructurele maatregelen moeten dan worden genomen en welk effect zal deze overplaatsing hebben op de werkgelegenheid in de regio? (pag. 23)

Welke alternatieven zijn er voor het Koninklijk Huis en het Kabinet bij sluiting van vliegkamp Valkenburg? Is de regering bereid dit op korte termijn te onderzoeken en de resultaten aan de Kamer voor te leggen? (pag. 23)

Zijn reeds alternatieven bekend voor de stationering van de MLD? Is de vliegbasis Leeuwarden of Eindhoven een alternatief dat is overwogen? (pag. 24)

Overeenkomstig het Regeerakkoord onderzoekt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu alle consequenties van de ontwikkeling van Valkerhout als bouwlocatie. Tegelijkertijd worden in het kader van de herziening van de PKB structuurschema militaire terreinen alternatieven onderzocht voor de stationering van de Groep maritieme patrouillevliegtuigen (Marpat). Hierbij worden, naast handhaving van de huidige locatie op Valkenburg, alle overige militaire vliegvelden en enkele civiele velden beschouwd. Bij een eventuele verplaatsing van de Marpat zijn waarschijnlijk infrastructurele maatregelen nodig om te kunnen voorzien in onderhoudswerkplaatsen, hangaars en een geschikte start- en landingsbaan. Een eventuele verplaatsing zal een positief effect hebben op de werkgelegenheid in de regio van de nieuwe locatie. In de Defensienota wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.

Het kabinet sluit niet uit dat ook andere vliegvelden geschikt zijn of kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van het Koninklijk Huis.

157

Bij de bespreking van internationale taakspecialisatie worden grote bezwaren genoemd tegen het opheffen van de Onderzeedienst en de MLD of het voorstellen van andere drastische ingrepen in de operationele capaciteit van de krijgsmacht. Bij de bespreking van de Koninklijke marine blijft het specifieke belang van behoud van de Onderzeedienst onbesproken. Kan de regering een overzicht geven van het belang van de Onderzeedienst, waarin ook wordt ingegaan op huidige taken van de Nederlandse onderzeeboten, hun daadwerkelijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties, de mogelijkheden om bondgenootschappelijke onderzeeboten in te huren als oefenobject alsmede de financiële consequenties van het eventueel opheffen van de Onderzeedienst? Wanneer zouden investeringskosten moeten worden gemaakt ten behoeve van modernisering en vervanging van de huidige Nederlandse onderzeeboten? Kan een overzicht worden gegeven van de proliferatie sinds 1989 van onderzeeboten in de wereld?

Zie antwoord op vraag 153.

158

Wordt de aanschaf van de NH-90 verschoven van 2003 naar 2007? Kan er worden aangegeven hoe deze periode wordt overbrugd en wat de financiële consequenties hiervan zijn? (pag. 24)

Door het verschuiven van de vervanging naar het jaar 2007, moet de Lynx langer doorvliegen dan oorspronkelijk voorzien. Zoals meegedeeld in de beantwoording van de vragen over het Navo-helikopterproject NH-90 (Kamerstuk 25 928, nr. 3) worden de extra kosten ten gevolge van een verlenging van de levensduur van de Lynx voorlopig geraamd op ongeveer f 75 miljoen voor onder meer de vervanging van dynamische componenten die het einde van hun levensduur eerder bereiken dan het «airframe». Bovendien zullen de exploitatiekosten toenemen. Naar verwachting zal de groei van de exploitatiekosten maximaal f 8 miljoen per jaar bedragen.

159

In het licht van de bondgenootschappelijke behoefte aan strategische transportcapaciteit wordt gekozen voor de aanschaf van een amfibisch schip.

Bij de andere aanschaffingen of afstotingen wordt dit argument echter niet gebruikt. Kan de regering aangeven waarom alleen bij dit schip dit, op zich zeer plausibele, argument wel geldt en bij de andere niet? Zijn deze behoeftestellingen, aanschaffingen en afstotingen afgestemd met de andere bondgenoten? (pag. 24)

De bondgenootschappelijke defensie-inspanningen worden op elkaar afgestemd in het planproces van de Navo. De Hoofdlijnennotitie stelt dat er een grotere nadruk zal komen te liggen op de internationale inpasbaarheid van eenheden. Bij de keuze voor nieuw beleid heeft daarom, naast het vergroten van de inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht, voorop gestaan om waar mogelijk te voorzien in specifieke behoeften van het bondgenootschap. Zo is de uitbreiding van parate infanteriecapaciteit voornamelijk ingegeven door de wens om het voortzettingsvermogen juist op dat gebied te vergroten. Een tweede LPD past daar evenzeer in en voorziet in de bondgenootschappelijke behoefte aan meer strategische transportcapaciteit.

De in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde maatregelen zijn ter kennis gebracht van de Navo en de bondgenoten.

160

Over welke vliegtuigen beschikt de Duitse MLD en waar zijn deze toestellen gestationeerd? (pag. 24)

De Duitse MLD beschikt over: veertien Breguet Atlantic maritieme patrouillevliegtuigen, vier Breguet Atlantic elektronische verkenningsvliegtuigen en vier Dornier vliegtuigen voor milieucontrole- en transporttaken. Deze vliegtuigen zijn gestationeerd op het marinevliegkamp Nordholz.

161

Wanneer wordt het tweede bevoorradingsschip vervangen? (pag. 24)

Thans is voorzien dat de vervanging van het tweede bevoorradingsschip, de Hr.Ms. Zuiderkruis, begint in het jaar 2006. Het nieuwe schip zal omstreeks 2010 in de vaart komen.

162 en 165

Waarom kunnen de tien resterende Orion's en de daarbij behorende kustwachten crisisbeheersingstaken niet overgedragen worden aan de Koninklijke luchtmacht? (pag. 24)

Wat is er tegen om van de marine luchtvaartdienst een maritieme eenheid van de Koninklijke luchtmacht te maken, met uiteindelijk de mogelijkheid om in de materieelkeuze te werken met gewone en maritieme versies van vliegend materieel? (pag. 24)

Overdracht van middelen aan een ander krijgsmachtdeel moet worden getoetst aan zowel de operationele effectiviteit als de doelmatigheid. Ten aanzien van de operationele effectiviteit geldt dat de Marpat integraal deel uitmaakt van de Koninklijke marine. Overigens beheert de Koninklijke luchtmacht niet een overeenkomend vliegtuigtype, zodat de doelmatigheidswinst van overbrenging naar dit krijgsmachtdeel beperkt zou blijven. In de Defensienota wordt nader ingegaan op de in de Hoofdlijnennotitie vermelde voornemens met betrekking tot de Marine luchtvaartdienst.

163

Over hoeveel, en van welke type, schepen beschikt de Britse amfibische eenheid? (pag. 24)

De Britse marine beschikt over één helikoptercarrier, twee «Landing Platform Docks» (LPD), vijf «Landing Ship Logistic» (LSL) en drie «Roll on roll off»-transportschepen. De twee LPD's van de Fearless-klasse zullen rond 2003 vervangen worden door de Albion-klasse.

164

Wanneer dient te worden beslist over een eventuele midlife update van de boten in de Walrusklasse? (pag. 24)

Zie het antwoord op vraag 153.

165

Wat is er tegen om van de marine luchtvaartdienst een maritieme eenheid van de Koninklijke luchtmacht te maken, met uiteindelijk de mogelijkheid om in de materieelkeuze te werken met gewone en maritieme versies van vliegend materieel? (pag. 24)

Zie het antwoord op vraag 162.

166, 168 en 173

Wat is het nut en de noodzaak van het nieuwe amfibische transportschip? Het is nog nooit eerder gebruikt in vredesmissies. Bij het ontbreken van een vliegdekschip: met welke middelen (luchtsteun) zal een landing met het transportschip op een verre kust worden ondersteund? Hoe denkt de regering te voorzien in de beveiliging van het ATS, dat door deskundigen als een «sitting duck» wordt omschreven? (pag. 24)

Op welke wijze is tot nu toe gebleken dat één ATS onvoldoende is voor het uitvoeren van de taken van de Krijgsmacht? Wat wordt bedoeld met de «bondgenootschappelijke behoefte aan strategische transportcapaciteit» en is deze behoefte de laatste jaren gegroeid? (pag. 24)

Het eerste ATS heeft noch mariniers op een vijandelijke kust aan land gezet, noch aan crisisbeheersing, vredesoperaties of hulpverlening deelgenomen. Welke verwachtingen van operationele inzet rechtvaardigen een tweede ATS? (pag. 25)

De ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie onderstrepen het belang van strategische lucht- en zee-transportcapaciteit. De behoefte aan deze capaciteit voor de taakuitvoering en het gebruik van de krijgsmacht ter uitvoering en ondersteuning van de Nederlandse (respectievelijk Europese of bondgenootschappelijke) bijdrage aan vredebewarende of vrede-afdwingende operaties, is groot. Gebleken is dat er binnen de Navo tekorten zijn aan strategische transportmiddelen en dat huur van civiele middelen problemen oplevert of kan opleveren.

Eveneens is duidelijk dat bij de samenstelling van internationale ad hoc-coalities wordt verondersteld dat de deelnemende landen strategische transport voor de eigen eenheden (mens, materieel, logistiek, enz.) zelf leveren. Om niet onnodig beperkt te zijn in het aanbieden van militaire opties voor deelname aan operaties moet Nederland in beginsel zelf over de geschikte transportmiddelen beschikken.

Naast de rol op het gebied van strategische mobiliteit, vervult het «Landing Platform Dock» (LPD) een essentiële rol bij het merendeel van de maritieme operaties zoals die in de toekomst te verwachten zijn. Deze rol manifesteert zich bijvoorbeeld bij amfibische operaties, maar eveneens bij ondersteuning van mijnenbestrijdingsoperaties, bij de inzet als helikopterplatform in traditionele vormen van oorlogsvoering en bij de ondersteuning van maritieme interdictie-operaties (bijvoorbeeld een embargo). Ook kan het transportschip een hospitaalfunctie vervullen en een rol spelen bij het verlenen van humanitaire hulp en bij rampenbestrijding.

Als zich een dreiging voordoet, zal de Koninklijke marine optreden in internationaal verband. Indien nodig zullen daarin vliegdekschepen van bondgenoten ondersteuning leveren met luchtstrijdkrachten. Voorts wordt transport- en bevoorradingsschepen onder dreigingsomstandigheden steeds geëscorteerd door andere marine-eenheden.

Hr.Ms. Rotterdam is in 1998 in de vaart gekomen en zal medio 1999 operationeel gereed zijn. Er kan dus nog geen sprake zijn van uitgebreide operationele inzet. Dit schip is, hoewel nog niet volledig operationeel gereed, in december 1998 ingezet voor het transport ten behoeve van de Nederlandse bijdrage aan de «Extraction Force» in Macedonië.

Een tweede schip voor strategisch transport voorziet in de bondgenootschappelijke behoefte. De specificaties voor een dergelijk platform zijn nog in studie.

167

Zijn reeds alternatieven bekend voor de stationering van de MLD? Is de vliegbasis Leeuwarden of Eindhoven een alternatief dat is overwogen? (pag. 24)

Zie het antwoord op vraag 155.

168

Op welke wijze is tot nu toe gebleken dat één ATS onvoldoende is voor het uitvoeren van de taken van de Krijgsmacht? Wat wordt bedoeld met de «bondgenootschappelijke behoefte aan strategische transportcapaciteit» en is deze behoefte de laatste jaren gegroeid? (pag. 24)

Zie het antwoord op vraag 166.

169

Kan worden aangegeven waarom, ondanks de in de Hoofdlijnennotitie aangegeven «sterk verminderde dreiging» van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakte schepen, en de in verhouding tot de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke landmacht bescheiden bijdrage van de marine aan vredesoperaties, de hoeveelheid fregatten met slechts twee wordt verminderd? (pag. 24 e.v.)

Zie het antwoord op vraag 4.

170

Sinds de Nederlandse krijgsmacht in 1993 crisisbeheersing, vredeshandhaving en hulpverlening als hoofdtaak kreeg, is ingrijpen door zwaargewapende land- en/of luchtstrijdkrachten noodzakelijk gebleken. De Koninklijke marine werd ingezet in Cambodja en Bosnië, maar de mariniers deden dienst als infanterie, en voerden dus een taak uit van de Koninklijke landmacht. Verder is een enkele keer gepatrouilleerd ter controle van de naleving van embargo's. Wat is de rol van de Koninklijke marine (in internationaal verband) precies bij vredesoperaties? Wat is de rol in het bijzonder van de onderzeebootvloot? In hoeverre, gezien bovenstaand, is het behoud van de huidige 16 fregatten gerechtvaardigd? Waarom worden er maar 3 Orions afgestoten van de Marineluchtvaartdienst, gezien het huidige accent binnen internationale vredesoperaties dat veel meer gericht is op landoperaties? (pag. 24, 25)

Zie het antwoord op vraag 153.

171

Nederland wil vanwege het risico van kinderziekten niet het eerste land zijn dat de maritieme versie van het type NH-90 helikopters in gebruik neemt. Geldt een dergelijke redenering ook bij het in gebruik nemen van de JSF jachtvliegtuigen ter vervanging van de F-16's? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de regering dan duidelijkheid verschaffen over de Nederlandse deelneming in de EMD-fase van de ontwikkeling van de JSF? Welk gewicht kent de regering toe aan de mogelijke participatie van het Nederlandse bedrijfsleven in dit project, bij de beslissing hieraan deel te nemen vanaf de EMD-fase? Kan de regering, op basis van gegevens sinds de ingebruikname van de F-16's, een indicatie geven van hoeveel JSF's per jaar zullen komen te vervallen ten gevolge van ongevallen in vredestijd? (pag. 24, 28)

Op 9 april jl. ontving de Kamer de behoeftestelling inzake de vervanging van de F-16. Hierin wordt uiteengezet dat tijdens de gecombineerde voorstudie en studiefase informatie moet worden verworven voor een zorgvuldige besluitvorming over het type, het tijdstip van beslissen, de aantallen en de vraag of al dan niet wordt deelgenomen aan de ontwikkeling, nu of later, van een nieuw vliegtuig. Vervolgens zullen alle politieke, financiële, militaire en industriële aspecten in hun samenhang worden bezien. Op de vraag of wordt deelgenomen aan de EMD-fase van het JSF-project kan niet worden vooruitgelopen. Bij de politieke besluitvorming weegt de mogelijke participatie van Nederlandse bedrijven mee, maar staan voor Defensie de operationele eisen, de kosten – ook van deelname aan de ontwikkeling van een toestel – en de inpasbaarheid in internationale verbanden voorop. Ongeacht de keuze van het type jachtvliegtuig dat de F-16 zal vervangen, zal Nederland niet de eerste gebruiker van een dergelijk toestel zijn.

Er is nog geen indicatie te geven van de verliescijfers van de JSF, omdat dit toestel nog niet bestaat.

172

Welke infrastructurele voorzieningen zullen worden getroffen in Den Helder? (pag. 25)

Voor het paraat te stellen mariniersbataljon zijn naar verwachting nodig: legeringsaccommodatie, oefenfaciliteiten, kantoren, opslag- en magazijnruimte. De precieze aanpassingen van de infrastructurele voorzieningen in Den Helder zijn nog onderwerp van studie.

173

Het eerste ATS heeft noch mariniers op een vijandelijke kust aan land gezet, noch aan crisisbeheersing, vredesoperaties of hulpverlening deelgenomen. Welke verwachtingen van operationele inzet rechtvaardigen een tweede ATS? (pag. 25)

Zie het antwoord op vraag 166.

174 en 175

Welke rol spelen mobilisabele eenheden in het Duits-Nederlandse legerkorps? Wat zou een verdere verkleining van de mobilisabele reserve voor die samenwerking hebben? (pag. 25)

Is het Duits-Nederlandse legerkorps voldoende toegesneden op de verschuiving naar vredesoperaties en crisisbeheersing of is het vooral een samenwerkingsverband geënt op de meer traditionele gebiedsverdediging? (pag. 25)

Zie het antwoord op vraag 20.

176

Waarin verschillen de taken van het Korps Mariniers, het Korps Commandotroepen en de Luchtmobiele Brigade in het kader van crisisbeheersing? (pag. 25)

Het Korps commandotroepen is belast met de uitvoering van «special operations». Hierbij moet naast speciale verkenningen (het verzamelen van gedetailleerde, accurate informatie van strategisch of operationeel belang) worden gedacht aan directe operaties of acties (korte aanvallen, overvallen, eindgeleiding van laser gestuurde munitie, het gevangennemen van personen of het overmeesteren van specifiek materieel) door kleine groepen commando's.

In het kader van crisisbeheersingsoperaties levert het Korps mariniers een bijdrage door het op korte termijn beschikbaar kunnen stellen van mariniersbataljons en gevechtsondersteunende elementen. Deze bataljons zijn beperkt mobiel op de grond en hebben een betrekkelijk lichte uitrusting.

De Luchtmobiele brigade kan in het kader van crisisbeheersingsoperaties op korte termijn drie (luchtmobiele) infanteriebataljons en gevechtsondersteunende elementen leveren. Ook deze eenheden zijn mobiel, zowel op de grond als door de lucht, en hebben eveneens een lichte uitrusting. Van belang is dat de luchtmobiele bataljons zijn geoefend in het optreden in samenhang met de luchtcomponent van de brigade, de gevechts- en transporthelikopters. Het gaat daarbij niet alleen om het operationeel transport, maar ook om het uitvoeren van gevechtsacties.

Het belangrijkste verschil tussen het Korps commandotroepen en de andere twee eenheden betreft de kleine omvang van de in te zetten eenheden en het specialistische karakter van de taken. Het belangrijkste verschil tussen het Korps mariniers en de Luchtmobiele brigade is dat de eerste eenheid is gespecialiseerd in optreden van bataljons op de grens van land en water en laatstgenoemde eenheid, geïntegreerd met transport- en bewapende helikopters, gevechten op maximaal brigadeniveau kan uitvoeren.

177

Kan er een overzicht worden gegeven van alle ondersteunende eenheden bij het Korps Mariniers, het Korps Commandotroepen en de Luchtmobiele Brigade? (pag. 25)

Het Korps commandotroepen heeft geen eigen ondersteuningseenheden voor de gevechtssteun en op logistiek gebied.

Het Korps mariniers heeft binnen de eigen organisatie twee bataljons die voor (gevechts)steun en logistiek zorg dragen. In deze bataljons zijn onder andere logistieke, transport-, geneeskundige en mortiercompagnieën opgenomen.

In de Luchtmobiele brigade is de (gevechts-)ondersteuning toebedeeld aan (luchtmobiele) genie-, mortier-, bevoorradings-, herstel- en geneeskundige compagnieën. Uit doelmatigheidsoverwegingen worden voor de vredesbedrijfsvoering reeds enkele activiteiten gezamenlijk door de betrokken krijgsmachtdelen uitgevoerd. Het betreft onder meer mortieropleidingen en opslag, onderhoud en opleidingen voor het nieuwe gepantserd voertuig voor vredesoperaties «Patria».

178

Is reeds bekend welke invloed de vermindering van het aantal te bestellen NH-90's (met het oog op de twee af te stoten fregatten) heeft op de prijs per stuk? Zo ja, hoe hoog is deze? Leidt deze ontwikkeling tot een heroverweging of al dan niet de NH-90 zal worden aangeschaft? (pag. 25)

Er is geen sprake van vermindering van het aantal helikopters. Nog deze maand wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het NH-90-project.

179

Gaat het geheel paraat gestelde 4e mariniersbataljon beschikken over dezelfde middelen als de overige parate bataljons? Is dat reeds in de plannen verwerkt? (pag. 25)

De studie over de uitbreiding van het Korps mariniers is nog niet afgerond. In de Defensienota wordt op de resultaten ervan ingegaan.

180 en 181

Kan de regering de conclusie dat niet alle mobilisabele eenheden gemist kunnen worden nader omschrijven? (pag. 25)

Zijn er mogelijkheden mobilisabele eenheden geheel paraat, dan wel inzetbaar voor crisisbeheersingsoperaties te maken? (pag. 25)

Zie het antwoord op vraag 20

182

Op welke wijze zou de geniecapaciteit van de Koninklijke landmacht ingezet kunnen worden ter ondersteuning van het Korps Mariniers? (pag. 26)

De uitbreiding en reorganisatie van de geniecapaciteit van de Koninklijke landmacht vloeit voort uit de ervaringen van de laatste jaren. Door de uitbreiding wordt de flexibiliteit en het voortzettingsvermogen van de genie vergroot en beschikt de landmacht te allen tijde over genie-eenheden voor crisisbeheersingsoperaties en voor onmiddellijke inzet bij calamiteiten in Nederland of daarbuiten. Inzet ter ondersteuning van het Korps mariniers is in beginsel mogelijk.

183

Kan er een overzicht worden gegeven van alle functies bij het Nationaal Commando? (pag. 27)

Zie het antwoord op vraag 131.

184 en 185

Kan er een overzicht worden gegeven van alle functies bij het Korps nationale reserve? (pag. 28)

Kan aangegeven worden in welke mate de personeelsomvang van de NATRES verkleind wordt? (pag. 28)

In de Defensienota wordt nader ingegaan op de wijzingen met betrekking tot het Korps nationale reserve.

186

Wat betekent de opheffing van drie tankbataljons voor de taakstelling van het Duits-Nederlands Legerkorps? (pag. 28)

De taakstelling van het legerkorps wordt niet gewijzigd. De opheffing van drie tankbataljons heeft wel gevolgen voor de uitvoering van de taken. Met één tankbataljon per gemechaniseerde brigade is de slagkracht en de flexibiliteit afgenomen.

187, 188, 189 en 197

Is de Koninklijke luchtmacht met vijf squadrons F-16's in staat gedurende minimaal drie jaar een compleet squadron met achttien vliegtuigen uit te zenden? (pag. 28)

Waarop berust de verkleining van het aantal F-16's met één squadron? Waarom bij voorbeeld geen verkleining met twee of meer squadrons? Welke bezuiniging zou dit opleveren? (pag. 28)

Waarom wordt één squadron F-16 gevechtsvliegtuigen opgeheven als door de regering wordt gesteld dat «door ook voor de jachtvliegtuigen crisisbeheersingstaken en de ondersteuning van vredesoperaties aan belang hebben gewonnen»? (pag. 28)

Kan nader worden onderbouwd waarom een squadron F-16 wordt opgeheven, in het licht van de constatering dat de F-16 squadrons al gedurende zeven jaar een behoorlijke bijdrage leveren aan vredesoperaties? (pag. 29)

Een massale aanval op het Navo-gebied is, zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, weinig waarschijnlijk. Daarom kan de hiervoor benodigde capaciteit worden verminderd. Een en ander laat onverlet dat de F-16, dankzij zijn snelle inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit, zeer geschikt is voor zowel grootschalige conflicten als in crisisbeheersingsoperaties.

Bij het beoordelen van het aantal squadrons is van belang vast te stellen dat voor de uitzending van één squadron, er drie beschikbaar moeten zijn: één bereidt zich voor, één is uitgezonden, en één recupereert. In de praktijk is bovendien gebleken dat de uitgezonden eenheid moet worden versterkt uit andere squadrons, onder meer met extra piloten die het mogelijk maken gedurende de hele dag en nacht op te treden. Hiernaast dient capaciteit beschikbaar te zijn voor opleiding en training. Tenslotte is steeds een aantal toestellen niet beschikbaar wegens onderhoud. Het is immers van groot belang dat het personeel en materieel goed wordt voorbereid op de taken. Het verminderen van het aantal F-16 vliegtuigen en het opheffen van één squadron verhoogt, gegeven het gelijkblijvende ambitieniveau, het beslag op de squadrons, maar verbeterde bedrijfsvoering binnen de Koninklijke luchtmacht maakt het mogelijk de in de Hoofdlijnennotitie beschreven taken uit te voeren. In de Hoofdlijnennotitie is aangenomen dat de opheffing van één squadron f 50 miljoen oplevert.

190

Hoe verhoudt de forse vermindering van het mobilisabele Nederlandse tankbestand zich tot plannen van de NAVO en andere NAVO-landen als het gaat om het waarborgen van een zeker mobilisabel tankbestand? (pag. 28)

Er bestaan algemene Navo-richtlijnen voor de omvang en structuur van de eenheden belast met een taak in de collectieve verdediging. Die richtlijnen beschrijven capaciteiten waarover legerkorpsen, divisies en brigades dienen te beschikken. Zo is onder meer omschreven dat een divisie dient te beschikken over drie tot zes brigades en een brigade over drie tot vijf manoeuvrebataljons. Nederland bevindt zich met drie gemechaniseerde brigades in de divisie en drie bataljons in elke gemechaniseerde brigade daarmee nog binnen de grens van wat operationeel noodzakelijk wordt geacht.

Andere landen hebben ook tankeenheden in hun mobilisabel bestand, maar een objectieve vergelijking is onmogelijk. De desbetreffende aantallen moeten namelijk in samenhang worden bezien met de nationale doctrines, de overige anti-tank systemen in een eenheid en het aantal sub-eenheden binnen een eenheid. Daarom geeft de Navo geen specifieke richtlijnen voor het aantal tanks in bataljons.

191

Is de regering het eens met de constatering, dat militaire operaties buiten Nederland en andere facetten van het Nederlandse buitenlands beleid represailles voor het Nederlandse grondgebied kunnen opleveren in de vorm van terrorisme en mogelijke vergelding met massavernietigingswapens en raketten? Hoe verhoudt de voorgenomen verkleining van de NATRES zich tot deze constatering? (pag. 28)

Ja. De Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties kan in bepaalde situaties een verhoogde dreiging van terroristische aanslagen en het gebruik van massavernietigingswapens tegen het Nederlands grondgebied tot gevolg hebben. In vredestijd is bescherming hiertegen echter geen taak van het Korps Natres, maar van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. Dit laat onverlet dat Defensie in voorkomend geval op verzoek naar vermogen steun zal verlenen.

192

Hoeveel nieuwe vliegtuigen heeft de Koninklijke luchtmacht nodig voor de toekomstige taken, die de regering voor de krijgsmacht voor ogen heeft? Zal de Joint Strike Fighter de opvolger van de F-16 worden? Zo ja, hoe past deze keuze in het kader van het gestalte willen geven aan een materieelbeleid, dat zich meer richt op Europese samenwerking? (pag. 28)

Een besluit over de opvolger van de F-16 is nog niet aan de orde. De operationele behoefte aan een opvolger van de F-16 is uiteengezet in de zogenoemde A-brief die de Kamer in het kader van het Defensie materieel keuzeproces (DMP) op 9 april jl. werd toegezonden. Hierin worden de alternatieven genoemd, waarvan de JSF er een is. Bij de keuze van de opvolger van de F-16 zullen ook de mogelijkheden van internationale samenwerking worden meegewogen.

193

In het Materieelprojectenoverzicht 1999 wordt melding gemaakt van pogingen om 24 F-16's te verkopen. In stuk met nummer TK 25 673, nr. 3 wordt gezegd dat onder andere enkele PfP-landen belangstelling hebben getoond en dat met één van deze landen nog gesprekken lopen. Om welk land gaat het hier? Kan een nadere omschrijving worden gegeven van de plannen voor het opheffen van het 306-squadron op Volkel? Welke kansen zijn er op dit moment voor verkoop? Hoe groot is de kans dat voor 1 juli 1999 geen koper gevonden wordt en daarna begonnen wordt met ontmanteling van de eerste twaalf F-16's? (pag. 28)

Het is om redenen van commerciële en buitenlands politieke aard niet gebruikelijk gegevens te verstrekken over besprekingen over verkoop van overtollig materieel. Bij verkoop zal de Kamer in beginsel vertrouwelijk worden geïnformeerd. De mogelijkheid dat voor 1 juli 1999 geen koper zal worden gevonden voor twaalf niet meer luchtwaardige F-16's is reëel. In dat geval zal tot ontmanteling van deze vliegtuigen worden overgegaan. De inspanningen de overige F-16's te verkopen worden onverminderd voortgezet. De consequenties van het opheffen van het 306-squadron op Volkel worden nog bestudeerd en zullen in de defensienota worden toegelicht.

194

In hoeverre zijn de PAC-3 raketten effectief tegen kruisvluchtwapens? (pag. 29)

In de periode 2000–2001 worden de radars van de Patriot-systemen van de Koninklijke luchtmacht gemodificeerd waardoor de capaciteit om zeer kleine, laagvliegende doelen te detecteren wordt verbeterd. Voorts is van belang dat de geplande Patriot Pac-3 raketten zijn voorzien van een eigen doelvolgsysteem. Door beide maatregelen kan Patriot met de Pac-3 raketten effectief worden ingezet tegen onder meer kruisvluchtwapens.

195

Nu het EADTF midden 1999 van start kan gaan, kan de regering inlichtingen verschaffen over de zeggenschap over de inzet van deze task force en de commandostructuur die bij een concrete inzet daarvoor zal gelden? (pag. 29)

Medio 1999 wordt een trilateraal «Extended Air Defence Task Force» hoofdkwartier opgericht te Burbach (BRD). Dit hoofd-kwartier maakt geen onderdeel uit van de Navo-commando-structuur. In het kader van de EADTF wordt gestreefd naar een versterkte samenwerking inzake de voorbereiding van gezamenlijke oefeningen en de inzet van luchtverdedigings-systemen. Bij operationele inzet zullen de eenheden in bestaande commandostructuren (Navo, Weu, VN) worden ingebed. De Nederlandse regering blijft, overeenkomstig de daarvoor bestaande procedures, steeds verantwoordelijk voor de uitzending of inzet van genoemde systemen.

196

Er vindt onderzoek plaats naar de uitrusting van de LFC-fregatten van de Koninklijke marine voor de verdediging tegen ballistische raketten (aanpassing APAR-radar). Wanneer wordt hiertoe besloten, om welke kosten gaat het en hoe verloopt de samenwerking met Duitsland en de Verenigde Staten? Zijn nog andere landen geïnteresseerd in deelname? (pag. 29)

Zie het antwoord op vraag 10.

197

Kan nader worden onderbouwd waarom een squadron F-16 wordt opgeheven, in het licht van de constatering dat de F-16 squadrons al gedurende zeven jaar een behoorlijke bijdrage leveren aan vredesoperaties? (pag. 29)

Zie het antwoord op vraag 187.

198

Welke andere, enigszins met Nederland vergelijkbare, Europese landen geven prioriteit aan theatre missile defence en extended air defence? Waarom wil Nederland als relatief klein land een substantiële bijdrage leveren? (pag. 29)

Zie het antwoord op vraag 144.

199

Als 80% van de taken van de Marechaussee een civiel karakter heeft, is het dan niet beter die 80% onder te brengen bij de politie of samen te voegen met andere landelijk opererende politie-eenheden (bij voorbeeld op het gebied van vrouwenhandel, belastingdelicten en dergelijke)? (pag. 29)

De Koninklijke marechaussee voert sinds jaar en dag een groot deel van haar taken uit onder het gezag van civiele autoriteiten, in het bijzonder het Openbaar Ministerie en het ministerie van Justitie. Dit is voor de regering echter geen reden om de Koninklijke marechaussee onder te brengen bij of samen te voegen met de politie. De toegevoegde waarde van de Koninklijke marechaussee voor de uitvoering van haar taken, zoals deze zijn neergelegd in de Politiewet 1993, is voor een belangrijk deel juist gelegen in de militaire status en organisatie.

200

Voor het afschaffen van een squadron F-16 gevechtsvliegtuigen wordt (pag. 30) het argument gehanteerd van het verdwijnen van de acute dreiging van een massale aanval tegen het grondgebied van de NAVO. Vervolgens wordt echter vastgesteld dat juist deze vliegtuigen voldoen aan de nieuwe eisen van snelle inzetbaatheid, flexibiliteit en mobiliteit. Hoe verhouden deze twee opmerkingen zich tot elkaar?

Zie het antwoord op vraag 4.

201

Kan de regering aangeven wat de voortgang op interdepartementaal niveau is op het gebied van de verbetering van de huidige persoonlijke beschermingsmiddelen inzake de passieve verdediging? (pag. 30)

Op het gebied van passieve verdediging zijn oriënterende gesprekken gevoerd tussen Defensie, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met VWS is gesproken over de (medische) bestrijding van de gevolgen van de inzet van massavernietigingswapens. Met BZK is gesproken over de relatie met civiele verdediging. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan.

202

Kan de regering concreet duidelijk maken wat bedoeld wordt met de stelling dat «.... de huidige persoonlijke beschermingsmiddelen van Nederlandse militairen in een nucleaire, chemische en biologische omgeving toereikend zijn.»? Betekent dit dat Nederlandse militairen veilig kunnen opereren in een gebied dat getroffen is/wordt door nucleaire, chemische en/of biologische wapens? (pag. 30)

In beginsel wordt getracht te vermijden dat Nederlandse militairen moeten opereren in dat deel van het operatiegebied dat getroffen is door nucleaire, chemische en/of biologische wapens. Als dit toch noodzakelijk is, zal de NBC-uitrusting van de Nederlandse militairen in de meeste gevallen toereikend zijn om gedurende een beperkte periode te kunnen optreden. Defensie doet onderzoek naar maatregelen voor situaties waarin de NBC-uitrusting niet toereikend is.

203, 204, 205 en 211

Waarom wordt overwogen om de CDS tot opperbevelhebber aan te wijzen? Nederland levert toch modules aan ten behoeve van andere organisaties waarbij het operationeel commando uit handen wordt gegeven? Een situatie zoals in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten waar alle krijgsmachtdelen in de vorm van een geïntegreerde operatie deelnemen is voor Nederland toch niet aan de orde (pag. 31)

Leidt de benoeming van de CDS tot opperbevelhebber tot een hiërarchische verhouding ten opzichte van de bevelhebbers? Wat betekent dit ten aanzien van de aansturing van militaire operaties en het planproces? (pag. 31)

Wanneer zal de studie naar de omvang van de Centrale Organisatie en de staven worden afgerond? (pag. 31)

Waarom wordt gestreefd naar bundeling van steeds meer uitvoerende zaken onder de Chef Defensiestaf? (p.31) De (C)DS vervult toch primair een beleidsondersteunende functie ten behoeve van de bewindslieden en dient zich toch niet bezig te houden met uitvoering? (pag. 211).

Wat betreft de versterking van de positie van de Chef Defensiestaf is inmiddels bepaald dat deze voor de bewindslieden rechtstreeks aanspreekbaar is voor de aansturing van alle vredesoperaties. In de brief van 30 maart jl.over het functioneren van Defensie (Kamerstuk 26 237, nr. 3) wordt uitvoerig ingegaan op de leiding over vredesoperaties. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

Een en ander betekent overigens niet dat de CDS zich zal belasten met alle aspecten van de uitvoering. De vraag of de benoeming van de CDS tot opperbevelhebber gewenst is kan, zo stelt de Hoofdlijnennotitie, niet los worden gezien van het bredere, gecompliceerde vraagstuk van de verhouding tussen de krijgsmachtdelen en de centrale organisatie (CO). Die problematiek komt in de Defensienota aan de orde, in samenhang met de studie naar de omvang van de CO en de staven.

206

Hoe verloopt de integratie van de hogere opleidingen KIM, KMA en IDL? Op welke termijn wordt dit integratieproces afgerond? Wat betekent dit voor de huidige infrastructuur (gebouwen etc.) en de logistieke concentratie? (pag. 32)

Een projectgroep is belast met het onderzoek naar de mogelijke integratie van het Kim, de KMA en het IDL. De resultaten daarvan worden in de Defensienota meegedeeld.

207

«De uitgezonden militairen kunnen vaak door economische en sociale hulp een bijdrage leveren aan de wederopbouw van een door conflicten geteisterd gebied.» Op welke wijze zijn militairen in staat economische hulp te bieden? (pag. 32)

De economische hulp van Nederland bij wederopbouw wordt in beginsel geleverd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. De primaire taak van militairen is het handhaven van een veilige omgeving, hetgeen een belangrijke voorwaarde is voor civiele wederopbouw. Tevens kan het uitvoeren van de militaire taak «spin-off» effecten hebben die ten goede komen aan de wederopbouw. Dit betreft onder meer het herstel van infrastructuur of het ruimen van mijnen. In voorkomend geval kunnen militairen voorts een bijdrage leveren in de vorm van kleine wederopbouwprojecten, zoals het herstel van scholen en ziekenhuizen. Voorts kunnen de militairen op verzoek van civiele organisaties zoals de OVSE, UNHCR en lokale autoriteiten steun leveren. Op deze wijze kan Defensie een bescheiden bijdrage leveren aan de economische en sociale wederopbouw van een conflictgebied.

208

Kan de regering met enkele concrete voorbeelden duidelijkheid verschaffen over wat bedoeld wordt met een zelfstandige Nederlandse Cimic-bijdrage in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingbeleid en wat hierover is afgesproken met het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking? Kan een dergelijke bijdrage ook geleverd worden in samenwerking met particuliere ontwikkelingsorganisaties? Kan er ook een nadere uitwerking worden gegeven van Cimic ten behoeve van vredesoperaties? (pag. 32)

Een Nederlandse Cimic-eenheid zal haar taken gewoonlijk uitvoeren tijdens een vredesoperatie in internationaal verband. Dit laat onverlet dat, indien Ontwikkelingssamenwerking initiatieven ontplooit in het operatiegebied, militairen op verzoek concrete bijdragen kunnen leveren in de vorm van coördinatie, communicatie, transport, enz. Dit is nu al het geval in Bosnië-Herzegovina, waar Nederlandse Sfor-militairen kleinschalige wederopbouwprojecten van Ontwikkelingssamenwerking actief ondersteunen. In dit verband kan ook samenwerking of overleg met particuliere ontwikkelingsorganisaties aan de orde zijn.

Afspraken over de samenwerking zijn in 1996 tussen Defensie en Ontwikkelingssamenwerking vastgelegd in de zogenaamde Raamuitvoeringsovereenkomst. Op dit ogenblik wordt een inter-departementaal beleidskader opgesteld voor civiel-militaire samenwerking tijdens vredesoperaties.

209

Op welke termijn en op welke wijze zal vormgegeven worden aan een interservice capaciteit voor Cimic? Welke problemen heeft de Krijgsmacht tot nu toe bij vredesoperaties ondervonden vanwege het ontbreken van zo'n eenheid? (pag. 32)

Een Cimic-groep zal ter plaatse «Cimic-centers» oprichten. Deze hebben voornamelijk een coördinerende taak. Voor de noodzakelijke specialistische kennis kan gebruik worden gemaakt van functionele specialisten die tijdelijk in de Cimic-groep werkzaam zullen zijn. Defensie is voornemens de functies in de Cimic-groep te vullen met personeel van alle krijgsmachtdelen. De Koninklijke landmacht levert de grootste bijdrage. Een Cimic-groep van enkele kernfunctionarissen zal vanaf midden 2000 de Cimic-eenheid nader vorm geven. In dat verband zullen ook eigen opleidingen worden georganiseerd.

210 en 247

Als gevolg van het nemen van incidentele maatregelen om de bezuinigingen te verwerken is een boeggolf aan investeringen ontstaan. Welke omvang heeft deze inmiddels? Wordt deze opnieuw vergroot door incidentele maatregelen voor het jaar 2000? Welke risico's zijn verbonden aan het uitstellen van aanvankelijk belangrijk geachte voornemens? Welke maatregelen zijn genomen om nieuwe aanslagen op de begroting te voorkomen? Wordt er, ondanks de financiele druk, vanuit gegaan dat dit jaar opnieuw de financiële eindejaarmarge moet worden benut? (pag. 33)

Investeringen zijn wegens bezuinigingen uitgesteld. Leidt dit uitstel niet na 2002 tot een grotere «boeggolf» voor de dan komende investeringsverplichtingen?

In de begroting 1999 is de taakstelling 1999 van f 375 miljoen met incidentele maatregelen ingevuld onder het beslag van de maatregelen die in de Defensienota zullen worden opgenomen. Uitgangspunt daarbij is geweest dat de gekozen incidentele invulling in latere jaren binnen de voorziene budgetten volledig zal worden gerepareerd, tenzij in de Defensienota anders wordt bepaald. Bij indiening van de begroting 2000 zal de invulling van de taakstelling voor 1999 worden geactualiseerd. Daarnaast zal ook een deel van de taakstelling voor 2000 incidenteel moeten worden ingevuld. Risico's van (verder) uitstel van voornemens worden daarbij zorgvuldig afgewogen. De zogenoemde boeggolf van uitgestelde investerings-projecten is dus geen statisch gegeven; elk jaar wordt binnen het geheel van de plannen een nieuwe afweging gemaakt.

Bij de verdere uitwerking van de beleidsvoornemens voor de Defensienota wordt uitgegaan van het vigerende budgettaire kader en wordt niet geanticipeerd op eventuele nieuwe bezuinigingen; evenmin wordt op voorhand uitgegaan van het benutten van de financiële eindejaarsmarge.

211

Waarom wordt gestreefd naar bundeling van steeds meer uitvoerende zaken onder de Chef Defensiestaf? (p.31) De (C)DS vervult toch primair een beleidsondersteunende functie ten behoeve van de bewindslieden en dient zich toch niet bezig te houden met uitvoering? (pag. 33)

Zie het antwoord op vraag 203.

212

Is de in het verleden ingezette herstructurering van de staf van de bevelhebbers reeds voltooid? Zo nee, waarom niet? Kan worden aangegeven hoeveel fte's zijn bespaard met deze herstructurering sinds 1 januari 1994? (pag. 33)

De herstructurering van de staven van de bevelhebbers is nagenoeg afgerond. Volgens plan zullen de laatste wijzigingen bij de Admiraliteit eind 2002 worden doorgevoerd; sinds 1994 zijn hier 265 functies bespaard. Bij de Landmachtstaf zijn dit 765 functies; hier is de herstructurering geheel gereed. De reorganisatie van het Hoofdkwartier van de Koninklijke luchtmacht zal naar verwachting in de loop van 2000 zijn afgerond; in de eindsituatie zal daar een reductie van 151 functies zijn bereikt. De staf van de Koninklijke marechaussee heeft sinds 1994 een reductie ondergaan van dertien functies; de herstucturering is daar nu voltooid.

213

Welke luchtverdedigingsmiddelen van de Koninklijke landmacht worden samengevoegd met de Koninklijke luchtmacht? Met welk doel wordt dit gedaan, aangezien de inzet altijd separaat zal zijn? (pag. 34)

Het streven is gericht op het samenbrengen van de Nederlandse grondgebonden luchtverdediging op één locatie, de Vliegbasis De Peel. Naar de mogelijkheden en financiële consequenties van de concentratie op de Vliegbasis De Peel wordt op dit moment een studie uitgevoerd. Daarop wordt in de Defensienota nader ingegaan.

214

Het personeelsbestand vertoont nog belangrijke kenmerken van de kader-militiekrijgsmacht. Het onderscheid tussen BBT'ers en BOT'ers kan verdwijnen, hierdoor is het mogelijk om tot een echt beroepsleger te komen. Op welke termijn denkt de regering dit proces afgerond te hebben en hoe gaat dit in zijn werk? (pag. 34)

Het verdwijnen van het onderscheid tussen militairen met een aanstelling van onbepaalde tijd (BOT) en militairen met een aanstelling van bepaalde tijd (BBT) zal eerst op termijn kunnen worden verwezenlijkt. Het gaat om een geleidelijk en gefaseerd proces. Bepalend voor het tempo waarin de verandering kan worden uitgevoerd is enerzijds de al begonnen ombuiging van de huidige verhouding BOT-BBT van 60/40 naar 40/60 en anderzijds de nadere uitwerking van de nieuwe personeelsstructuur bij Defensie. Bij de implementatie zal vanzelfsprekend rekening worden gehouden met de positie van het aanwezige BOT-personeel.

215

De werving van nieuwe rekruten wordt onder meer vorm gegeven door het zogenaamde Schakelklasje voor 16-jarigen aan het Baroniecollege in Breda. Kan de regering aangeven hoeveel jongeren zich voor deze cursus aanmelden, hoeveel daarvan het jaar succesvol afronden, hoeveel daarvan solliciteren bij Defensie en hoeveel daarvan uiteindelijk in dienst treden van de krijgsmacht? Realiseren de deelnemende tieners zich volgens de regering in voldoende mate dat deze cursus een voortraject is voor een baan bij de krijgsmacht en waarop baseert de regering dat? Heeft de regering plannen om deze vorm van werving uit te breiden? Zo ja, waarom? (pag. 34 e.v.)

In de periode 1995–1997 heeft Defensie bij de Regionale Opleidingscentra (ROC) het Baroniecollege te Breda en de Friese Poort te Leeuwarden het zogenoemde schakelonderwijs verzorgd, waarbij jongeren tijdens een speciaal daartoe ontwikkeld opleidingsprogramma in de gelegenheid werden gesteld om kennis te maken met (onder meer) een baan bij de Koninklijke landmacht. Met de in 1996 van kracht geworden Wet op de Educatie en het Beroepsonderwijs (WEB) is schakelonderwijs niet meer mogelijk. Met ingang van het schooljaar 97/98 is bij genoemde centra een proefproject «Oriëntatietraject Koninklijke landmacht» begonnen. Inmiddels is dit uitgegroeid tot een landelijk project en verzorgen vijf scholen een dergelijk programma.

De basis voor het oriëntatietraject wordt gevormd door een civiele beroepsopleiding op assistentenniveau of op het niveau startkwalificatie. Deelnemers kunnen, voorzover aanwezig op de betrokken scholen, kiezen uit de opleidingsrichtingen: bevei-liging, handel, facilitaire dienstverlening, administratie en motorvoertuigtechniek. In de zogenoemde vrije ruimte en in de eigen tijd wordt de deelnemer voorbereid op het functioneren in de Koninklijke landmacht. Wanneer voor de landmacht wordt gekozen, is er naast de voorbereiding voor de krijgsmacht tevens een goede basis gelegd voor de latere intrede op de civiele arbeidsmarkt.

In het belang van de deelnemers wordt voorafgaand aan het traject de aanstellingskans en de opleidbaarheid van betrokkenen beoordeeld. Ongeveer 50% van de belangstellenden begint ook werkelijk met de opleiding.

In september 1998 zijn de vijf scholen gestart met 202 deelnemers. Voor het schooljaar 1999/2000 is een uitbreiding met drie scholen voorzien. In de voorlichting en de vulling van de opleiding met deelnemers wordt ook de regionale banenwinkel betrokken. De deelnemers die de opleiding met succes afronden, minstens 80% van de cursisten, treden over het algemeen ook in dienst bij de Koninklijke landmacht.

Deelnemers realiseren zich in voldoende mate dat de opleiding een voorbereiding is voor een baan bij de krijgsmacht. Gedurende de opleiding verzorgen militairen verschillende lessen. Daarnaast is in het opleidingsprogramma een aantal «groene momenten» opgenomen. Dit zijn door de Koninklijke landmacht georganiseerde activiteiten die vooral zijn bedoeld om de deelnemers een indruk te geven van het militaire bedrijf en hen kennis te laten maken met het militaire leven: onder meer een introductiebivak, excursies, een stage en lessen beroepsoriëntatie. Medio februari maken de deelnemers de keuze of ze al dan niet solliciteren bij de Koninklijke landmacht. Het voordeel voor de landmacht is dat de deelnemers bewuster kunnen kiezen voor een baan bij dit krijgsmachtdeel en zich fysiek op die baan kunnen voorbereiden. De kans op uitval uit de initiële opleiding is daarmee kleiner geworden.

De Koninklijke landmacht wil in samenwerking met een negende ROC nog een assistentenopleiding «Vrede en Veiligheid» ontwikkelen. De proef is gepland voor het aankomende schooljaar. In deze opleiding, die zal passen in de civiele kwalificatiestructuur, zal onder meer aandacht worden besteed aan aspecten of deelkwalificaties die een relatie hebben met het militaire beroep, zoals mentale weerbaarheid en zelfredzaamheid en oriëntatie op de Koninklijke landmacht en (mogelijk op termijn) ook een oriëntatie op andere krijgsmacht-delen en geuniformeerde beroepen.

216

In de Hoofdlijnennotitie wordt niet ingegaan op het wervingsbeleid van de Krijgsmacht, terwijl daar wel problemen mee zijn. Geven de in de Hoofdlijnennotitie gemaakte keuzen voor het personeelsbeleid aanleiding tot een wijziging van het wervingsbeleid en hoe wordt gedacht de bestaande knelpunten op te lossen? (pag. 34–39)

Op 25 februari 1999 is aan de Kamer de «Rapportage personeels-voorziening militairen 1998» aangeboden, waarin ook wordt ingegaan op de werving. Defensie kiest voor een integrale benadering van de in-, door- en uitstroom van personeel. Deze drie elementen van de personeelsvoorziening beïnvloeden gezamenlijk de arbeidsmarktpositie van de krijgsmacht.

In de Hoofdlijnennotitie zijn de uitgangspunten uiteengezet voor een vernieuwing van het personeelsbeleid. Ter verbetering van de professionaliteit van de krijgsmacht zal onder meer worden geïnvesteerd in wervingsmaatregelen, opleiding en scholing, arbeidsomstandigheden en de combinatie van arbeid en zorg. Ook zal in het kader van de arbeidsvoorwaarden nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan de «verzurende» elementen in het huidige personeelsbeleid. Dit geheel aan maatregelen verhoogt de kwaliteit van de personeelsvoorziening waardoor de arbeidsmarktpositie van de krijgsmacht structureel kan worden versterkt. In de Defensienota wordt op een en ander nader ingegaan.

217

Wat is het voorziene investeringspercentage in de jaren 2000–2006? Hoe is dat over de krijgsmachtdelen verdeeld? (pag. 36)

Na technische verwerking van de maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie is het voorziene gemiddelde investerings-percentage in de jaren 2000–2006 ongeveer 23 procent. Voor de vier krijgsmachtdelen bedraagt het geplande investeringspercentage:

– Koninklijke marine: 31 procent;

– Koninklijke landmacht: 22 procent;

– Koninklijke luchtmacht: 30 procent;

– Koninklijke marechaussee: 9 procent.

218 en 229

Kan ervan worden uitgegaan dat er in de Defensienota een uitgewerkt plan wordt neergelegd wat betreft de samenwerking tussen Defensie, SozaWe en OCW om te komen tot een goed opleidingsbeleid? Welke maatregelen worden er getroffen om het huidige personeel op korte termijn meer «employable» te maken? (pag. 36)

Welke concrete stappen zijn of worden gedaan om in samenspraak met onder meer de ministeries van SoZaWe en van OCW elke BBT'er en lager opgeleiden een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verschaffen? (pag. 38)

De krijgsmacht is – zoals in de Hoofdlijnennotitie uiteen werd gezet – een organisatie waarin «werken en leren», «maatschappelijke meerwaarde» en «employability» een belangrijke plaats innemen. Daartoe investeert de krijgsmacht in scholing en opleiding van haar personeel.

Ten aanzien van BBT'ers is het beleid er vooral op gericht dit personeel door opleiding, werkervaring en maatschappelijke scholing een meerwaarde te geven die de kansen op de externe arbeidsmarkt vergroot. Het beleid inzake civiele scholing krijgt tegen deze achtergrond nog meer prioriteit. Zo beziet de landmacht of het mogelijk is de initiële aanstellingsduur (die nu kan variëren van 2,5 tot 5 jaar) mede te bepalen aan de hand van de door de BBT'er gewenste arbeidsmarktrelevante scholing. Mede met het oog hierop worden de geboden opleidings-mogelijkheden reeds zeer vroegtijdig aan aspirant-BBT'ers kenbaar gemaakt. Hiermee zijn de civiele opleidingsmogelijkheden niet alleen een doorstroominstrument (intern en naar de externe arbeidsmarkt) maar ook een aantrekkelijk wervings-instrument.

Daarnaast zijn (pilot)projecten in voorbereiding of uitvoering waarin – in samenwerking met werkgeversorganisaties, de arbeidsvoorziening, decentrale overheden en de politie-organisatie – BBT'ers gericht worden geschoold voor een toekomstige civiele functie. Tenslotte wordt studie verricht naar een «voucher»-systeem, waarin het recht op scholings-faciliteiten wordt geregeld.

Met dit alles kan Defensie een bijdrage leveren aan het kabinetsbeleid dat is verwoord in de nota «Een leven lang leren» en het «Nationaal Actieplan Werkgelegenheid». Defensie zal voor de verdere invulling van de voorwaarden van het opleidingsbeleid ten aanzien van BBT'ers en hun teruggeleiding naar de arbeidsmarkt medewerking vragen van de ministeries van OC&W en SZW.

219, 230 en 231

De precieze personele gevolgen van de herstructureringsmaatregelen zijn in de Hoofdlijnennotitie nog niet gegeven: «ruim 2000 personeelsleden» minder, «ongeveer 1400 personeelsleden» extra, «nadere studie is nodig». Is het momenteel al mogelijk, conform de in de notitie afgegeven intentie om «in het vervolg» zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen én in het licht van de erkenning dat onzekerheid onder het personeel ongewenst is, om zowel de Tweede Kamer als het personeel van de Krijgsmacht preciezer te informeren over de personele gevolgen? Zo niet, op welke termijn dan wel? (pag. 36–37)

Wordt bij de nadere studie die nodig is om een schatting te maken van het precieze aantal personeelsleden dat als gevolg van de in deze Hoofdlijnennotitie beschreven voornemens de Defensie-organisatie zal moeten verlaten ook het burgerpersoneel meegenomen? Zo nee, waarom niet? (pag. 38)

Op welke termijn kan de kamer de resultaten van deze, nog te verrichten, nadere studie tegemoet zien? (pag. 38)

In de Hoofdlijnennotitie is een aantal voornemens gepresenteerd voor de aanpassing van de operationele structuur van de krijgsmacht. Deze keuzes zijn vervolgens, met enige voorzichtigheid, vertaald in personele consequenties. Daarbij is vooralsnog geen onderscheid gemaakt in de gevolgen voor militair en voor burgerpersoneel. Thans worden de personele gevolgen van de beschreven maatregelen geconcretiseerd, waarbij onder andere het onderscheid naar militairen en burgers zal worden aangebracht. De aangehaalde nadere studies leveren daaraan een bijdrage. Zodra meer duidelijkheid bestaat over de personele consequenties zullen de personeelsvertegenwoordigers in het sectoroverleg en het direct betrokken personeel daarover worden geïnformeerd. Dan zal naar verwachting ook meer duidelijkheid bestaan over herplaatsingsmogelijkheden. Daarop vooruitlopend zijn, naast de algemene voorlichting aan het Defensiepersoneel, die onderdelen die met name zijn genoemd in de Hoofdlijnennotitie direct na het verschijnen van de notitie meer specifiek geïnformeerd over de gevolgen. De Defensienota zal een meer gedetailleerd beeld van de personele gevolgen van de genoemde maatregelen bevatten.

220

Kan er concreet worden aangegeven op welke wijze Defensie zich een verantwoordelijke werkgever zal blijven tonen voor het af te vloeien personeel?

Kan de regering de garantie afgeven dat er geen gedwongen ontslagen zullen vallen? (pag. 37)

Defensie zal zich tot het uiterste inspannen om de werkzekerheid van het personeel dat de organisatie moet verlaten te waarborgen. Hierbij ligt de nadruk op het garanderen van werk, niet baanzekerheid. Er kan geen garantie worden gegeven dat er geen gedwongen ontslagen nodig zullen zijn.

221

Zijn de extra middelen die uitgetrokken zijn voor vernieuwing van het personeelsbeleid wel voldoende? Zo ja, waarop is dit gebaseerd? Zo nee, waarom niet? (pag. 37)

Wij gaan ervan uit dat de gesignaleerde knelpunten met de gereserveerde f 100 miljoen per jaar kunnen worden opgelost. De arbeidsvoorwaarden van Defensie sluiten op zich goed aan bij de arbeidsmarkt (zie ook het antwoord op vraag 222). In het kader van de werving en uitstroom doen zich met betrekking tot enkele categorieën personeel knelpunten voor. Voorlopige berekeningen rechtvaardigen de veronderstelling dat deze knelpunten met het structureel gereserveerde bedrag van f 100 miljoen kunnen worden weggenomen. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan.

222

Acht de regering het met betrekking tot de werving van nieuw personeel realistisch kwantitatief en kwalitatief voldoende personeel te kunnen werven voor de Defensie-organisatie zonder een structurele verbetering van de arbeidsvoorwaarden? Zo ja, waarop baseert de regering deze verwachting? Zo nee, wat stelt de regering voor te doen aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden behorende bij de functies waarvoor nieuw personeel wordt geworven? (pag. 37, 38)

De arbeidsvoorwaarden vormen de «prijs» die betaald moet worden voor de factor arbeid. Deze prijs komt tot stand door de verhouding tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Aangezien Defensie gemiddeld voor ongeveer 87% in de wervingsbehoefte kan voorzien, kan geconcludeerd worden dat de arbeidsvoorwaarden van Defensie in voldoende mate aansluiten bij de arbeidsmarkt. Wel bestaan er nog knelpunten. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 221. Daarbij zij opgemerkt, dat voor de schaarse categorieën waarvoor de werving moeizamer verloopt, Defensie zich niet in een uitzonderingspositie bevindt; deze categorieën zijn ook voor het bedrijfsleven moeilijk te werven.

223

In hoeverre is naast het vernieuwd personeelsbeleid en gerichtheid op flexibilisering en verjonging van het personeelsbeleid ook nog oog voor betere primaire arbeidsomstandigheden? (pag. 38)

Het arbeidsomstandighedenbeleid zal de komende jaren de plaats krijgen die het gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen en goed werkgeverschap toekomt. Het ontwikkelen van het arbeidsomstandighedenbeleid zal de komende jaren een van de hoofdaandachtspunten zijn van het personeelsbeleid.

De kern van de verantwoordelijkheid van de werkgever op het gebied van arbeidsomstandigheden in de organisatie is gelegen in de zorg voor de veiligheid, gezondheid en het welzijn van het personeel. Daarvoor is het nodig dat een risico-inventarisatie wordt gemaakt en evaluatie-onderzoeken worden gedaan. Op grond daarvan worden waar nodig verbeteringen in de arbeidsomstandigheden aangebracht. Die hebben bijvoorbeeld betrekking op het werken met gevaarlijke stoffen en de werkwijze in de bedrijven en werkplaatsen van Defensie.

224

Hoe wordt er omgegaan met militairen aan wie reeds was toegezegd dat zij van de VUT-regeling gebruik konden maken en dezelfde belofte vervolgens werd ingetrokken? (pag. 38)

Zie het antwoord op vraag 227.

225 en 226

Hoe verhoudt het verhogen van het functionele leeftijdsontslag zich tot de voorgenomen verjonging van de krijgsmacht (pag. 38)

Aan welke verhouding tussen de arbeidsdeelneming van relatief ouderen en het te verjongen personeelsbestand denkt de regering? (blz. 38)

Er bestaat een spanning tussen het verhogen van de algemene ontslagleeftijd voor militairen en de voorgenomen verjonging van de krijgsmacht. De verjonging krijgt gestalte in het wijzigen van de personeelsstructuur. Als een eerste stap zal de huidige verhouding van 60% voor onbepaalde tijd aangesteld personeel (BOT) en 40% voor een bepaalde tijd aangesteld, gemiddeld jonger, personeel (BBT) wijzigen in een verhouding 40% BOT – 60% BBT. Het gaat daarbij om een geleidelijk proces, dat mede moet worden getoetst aan de eventuele gevolgen van de verhoging van de ontslagleeftijd. De samenstelling van het personeelsbestand in de toekomst wordt nader uitgewerkt in de Defensienota.

227 en 228

Wat wordt precies bedoeld met: «om voor de verhoging van de ontslagleeftijd enige tijd te nemen»? Aan welke tijdspad denkt de regering? (pag. 38)

Tot welke leeftijd zal de leeftijdsgrens worden verhoogd? Wat wordt exact bedoeld met een stapsgewijze verhoging? (pag. 38)

De verhoging van de ontslagleeftijd vloeit voort uit het regeringsbeleid inzake de arbeidsparticipatie van ouderen bij de overheid, waarvoor een interdepartementeel beleidsonderzoek wordt gedaan. Versobering van diensteinderegelingen is een wezenlijk onderdeel van dat beleid. Het streven is erop gericht de Uitkeringswet gewezen militairen om te vormen tot een moderne diensteinderegeling. Momenteel wordt een nieuwe regeling ontworpen voor het leeftijdsontslag van militairen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat een verhoging van de ontslagleeftijd gefaseerd zal worden ingevoerd. Vragen inzake de invoering maken deel uit van de genoemde studies. Daarbij wordt tevens de samenhang met lopende en komende reducties betrokken, alsmede het proces van verjonging van de krijgsmacht. Zie hierover ook het antwoord op vraag 225.

In het licht van het bovenstaande is het nu nog niet mogelijk te beslissen over de manier waarop de ontslagleeftijd wordt verhoogd.

Er is overigens geen sprake van gedane toezeggingen aan individuele militairen die worden ingetrokken. Wel kan het voorkomen dat men bij indiensttreding andere verwachtingen koesterde; die kunnen echter een wijziging van het algemene beleid terzake niet in de weg staan. Wel mag worden verwacht dat maatregelen worden ingevoerd met een overgangstermijn.

229

Welke concrete stappen zijn of worden gedaan om in samenspraak met onder meer de ministeries van SoZaWe en van OCW elke BBT'er en lager opgeleiden een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verschaffen? (pag. 38)

Zie het antwoord op vraag 218.

230 en 231

Wordt bij de nadere studie die nodig is om een schatting te maken van het precieze aantal personeelsleden dat als gevolg van de in deze Hoofdlijnennotitie beschreven voornemens de Defensie-organisatie zal moeten verlaten ook het burgerpersoneel meegenomen? Zo nee, waarom niet? (pag. 38)

Op welke termijn kan de kamer de resultaten van deze, nog te verrichten, nadere studie tegemoet zien? (pag. 38)

Zie het antwoord op vraag 219.

232 en 236

Hoe schat de regering de mogelijkheid in om materieel van de Nederlandse krijgsmacht af te stoten naar nieuwe NAVO-landen, terwijl juist materieel wordt afgestoten dat in de nieuwe veiligheidssituatie van evident minder belang is? (pag. 41)

Wat zijn de effecten van het bezien van mogelijkheden binnen de NAVO van het afstoten van materieel naar nieuwe NAVO-landen? Heeft dit invloed op de omvang van de beoogde inkomsten uit de afstoting? Zo niet, wat is de zin van het bespreken van het afstoten van materieel in NAVO-verband als de financiële doelstelling van de opbrengsten niet ondergeschikt mag zijn aan het bredere belang van de veiligheidsinspanningen van de NAVO? (pag. 45)

In de Nota Wapenexportbeleid van 28 maart 1991 wordt een voorkeur uitgesproken voor verkoop van overtollig materieel aan de bondgenoten. Daarin past ook het streven, ter bevordering van standaardisatie en interoperabiliteit, materieel af te stoten naar nieuwe Navo-landen. Deze kunnen daardoor tegen aanzienlijk lagere kosten dan bij nieuwkoop verouderd materieel geheel of gedeeltelijk vervangen door moderner, nog niet afgeschreven, materieel. In beginsel zal dat niet van invloed zijn op de omvang van de inkomsten, omdat ook bij verkoop aan Navo-landen een marktconforme opbrengst wordt nagestreefd.

233

Verwacht de regering dat de nieuwe NAVO-landen hun defensiebudgetten zullen moeten verhogen om te kunnen voldoen aan de eisen van de Defense Review Committee om te worden toegelaten tot de NAVO? Hoe verhoudt een eventuele verhoging van de defensiebudgetten van deze nieuwe landen zich tot het «vredesdividend» dat in de huidige NAVO-landen verzilverd kan worden na het beëindigen van de Koude Oorlog? (pag. 41)

Integratie van de nieuwe bondgenoten vereist aanzienlijke aanpassingen. De drie nieuwe Navo-lidstaten hebben zelf te kennen gegeven hun defensiebudgetten de komende jaren te zullen verhogen om aan de Navo-eisen van standaardisatie en interoperabiliteit te voldoen. Hun situatie is niet te vergelijken met die in de overige lidstaten.

234

In overleg met het Ministerie van Economische Zaken wordt onderzoek gedaan naar kosten en baten van het compensatiebeleid. Van de Algemene Rekenkamer ligt er inmiddels een rapport waarin het compensatiebeleid geanalyseerd wordt. Naast het feit dat de Nederlandse industrie liever participeert dan compenseert is het dan niet eenvoudiger het compensatiebeleid reeds nu af te schaffen? (pag. 42)

Participatie in de zin van deelname van de Nederlandse industrie aan internationale defensiematerieelsamenwerkingsprojecten speelt alleen als Defensie besluit deel te nemen aan een internationaal samenwerkingsverband. Voor veel projecten is dit niet mogelijk. In deze gevallen biedt compensatie toch mogelijkheden de Nederlandse industrie in te schakelen. In sommige gevallen zijn de mogelijkheden van compensatie vergelijkbaar met participatie in de bovenbedoelde zin.

Het in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde onderzoek naar de kosten en de baten van het compensatiebeleid heeft niet op voorhand tot doel dit beleid af te schaffen. Dit komt slechts aan de orde als er sprake blijkt te zijn van een onbalans tussen de kosten en de baten van het compensatiebeleid. De uitkomsten van het onderzoek moeten worden afgewacht. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan.

235

De verkoop van «overtollig» materieel leidt tot een inboeking van 600 miljoen. Hoe reëel is dit bedrag? (pag. 45)

Zie het antwoord op vraag 7.

236

Wat zijn de effecten van het bezien van mogelijkheden binnen de NAVO van het afstoten van materieel naar nieuwe NAVO-landen? Heeft dit invloed op de omvang van de beoogde inkomsten uit de afstoting? Zo niet, wat is de zin van het bespreken van het afstoten van materieel in NAVO-verband als de financiële doelstelling van de opbrengsten niet ondergeschikt mag zijn aan het bredere belang van de veiligheidsinspanningen van de NAVO? (pag. 45)

Zie het antwoord op vraag 232.

237

Kan de regering aangeven welke missies niet meer kunnen worden uitgevoerd door het afstoten van fregatten, jachtvliegtuigen en Orions? Welke gevolgen heeft dit voor het voortzettingsvermogen tijdens crisisbeheersingsoperaties? (pag. 45)

Zie het antwoord op vraag 4.

238

In hoeverre worden de opbrengsten van het afstoten van jachtvliegtuigen, Orions en fregatten tenietgedaan door relatief hogere exploitatiekosten als de overige eenheden vaker worden ingezet? (pag. 45)

De eenheden van de krijgsmacht zullen niet vaker worden ingezet, het huidige ambitieniveau voor deelname aan crisisbeheersingsoperaties staat niet ter discussie. Bij de maatregelen die zijn voorgesteld in de Hoofdlijnennotitie is nadrukkelijk rekening gehouden met het voortzettingsvermogen voor deelname aan deze crisisbeheersingsoperaties.

239

«Ten aanzien van diverse projecten (met een gezamenlijk volume van ongeveer 350 miljoen) wordt bestudeerd of naast vertraging ook verkleining van de omvang moet worden overwogen.» Om welke projecten gaat het, om welke vertragingen en om welke verkleiningen, en hoe verhoudt zich dit alles tot de in de Hoofdlijnennotitie gemaakte strategische keuzes? (pag. 45)

De genoemde f 350 miljoen betreft een ruwe schatting van mogelijkheden tot verkleinen en vertragen van in de plannen voorziene kleinere investeringsprojecten die gerelateerd zijn aan de gemaakte keuzes. Het totale volume ligt verspreid over de jaren 2004–2009, de jaren die aansluiten op de meerjarenramingen van de rijksbegroting 1999. Op dit moment wordt nader in kaart gebracht welke van de vele kleinere investeringsprojecten op welke wijze beïnvloed worden door de keuzes uit de Hoofdlijnennotitie. Pas in de Defensienota zal een meer gedetailleerd en sluitend beeld gepresenteerd kunnen worden.

240

Hoe dient de opmerking geïnterpreteerd te worden dat het proces van totstandkoming van de Defensienota nog van invloed kan zijn op de uitvoering van de begroting 1999? Is het mogelijk dat het budget uiteindelijk toch nog verhoogd kan worden? Of is dit wederom een indekking tegen nog meer bezuinigingen? (pag. 46)

Het moet niet worden uitgesloten dat bij de uitwerking van eerder gepresenteerde voornemens – bijvoorbeeld voorgenomen aanschaffingen – definitieve beleidskeuzes worden aangehouden in afwachting van de vaststelling van de Defensienota, hetgeen van invloed kan zijn op de uitvoering van de begroting 1999.

241

Welke efficiency- en kwaliteitsverbetering en budgettaire voordelen zijn er in de afgelopen jaren geboekt als gevolg van de uitbesteding van ondersteunende taken, met name onderhoud? (pag. 46)

De in de afgelopen jaren geboekte efficiency- en kwaliteitsverbetering en budgettaire voordelen op het gebied van onderhoud zijn vooral het gevolg geweest van de in 1994 begonnen doelmatigheidsoperatie. In de begroting 1998 is bij het artikel U08.03 Doelmatigheidsbesparingen onder het blok Onderhoud en Logistiek aangegeven welke maatregelen dit betrof. Zie ook het antwoord op vraag 242.

242

Met betrekking tot het personeelsbeleid wordt in de Hoofdlijnennotitie gesteld dat Defensie een flexibeler personeelssysteem zal moeten ontwikkelen. Betekent dit ook de uitbesteding van taken aan particuliere bedrijven of organisaties, zoals de bewaking en beveiliging van militaire objecten? Kan de regering inzicht geven in de functies of taken die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor uitbesteding aan particuliere bedrijven of organisaties? Wordt inmiddels, vooruitlopend op de resultaten van het IBO, al een begin gemaakt met het uitbesteden van bewakings- en beveiligingsfuncties bij Defensie? Kan de regering uitleggen hoe personeel van particuliere bewakingsbedrijven, die geen ambtelijke eed afleggen noch wapens mogen dragen, de bewakingsfunctie zoals die nu wordt uitgevoerd door burgerpersoneel van Defensie, verantwoord kunnen overnemen? Zullen voor de bedrijven en het personeel daarvan, die functies van Defensie overnemen, dezelfde kwaliteitseisen gelden als nu het geval is voor eigen personeel van Defensie? Kan de regering aangeven of de arbeidsomstandigheden en salariëring van het personeel van particuliere bedrijven zodanig overeenkomen met die van Defensiepersoneel dat hierin geen verdringing, oneerlijke concurrentie of verstoorde intermenselijke relaties tussen particulier- en Defensiepersoneel ontstaan? (pag. 46)

In het kader van het zogeheten IBO wordt thans een onderzoek gehouden naar de mogelijkheden tot uitbesteding van ondersteunende diensten bij Defensie. De werkgroep die belast is met dit onderzoek en die onder voorzitterschap staat van mr. B. Staal, Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht, richt zich daarbij in het bijzonder op de onderwerpen hoger onderhoud, bewaking en beveiliging, en transport. De werkgroep wordt ondersteund door het extern adviesbureau Moret, Ernst & Young. De werkgroep zal naar verwachting in de maand mei haar rapport aanbieden aan de Ambtelijke Commissie Heroverweging, die het na goedkeuring zal aanbieden aan Defensie. Vervolgens zal het rapport worden voorgelegd aan de Ministerraad. Wellicht zullen nog vervolgonderzoeken noodzakelijk blijken. Het is derhalve niet mogelijk reeds nu, vooruitlopend op de besluitvorming over de voorstellen van de werkgroep, een overzicht te geven van uit te besteden taken en diensten. Evenmin wordt tegen deze achtergrond nu al een begin gemaakt met het uitbesteden van bewakings- en beveiligingsfuncties. Bij het nemen van eventuele beslissingen inzake uitbesteding zal rekening worden gehouden met wettelijke kaders en regelingen, zoals die voor het gebruik van (vuur)wapens door verschillende categorieën personeel en die voor kwaliteitseisen. Het is niet mogelijk reeds nu nadere informatie te verstrekken over arbeidsomstandigheden en salariëring van het personeel van particuliere bedrijven, zolang geen duidelijkheid bestaat welke bedrijven het betreft. Bij eventuele uitbesteding van taken en diensten zal het betrokken Defensiepersoneel moeten worden overgenomen, waarbij Defensie nadere voorwaarden zal stellen.

243, 245 en 246

«Een Defensienota is een belangrijk en veelomvattend stuk over de toekomst van de krijgsmacht.» In hoeverre zal er inderdaad sprake zijn van een «toekomststuk», gezien het niet volledig uitvoeren van de Prioriteitennota? Op welke wijze kan de regering garanderen dat deze keer de Defensienota wel volledig zal worden uitgevoerd? (pag. 47)

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesuggereerd dat er nog geen definitieve besluiten zijn genomen. Betekent dit dat voor de parlementaire behandeling van de Defensienota geen besluiten worden uitgevoerd? Zo ja, worden dan de bezuinigingen via incidentele maatregelen ingevuld? Zo nee, op welke wijze wordt voorkomen dat het parlement voor een voldongen feit wordt geplaatst?

Heeft de regering zich onvoorwaardelijk gesteld achter de Hoofdlijnennotitie of is reeds bij de bespreking aangegeven dat verdergaande bezuinigingen zeker niet aan Defensie zullen voorbijgaan?

In de loop der jaren is de defensie-organisatie steeds aangepast aan de ontwikkeling van de internationale veiligheidssituatie en aan het door de regering bepaalde budget. Vanzelfsprekend zal de regering er alles aan doen om de in de Defensienota op te nemen besluiten uit te voeren. Anderzijds is het in het licht van de omstandigheden onvermijdelijk dat eerder genomen maatregelen worden geëvalueerd en geactualiseerd.

Voor de parlementaire behandeling van de Defensienota zullen geen onomkeerbare besluiten worden genomen. Voor de invulling van de financiële taakstelling uit het Regeerakkoord zijn in 1999 incidentele maatregelen genomen (voornamelijk uitstel van investeringsprojecten). In de begroting voor het jaar 2000 en de bijbehorende meerjarencijfers zal rekening worden gehouden met de voorstellen uit de Hoofdlijnennotitie. Overigens zal de financiële taakstelling voor het jaar 2000 gedeeltelijk eveneens met incidentele maatregelen moeten worden ingevuld. De regering streeft ernaar de Defensienota met de definitieve besluiten, als dit verantwoord mogelijk is, te publiceren voorafgaand aan de parlementaire behandeling van de begroting 2000.

244

Hoe wordt de Strategische Toekomstdiscussie Defensie concreet vormgegeven, naast de bijzondere uitgave van de Defensiekrant? Wie zullen hieraan moeten deelnemen en hoe wordt in die deelname voorzien? Wat zijn de eisen waaraan de discussie met betrekking tot deelname en kwaliteit moet hebben voldaan om op 1 juli succesvol te kunnen worden afgerond? Kan de regering aangeven op welke punten van de Hoofdlijnennotitie in verband met bondgenootschappelijke of anderszins vastgelegde verplichtingen de uitkomst van de discussie geen of weinig invloed zal hebben op het nieuwe Nederlandse Defensiebeleid? (pag. 47)

De Strategische Toekomstdiscussie Defensie (STD) maakt deel uit van de voorbereidingen voor de Defensienota 2000. Defensie biedt iedereen – maatschappelijke organisaties en groeperingen buiten de defensie-organisatie, maar ook het eigen personeel – de gelegenheid te reageren op de Hoofdlijnennotitie en ideeën aan te dragen voor de Defensienota. Defensie zal hierbij een stimulerende rol vervullen en zelf initiatieven nemen om de discussie te bevorderen. Zo is een speciale internetsite geopend en wordt in advertenties opgeroepen aan de discussie deel te nemen.

Defensie wacht zulke reacties niet af, maar zoekt zelf ook organisaties en groeperingen op. Binnen de eigen organisatie worden bijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast zal een groot aantal externe organisaties activiteiten in het kader van de STD ontwikkelen. Desgevraagd zal Defensie deze bijeenkomsten mede mogelijk maken door sprekers en faciliteiten beschikbaar te stellen, dan wel door een financiële ondersteuning. In een aantal bijeenkomsten zal Defensie met een groot aantal van zulke organisaties en groeperingen over de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht praten.

Tussentijds worden de bewindspersonen regelmatig geïnformeerd over de reacties. Deze zullen worden gebundeld en begin juli aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Voor de afsluitende bijeenkomst van de STD op 30 juni a.s. worden personen en instanties uitgenodigd die aan de discussie hebben bijgedragen. Na afloop van de STD wordt beoordeeld welke bijdragen tot veranderingen in de plannen zullen moeten leiden.

Zie ook het antwoord op vraag 29. De STD zal geslaagd zijn als de discussie over de Nederlandse defensie-inspanning in de samenleving en binnen de defensie-organisatie is verbreed en verdiept. Daarbij worden niet op voorhand kwantitatieve of kwalitatieve maatstaven gehanteerd.

245 en 246

In de Hoofdlijnennotitie wordt gesuggereerd dat er nog geen definitieve besluiten zijn genomen. Betekent dit dat voor de parlementaire behandeling van de Defensienota geen besluiten worden uitgevoerd? Zo ja, worden dan de bezuinigingen via incidentele maatregelen ingevuld? Zo nee, op welke wijze wordt voorkomen dat het parlement voor een voldongen feit wordt geplaatst?

Heeft de regering zich onvoorwaardelijk gesteld achter de Hoofdlijnennotitie of is reeds bij de bespreking aangegeven dat verdergaande bezuinigingen zeker niet aan Defensie zullen voorbijgaan?

Zie het antwoord op vraag 243.

247

Investeringen zijn wegens bezuinigingen uitgesteld. Leidt dit uitstel niet na 2002 tot een grotere «boeggolf» voor de dan komende investeringsverplichtingen?

Zie het antwoord op vraag 210.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van den Berg (SGP), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Valk (PvdA), voorzitter, Hessing (VVD), ondervoorzitter, Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Stellingwerf (RPF), Essers (VVD), Verhagen (CDA), M. B. Vos (GL), Van 't Riet (D66), Van den Doel (VVD), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GL), Niederer (VVD), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Oplaat (VVD), Albayrak (PvdA), Balemans (VVD) en Herrebrugh (PvdA).

Plv. leden: Dittrich (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Arib (PvdA), Leers (CDA), Van Oven (PvdA), Weisglas (VVD), Eurlings (CDA), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Passtoors (VVD), Van der Hoeven (CDA), Vendrik (GL), Lambrechts (D66), Blaauw (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Van Dok-Van Weele (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GL), E. Meijer (VVD), Dijksma (PvdA), Marijnissen (SP), Voorhoeve (VVD), Van Gijzel (PvdA), Wilders (VVD) en Apostolou (PvdA).

Naar boven