26 339
Voorschriften van tijdelijke aard, waaronder wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in verband met de vernieuwing van opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de natuur (Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1.1. Inleiding

De afgelopen jaren hebben in de discussie over natuurwetenschappelijke opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs twee aspecten de aandacht gevraagd: de inhoud en de cursusduur. De discussie wordt gevoerd tegen de achtergrond van het belang van natuurwetenschappelijke en technische opleidingen voor een succesvolle economische en maatschappelijke ontwikkeling van ons land.

In het Hoger onderwijs- en onderzoekplan 1998 (HOOP 98) zijn de natuurwetenschappelijke opleidingen in het kader van een algemenere problematiek aan de orde gekomen; de dalende belangstelling voor exacte en technische studies en de beroepen waar zij voor opleiden. Geconcludeerd werd dat om de aantrekkelijkheid van de opleidingen te vergroten en de aansluiting op de arbeidsmarkt te verbeteren, verbreding van de opleidingen en uitbreiding van het aantal differentiaties in de afstudeerfase noodzakelijk zijn. Herziening van de curricula zou niet mogen leiden tot een onaanvaardbare verhoging van de studiedruk voor studenten en een verminderde studeerbaarheid van de opleidingsprogramma's.

De conclusies die in het HOOP 98 zijn getrokken over de noodzaak van vernieuwing van bèta-opleidingen aan de algemene universiteiten, zijn de basis geweest voor en uitgewerkt in het Convenant bèta-opleidingen; dit convenant is op 1 mei 1998 ondertekend en is door mijn ambtsvoorganger toegezonden bij brief van 5 juni 1998 (kamerstukken II, vergaderjaar 1997/98, 25 615, nr. 23). In het convenant is vastgelegd dat de betrokken instellingen voorstellen voor nieuwe initiële natuurwetenschappelijke opleidingen kunnen voorleggen aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Natuurwetenschappelijke opleidingen die daadwerkelijk inhoudelijk worden vernieuwd – hetgeen getoetst zal worden aan de hand van een aantal in dit wetsvoorstel nader omschreven criteria – en een studielast van 210 studiepunten omvatten, komen in aanmerking voor goedkeuring door de minister wat betekent dat aan de studenten van deze opleidingen extra studiefaciliteiten worden toegekend. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 2 april 1998, Stb. 216 (HOOP-wetgeving) kan de instelling zelf bepalen dat een opleiding een grotere studielast heeft dan 168 studiepunten. Dit heeft echter geen consequenties voor de studiefinancieringsaanspraken van de studenten aan de desbetreffende instelling. De instelling is verplicht deze studenten voor de studieduur die normatief, in voltijdse termen, gemoeid is met deze grotere studielast financieel te ondersteunen. Om het mogelijk te maken dat extra studiefinancieringsfaciliteiten in de vorm van een recht op gemengde studiefinanciering voor vijf jaar zijn verbonden aan de nieuwe natuurwetenschappelijke opleidingen met een studielast van 210 studiepunten, is een tijdelijke regeling nodig waarvan wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) onderdeel uitmaakt. Daartoe strekt het onderhavige wetsvoorstel.

1.2. Overwegingen

a. Studiedruk, studielast en argumenten voor cursusduurverlenging

Er bestaat een discrepantie tussen de wettelijke en feitelijke studielast van de natuurwetenschappelijke opleidingen aan de Nederlandse universiteiten.

In vrijwel alle rapporten van onderwijsvisitatiecommissies die sinds 1994 zijn verschenen – Scheikunde en Scheikundige Technologie (april 1994), Informatica (juni 1996), Wiskunde (maart 1996), Natuurkunde en Sterrenkunde (oktober 1996) – wordt in verschillende bewoordingen gewezen op de wenselijkheid van een vijfde cursusjaar voor opleidingen in de natuur-wetenschappen met als voornaamste argument dat het opleiden van bèta-studenten – met handhaving van de kwaliteit op internationaal niveau – niet mogelijk is met een studieduur van minder dan vijf jaar.

De visitatiecommissie Scheikunde en Scheikundige Technologie constateerde in 1994 dat de studieduur voor vrijwel alle studenten aanmerkelijk langer was dan de vierjarige cursusduur en stelde voor de vierjarige opleiding scheikundige technologie uit te breiden met een jaar, waarin bijvoorbeeld een ontwerpopdracht centraal staat. Daarmee zouden de doctorandi die niet doorstromen naar een onderzoekersopleiding, in staat worden gesteld zich door middel van gecertificeerde vervolgcursussen van maximaal een jaar voor te bereiden op een bepaalde beroepspraktijk. De overige hierboven genoemde visitatierapporten zijn na invoering van de technische opleidingen van 210 studiepunten totstandgekomen en constateren dat ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt in de studielast tussen opleidingen die voor het overige vaak – bijvoorbeeld in het geval van de opleidingen natuurkunde en technische natuurkunde – qua zwaarte en ook qua inhoud volstrekt vergelijkbaar zijn.

De visitatiecommissie Natuurkunde en Sterrenkunde wijst er op dat – gegeven de serieuze maatregelen van de opleidingen gericht op verbetering van de studeerbaarheid van de opleidingsprogramma's – «een verdere aanzienlijke bekorting van de gemiddelde studieduur slechts mogelijk is door een verdere reductie van de inhoud van de leerstof, met onvermijdelijke gevolgen voor de kwaliteit van de afgestudeerde». Ook de inspectie concludeert in de rapportage over het traject «Kwaliteit en Studeerbaarheid» (Studeerbaarheid in het hoger onderwijs 1997) dat het totale programma van de vierjarige opleiding onvoldoende studeerbaar is door de nog steeds te zware studielast.

De internationale visitatiecommissie (IVC) Natuurkunde en Sterrenkunde (februari 1997), ingesteld om de Nederlandse opleidingen in internationaal perspectief te positioneren, concludeerde dat de Nederlandse opleidingen, vergeleken met die in de Verenigde Staten en de ons omringende landen, in het algemeen de toets aan buitenlandse standaarden kunnen doorstaan. Niettemin loopt Nederland wat betreft een cursusduur van 4 jaar uit de pas (in bijna alle vergeleken landen is de cursusduur langer) en ook lijken de Nederlandse opleidingen «beperkt van reikwijdte en relatief smal van opzet; zij zijn minder flexibel, disciplinair minder breed en ook minder toegesneden op de eisen van de arbeidsmarkt». Een zorgelijk aspect acht deze IVC dat de concurrentiepositie van Nederlandse afgestudeerden onder druk staat, niet alleen vanwege het geconstateerde, relatief smalle karakter van de opleidingen in Nederland, maar ook door toedoen van het feit dat een doctorandustitel, behaald op basis van een vierjarig programma, «niet als equivalent wordt beschouwd aan het eindniveau van overeenkomstige universitaire opleidingen in het betreffende land, welke doorgaans een langere cursusduur kennen».

Het rapport «Vijf jaar voor Bèta's» (juni 1997) van de Commissie-Van der Kruit, ingesteld door de zes algemene universiteiten, bevat een uitgebreide analyse van het niveau, studielast en feitelijke studieduur van alle bèta-opleidingen in Nederland, aan de hand van een internationale curriculumvergelijking. De commissie toont aan dat de studieduur van de Nederlandse student natuurwetenschappen meer dan 5,5 jaar is, ondanks een tijdsbesteding van meer dan de norm van 1680 uur per jaar; een inzet die ruim groter is dan die van studenten in alfa- en gamma-opleidingen. De Nederlandse bèta-opleidingen zijn – zo stelt de commissie – in de huidige situatie, qua niveau, vereiste inzet en effectieve studieduur vergelijkbaar met die aan Europese universiteiten; elke verkorting van de studieduur tot minder dan vijf jaar leidt echter tot verlaging van het niveau en tot negatieve gevolgen voor de internationale concurrentiepositie van afgestudeerden.

Aan de hand van bovengenoemde rapporten is de noodzaak van bèta-opleidingen met een studielast van meer dan 168 studiepunten naar mijn oordeel voldoende aangetoond. Het ligt dan ook voor de hand de studiefinancieringsaanspraken aan deze conclusie aan te passen. Aanpassing van deze aanspraken zonder meer is echter een te beperkte benadering van de problematiek van de bèta-opleidingen. Er is reden om aan te nemen dat ook de inhoud van natuurwetenschappelijke opleidingen en de organisatie van hun curricula aan een wezenlijke herziening toe zijn. De aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, de matige rendementen van de opleidingen en de afnemende belangstelling voor bèta-opleidingen zijn factoren die de nood-zaak van een dergelijke herziening indiceren.

b. De bredere context

In het HOOP 98 is de noodzaak van vernieuwing van bèta-opleidingen geplaatst binnen een algemene analyse van ontwikkeling in de sector bèta- en technische opleidingen in het hoger onderwijs en de beroepen waar zij hun studenten op voorbereiden. Die ontwikkeling betreft de algemene trend van een afnemende belangstelling onder jongeren voor een bèta- of technische (beroeps)opleiding versus de toenemende behoefte aan werknemers met (hoge) bèta- en technische kwalificaties vanwege het eveneens toenemende belang van hoogwaardige technologische kennis voor de economische en maatschappelijke ontwikkeling van ons land. De Commissie Toekomst Natuur- en Technische Wetenschappen (Wetenschap en Techniek, Welvaart en Welzijn, mei 1997), ingesteld door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, heeft de dalende belangstelling voor bèta- en technische opleidingen – zoals die zich de laatste decennia heeft voorgedaan – in kaart gebracht; de bètastudies hebben relatief weinig geprofiteerd van de groei van het totaal aantal wo-studenten in de afgelopen veertig jaar, waarbij vooral de daling over de laatste vijf jaar opvallend is. Snelle technologische ontwikkelingen hebben bovendien als gevolg dat de inhoud van beroepskwalificaties navenant verandert en in een gunstige conjunctuur hebben bedrijfsleven, de dienstverlenende sector en de publieke sector – met het oog op het gewenste vernieuwingspotentieel – extra behoefte aan breed opgeleide natuurwetenschappers. Van opleidingen in het hoger onderwijs wordt dus vereist dat zij zowel aantrekkelijk zijn voor aankomende studenten als qua inhoud en onderwijskundige structuur hun studenten adequaat voorbereiden op de eisen die op de arbeidsmarkt aan hoog opgeleide werknemers worden gesteld.

De huidige natuurwetenschappelijke opleidingen kunnen niet aan die eis voldoen; zij hebben te kampen met een afnemende instroom van nieuwe studenten, een te hoge uitval tijdens de studie en een matige aansluiting op de arbeidsmarkt. De oorzaak ligt (zie ook bovenaangehaalde visitatierapporten) voor een deel in hun eenzijdige disciplinaire oriëntatie en «smalle» structuur. Bovendien leiden bèta-opleidingen per traditie vooral op voor een onderzoekersopleiding, met als gevolg dat studenten die deze route niet volgen onvoldoende op de arbeidsmarkt worden voorbereid.

1.3. Doelstellingen

Het doel van dit wetsvoorstel is de condities te scheppen die het mogelijk maken dat een wezenlijke vernieuwing en verbetering van het natuurwetenschappelijk onderwijs tot stand komt. Het verlenen van het recht op verlengde studiefinanciering is geen doel op zich. In het HOOP 98 is de problematiek geschetst van de kwalitatieve en kwantitatieve discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor bèta en techniek. De belangstelling voor deze opleidingen blijft achter bij de toenemende vraag. Een deel van het antwoord op deze probleemstelling is het aantrekkelijker maken van de nu veelal eenzijdig op de disciplinaire wetenschapsbeoefening gerichte opleidingen voor aanstaande studenten, door middel van verbreding van het onderwijsaanbod. Breder geprofileerde opleidingen, naast de traditionele disciplinair gerichte opleidingen, komen tegemoet aan de behoefte van het bedrijfsleven aan breed inzetbare werknemers. In het bèta-convenant met de universiteiten is afgesproken dat deze vernieuwing van de natuurwetenschappelijke curricula zullen realiseren, onder meer door verschillende afstudeervarianten vorm te geven, die ofwel direct zijn gericht op de arbeidsmarkt, ofwel zijn gericht op de onderzoekersopleiding.

Een tweede doelstelling geldt het belang van het opleiden van voldoende leraren in deze sector; de positionering van de lerarenopleiding in relatie tot het doctoraalprogramma behoeft aanpassing. Afgesproken is dat in de nieuwe natuurwetenschappelijke opleidingen een communicatie/educatie-variant wordt geprogrammeerd, die onder meer voorbereidt op het beroep van leraar. Daarvoor zal binnen de initiële opleiding een lerarenopleiding worden geprogrammeerd die voor het overgrote deel valt binnen de 210 studiepunten.

Een derde doelstelling is een substantiële verbetering van het rendement van de nieuwe opleidingen. In het convenant zijn concrete afspraken gemaakt over de te realiseren studierendementen in de propedeutische en doctoraalfase van de studie.

Dit alles vergt ingrijpende herziening van de natuurwetenschappelijke programma's door de universiteiten. Dit wetsvoorstel voorziet in een speciale toetsingsprocedure voor die nieuwe opleidingen, alvorens aan de nieuwe bèta-opleidingen van 210 studiepunten ook het recht op verlengde studiefinanciering wordt verbonden.

1.4. Selectie van opleidingen

Het voorgaande brengt met zich dat er sprake is van een selectieve benadering. Alleen opleidingen waarvan uit de voorstellen blijkt dat zij daadwerkelijk inhoudelijk en programmatisch zijn vernieuwd, komen in aanmerking voor het aan de studenten aan deze opleidingen te verlenen recht op vijf jaar gemengde studiefinanciering.

In het kader van de in dit wetsvoorstel beschreven toetsingsprocedure beslist de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de programmering van dergelijke opleidingen. Daartoe zal ik, in overleg met mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een tijdelijke commissie van deskundigen instellen die mij met betrekking tot de door de instellingen in te dienen voorstellen zal adviseren.

1.5. Criteria voor nieuwe opleidingen

Met het oog op het belang van de criteria die hierbij aan de orde dienen te komen, zijn deze in het wetsvoorstel opgenomen. De criteria vloeien direct voort uit de hierboven beschreven doelstellingen van dit wetsvoorstel. De adviescommissie die de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal adviseren inzake de selectie van de opleidingen, zal de voorgelegde programma's beoordelen op de volgende criteria.

a. De maatschappelijke behoefte

Het instellingsbestuur dient aan te tonen dat er een reële behoefte in de maatschappij bestaat aan afgestudeerden van deze opleiding. Dit kan blijken uit het gevoerde overleg met werkgevers, ondersteund door systematisch opgebouwde en gekwantificeerde prognoses omtrent de vervangingsbehoefte op de arbeidsmarkt met betrekking tot functies waarvoor de desbetreffende opleiding voorbereidt, op de middellange termijn. Uit de resultaten van dit overleg moet blijken dat de instelling rekening heeft gehouden met de door werkgevers geformuleerde opvattingen over de kwaliteiten van de afgestudeerden, onverlet de eigen verantwoordelijkheid van de universiteit voor die opleiding.

b. Vernieuwing en verbreding

Is er sprake van een ten opzichte van de bestaande opleiding(en) vernieuwd en verbreed curriculum dat daardoor tegemoet komt aan de doelstelling van aantrekkelijker onderwijs voor studenten en werkgevers? De doelstellingen die hierbij aan de orde zijn, zijn beschreven in het HOOP 98. Naast de traditionele, disciplinair gerichte opleidingsonderdelen dienen meer algemene kennis en vaardigheden in het curriculum te worden opgenomen, zoals sociale en communicatieve vaardigheden, informatie- en communicatietechnologie en bedrijfskunde. Door het programmeren van meer interdisciplinaire programma's, binnen het gebied van de natuurwetenschappen of ook de grenzen van dat gebied overschrijdend, kan beter worden aangesloten bij nieuwe maatschappelijke vragen en bij de belangstelling van studenten. Meer differentiatie in de afstudeerrichtingen draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de opleidingen voor studenten en werkgevers.

c. Studeerbaarheid

Het verbeteren van de studeerbaarheid van de programma's ten opzichte van de bestaande opleiding(en) waar de nieuwe opleiding een opvolger van is, is een belangrijke doelstelling, d.w.z. dat de organisatie en inrichting van het programma zodanig dient te zijn verbeterd, dat de studenten bij een redelijke studieinspanning de studie succesvol kunnen afsluiten binnen de studievoortgangsnormen zoals vastgelegd in de Wet op de studiefinanciering. In het convenant zijn hiervoor concrete doelstellingen vastgelegd. De voorgelegde programma's zullen dus worden beoordeeld op de vraag of de instelling aannemelijk heeft gemaakt dat de volgende doelstellingen met betrekking tot de studievoortgang gerealiseerd zullen worden: een propedeuserendement van 70% na een jaar (exclusief de studenten die voor 1 februari in het eerste studiejaar de studie staken) en een post-propedeuserendement van 90% binnen vijf jaar.

d. Differentiatie in afstudeerrichtingen

De programmatische vernieuwing kan zeer uiteenlopende vormen aannemen. Een eis die wordt gesteld, is dat de desbetreffende opleiding naast de bestaande afstudeerrichting(en) die voorbereiden op het beroep van wetenschappelijk onderzoeker, veelal in de vorm van een specifieke voorbereiding op de promotie-opleiding, ook andere afstudeerrichtingen omvat die voorbereiden op een andere maatschappelijke carrière. Eén van die afstudeerrichtingen is in ieder geval een afstudeerrichting die voorbereidt op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in een met die opleiding verwant vak, zodanig dat de afgestudeerde direct kan worden benoemd als leraar. Om aan deze laatste eis te voldoen is het noodzakelijk dat de voor de uitoefening van het leraarschap relevante opleidingselementen voor het overgrote deel zijn geprogrammeerd binnen deze initiële opleiding van 210 studiepunten.

De goedkeuringsprocedure is een nieuw specifiek element in de wet voor deze opleidingen. Doordat de minister een expliciet toetsende rol heeft en hierbij ook de maatschappelijke behoefte betrekt, is een beoordeling op de macro-doelmatigheid door de Adviescommissie onderwijsaanbod niet nodig. Dit laat uiteraard onverlet de opdracht aan de minister om het algemene criterium van de macro-doelmatigheid als basisprincipe te hanteren.

Nadat een opleiding de goedkeuringsprocedure met succes heeft doorlopen, gelden voor deze opleiding geen verdere uitzonderingsbepalingen, anders dan de verlengde sf-faciliteiten. De reguliere WHW-bepalingen zijn onverkort van toepassing.

1.6. Besluitvorming nieuwe opleidingen uitsluitend in 1999, 2000 en 2001

Gelet op het uitgangspunt voor dit wetsvoorstel van een selectieve benadering wordt ook een tijdelijke regeling voorgesteld, die de periode waarin universiteiten een aanvraag kunnen indienen voor een opleiding in de zin van deze wet inperkt. Het gaat om aanvragen voor nieuwe opleidingen per 1 september 1999, per 1 september 2000 en per 1 september 2001. Bedoeld is een eenmalige operatie, gericht op verbetering van de bestaande natuurwetenschappelijke opleidingen. De hoofdregel blijft dat een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 168 studiepunten, de student aanspraak geeft op gemengde studiefinanciering voor een periode van ten hoogste 4 studiejaren.

1.7. Moleculaire wetenschappen

De bepalingen van dit wetsvoorstel zijn tevens van toepassing op de opleiding moleculaire wetenschappen aan de Landbouwuniversiteit te Wageningen. Uit de onderwijsvisitatie Scheikunde en Scheikundige Technologie bleek dat de opleiding goed vergelijkbaar is met andere chemie-opleidingen in Nederland. De Landbouwuniversiteit heeft in mei 1998 een ad hoc commissie ingesteld met de opdracht om – op basis van dezelfde werkwijze als gevolgd in het hierboven onder 1.2a genoemde rapport «Vijf jaar voor Bèta's» van de commissie-Van der Kruit – een aanvullend, openbaar advies uit te brengen. De ad hoc commissie (onder leiding van dezelfde Van der Kruit) concludeerde in juli 1998 dat «de opleiding Moleculaire wetenschappen van de LUW een vergelijkbare positie bekleedt als de scheikunde-opleidingen aan de algemene universiteiten. Er zijn grote overeenkomsten qua inhoud, studielast, studieduur en omvang afstudeerpakket, alsook met betrekking tot de internationale vergelijkbaarheid en positionering op de arbeidsmarkt».

1.8. Biologie

Het wetsvoorstel is niet van toepassing op de opleiding biologie. De centrale doelstelling van dit wetsvoorstel is het nemen van maatregelen gericht op het probleem van de discrepantie tussen de belangstelling voor natuurwetenschappelijke opleidingen en de vraag naar afgestudeerden. Dat probleem geldt in omgekeerde zin voor de opleiding biologie; de aantallen eerstejaarsstudenten – biologie trekt ruim een derde van het totaal aantal studenten in de natuurwetenschappelijke opleidingen – wijzen net zo min als de thans beschikbare gegevens omtrent de vraag op de arbeidsmarkt naar afgestudeerde biologen op de noodzaak van bevordering van de instroom in deze opleiding.

2. Uitvoeringsaspecten

Indien het wetsvoorstel op het in artikel 10 voorziene tijdstip in werking treedt, is het tijdpad voor de invoering van de met dit wetsvoorstel beoogde maatregelen kort, maar haalbaar. Voor dit tijdschema, dat het mogelijk maakt dat de eerste nieuwe opleidingen reeds in september 1999 van start gaan, is gekozen op grond van de overweging dat zo snel mogelijk ingegaan moet worden op de groeiende behoefte op de arbeidsmarkt aan afgestudeerden in de natuurwetenschappelijke opleidingen, zoals betoogd in de inleidende paragrafen van deze memorie. Het tijdschema is uitvoerbaar, omdat het wetsvoorstel vooraf is gegaan door uitvoerig overleg met de betrokken universiteiten; de resultaten van het overleg zijn neergelegd in het eerder genoemde convenant met de betrokken universiteiten van 1 mei 1998 (zie paragraaf 1.1 van deze memorie). In het kader van de beoordeling van de voorstellen voor nieuwe opleidingen wordt ook nagaan of de voorbereiding van de nieuwe opleidingen door de universiteiten voldoende is om deze in het beoogde jaar van invoering (1999, 2000, respectievelijk 2001) feitelijk van start te laten gaan.

3. Financiële gevolgen

De extra studiefinancieringsaanspraken van studenten die natuurweten-schappelijke opleidingen volgen waarover op grond van dit wetsvoorstel een positief besluit is genomen, zullen niet leiden tot een verhoging van de rijksbijdrage aan de betrokken universiteiten.

De financiële gevolgen voor de studiefinanciering treden voor het eerst op in 2005. Zij zullen worden opgevangen binnen het totaal van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

II. Artikelen

Artikel 2

Op grond van het eerste lid kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toestaan dat een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de natuur met een studielast van 210 studiepunten bij een universiteit wordt ingesteld. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij komt een zelfde bevoegdheid toe met betrekking tot de opleiding moleculaire wetenschappen. Gevolg van het uitoefenen van deze bevoegdheid is dat voor de studenten aan die opleiding de studiefinanciering met één jaar wordt verlengd. Instellingsbesturen van universiteiten kunnen slechts voor de studiejaren 1999–2000, 2000–2001 en 2001–2002 een desbetreffend verzoek indienen. De reden hiervan is in het algemeen deel toegelicht.

Dit artikel heeft in de eerste plaats betrekking op de opleidingen op het gebied van de natuur met uitzondering van de opleiding biologie; zie hieromtrent paragraaf 1.8 van het algemeen deel. Tot deze categorie opleidingen behoren opleidingen als geologie, informatica, natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde en wiskunde. Het wetsvoorstel betreft voorts de opleiding moleculaire wetenschappen uit het onderwijsgebied landbouw en natuurlijke omgeving; zie in dit verband paragraaf 1.7 van het algemeen deel.

Het tweede lid bepaalt voor welk tijdstip een verzoek om een besluit te nemen moet zijn ingediend en bevat de criteria waaraan een verzoek moet voldoen. Met name voor het studiejaar 1999–2000 voorziet het wetsvoorstel in een krap tijdschema. De reden hiervan is dat in twee maanden zowel de besluitvorming door de minister als de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) 1999–2000 moet zijn voltooid. De criteria die de minister in het kader van de toetsingsprocedure dient te hanteren, zijn uitvoerig in het algemeen deel toegelicht, zodat hier kan worden volstaan met een verwijziging naar paragraaf 1.5 daarvan. Met betrekking tot de onderdeel b wordt nog opgemerkt dat met «ten minste 168 studiepunten» wordt uitgedrukt dat het hier ook kan gaan om opleidingen waarvan de studielast reeds door het instellingsbestuur met toepassing van artikel 7.4, zevende lid, is verhoogd.

Met het in het derde lid opgenomen voorschrift wordt bereikt dat in het kader van de registratieprocedure geen oordeel van de Adviescommissie onderwijsaanbod (ACO) behoeft te worden overgelegd. De reden hiervan is dat de doelmatigheidsbeoordeling die in geval van een nieuwe opleiding door de ACO wordt uitgevoerd, reeds aan de orde komt in het kader van de toetsingsprocedure.

Artikel 3

Op grond van artikel 14.1 van de WHW kan een instellingsbestuur tegen een besluit om bepaalde rechten aan een nieuwe opleiding te onthouden (zie artikel 6.8) in eerste en enige aanleg beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een besluit op grond van artikel 2, eerste lid, vertoont grote verwantschap met het genoemde artikel 6.8. Derhalve wordt voorgesteld hetzelfde rechtsbeschermingsregiem te hanteren.

Artikel 4

In het bèta-convenant van 1 mei 1998, waarin de afspraken over de vernieuwing van de bèta-opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs zijn neergelegd, heeft mijn ambtsvoorganger – onder het voorbehoud van de positie van de overige bij het wetgevingsproces betrokken organen – op zich genomen te bevorderen dat het desbetreffende wettelijk kader zo enigszins mogelijk met ingang van studiejaar 1999–2000 van start kan gaan. Realisatie van dit voornemen is uitsluitend mogelijk, indien de opleidingen waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is genomen, tijdig voor het studiejaar 1999–2000 in het CROHO worden geregistreerd.

Dit laatste kan alleen, indien voor dat studiejaar wordt afgeweken van de reguliere registratieprocedure. Immers, het tijdstip waarop de aanmelding voor registratie van een nieuwe opleiding ten behoeve van het studiejaar 1999–2000 uiterlijk had moeten plaatsvinden, was 28 februari 1998. In dit verband dient dus te worden afgeweken van de bepaling in de WHW dat de registratie pas in het studiejaar volgend op de publikatie van het CROHO, effect verkrijgt. Het onderhavige artikel waarin deze afwijkingen zijn opgenomen, maakt mogelijk dat een nieuwe opleiding in het CROHO voor het studiejaar 1999–2000 wordt geregistreerd.

Ook voor het studiejaar 2000–2001 is een overgangsregeling nodig. Het tijdstip van aanmelding voor registratie van een nieuwe opleiding die in het studiejaar 2000–2001 van start zou kunnen gaan, is uiterlijk 28 februari 1999. Op dat tijdstip is het onderhavige wetsvoorstel naar verwachting nog in behandeling bij de Staten-Generaal. Dit artikel voorziet derhalve tevens in een versnelde registratie van opleidingen voor het studiejaar 2000–2001.

Met betrekking tot het studiejaar 2001–2002 merk ik op dat ook hier de reguliere registratieprocedure niet kan worden toegepast als gevolg de inrichting van de toetsingsprocedure in artikel 2. Deze procedure is voor de verschillende jaren op dezelfde manier ingericht en heeft onder meer als doel de instellingsbesturen in staat te stellen hun aanvragen zorgvuldig voor te bereiden.

De versnelde registratie is als volgt opgezet. Ingevolge het eerste lid dient de IBG de opleidingen die zijn vermeld in de ministeriële regeling op grond van het voorgestelde artikel 7.4, negende lid, van de WHW, te registreren. Deze ministeriële regeling heeft dus naast de al beschreven functie van het «actueel houden» van artikel 7.4, zesde lid, ook een functie in het proces van registratie van de opleidingen. Voor de eerste keer zal de registratie in de maand juni 1999 plaatsvinden; deze registratie heeft betrekking op het studiejaar 1999–2000. Dit betekent dat daaraan voorafgaand de desbetreffende ministeriële regeling dient te zijn vastgesteld. Voor de studiejaren 2000–2001 en 2001–2002 zal dezelfde procedure worden gevolgd.

Het tweede lid voorziet in een regeling als opgenomen in artikel 6.14, vierde lid, van de WHW; dit artikellid betreft de mogelijkheid van weigering van de registratie van een nieuwe opleiding door de IBG, onder meer indien de desbetreffende gegevens niet tijdig of niet volledig zijn aangeleverd.

Artikel 5

De bekendmaking van de wijzigingen in het CROHO 1999–2000 zal voor 1 juli 1999 plaatsvinden om tijdig voor de aanvang van het studiejaar 1999–2000 duidelijkheid te hebben over de start van de vernieuwde opleidingen per 1 september 1999. Deze wijzigingen zullen een aanvulling vormen op de publikatie van de Informatie Beheer Groep van 1 september 1998, OWD/HW/059 100. Voor de studiejaren 2000–2001 en 2001–2002 vindt de bekendmaking voor 1 juli 2000 onderscheidenlijk 1 juli 2001 plaats.

Artikel 6

Het instellen van nieuwe opleidingen met een studielast van 210 studiepunten door instellingsbesturen brengt mee dat de «oude» opleidingen met een studielast van 168 studiepunten of – indien artikel 7.4, zevende lid, is toegepast – met een studielast van meer dan 168 studie-punten worden afgebouwd. Hiertoe strekt artikel 6. Na verloop van een periode waarin de studenten en extraneï de gelegenheid wordt geboden hun opleiding «oude stijl» af te ronden, dient de registratie uit het CROHO te worden beëindigd. Het lijkt mij niet noodzakelijk hiervoor een expliciete bepaling in het wetsvoorstel op te nemen. Ik neem aan dat de betrokken instellingsbesturen de Informatie Beheer Groep overeenkomstig artikel 6.15, eerste lid onder a, van de WHW zullen melden dat de registratie van de opleidingen «oude stijl» kan worden beëindigd.

Artikel 7

Artikel 7.4, tweede lid, van de WHW bepaalt dat de opleidingen in het hoger onderwijs een studielast van 168 studiepunten hebben. Hierop bestaat een aantal uitzonderingen; het betreft de opleidingen die in het derde tot en met zesde lid van genoemd artikel zijn vermeld, alsmede de opleidingen die met toepassing van het zevende lid van dat artikel een grotere studielast dan 168 studiepunten hebben. Voor deze laatste categorie opleidingen geldt overigens dat de daarvoor ingeschreven studenten geen aanspraak op studiefinanciering hebben voor de studieduur die overeenstemt met de studielast die uitgaat boven het reguliere aantal van 168 studiepunten. Voor deze studenten dient het instellingsbestuur ingevolge artikel 7.51a, tweede lid, van de WHW een passende financiële voorziening te treffen.

Zoals in het algemeen deel van deze toelichting reeds is uiteengezet, zijn aan opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de natuur en de opleiding moleculaire wetenschappen met een studielast van 210 studiepunten die voldoen aan de criteria van artikel 2 van het wetsvoorstel, de reguliere sf-rechten verbonden. Dit wordt geëffectueerd door de opleidingen waarvoor een positief besluit op grond van genoemd artikel is genomen, op te nemen in het stelsel van artikel 7.4, zesde lid, van de WHW. Dit gebeurt door middel van het totstandbrengen van het voorgestelde negende lid van genoemd artikel. Het gaat hier om een ministeriële regeling, waarvan de inhoud nauwkeurig in de wet wordt begrensd. Deze regeling draagt een facultatief karakter, omdat een positief besluit als bedoeld in artikel 2 moet worden gevolgd door activiteiten van de instelling.

In artikel 17a, tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF) is als hoofdregel neergelegd dat de studerende in het hoger onderwijs die 4 jaren studiefinanciering heeft genoten, daarna alleen nog maar studiefinanciering kan ontvangen in de vorm van een rentedragende lening. Die leenperiode beslaat ten hoogste 3 jaren. In artikel 17a, derde lid, is een limitatieve opsomming gegeven van lange opleidingen waarvoor een langere termijn dan 4 jaren gemengde studiefinanciering geldt. Het derde lid, onderdeel a, betreft een voltijdse opleiding met een studielast van meer dan 168 studiepunten. Dit onderdeel is uitgewerkt in het vierde lid. Het vierde lid, onderdeel a, noemt als lange opleiding onder meer een (technische) opleiding, genoemd in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW. Door deze – al bestaande – verwijzing naar artikel 7.4, zesde lid, van de WHW in artikel 17a, vierde lid, onderdeel a, van de WSF ontstaat derhalve voor de studenten die zijn ingeschreven voor de opleidingen waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft, aanspraak op een jaar extra studiefinanciering.

Bij de wet van 18 mei 1995 (Stb. 306) is aan artikel 7.4 een lid toegevoegd waarin opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de techniek en op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving met een studielast van 210 studiepunten zijn vermeld. Een zodanige opzet is voor de opleidingen op het gebied van de natuur niet mogelijk, omdat dit wetsvoorstel voorziet in een toetsingsprocedure waardoor eerst op verschillende momenten na de totstandkoming van dit wetsvoorstel (juni 1999, mei 2000 en mei 2001) vaststaat, van welke opleidingen de studielast 210 studiepunten bedraagt. Juist door de totstandkoming van de ministeriële regeling telkens na de beëindiging van de toetsingsronde wordt bewerkstelligd dat de in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW vastgelegde «catalogus» van opleidingen actueel blijft, zonder dat daarvoor de gehele wetgevingsprocedure behoeft te worden doorlopen.

Artikel 8

Nadat de verschillende toetsingsronden zijn beëindigd en de daarmee samenhangende ministeriële regelingen tot stand zijn gebracht, is er geen reden meer artikel 7.4, negende lid, van de WHW in stand te houden. Dat artikellid vervalt op grond van artikel 10 op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De reden hiervan is dat als gevolg van eventuele beroeps-procedures nog geen exact tijdstip in de wet kan worden vastgelegd.

Artikel 9

Het is de bedoeling dat de Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen na ommekomst van de eenmalige operatie expireert. In verband met de duur van eventuele beroepszaken is gekozen voor expiratie op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Naar boven