nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 22 januari 1999
Op 3 december ontving u van de Algemene Rekenkamer (AR) het rapport Europese
meldingsverplichtingen (kamerstukken II 1998/99, 26 310, nrs. 1–2).
Op 28 januari 1999 zal over dit rapport een algemeen overleg plaatsvinden
met de vaste commissies voor Justitie en Economische Zaken en de algemene
commissie voor Europese Zaken van uw kamer. Met het oog op dat overleg informeer
ik u graag over het volgende.
Strafzaken op het gebied van telecommunicatie
Hoofdstuk 5 van het rapport gaat in op de juridische gevolgen van niet-naleving
van meldingsverplichtingen. Op p. 9 wordt vermeld dat de Rijksdienst voor
de Radiocommunicatie (RDR) medio 1998 nog geen inschatting kon maken van de
juridische consequenties voor de ruim 5500 lopende strafzaken op het gebied
van de telecommunicatie. Tevens wordt opgemerkt dat de toenmalige Minister
van Justitie in het algemeen overleg met de Vaste Commissies van de Tweede
Kamer voor Economische Zaken en Justitie op 11 december 1997 geen melding
heeft gemaakt van mogelijke gevolgen van de Securitel-zaak voor die 5500 strafzaken.
In reactie op een gelijkluidende passage in het concept van het rapport
dat mij door de AR ter commentaar is voorgelegd, heb ik mede namens de Minister
van V&W een toelichtende brief aan de AR gezonden. De inhoud van deze
brief is geparafraseerd weergegeven op p. 12–13 van het rapport. In
het onderstaande licht ik een en ander wat meer gedetailleerd toe.
In het genoemde algemeen overleg heeft de Tweede Kamer gevraagd in hoeveel
gevallen door het OM van vervolging was afgezien naar aanleiding van de Securitel-zaak.
Van het afzien van vervolging van deze telecomzaken was op het moment van
het overleg met Tweede Kamer geen sprake.
Door het Openbaar Ministerie is medio 1997, kort nadat de Securitel-zaak
brede bekendheid had gekregen, een overzicht gemaakt van de bij de arrondissementsparketten
aanhangige strafzaken, voortvloeiend uit regelingen die op de door het kabinet
opgestelde lijst van niet-genotificeerde regelgeving voorkwamen. Hieruit bleek
dat bij de parketten in totaal 5636 zaken aanhangig waren op grond van de
Wet op de telecommunicatievoorzieningen.
Het Openbaar Ministerie heeft de Rijksdienst voor Radiocommunicatie (RDR)
verzocht na te gaan of met betrekking tot deze strafzaken problemen zouden
kunnen rijzen als gevolg van de Securitel-zaak. Bij dat verzoek aan de RDR
is aangegeven dat het om «ruim 5500» zaken ging.
De RDR heeft bij brief van 16 september 1997 aangegeven dat de juridische
consequenties van de Securitel-zaak voor deze strafzaken nog niet in te schatten
waren. Dit als gevolg van het feit dat niet zeker was dat in deze zaken overtreding
ten laste was gelegd van ten onrechte niet-aangemelde technische voorschriften
van het Besluit radio-elektrische inrichtingen en de Regeling toelating radio-elektrische
inrichtingen. De passage in het AR-rapport wekt echter de indruk dat de strafzaken
alle betrekking zouden hebben op niet-genotificeerde technische voorschriften
uit deze regelingen.
Het Openbaar Ministerie nam overigens, tegen de achtergrond van de visie
van de regering inzake de rechtsgevolgen van de Securitel-zaak (kamerstukken
II 1996/97, 25 389, nr. 18), het standpunt in dat verdachten zich in
deze zaken – zou daarin inderdaad overtreding van ten onrechte niet-aangemelde
voorschriften ten laste zijn gelegd – niet met succes op een Securitel-verweer
zouden kunnen beroepen.
Het College van procureurs-generaal heeft daarom ook geen opdracht gegeven
om deze zaken te seponeren.
Tegen de achtergrond van het standpunt van de regering over de rechtsgevolgen
van de Securitel-zaak bestond ook overigens geen aanleiding om daarop in het
algemeen overleg van 11 december 1997 specifiek in te gaan. Dit verduidelijkt
waarom mijn ambtsvoorgangster van deze zaken geen melding heeft gemaakt.
Van de gelegenheid maak ik gebruik om u de huidige stand van zaken te
melden omtrent de telecomzaken waarin een Securitel-verweer werd gevoerd,
die genoemd worden op p. 13 van het AR-rapport.
De vijf zaken die in het arrondissement Amsterdam aanhangig waren, hebben
tot gedeeltelijke ovar geleid. Tegen deze zaken is hoger beroep in gesteld
door het OM. De hoger beroepszaak tegen een ovar in het arrondissement Rotterdam
is nog aanhangig.
Naleving van meldingsverplichtingen door keurings- en
normalisatie-instellingen
De AR geeft aan dat de rijksoverheid te weinig inzicht heeft in de naleving
van meldingsverplichtingen door keurings- en normalisatie-instellingen (p.
7). De Minister van Economische Zaken heeft in reactie op het rapport al aangegeven
dat zij terzake met deze keuringsinstellingen afspraken zal maken.
Daarnaast werkt de Interdepartementale Commissie voor de Harmonisatie
van Wetgeving aan een rapport over communautaire verplichtingen van decentrale
overheden en zelfstandige bestuursorganen, waarin aanbevelingen zullen worden
opgenomen om de naleving van het EG-recht door deze instellingen – onder
andere wat betreft meldingsverplichingen – te versterken. Het rapport
zal naar verwachting begin maart zijn afgerond.
Zodra het kabinet zijn standpunt terzake heeft bepaald, zal de kamer daarvan
op de hoogte worden gesteld.
Inventarisatie van Europeesrechtelijke notificatieverplichtingen
De AR geeft aan dat Justitie het initiatief heeft genomen voor een interdepartementaal
onderzoek naar meldingsverplichtingen (p. 9). Dit onderzoek – een inventarisatie
van Europeesrechtelijke notificatieverplichtingen – is uitgevoerd door
een werkgroep van de ICER. Het kabinet heeft het ICER-advies inzake de resultaten
van de inventarisatie – die zijn opgenomen in een «Checklist horizontale
EG-rechtelijke notificatieverplichtingen» – en de implementatie
daarvan geaccordeerd. De checklist treft u bijgaand aan.1
De checklist heeft niet de pretentie een uitputtend overzicht te geven
van alle bestaande meldingsverplichtingen, doch beoogt wetgevingsjuristen
een nuttig hulpmiddel te bieden bij het traceren van notificatieverplichtingen
in door hen opgestelde ontwerp-regelgeving. In het kader van de ICER is een
voorziening getroffen voor het beheren en actualiseren van de checklist.
Graag zal ik over een en ander op 28 januari aanstaande verder van gedachten
wisselen met uw kamer.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals