nr. 70
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 3 september 2001
Twee keer per jaar informeer ik uw Kamer over de feitelijke sterkte (het
aantal fte's) van de Nederlandse politie en over het aantal aspiranten dat
in opleiding is. Met mijn brief van 28 mei 2001 (kamerstukken VII, 2000–2001,
27 400, nr. 51) heb ik uw Kamer laatstelijk geïnformeerd over de
ontwikkeling van de sterkte van de Nederlandse politie per 31 december 2001.
Thans deel ik u mede wat de ontwikkeling is per 1 juli 2001.
Naar aanleiding van het algemeen overleg met uw Kamer op 20 november 2000
en de motie van de leden van Heemst en Niederer over werving bij de politie
(kamerstukken VII, 2000–2001, 27 400, nr. 22), heb ik voorts toegezegd
uw Kamer periodiek te informeren over de personeelsvoorziening en werving
bij de politie.
Sterkte, aspiranten
In het Regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd dat extra middelen
beschikbaar worden gesteld voor versterking en uitbreiding van politie en
justitie. In het Convenant politie 1999 zijn vervolgens afspraken gemaakt
de sterkte van de politie uit te breiden met 3 400 fte's (inclusief 400
fte's herbezetting in verband met de invoering van de 36-urige werkweek).
Per 1 juli 2002 dient dit te resulteren in een totale feitelijke sterkte van
43 622 fte's.
Ik ben verheugd u te berichten dat de feitelijke sterkte van de Nederlandse
politie zich in dit jaar positief heeft ontwikkeld. Bedroeg de sterkte per
31 december 2000 nog 42 762 fte, inmiddels is deze gegroeid tot 43 755
fte per 1 juli 2001. Hiermee is de kabinetsdoelstelling van 1 juli 2002 thans al bereikt.
In de tabel hieronder is aangegeven wat de feitelijke dan wel geprognosticeerde
sterkte van de politie is op de aangegeven meetmomenten. De geprognosticeerde
sterkte is ontleend aan het Convenant politie 1999:
| Peilmoment | Prognose (in fte) | Feitelijk (in fte) |
|---|
| 1 juli 1998 | | 40 222 |
| 31 december 1998 | | 40 340 |
| 1 juli 1999 | 41 122 | 40 914 |
| 31 december 1999 | | 41 371 |
| 1 juli 2000 | 42 072 | 42 000 |
| 31 december 2000 | | 42 762 |
| 1 juli 2001 | 43 022 | 43 755 |
| 31 december 2001 | | |
| 1 juli 2002 | 43 622 | |
De tabel illustreert de gunstige ontwikkeling in de feitelijke sterkte.
De trendbreuk die optrad op 31 december 1999, zet zich door.
Ook de ontwikkeling van het aantal aspiranten is gunstig. Het aantal aspiranten
bedraagt per 30 juni 2001 3 544 fte. Er is sprake van een toename van
het aantal aspiranten met 795 fte over de periode 1 juli 2000 tot en met 30
juni 2001. Dit aantal aspiranten zal in de loop van 2002 leiden tot een verdere
vergroting van de sterkte.
Voorts zal de capaciteit van de politie op korte termijn nog verder toenemen
vanwege de in de CAO afgesproken mogelijkheid tot werktijdverlenging tot 38-uur
per werkweek. Deze werktijdverlenging is nog niet verdisconteerd in bovenstaande
sterktecijfers. Zoals toegezegd zal ik u hierover tegen het eind van dit jaar
berichten. De prognose is dat uitgaande van een deelnamepercentage van 80%,
er een capaciteitswinst optreedt die vergelijkbaar is met 2000 fte.
Uitstroom, personeelsvoorziening
Bijgaand treft u aan het rapport «Uitstroomprognoses 2001–2011
en Evaluatie 2000»1, waarin landelijk en
per regio informatie is opgenomen over onder andere uitstroom, regionale doorstroom
en de vervangingsvraag van het executieve en administratief-technische personeel.
Hiermee geef ik tevens invulling aan mijn toezegging (kamerstukken VII, 2000–2001,
27 400, nr 22) om de uitstroom uit de vier grote regiokorpsen in de Randstad
te vermelden.
Jaarlijks wordt onderzoek gedaan naar de uitstroomprognoses bij de politie
om zodoende adequaat te kunnen reageren op de toekomstige vervangingsvraag.
Op basis van de gegevens afkomstig van de regio's wordt bezien wat de feitelijke
uitstroom is uit de korpsen in een bepaald jaar en met behulp van een rekenmodel
wordt vervolgens geprognosticeerd wat de uitstroom voor de komende tien jaar
zal zijn. Deze gegevens geven zowel een landelijk beeld alswel een beeld per
individueel korps. De gegevens zijn verder gespecificeerd naar schaal, naar
geslacht en naar categorie (executief en administratief-technisch personeel).
Ook voor de korpsen zijn deze gegevens van groot belang voor hun beleid met
betrekking tot werving en instroom. Het rapport biedt inzicht in hun specifieke
situatie.
De uitstroom blijkt in 2000 landelijk ongeveer 150 fte hoger te liggen
dan op basis van eerdere prognoses was verwacht. Dit geldt zowel voor het
executieve als voor het administratief-technische personeel. De prognoses
van de vervangingsvraag voor de periode 2001–2011 zijn dan ook enigszins
naar boven bijgesteld.
Zoals eerder gesteld, biedt het rapport ook inzicht in de specifieke situatie
per korps. Uit het rapport blijkt wat de uitstroom (inclusief de doorstroom
naar andere korpsen) is geweest in 2000 uit de vier grote Randstadkorpsen.
Voor de meeste korpsen bedroeg de uitstroom in 2000 enkele tientallen fte's,
alleen de Randstadkorpsen kennen een hogere uitstroom.
Uit de gegevens over de interregionale doorstroom kan ook worden afgeleid
welk deel daarvan de politie verlaat en welk deel naar een ander korps vertrekt.
In 2000 wisselden er landelijk 735 executieve politiemedewerkers van korps.
Hoewel het beeld per korps varieert (zie voor de cijfers per korps de bijgevoegde
rapportage), wordt hiermee onderstreept dat ook op dit vlak positieve resultaten
worden behaald. Immers ook deze mobiliteit draagt bij aan een verdere verbetering
van de kwaliteit van het politiewerk.
De wervingsinspanningen van de korpsen en van het Project Personeelsvoorziening
Politie, een samenwerkingsverband van mijn ministerie, de korpsen en het LSOP,
hebben succes gehad. Zeker gezien de krappe arbeidsmarkt en de concurrentie
met andere arbeidsmarktsectoren stemt dit tot tevredenheid. Het is noodzakelijk
die inspanningen voort te zetten. Ook gezien de vervangingsprognoses zal de
personeelsvoorziening van de Nederlandse politie de komende jaren veel aandacht
blijven behoeven.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K. G. de Vries