26 271
Wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken

nr. 8
NADER VERSLAG

Vastgesteld 3 april 2000

De vaste commissie voor Justitie1 heeft na kennisneming van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging nog de behoefte nadere vragen en opmerkingen aan de regering voor te leggen. Onder het voorbehoud dat deze genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

I ALGEMEEN

De vaste commissie voor Justitie heeft met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging, beide van 16 december 1999. De aangebrachte wijzigingen hebben de commissie genoopt tot het uitbrengen van een nader verslag.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat niet alleen technische ontwikkelingen ertoe hebben bijgedragen dat DNA-onderzoek zich kan ontwikkelen tot een volwaardig opsporingsmiddel, maar dat ook maatschappelijke ontwikkelingen leiden tot een groter maatschappelijk draagvlak voor de toepassing van deze techniek, zoals onder andere tot uitdrukking komt in de door de Kamer aanvaarde motie van de leden Nicolaï, Kalsbeek en Dittrich (kamerstuk 26 800 VI, nr. 27). Met het verruimen van de door de regering voorgestelde mogelijkheden tot het verrichten van DNA-onderzoek kunnen deze leden dan ook vooralsnog instemmen, zij het dat zij daarbij een aantal kanttekeningen plaatsen waarop zij een bevredigende reactie van de regering hopen te ontvangen.

Juist waar DNA-onderzoek op grote(re) schaal zal worden toegepast, waarbij enerzijds met het uitbreiden van de bevoegdheid van de officier van justitie het accent veel meer komt te liggen in een vroegere fase van het opsporingsonderzoek (en onderzoek op initiatief van de rechter-commissaris tot de uitzonderingen lijkt te gaan behoren) en anderzijds de discussie is geopend DNA-onderzoek ook mogelijk te maken bij veroordeling en in het kader van TBS en zelfs ten aanzien van veroordeelden, menen de leden van de PvdA-fractie dat de waarborgen met betrekking tot dit onderzoek dienen te worden aangescherpt. Het gaat bij DNA-onderzoek immers om uiterst gevoelige informatie, die de privacy van betrokkenen ten zeerste raakt. Buiten twijfel moet komen te staan dat DNA-onderzoek in strafzaken slechts dient ter identificatie, in de zin van vergelijking van DNA-profielen. De regelgeving zal daarop dusdanig dienen te worden toegesneden dat gewaarborgd wordt dat (ook eventueel toekomstige) mogelijkheden tot het verkrijgen van méér informatie, waarvan in het strafrechtelijk kader geen gebruik kan worden gemaakt, worden voorkomen. Zij verwijzen hierbij naar de voorstellen die de Registratiekamer ter zake heeft gedaan ter wijziging van het concept-Besluit. Deze leden onderschrijven de mening van de regering dat het toepassen van sommige andere dwangmiddelen voor de verdachte wellicht meer ongemak met zich meebrengt dan het afnemen van celmateriaal, maar willen er nogmaals op wijzen dat de aan dit materiaal te ontlenen informatie gedegen (procedurele) waarborgen eist. Dat de regering op meerdere plaatsen in de nota naar aanleiding van het verslag deze vergelijking naar voren brengt, in het bijzonder als argument voor het voorstel de officier van justitie meer bevoegdheden toe te kennen, is op zichzelf begrijpelijk. Dit temeer omdat dit ook onderdeel vormt van het inzichtelijk maken van de verhouding tussen de procedures inzake het afnemen van vingerafdrukken en het gebruik van DNA-onderzoek in strafzaken; zoals in bovengenoemde motie door de Kamer is gevraagd. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het voorstel de officier van justitie de bevoegdheid te geven afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek te bevelen. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven tevens het verruimen van de mogelijkheden voor DNA-onderzoek tot alle misdrijven waarop voorlopige hechtenis staat. Met name het pilotproject Inbraken heeft het belang daarvan aangetoond. De daarmee gepaard gaande extra mogelijkheid tot gedwongen afname kan een belangrijke bijdrage leveren aan het opsporen van die misdrijven die, naast gewelden zedenmisdrijven, het gevoel van veiligheid van de mensen geweld aandoen.

De leden van de VVD-fractie stellen dat de regering terecht opmerkt dat de ontwikkeling rond DNA-onderzoek zich in een hoog tempo ontwikkelt. De ontwikkeling die de nota van wijziging met zich mee brengt, wordt door deze leden positief gewaardeerd. Meer dan in het aanvankelijke voorstel, wordt het gebruik van DNA-onderzoek nu gelijkgeschakeld met het gebruik van vingeronderzoek. In de motie Nicolaï c.s. wordt een aantal elementen genoemd die naar mening van de Kamer moesten worden meegenomen bij de verdere inrichting van het voorliggende wetsvoorstel. De aan het woord zijnde leden herkennen deze elementen in de nota van wijziging en waarderen ook in deze zin het daarmee voorliggende gewijzigde voorstel. Een aantal vragen blijft evenwel nog bestaan. Enerzijds houden die verband met het toepassingsbereik van het huidige voorstel. Anderzijds houden zij verband met de praktische uitwerking daarvan.

Doel van het DNA-onderzoek is identificatie. Andere vormen van informatieverschaffing middels DNA-onderzoek zijn ook mogelijk. Welke andere vormen van informatieverschaffing zijn mogelijk naar de huidige en de op korte termijn voorzienbare stand der techniek? Welke van deze mogelijkheden acht de regering, onder welke omstandigheden, toelaatbaar, zo vragen de leden van de fractie van de VVD?

Als regel dient voorop te staan dat DNA-onderzoek ter identificatie van een bekende persoon wordt verricht aan de hand van afgenomen lichaamsmateriaal. Anderzijds is in de wet vastgelegd dat gedwongen afname ultimo remedium is. De leden van de fractie van de VVD hebben nog twijfels over de verenigbaarheid van beide uitgangspunten. Ter verheldering vragen zij de regering aan te geven wat zij verstaat onder gedwongen afname. Moet dit worden opgevat als afname onder gebruik van fysieke dwangmiddelen of gaat het hier om elke vorm van afname die berust op een wettelijke verplichting? Mocht dit laatste het geval zijn, dan vragen de aan het woord zijnde leden zich af of nog kan worden gesproken van in de regel verrichten van DNA-onderzoek aan de hand van afgenomen lichaamsmateriaal.

De leden van de VVD-fractie erkennen dat er een verschil bestaat tussen verdachten en niet-verdachten bij de toepasbaarheid van DNA-onderzoek. Bij niet-verdachten mag celmateriaal slechts worden afgenomen met schriftelijke toestemming van de betrokkenen. Het feit dat het afnemen van DNA-materiaal ook in zijn huidige vorm, middels de afname van wangslijm, nog steeds een inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit rechtvaardigt dit onderscheid. Dit onderscheid is ook gerechtvaardigd nu het gaat om een inbreuk die, naar mening van de fractie van de VVD, vergelijkbaar is met de inbreuk die het afnemen van vingerafdrukken met zich mee brengt. De aan het woord zijnde leden vragen zich echter af of het DNA-profiel van niet-verdachten kan worden bepaald aan de hand van materiaal dat niet van hen is afgenomen. Kan het bezwaar dat in dat geval in alle stilte een DNA-onderzoek kan worden gehouden, worden ondervangen middels een kennisgevingverplichting. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in een dergelijk geval er van enigerlei inbreuk op de lichamelijke integriteit of op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen sprake is. Is de regering van mening dat dit alternatief ook van toepassing moet zijn op de groep van niet-verdachten. Hoe beoordeelt de regering in dit verband de opvatting dat het arrest van de Hoge Raad moet worden gezien als een bijdrage aan het streven DNA-onderzoek in strafzaken breder toepasbaar te maken?

Een ander onderscheid tussen de behandeling van verdachten en niet-verdachten ligt in de mogelijkheid tot bewaring van het DNA-profiel, zo constateren de leden van de fractie van de VVD. Het DNA-profiel van niet-verdachten wordt niet opgenomen in de DNA-databank. Wordt dit profiel wel opgenomen als de betrokkene verdacht wordt van een ander feit? Of moet in dit geval het oorspronkelijke materiaal alsnog worden vernietigd waarna opnieuw materiaal moet worden afgenomen om dit te gebruiken bij de gerezen verdenking?

De leden van de CDA-fractie merken op dat de nota naar aanleiding van het verslag waardevolle informatie bevat, maar tijd en ontwikkelingen met rasse schreden voortgaan. De aan het woord zijnde leden hebben behoefte op een aantal punten nadere vragen te stellen:

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de ontwikkelingen nog wel met wetgeving in formele zin zijn bij te houden. Let wel, wetgeving in formele zin is in dit dossier altijd noodzakelijk, maar de ontwikkelingen op het DNA-terrein gaan zo snel dat de aan het woord zijnde leden zich afvragen of het huidige voorstel van wet nog in overeenstemming is met de steeds verder voortschrijdende technische mogelijkheden. De term «genetisch paspoort» duikt meer en meer op in de wetenschappelijk literatuur. Zonder zich nu direct een voorstander te betonen van een dergelijke ontwikkeling, vragen deze leden op welke wijze het thans voorliggende wetsvoorstel rekening houdt met dergelijke ontwikkelingen. Bestaat er enige vorm van interdepartementaal overleg (bijvoorbeeld tussen de ministeries van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) om te komen tot een zekere afstemming bij al deze snelle ontwikkelingen?

Voorts wensen de leden van de CDA-fractie een substantiële reactie op het artikel «DNA in het Forensisch Onderzoek, Engeland is verder dan Nederland» in het Algemeen Politieblad van 18 december 1999. Waarom wordt in Nederland niet overgegaan tot een dergelijke grootscheepse aanpak? Één aspect uit dat artikel lichten de aan het woord zijnde leden er in het bijzonder uit. De afname van DNA-materiaal wordt in de huidige discussie sterk belicht vanuit de privacybescherming van de potentiële dader. In hoeverre verdient de gedachte (uit het bovengenoemde artikel) dat door snelle en omvangrijke afname van DNA-materiaal veel onschuldigen direct worden uitgesloten van verdenking, wat zeker voordelen heeft als het gaat om het vermijden dan wel wegnemen van onrust in een familie, dorp of andere gemeenschap?

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering het standpunt van diverse politieke partijen overneemt en voorstelt om een bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek mogelijk te maken bij misdrijven waar voorlopige hechtenis op staat. In feite is de verruiming van de toepassingsmogelijkheden van DNA-onderzoek reeds mogelijk gemaakt door het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1999.

In de motie Nicolai c.s. wordt overwogen dat het gebruik van DNA-onderzoek moet worden uitgebreid tot al die gevallen waarin het nemen van vingerafdrukken is toegestaan, en dat het gebruik van DNA-onderzoek voor zover technisch mogelijk op gelijke wijze moet worden ingericht als dat van vingerafdrukken. De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag uitdrukking heeft gegeven aan de inhoud van de motie. Voorts wordt in de motie verwoord dat DNA-profielen van verdachten en veroordeelden in beginsel moeten worden vergeleken met profielen van bestaande en toekomstige DNA-sporen. Ook op dit punt zijn deze leden verheugd te vernemen dat de regering in het wetsvoorstel de lijn van de motie volgt.

De aan het woord zijnde leden kunnen zich vinden in het voorstel van de regering om ook de officier van justitie de bevoegdheid te geven afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek te bevelen, waardoor het DNA-onderzoek meer gelijkenis gaat vertonen met de regeling van vingerafdrukken. Zij zijn verheugd te vernemen dat de regering de inbreuk op de lichamelijke integriteit bij afname van DNA-materiaal niet zodanig vindt dat dit slechts op gezag van een rechter-commissaris kan plaatsvinden.

Helaas hebben de leden van D66-fractie ook enige punten moeten constateren waar de regering een te terughoudende positie inneemt. Met name op deze terreinen hebben deze leden nog enkele vragen dan wel opmerkingen.

Met verbazing constateren de leden van de GroenLinks-fractie dat in de nota van wijziging geheel wordt afgeweken van oorspronkelijke keuze van de regering om geen voorstellen te doen met betrekking tot de aanpassing van de misdrijven bij welker verdenking een DNA-onderzoek kan worden bevolen. De leden van deze fractie hebben deze keuze aanvankelijk onderschreven en in dit stadium past dan ook teleurstelling. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde mogelijkheid om de bevoegdheid tot het bevelen van afname van celmateriaal ook aan de officier van justitie toe te kennen, waar deze bevoegdheid in de oorspronkelijke voorgestelde wetswijziging nog expliciet slechts werd toegekend bij vrijwillige medewerking van de verdachte. Concreet stelt de regering voor twee artikelen in te voegen na artikel 151a Sv en artikel 195d Sv in bedoelde zin te wijzigen. In artikel 151b Sv krijgt de officier van justitie de bevoegdheid een bevel tot het afnemen van celmateriaal te geven ten aanzien van bekende verdachten tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die worden verdacht van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. De leden zijn verheugd dat de regering, in weerwil van het advies van een aantal kanten, het vereiste dat tegen de verdachte ernstige bezwaren moeten zijn gerezen handhaaft.

De leden kunnen in het licht van de motivering die ten grondslag ligt aan de uitbreiding van de misdrijven waarbij DNA-onderzoek mogelijk is invoeging van artikel 151c Sv niet rijmen. Hierop zal hieronder worden ingegaan.

Tevens willen de leden van de GroenLinks-fractie ook wijzen op de voortschrijdende techniek waar het DNA-onderzoek betreft. De nadruk wordt in de voorgestelde wijziging grotendeels gelegd op de gedwongen afname van wangslijmvlies. De leden vragen zich af of de voorgestelde wetswijziging niet binnen afzienbare tijd door deze ontwikkelingen zal worden ingehaald. De regering wordt dan ook verzocht aan te geven in hoeverre zij meent dat de discussie rondom de vraag in hoeverre het gedwongen afnemen van celmateriaal een al dan niet gerechtvaardigde inbreuk op de lichamelijke integriteit meebrengt een lange realiteitswaarde heeft. De leden van de GroenLinks-fractie sluiten niet uit dat binnen afzienbare tijd het gedwongen afnemen van celmateriaal wellicht zonder enige inbreuk op de lichamelijke integriteit mogelijk zal zijn, zodat er feitelijk van afnemen geen sprake meer behoeft te zijn. Het lijkt er overigens op dat die situatie al bestaat en in geval van verzet tegen gedwongen afname zal worden toegepast: DNA-onderzoek van ander celmateriaal. De regering wordt dan ook verzocht in te gaan op de vraag waarom DNA-onderzoek van ander celmateriaal niet als regel kan worden geïntroduceerd teneinde elke inbreuk op de lichamelijke integriteit uit te sluiten. Deze leden wijzen er uitdrukkelijk op dat in een dergelijke situatie de inbreuk op de lichamelijke integriteit niet langer van feitelijke aard behoeft te zijn, maar dat, wegens de mogelijkheid allerhande gegevens uit het DNA-materiaal te halen, het voorkomen van schending van de persoonlijke levenssfeer voorop dient te blijven staan.

1. Arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1999, nr. 4000 Besch.

De leden van de PvdA-fractie delen de door de regering aan dit arrest verbonden conclusie. Ook zij willen beklemtonen dat, waar het betreft DNA-onderzoek aan celmateriaal dat niet middels afname daarvan, maar via inbeslaggenomen voorwerpen plaatsvindt, de bevoegdheid tot het doen plaatsvinden van dit onderzoek slechts bij de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris dient te worden verleend.

Het arrest van de Hoge Raad mag dan wel duidelijk maken dat DNA-onderzoek middels inbeslaggenomen voorwerpen ter identificatie van een bekende verdachte ook nu reeds mogelijk is, deze leden delen de mening van de regering dat als regel voorop dient te staan dat DNA-onderzoek ter identificatie van een bekende persoon wordt verricht aan de hand van afgenomen lichaamsmateriaal, omdat dit de beste garantie biedt dat daadwerkelijk een betrouwbaar DNA-profiel van de betrokkene kan worden bepaald. Zij onderschrijven de uitspraak dat de betrokkene er bovendien recht op heeft te weten dat zijn DNA in een strafrechtelijk onderzoek wordt onderzocht. In dit verband vragen zij de regering dan ook nader te motiveren waarom het onderzoeksbelang het zou rechtvaardigen dat het DNA-profiel van een verdachte eerst wordt bepaald aan de hand van celmateriaal dat niet is afgenomen en dat de resultaten van dit onderzoek gedurende enige tijd voor de verdachte geheim worden gehouden. Het gegeven voorbeeld, namelijk de situatie dat er meerdere verdachten zijn, doet bij hen het vermoeden rijzen dat daarmee wordt gedacht aan een situatie waarin tegen elk van hen wel een redelijk vermoeden van schuld bestaat, maar wellicht geen «ernstige bezwaren». Wordt op deze wijze de eis van «ernstige bezwaren» niet omzeild, bijvoorbeeld omdat deze pas bevestigd worden door het DNA-onderzoek (via voorwerpen) zelf ten aanzien van één verdachte die naar aanleiding van dit onderzoek misschien juist niet langer als verdachte kan worden beschouwd.

Wat verzet zich ertegen om bij elk van de verdachten waartegen «ernstige bezwaren» bestaan DNA-onderzoek te bevelen? Zij vragen of, indien buiten weten van de verdachte DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden en een DNA-profiel is opgesteld, daarmee ook reeds onderzoek mag worden gedaan naar eerdere, nog niet opgeloste misdrijven, met andere woorden dit profiel vergelijken met de in de databank aanwezige DNA-profielen van sporen van die onopgeloste misdrijven.

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat DNA-onderzoek van niet-verdachten altijd via afname van celmateriaal dient plaats te vinden.

2. Verlaging van de grens voor gedwongen afname van celmateriaal

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat gedwongen afname van lichaamsmateriaal een ultimum remedium dient te zijn. Gestreefd dient te worden naar vrijwillige medewerking, ook van de verdachte. Verzet deze zich echter dan is dwangafname van bloed of haarwortels, desnoods met behulp van de sterke arm, aan de orde. Mede in verband met de veiligheid van degene die hier celmateriaal afneemt, is afname van wangslijmvlies dan niet geïndiceerd. Deze leden gaan ervan uit dat niet tot dwangafname wordt overgegaan indien de mogelijkheid bestaat DNA-onderzoek van celmateriaal middels voorwerpen te doen plaatsvinden. Zij gaan ervan uit dat in dit laatste geval aan de verdachte bekend wordt gemaakt dat dit onderzoek op deze wijze plaatsvindt.

Deze leden onderstrepen het belang van de eis dat de verdachte dient te worden gehoord en zich door een raadsman kan laten bijstaan. Het bevreemdt hun dan ook dat in de toelichting bij de nota van wijziging wordt gesteld dat diens komst niet behoeft te worden afgewacht en daarvóór zelfs tot afname kan worden overgegaan. Zij achten dit niet terecht. De beslissing om vrijwillig mee te werken is een belangrijke; dit wordt ook door de regering erkend, zoals ook blijkt uit het concept-Besluit, waarin geregeld is dat de verdachte moet worden gewezen op de consequenties daarvan. De opmerking in de toelichting bevreemdt hen dus te meer omdat op meerdere plaatsen in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat in tegenstelling tot andere informatie de «DNA-informatie» nu eenmaal «niet wegloopt». Deze leden stellen dat het recht gehoord te worden in aanwezigheid van een raadsman daadwerkelijk moet kunnen worden geëffectueerd.

De leden van de PvdA-fractie realiseren zich dat een bredere toepassing van DNA-onderzoek in strafzaken een kostenverhoging met zich meebrengt voor de gehele strafrechtketen. De uiteenzetting van de regering ter zake illustreert dit overduidelijk. Zij kunnen zich vinden in het voorstel over de realisatie van een en ander bij de Voorjaarsnota 2000 meer informatie te verschaffen.

Dat de toename van de mogelijkheden DNA-onderzoek in strafzaken toe te passen noodzaakt tot het stellen van prioriteiten, zeker gedurende de eerste jaren, is niet meer dan logisch. Zij vragen de regering de Kamer daarover op gezette tijden, bijvoorbeeld jaarlijks, ter gelegenheid van de behandeling van de begroting, te informeren.

De leden van de D66-fractie merken op dat in de nota naar aanleiding van het verslag valt te lezen dat het rapport «DNA bij inbraken» mede een rol heeft gespeeld bij de beslissing om verruiming van de categorie misdrijven waarbij DNA-onderzoek kan worden toegepast voor te stellen. De regering staat een ruimere, maar niet automatische toepassing van DNA-onderzoek voor ogen. Niet elke winkeldiefstal hoeft ertoe te leiden dat het DNA-profiel van de betrokkene wordt vastgesteld en in de DNA-databank wordt opgenomen, mede gelet op de kosten en onderzoekscapaciteit. Toch willen de leden van de fractie van D66 erop wijzen dat het DNA-profiel van iemand die een relatief klein vergrijp heeft gepleegd via de DNA-databank gekoppeld kan worden aan wellicht andere grotere delicten. Deze leden vragen op basis van welke criteria door de officier van justitie dan wel de rechter-commissaris wordt afgewogen in welke zaken DNA-onderzoek zal gaan plaatsvinden.

De uitbreiding van de toepassing van DNA-onderzoek in strafzaken impliceert dat er een forse investering in onderzoekscapaciteit noodzakelijk is. Het verwondert de leden van de D66-fractie dat op geen enkele wijze in de begroting van het Ministerie van Justitie een budget voor de investering in onderzoekscapaciteit terug te lezen valt. Inmiddels is het amendement-Dittrich, waarin om extra geld voor DNA-onderzoek gevraagd werd door de regering overgenomen. Deze leden zijn van mening dat het aanbeveling verdient om aangaande de onderzoekscapaciteit een vooruitziende blik te ontwikkelen. In de nota naar aanleiding van het verslag is door de regering reeds in het kort het beleid van enkele ons omringende landen uiteengezet. Zo heeft men bijvoorbeeld in Engeland uitgebreid geïnvesteerd in onderzoekscapaciteit met als resultaat dat zo'n 700 000 DNA-profielen in een databank zijn opgeslagen en de kans dat een bij een misdrijf gevonden spoor correspondeert met een profiel in de database inmiddels ruim 40% bedraagt.

Kan aangegeven worden hoe de door de regering geplande uitgaven ten behoeve van DNA-onderzoek zich verhoudt tot de uitgaven die in Engeland en andere ons omringende landen aan DNA-onderzoek wordt besteed?

Voorts vragen deze leden waarom pas over vijf jaar een capaciteit beschikbaar komt die in overeenstemming is met de thans verwachte vraag. Kan de regering dit nader beargumenteren? Het aannemen en opleiden van personeel en het aanschaffen van de benodigde apparatuur kan naar de mening van de leden van de D66-fractie niet het punt zijn waardoor een termijn van vijf jaar te billijken valt. Naar de mening van de leden van de D66-fractie kan met voldoende middelen een termijn van twee à drie jaar haalbaar zijn. Kan de regering hier nader op ingaan?

Op welke termijn verwacht de regering dat er een richtlijn met betrekking tot DNA-onderzoek van het College van procureurs-generaal tot stand komt? Deze richtlijn zal materiële en formele elementen bevatten, zoals welke zaken het zwaarst wegen en wie beslist welk onderzoek voorrang heeft. Deze leden zijn van mening dat bij DNA-onderzoek levens- en zedendelicten de hoogste prioriteit zouden moeten krijgen. Zij wensen gelijktijdig met de mondelinge behandeling van dit wetsvoorstel kennis te kunnen nemen van de ontwerprichtlijn.

Volgens de regering kan in de overgangssituatie ook de inschakeling van andere gekwalificeerde laboratoria dan dat van het Nederlands Forensisch Instituut onder omstandigheden overwogen worden. Wat is de reden dat deze andere laboratoria niet sowieso worden ingeschakeld, nu er sprake is van een capaciteitstekort?

Een naar de mening van de leden van de GroenLinks-fractie zeer vergaande wijziging die thans wordt voorgesteld, is de uitbreiding van de misdrijven waarbij DNA-onderzoek mogelijk is naar misdrijven waarbij voorlopige hechtenis is toegestaan. Een tweetal omstandigheden hebben de regering hiertoe gebracht. Allereerst noemt de regering de mogelijkheid van vrijwillige medewerking door de verdachte en voorts de uit het recent gewezen arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1999 voortvloeiende mogelijkheid van onderzoek aan ander celmateriaal dan aan gedwongen afgenomen celmateriaal.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn er niet van overtuigd dat de motivering die de regering aan deze prominente wijziging ten aanzien van het oorspronkelijke wetsvoorstel ten grondslag legt een dergelijke wijziging kan dragen. De regering benadrukt uitdrukkelijk dat gedwongen afname slechts in een beperkt aantal gevallen nodig zal zijn, aangezien zij veronderstelt dat bij vrijwillige medewerking een gedwongen afname niet voor de hand ligt en voorts dat bij zwaarwegende redenen – zoals fysiek geweld – ander voorhanden zijnd celmateriaal kan worden gebruikt. De leden van de GroenLinks-fractie zijn van oordeel dat een dergelijke redenering de suggestie lijkt te wekken dat gedwongen afname van celmateriaal in feite niet aan de orde behoeft te zijn. Is deze interpretatie van de redenering van de regering een juiste? Zo de regering dit niet zo heeft bedoeld (invoeging van artikel 151c Sv impliceert dit), vragen deze leden de regering met andere argumenten deze wijziging te onderbouwen. Voorts wordt de regeringr verzocht in te gaan op de vraag of er, met het oog op de voortschrijdende techniek waar het DNA-onderzoek betreft, advies is gevraagd over de mogelijkheden ander celmateriaal te gebruiken bij DNA-onderzoek met een zelfde betrouwbaar resultaat als in de huidige situatie het geval is, zodat in nog mindere mate behoeft te worden ingegrepen in de lichamelijke integriteit van de verdachte. Uiteraard zou een dergelijke procedure met dezelfde waarborgen omgeven moeten zijn, teneinde de persoonlijke levenssfeer van de verdachte te beschermen.

Voorts was de regering blijkens de memorie van toelichting aanvankelijk van mening dat aanpassing van de misdrijven bij welker verdenking een DNA-onderzoek kan worden bevolen niet in de rede lag, wetende dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit bij het afnemen van wangslijmvlies geringer is dan bij het afnemen van bloed. Al ruim voor het indienen van het oorspronkelijke voorstel tot wijziging van de wet is de regering van diverse kanten geadviseerd de grens aanzienlijk te verlagen, maar kon zij schijnbaar niet overtuigd raken. De wijze waarop zij thans een geheel andere zienswijze verdedigt, behoeft naar de mening van de leden van de GroenLinks-fractie nadere motivering die niet slechts teruggrijpt op de mogelijkheden om van gedwongen afname af te zien. Deze leden vernemen met belangstelling wat de regering in de tussenliggende periode over de streep heeft getrokken en of zij zich heeft laten beïnvloeden door zeer ernstige misdrijven die in het recente verleden de nodige media-aandacht hebben gehad.

In de nota van wijziging heeft de regering de formulering aangepast van het bevel dat de rechter-commissaris en de officier van justitie geven. Waar het oorspronkelijke wetsvoorstel al een vereenvoudiging liet zien, is in de nota van wijziging in artikel 151b eerste lid, en artikel 195d, eerste lid, Sv slechts opgenomen dat de officier van justitie en de rechter-commissaris kunnen bevelen dat celmateriaal wordt afgenomen. Bij de uitvoering staat afname van wangslijmvlies voorop. De leden van de GroenLinks-fractie juichen deze wijziging toe. Aan de redenen om een andere onderzoeksmethode dan de primaire toe te passen, is vervolgens een reden toegevoegd: verzet door de verdachte. Bij verzet door de verdachte zal derhalve kunnen worden overgegaan tot afname van bloed of haarwortels, zo nodig met behulp van de sterke arm. Met name in het geval waarin over wordt gegaan tot bloedafname zal de inbreuk op de lichamelijke integriteit weer groter zijn. Het komt de leden van de GroenLinks-fractie niet logisch voor dat bij een sterkere inbreuk politieassistentie kan worden gegeven, waar dit bij het lichtere middel is uitgesloten. In vervolg hierop vragen deze leden zich af hoe de stelling dat bij verzet onder omstandigheden (welke omstandigheden?) kan worden overgegaan tot DNA-onderzoek aan ander celmateriaal (eveneens een lichter middel) zich verhoudt tot de mogelijkheid om bij verzet van de verdachte bloed of haarwortels af te nemen, nota bene met behulp van de sterke arm voor zover nodig.

De leden van de SP-fractie constateren dat de nota van wijziging een verruiming is van het onderhavige wetsvoorstel en vragen dan ook aan te geven of de in de toelichting genoemde misdrijven die opgenomen zijn in artikel 67, eerste lid, Sv, per definitie aan de rechter-commissaris of de officier van justitie het recht geven een bevel uit te doen gaan tot afname van DNA-materiaal bij de verdachte van deze misdrijven indien er ernstige bezwaren bestaan tegen de verdachte. Deze uitleg is logisch op grond van de veronderstelling dat het verdacht worden van misdrijven die opgenomen zijn in artikel 67, eerste lid, Sv, juncto derde lid samen met de «ernstige bezwaren» (uit het voorgestelde artikel 195d, eerste lid, Sv.) gronden zijn waarop dit kan plaatsvinden.

Deze leden constateren op grond van het bovenstaande dat er met dit wetsvoorstel dus altijd de mogelijkheid wordt geschapen DNA-materiaal af te nemen bij misdrijven uit artikel 67, eerste lid, wanneer er sprake is van «ernstige bezwaren» tegen de verdachte. Alle verdachten die dus in voorlopige hechtenis worden genomen (in casu: waartegen «ernstige bezwaren» bestaan) vallen onder de voorgestelde DNA-afnameregeling. Wat is de visie van de regering op deze lezing? Hoe ziet zij de uitleg van de «ernstige bezwaren»? Vallen inderdaad alle verdachten onder artikel 67 Sv. waartegen ernstige bezwaren bestaan onder de afname van DNA-materiaal?

De regering heeft besloten de wettelijke toepassingsbeperking van DNA-onderzoek te verlagen tot delicten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (de voorgestelde artikelen 151b en 195d Sv.). Bovendien zou volgens het voorgestelde artikel 151b ook de officier van justitie het bevel tot afname van celmateriaal kunnen geven tegen de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, waar naar geldend recht slechts de rechter-commissaris daartoe bevoegd is. Daar komt nog eens bij dat er tegen het bevel van de officier van justitie, anders dan nu het geval is wanneer de rechter-commissaris het bedoelde bevel geeft, geen rechtsmiddel openstaat. Weliswaar kan de officier van justitie het bevel niet geven dan nadat de verdachte is gehoord en is de verdachte bevoegd zich bij het horen door een raadsman te doen bijstaan (het nieuwe artikel 151b, tweede lid, Sv.), maar volgens de memorie van toelichting bij de nota van wijziging behoeft de officier van justitie niet met het horen te wachten totdat de raadsman is gearriveerd. Dit gegeven doet de leden van de SGP-fractie de vraag stellen of op deze wijze niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan de rechtsbescherming. Ook stellen zij de vraag of afname van wangslijmvlies onder dwang niet een dusdanige zware inbreuk op de lichamelijke integriteit meebrengt dat rechterlijke interventie is geïndiceerd.

Op 17 februari 2000 heeft de Registratiekamer de minister van Justitie op diens verzoek geadviseerd over het ontwerp-Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Deze leden gaan ervan uit dat de minister kennis heeft genomen van dit advies. Het advies bevat in verband met het regiem van de Wet bescherming persoonsgegevens op een vijftal onderdelen (Inperking DNA-profiel, bewaartermijn celmateriaal, de grondslag voor verwerkingen, verstrekkingen uit de DNA-databank aan de politie en de verwijdering van het DNA-profiel) aanbevelingen. Wil de regering, zo vragen de leden van de SGP-fractie, in de nota naar aanleiding van het nader verslag op elk van de adviezen/aanbevelingen van de Registratiekamer ingaan?

3. DNA-onderzoek bij veroordeelden en bij veroordeling

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de adviesaanvraag aan de Centrale Raad voor de strafrechttoepassing van 10 december 1999 over het gebruik van DNA-onderzoek buiten het kader van het vooronderzoek. De daaruit naar voren komende opvatting van de regering, zoals ook neergeslagen in de nota naar aanleiding van het verslag, kunnen zij vooralsnog volgen. Ook zij zijn van mening dat de uitkomst van dit advies en het oordeel van nog te raadplegen organen en organisaties aanleiding zal geven tot een fundamentele discussie. Daarop willen ook zij niet vooruit lopen.

De argumentatie van de regering heeft de leden van de VVD-fractie ervan overtuigd dat er ruimte is voor het toestaan van DNA-onderzoek bij TBS-gestelden. Een gebrek aan opsporingsbelang, capaciteitsoverwegingen alsmede het met de tijd vanzelf verdwijnen van anderszins veroordeelden bij wie geen DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden, leiden tot de logische conclusie dat hier geen terugwerkende kracht moet worden verbonden aan de verruimde mogelijkheid tot het verrichten van DNA-onderzoek. Evenwel vragen zij zich af of in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling als voorwaarde kan worden opgenomen dat een DNA-profiel wordt gemaakt. Wat verzet zich tegen deze mogelijkheid? Er bestaat wel een opsporingsbelang bij nog opgeslagen lichaamsmateriaal afkomstig van vermoedelijke delicten die nog niet verjaard zijn. Het DNA-profiel hiervan kan worden vergeleken met profielen in de DNA-bank. Is de regering van mening dat dergelijk onderzoek moet kunnen gaan plaatsvinden?

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de verlaging van de grens voor gedwongen afname van DNA-(cel)materiaal. Zij constateren dat de delicten, zoals weergegeven in artikel 67 Sv (bevel tot voorlopige hechtenis) nu uitgangspunt zijn. Desalniettemin betwijfelen deze leden zeer sterk of deze verlaging voldoende is. Een mogelijk bevel tot afname van DNA-materiaal bij diefstal, in alle varianten, inclusief woning inbraak, gaat weliswaar onder deze verlaging vallen. Maar wat te denken van bijvoorbeeld de delicten vermeld in de artikelen 300, eerste lid (zogenaamde eenvoudige mishandeling), 306 (deelname aan aanval of vechterij), 307 (dood door schuld) en 308 (zwaar lichamelijk letsel door schuld)Sr. Kan nogmaals uiteen worden gezet waarom deze, niet zelden maatschappelijk gevoelige, delicten buiten een mogelijk verplichte afname blijven vallen? De aan het woord zijnde leden richten zich daarbij ook op de gang van zaken in twee belangrijke buurlanden. In Engeland en Duitsland is bij delicten die bedreigd worden met gevangenisstraf vrijwel altijd afname van DNA-materiaal mogelijk (zie blz. 62 van de nota naar aanleiding van het verslag. Zou met name het systeem geldend in het Verenigd Koninkrijk geen navolging verdienen in ons land, zo vragen deze leden.

Wanneer wordt het advies van de Centrale Raad voor de Strafrechtstoepassing verwacht? Kan dit advies een rol spelen bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel? De leden van de CDA-fractie hechten sterk aan dit advies om zo te kunnen beoordelen of de terughoudendheid van de regering ten aanzien van DNA-onderzoek bij veroordeelden en bij veroordeling in stand kan blijven.

De leden van de D66-fractie zeggen het jammer te vinden dat de regering zo terughoudend reageert op de vraag of het al dan niet wenselijk zou zijn veroordeelden te verplichten om celmateriaal af te staan ten behoeve van DNA-onderzoek. Klopt het dat nog niet zo lang geleden in Oostenrijk van alle veroordeelden celmateriaal is afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek? Welke van de ons omringende landen zijn inmiddels via regelgeving ertoe overgegaan om veroordeelden te verplichten celmateriaal af te staan? Kan de regering dit uitsplitsen in landen die van alle veroordeelden celmateriaal afnemen en landen waar DNA-onderzoek bij een bepaalde categorie veroordeelden wordt toegestaan? Is het niet zo dat van de meeste gedetineerden vingerafdrukken beschikbaar zijn? Zo ja, hoe verhoudt de opstelling van de regering zich met de eerder vermelde motie? De leden van de D66-fractie achten het wenselijk dat in Nederland van alle veroordeelden celmateriaal wordt afgenomen, opdat het daaruit voortvloeiende DNA-profiel in een DNA-databank kan worden opgenomen, waardoor de informatiepositie van justitie en politie aanmerkelijk verbeterd zal worden.

Deze leden constateren dat de regering wel redenen ziet om – onder omstandigheden – DNA-onderzoek toe te passen op personen ten aanzien van wie de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is opgelegd. De leden van de fractie van D66 zijn het op dit punt eens met de regering, maar vinden het voorgestelde niet ver genoeg gaan. Veel plegers van seksueel misbruik die in de gevangenis zitten, hebben namelijk geen TBS opgelegd gekregen. Op basis van dit wetsvoorstel zou van deze categorie delinquenten dus geen DNA-profiel kunnen worden verkregen. Deze leden vinden dit een gemiste kans. Zij vinden dat ook deze categorie gedetineerden celmateriaal moeten afstaan, opdat hun DNA-profiel in een DNA-databank kan worden opgeslagen en de informatiepositie van justitie en politie verbeterd wordt. Uiteraard moeten daar zorgvuldigheidseisen aan verbonden worden. Kan de regering beargumenteren waarom niet elke pleger van een seksueel misdrijf na veroordeling zijn celmateriaal moet afstaan?

4. De motie van de leden Nicolaï, Kalsbeek en Dittrich

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat met de nu voorgestelde uitbreiding van de mogelijkheden voor DNA-onderzoek in strafzaken het verschil met die voor het afnemen van vingerafdrukken inderdaad gering is. Dat de aard van de informatie die aan DNA-onderzoek kan worden ontleend gevoeliger is dan die van vingerafdrukken, rechtvaardigt niet alleen het geven van strikte procedurele waarborgen, maar – zoals zij reeds eerder in dit nader verslag hebben betoogd – noodzaakt daar ook toe. Zij delen de mening van de regering dat het wetsvoorstel spoort met de aangenomen motie Nicolai c.s.

In de nota naar aanleiding van het verslag lezen de leden van de fractie van de VVD dat het DNA-profiel niet verandert en dat het optreden van de officier van justitie bij DNA-onderzoek kan worden afgewacht. Deze leden vragen zich af of de fysiologische kenmerken van een vinger wel zodanig snel veranderen dat het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht bij het afnemen van vingerafdrukken. Levert het voorliggende voorstel in de praktische zin een zwaardere procedure op dan de procedure zoals die wordt gehanteerd bij vingerafdrukken? Zo ja, waarin vindt dat zijn rechtvaardiging?

De uitvoering van een bevel tot DNA-onderzoek roept nog een enkele vraag op bij de VVD-fractie. De inschakeling van een verpleegkundige kan beperkt worden tot de gevallen waarin de verdachte voornemens is zich tegen de daadwerkelijke afname van lichaamsmateriaal te verzetten. Is juist in dergelijke gevallen ten minste de ondersteuning van de sterke arm niet geboden? Welke mate van geweld mag worden gebruikt bij een dergelijke afname van lichaamsmateriaal? Is er sprake van een vrijwillige afname van lichaamsmateriaal in de zin van artikel 2, zevende lid, van het concept-Besluit indien er wel een bevel is gegeven maar de betrokkene zich niet daadwerkelijk verzet tegen afname? Kan de regering nader verduidelijken waar de grens ligt voor inschakeling van een arts of verpleegkundige?

De leden van de D66-fractie betreuren het dat de regering van mening is dat er sprake moet zijn van ernstige bezwaren als het gaat om het afnemen van wangslijmvlies. Deze leden vinden dat de regering – op dit punt – geen gevolg geeft aan de motie-Nicolai c.s. Zij zijn van mening dat voor het afnemen van wangslijmvlies aangehaakt moet worden bij artikel 27, eerste lid, Sv, namelijk een redelijk vermoeden van schuld. Kan de regering ingaan op de stelling dat de eis van ernstige bezwaren niet overeenkomt met de strekking van de bovengenoemde motie, waarin wordt gesteld dat de regeling van DNA-onderzoek meer op de regeling van die voor vingerafdrukken moet gelijken?

Reeds in de eerste schriftelijke inbreng hebben de leden van de GroenLinks-fractie hun reserves te kennen gegeven ten aanzien van de voorgestelde mogelijkheid om DNA-onderzoek op last van de officier van justitie te doen plaatsvinden. Blijkens de memorie van toelichting werd er toen nog expliciet van uitgegaan dat dit alleen aanvaardbaar is in geval van vrijwillige medewerking van de verdachte. De motivering die de regering vervolgens ook op dit punt gebruikt om hier ondanks eerdere stelligheid op terug te komen, kan naar de mening van deze leden een dergelijke ommezwaai volstrekt niet dragen. De regering wijst onder meer op de met ingang van 1 februari 2000 geldende wet herziening gerechtelijk vooronderzoek, waarin parallelle opsporing als mogelijkheid wordt erkend. De leden gaan ervan uit dat de minister bij het indienen van het oorspronkelijke wetsvoorstel op de hoogte was van de naderende wet herziening gerechtelijk vooronderzoek, zodat dit argument reeds daarom aan kracht inboet. Uitgaande van de expliciete wens van de leden van de GroenLinks-fractie de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot afname van celmateriaal slechts aan de rechter-commissaris toe te kennen, valt niet in te zien dat uit de wet herziening gerechtelijk vooronderzoek logischerwijs zou moeten volgen dat deze bevoegdheid ook aan de officier van justitie zou moeten worden toegekend.

In het tweede lid van het voorgestelde artikel 151b is bepaald dat de officier van justitie het bevel niet geeft dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, waarbij hij bevoegd is zich bij het horen te doen bijstaan door een raadsman. De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat expliciet in de wet behoort te worden opgenomen dat de komst van de raadsman, indien de verdachte dat uitdrukkelijk wenst, dient te worden afgewacht. Zo dit niet gebeurt, is de kans levensgroot dat een situatie ontstaat waarin al te lichtvaardig wordt aangenomen dat de komst van de raadsman niet kan worden afgewacht.

De leden van de GroenLinks-fractie betreuren het dat van de gelegenheid geen gebruik is gemaakt in de nota van wijziging op te nemen dat bij schriftelijke toestemming van de verdachte wangslijmvlies af te nemen dit door een arts dan wel een onder diens verantwoordelijkheid ressorterende verpleegkundige te laten verrichten. Het ontbreken van een wettelijke basis hiervoor zou naar het oordeel van deze leden reden kunnen zijn voor een verdachte om zich er door opsporingsambtenaren op onjuiste gronden van te laten overtuigen dat vrijwillige afname de meest verstandige optie zou zijn. Waar er bij gedwongen afname voor wordt gepleit dit door een arts dan wel verpleegkundige te laten verrichten in verband met het na afloop zo min mogelijk laten bestaan van twijfel over een juiste afname, valt niet in te zien waarom dit argument bij een vrijwillige afname niet zou gelden. De leden verzoeken de regering hierop in te gaan.

Overigens wordt aandacht gevraagd voor de reactie van de artsenorganisatie KNMG op de voorgestelde wijziging. Uit deze reactie blijkt dat artsen niet verantwoordelijk willen zijn voor de afname van DNA-materiaal bij verdachten, als dit wordt verricht door verpleegkundigen zonder aanwezigheid van de artsen zelf. De leden van de GroenLinks-fractie zien deze reactie als een bevestiging van hun standpunt dat de afname van celmateriaal ten allen tijde door een arts dient te worden verricht. De regering wordt verzocht aan te geven of hij bereid is tegemoet te komen aan de kritiek van de beroepsorganisatie. Zo dit niet het geval mocht zijn, verwachten de leden in de praktijk van deze zijde problemen met betrekking tot de verantwoordelijkheid bij afname van celmateriaal. De minister wordt dan ook verzocht hierop in te gaan.

II MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de uiteenzetting met betrekking tot de noodzaak in het voorgestelde artikel 195d Sv dezelfde voorwaarden te stellen aan het bevel tot het afnemen van bloed als aan het bevel tot het afnemen van wangslijmvlies. Zij onderschrijven de noodzaak daarvan en hadden bij het vragen van een nadere motivering door de regering van de gemaakte keus, namelijk het aanpassen van de norm aan de minst ingrijpende handeling, ook zelf niet een «tweesporen benadering» voor ogen.

Zij vroegen, nu afname van bloed immers nog altijd geïndiceerd kan zijn, waarom bij de redenering dat van «dringende redenen» kon worden afgezien omdat het verzamelen van wangslijmvlies minder ingrijpend is, minder inbreuk op de lichamelijke integriteit met zich meebrengt, geen rekening is gehouden met dat gegeven en de norm niet is afgestemd op die meer ingrijpende handeling. Wat daar ook van zij, de beschouwingen die de regering heeft gewijd aan de – ook in de tekst zelf tot uitdrukking gebrachte – volgorde van afname van celmateriaal en het feit dat bloed door middel van een vingerprikje wordt afgenomen, heeft de relevantie van hun vraag inmiddels weggenomen.

De leden van de PvdA-fractie herhalen hun opmerking dat, zowel in de definitiebepaling (artikel 138a Sv) als ook in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, overduidelijk tot uitdrukking dient te worden gebracht dat DNA-onderzoek uitsluitend is gericht op profielvergelijking, waarbij uit het DNA-profiel zelf ook niet meer informatie is te putten dan strikt noodzakelijk voor het vaststellen dat verdachte en delict «aan elkaar gekoppeld» kunnen worden. Hetzelfde geldt voor onopgeloste misdrijven. Met andere woorden, buiten kijf moet staan dat geen andere (eventueel. erfelijke) informatie, hoe interessant wellicht ook voor het opsporingsonderzoek, beschikbaar mag komen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering nader in te gaan op de vraag wat moet worden verstaan onder «belang van het onderzoek». Omdat gesteld wordt dat ook indien de verdachte bekent DNA-onderzoek kan worden bevolen, vragen zij of met «onderzoeksbelang» alleen wordt bedoeld het belang van een concreet lopend onderzoek of ook het belang om niet opgeloste misdrijven op te helderen. Daaraan kan worden gedacht indien een verdachte een concreet misdrijf bekent in de hoop daarmee DNA-onderzoek te voorkomen dat hem naar eerdere, onopgeloste misdrijven kan leiden. Deze leden zouden graag vernemen of deze overweging ook bij de regering een rol heeft gespeeld.

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat het wenselijk is één instituut aan te wijzen, i.c. het NFI, waar celmateriaal wordt opgeslagen en dat tevens de Databank met DNA-profielen beheert. Zij vragen, mede naar aanleiding van de reactie van de Registratiekamer, nader in te gaan op de toepassing van artikel 43 Wbp. Kan aan de hand van voorbeelden worden duidelijk gemaakt wanneer hiervan gebruik zal worden gemaakt; van bekendheid met het feit dat gegevens zijn opgeslagen kan ook juist een preventieve werking uitgaan?

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven de wenselijkheid om DNA-profielen up-to-date te kunnen houden en deze met nieuwe technologieën eventueel opnieuw vast te stellen. Dat celmateriaal daartoe kan worden bewaard komt hen terecht voor. Zij vragen de regering evenwel in te gaan op de opmerkingen van de Registratiekamer, te weten dat de bewaartermijn van celmateriaal niet langer dan strikt noodzakelijk dient te zijn.

Ook vragen zij de regering te reageren op de wijzigingen die de Registratiekamer heeft voorgesteld, waar deze betreffen de informatie aan politieambtenaren. Deze komen de leden van de PvdA-fractie uiterst redelijk voor.

Door de regering is met betrekking tot het concept-Besluit ook advies gevraagd aan een aantal andere met name genoemde organisaties. De leden van de PvdA-fractie vragen welke instanties reeds hebben gereageerd en hoe hun reacties luiden.

De uitbreiding van de toepassing van het DNA-onderzoek vergt een forse capaciteitsuitbreiding. Alleen al het toepassen van DNA-onderzoek bij inbraken zal het aantal onderzoeken doen stijgen met 13 000, zo is de verwachting. Nu maakt het voorliggende voorstel DNA-onderzoek ook mogelijk bij andere delicten naast inbraken. Ten aanzien van welke delicten verwacht de regering dat het uitvoeren van DNA-onderzoek de meeste meerwaarde zal hebben in termen van het verhogen van het oplossingspercentage. Tot welke stijging van het aantal uit te voeren onderzoeken leidt toepassing van DNA-onderzoek bij dergelijke delicten? Kan de regering een overzicht verschaffen van de te verwachte uit te voeren onderzoeken, onderverdeeld naar delictsvorm, zo vragen de leden van de fractie van de VVD? Is bij de inschatting van de aan het voorstel verbonden kosten meegewogen dat het gaat om het uitbreiden van de mogelijkheid en niet de verplichting tot het verrichten van DNA-onderzoek? Op welke wijze zal de proportionaliteit een ongebreidelde uitbreiding van het aantal onderzoeken kunnen beperken?

Ten aanzien van de kosten gaat de toelichting van de regering niet expliciet in op de kosten die verbonden zijn aan het inrichten en uitbreiden van een DNA-databank. Kan zij hier nader op ingaan met inbegrip van een verheldering van de keteneffecten die het gevolg zijn van een groeiende DNA-databank? Verwacht de regering ook positieve financiële effecten van de voorgestelde wijzigingen bijvoorbeeld in termen van maatschappelijke effecten?

Voorop moet staan dat DNA-onderzoek voldoet aan vastgestelde kwaliteitseisen. De leden van VVD-fractie stemmen daarom in met het beperken van het laten uitvoeren van DNA-onderzoek tot gekwalificeerde laboratoria. Uit een oogpunt van het bestaande capaciteitstekort in de overgangssituatie is het zaak ook het inschakelen van andere gekwalificeerde laboratoria dan het Nederlands Forensisch Instituut mogelijk te maken. Maar moet die mogelijkheid niet eveneens blijven bestaan na afloop van de overgangsperiode? Uit oogpunt van marktwerking en concurrentie zijn de leden van de fractie van de VVD van mening dat, binnen de grenzen van de gestelde kwaliteitseisen, er ruimte moet bestaan voor het laten uitvoeren van DNA-onderzoek bij verschillende laboratoria. Onderschrijft de regering dit standpunt?

Over de passages inzake de opslagtermijn van een DNA-profiel op blz. 24 tot en met 26 van de nota naar aanleiding van het verslag hebben de leden van de CDA-fractie twee vragen. Is de voorgestelde onderverdeling van de categorie verdachten in vier subcategorieën niet onnodig complex en (werk)belastend? Kan een en ander niet eenvoudiger, waarbij de categorieën 2 tot en met 4 ineengeschoven worden? Binnen de eerst voorgestelde subcategorie zouden de leden van de CDA-fractie in ieder geval een onderscheid willen maken tussen de verdachte die onherroepelijk wordt vrij gesproken en de verdachte die vrijkomt op andere gronden, bijvoorbeeld kennisgeving van niet verdere vervolging. De laatste categorie komt veelal vrij op formele gronden, wel kan materieel wel degelijk verdachte blijven. Waarom is het niet verantwoord hun DNA-materiaal in de DNA-databank te houden?

Op de blz. 28–31 van de nota naar aanleiding van het verslag wordt uitvoerig ingegaan op de extra kosten die de voorgenomen omvangrijke uitbreiding van het DNA-onderzoek met zich brengt. Kan een actuele stand van zaken worden gegeven.? Is de gecalculeerde kostenraming voldoende en hoever hoe staat het verwerven of vrijmaken van de benodigde extra financiële middelen?

Op dit moment beschikken slechts twee instituten in Nederland over de accreditatie om DNA-onderzoek te verrichten, zo constateren de leden van de D66-fractie. In het concept-Besluit blijft deze situatie ongewijzigd en worden deze twee instituten wederom aangewezen. Deze leden vragen aan de regering of de mogelijkheid bestaat dat dit aantal in de toekomst wordt uitgebreid in verband met het capaciteitstekort. Kan het voldoen aan de criteria voor accreditatie door de regering op enigerlei wijze worden gestimuleerd, zodat bijvoorbeeld het CRI in de toekomst deze accreditatie verkrijgt?

Bij de leden van de fractie van D66 heerst nog steeds enige onduidelijkheid omtrent de informatievoorziening en controle of een verdachte na later gebleken onschuld weer uit de DNA-databank verwijderd wordt. De directeur van het NFI ziet er onder meer op toe dat de DNA-profielen en het celmateriaal worden vernietigd, terstond nadat het instituut ermee op de hoogte is geraakt dat het DNA-profiel van een verdachte niet langer in de DNA-databank opgenomen kan blijven. Deze verantwoordelijkheid blijkt in de praktijk enigszins problematisch te zijn nu het NFI zelden of nooit op de hoogte wordt gesteld door het openbaar ministerie omtrent de afloop van een zaak. Mocht de verdachte zijn vrijgesproken, dan wel een kennisgeving van niet verdere vervolging hebben ontvangen, dan blijft zijn DNA-profiel bij geen bericht van het openbaar ministerie dus gewoon in de DNA-databank. Dit achten deze leden niet alleen een onwenselijke zaak, maar het bevreemdt hen ook daar er een dergelijke informatieplicht voor het openbaar ministerie bestaat. Artikel 10, eerste lid, van het huidige Besluit DNA-onderzoeken, legt aan de officier van justitie reeds de verplichting op om het NFI te bevelen het DNA-profiel van een verdachte te vernietigen indien naderhand is vastgesteld dat hij ten onrechte als verdachte is aangemerkt ter zake van het feit in verband waarmee zijn DNA-profiel in de DNA-databank was opgenomen. Deze leden vragen dan ook aan de regering of van het voorgestelde artikel 16 van het concept-Besluit veel verbetering valt te verwachten. Deze leden hechten er groot belang aan dat de terugkoppeling van het openbaar ministerie naar het NFI soepel verloopt. Welke rol ziet de regering met betrekking tot het uitwisselen van deze gegevens weggelegd voor de ICT? Naar de mening van de leden van de D66-fractie zou de informatieplicht voor het openbaar ministerie in de richtlijn van het College van Procureurs-generaal moeten worden meegenomen. Kan de regering hier op ingaan? Voorts zijn zij benieuwd naar de wijze waarop de directeur van het NFI controleert in de praktijk? Bestaat hier een procedure voor?

Van belang is echter niet alleen dat er zorg voor wordt gedragen dat het opgeslagen DNA-profiel wordt verwijderd, maar tevens dat het celmateriaal en de onderdelen van archieven, zoals het afschrift van het verslag van het onderzoek dat zich in het strafdossier bevindt, moet worden vernietigd. Is de regering het met de leden van de fractie van D66 eens?

Bij het antwoord op de vraag hoe lang een DNA-profiel opgeslagen blijft in de DNA-databank, maakt de regering bij de categorie verdachten een onderscheid tussen personen die verdacht worden van of, later, veroordeeld zijn wegens een misdrijf waar zes jaar of meer opstaat en een misdrijf waar tussen de vier en zes jaar gevangenisstraf op staat. In plaats van dertig jaar wordt voorgesteld om de DNA-profielen van deze laatste categorie twintig jaar te bewaren. De regering geeft aan dat bij de onderhavige delicten lang genoeg te vinden. De leden van de fractie van D66 vinden dat ook bij deze laatste categorie een termijn van dertig jaar zou moeten gelden. Zij zien geen reden het DNA-profiel van iemand die een misdrijf heeft gepleegd waar een straf van vijf jaar op staat minder lang te bewaren als het DNA-profiel van iemand die een delict heeft gepleegd waar een straf van zes jaar op staat. Het feit dat iemand een lichter misdrijf heeft gepleegd doet immers niets af aan de eventuele mogelijkheid van recidive. Mocht dit het geval zijn, dan kan middels de DNA-databank de dader worden geïdentificeerd. Bij de belangenafweging tussen het feit dat het om een lichter misdrijf gaat en daardoor een mindere lange termijn rechtvaardigt om zijn DNA-profiel te bewaren, kiezen deze leden voor de belangen van het slachtoffer dan wel de samenleving om middels een langere bewaartermijn een eventuele recidive op termijn te kunnen oplossen.

De leden van de fractie van D66 zouden graag een toelichting krijgen van de regering op de bewering dat het zaaksaanbod bij het NFI toeneemt met 11 000 tot 13 000 zaken per jaar. Waarop baseert de regering deze veronderstelling?

Het openbaar ministerie heeft te kennen gegeven dat zij graag van alle sporen bij het NFI in zaken waar het gaat om levensen seksuele delicten alsnog het DNA-profiel wordt bepaald. De leden van de fractie van D66 delen deze wens van het openbaar ministerie. De regering is van mening dat in die gevallen waarin er voldoende aanwijzingen zijn dat het verrichten van DNA-onderzoek aan oude sporen kan bijdragen aan de opheldering van ernstige misdrijven alsnog DNA-onderzoek moet plaatsvinden. Bedoelt de regering alle gevallen waarin het gaat om levensdelicten dan wel seksuele delicten of gaat de regering hier een stapje verder dan het openbaar ministerie door meer in het algemeen te spreken over opheldering van ernstige misdrijven? Voorts vragen deze leden wanneer er sprake is van «voldoende aanwijzingen»?

2 De betrouwbaarheid van onderzoek van het wangslijmvlies

De leden van de PvdA-fractie willen met betrekking het afnemen van lichaamsmateriaal het volgende opmerken. Niet-verdachten hebben de keuze tussen het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels. Verdachten hebben die keuze in principe niet. De volgorde wordt in de wet aangegeven. Slechts bij medische bezwaren tegen het wegnemen van wangslijmvlies of bij verzet wordt uitgeweken naar afname van bloed of haarwortels (bij verdachten kan ook DNA-onderzoek middels voorwerpen plaatsvinden). Voor vrijwillige medewerking is schriftelijke toestemming nodig; voor het laten afnemen door een opsporingsambtenaar een aparte schriftelijk gegeven toestemming. Deze leden hebben toch goed begrepen dat de arts voor alle wijzen van afname de (eind)verantwoordelijkheid heeft. Zij vragen hoe deze in concreto valt te effectueren, met name indien de beoordeling of wangslijmvlies kan worden afgenomen en daartegen geen medische bezwaren bestaan, plaatsvindt door een opsporingsambtenaar. Is deze laatste voor die taak uitgerust? Dreigt niet het gevaar dat bij niet-verdachten (massa-onderzoek) minder snel een verpleegkundige wordt ingeschakeld dan bij gedwongen afname, al was het maar omdat men wil voorkomen dat bij die laatste afname de rechtmatigheid van de uitvoeringswijze ter discussie wordt gesteld?

De leden van de fractie van D66 zijn verheugd te vernemen dat er een efficiëntere procedure tot stand komt met betrekking tot het juridisch-administratieve traject dat in de praktijk tot op heden een aanzienlijk knelpunt oplevert. Tevens wordt met dit wetsvoorstel het aantal personen dat wangslijmvlies bij een verdachte kan afnemen enigszins verruimd. Conform de artikelen 151b en 195d moet het afnemen van het wangslijmvlies geschieden onder de verantwoordelijkheid van een arts. Naar de mening van leden van de D66-fractie is het afnemen van wangslijmvlies een handeling die verricht kan worden door een daartoe opgeleide en gecertificeerde eenheid van de politie en waar niet per definitie een verpleegkundige dan wel arts voor hoeft worden ingeschakeld. Deze leden zijn het dan ook niet met de regering eens wanneer zij stelt dat bij afname van lichaamsmateriaal op bevel van de officier van justitie of rechter-commissaris onder alle omstandigheden een arts of verpleegkundige dient te worden ingeschakeld. Deze mening wordt ondersteund door het Forensisch Medisch Genootschap. Voor een eenvoudige handeling als het afnemen van wangslijmvlies is geen medisch achtergrond vereist. Welke bijzondere medische redenen heeft de regering voor ogen waardoor het onwenselijk zou zijn dat een opsporingsambtenaar, zonder de aanwezigheid van een verpleegkundige, wangslijmvlies afneemt bij een betrokkene?

In de nota naar aanleiding van het verlag staat dat slechts in het geval een betrokken daar uitdrukkelijk schriftelijk mee instemt, de afname van wangslijmvlies of haarwortels kan geschieden door opsporingsambtenaren. Geschiedt dit dan nog steeds onder de verantwoordelijkheid van een arts? Voorts vragen de leden van de fractie van D66 of het praktisch mogelijk is om een groot aantal afnamen door verpleegkundigen en artsen te laten plaatsvinden?

Een onderzoek aan of in het lichaam van een in verzekering gestelde verdachte maakt een zwaardere inbreuk op de lichamelijke integriteit dan het afnemen van wangslijmvlies. Vervolgens wordt gesteld dat wangslijmvlies slechts kan worden afgenomen nadat de verdachte is gehoord door de officier van justitie. Krachtens het Besluit Inverzekeringstelling is dit niet vereist om een onderzoek in het lichaam te verrichten. De leden van de fractie van D66 vinden dat het afnemen van wangslijmvlies gelijk moet worden gesteld met het nemen van vingerafdrukken. In het eerder genoemd Besluit Inverzekeringstelling is het afnemen van vingerafdrukken als maatregel vermeld. Naar de mening van de leden van D66 zou het afnemen van wangslijmvlies moeten worden opgenomen als zelfstandige maatregel in het Besluit Inverzekeringstelling. Kan de regering haar visie op dit voorstel geven?

3. Het bewaren en vernietigen van celmateriaal

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de door de regering voorgestelde gedifferentieerde termijnen die worden gesteld aan het bewaren van celmateriaal en met het uitgangspunt dat dit materiaal wordt vernietigd indien het DNA-profiel uit de Databank wordt verwijderd.

Wederom willen de leden van de GroenLinks-fractie benadrukken, temeer gezien de verwachte ruime uitbreiding van het aantal DNA-onderzoeken, dat hun grootste zorg waar het DNA-onderzoek betreft ligt op het gebied van het bewaren en vernietigen van celmateriaal. De leden achten het van groot belang, gelijk het advies van de Registratiekamer van 17 februari 2000, dat vast wordt gelegd dat DNA-onderzoek uitsluitend gericht is op het vervaardigen of vergelijken van DNA-profielen, die een zodanige vorm hebben dat daaruit geen informatie omtrent erfelijke eigenschappen of ander persoonskenmerk kan worden afgeleid en, ter waarborging daarvan, gebruik te maken van Privacy Enhancing Technologies (PET). Een DNA-profiel zou geen uitsluitsel mogen geven over geslacht, ras, haarkleur etc, om welke reden het begrip DNA-profiel een duidelijker definiëring behoeft. De leden achten het van het belang dat het doel van DNA-onderzoek vergelijking van vervaardigde profielen is, teneinde bewijs te kunnen leveren in strafzaken. De leden zijn overigens van mening van de toekomstige Wet bescherming persoonsgegevens tot een dergelijke benadering verplicht en verzoeken de minister hierop in te gaan.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de leden van de GroenLinks-fractie zich grote zorgen blijven maken over het opslaan van celmateriaal. Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de regering met het langer opslaan van celmateriaal wil voorkomen dat nieuw verkregen DNA-profielen niet meer vergelijkbaar zijn met de reeds opgeslagen DNA-profielen, waardoor de waarde van de DNA-databank snel zou afnemen. Enig doel voor het afnemen van celmateriaal zou moeten zijn het vaststellen van een DNA-profiel sec. Om de zorgen ten aanzien van het opslaan van celmateriaal enigszins te matigen dringen deze leden er nogmaals op aan om in de voorgestelde wet een definitiebepaling op te nemen waarin het begrip DNA-profiel als zodanig wordt afgebakend.

Weliswaar geeft de regering er blijk van doordrongen te zijn van de noodzaak tot zorgvuldige registratie, maar onder de huidige regeling blijkt in de praktijk dat het DNA-profiel van bijvoorbeeld onherroepelijk vrijgesproken verdachten lang niet in alle gevallen wordt vernietigd. Mede gelet op het feit dat de regering dit gegeven zelf ook als een zorgelijke situatie heeft gekwalificeerd, dringen de leden van de GroenLinks-fractie bij de regering erop aan strikte regulering hiervan de hoogste prioriteit te geven. Zij wordt tevens verzocht te onderzoeken hoe het komt dat de wettelijke regels omtrent de vernietiging van celmateriaal niet voldoende worden nageleefd en aan te geven hoe hier in de toekomst mee om dient te worden gegaan.

4. De dringende noodzakelijkheid van het onderzoek

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering hun vragen inzake de eis van de «dringende noodzakelijkheid» in het verslag niet goed heeft begrepen. Deze leden wijzen erop dat zij geen voorstander zijn van het verlaten van het criterium «dringende noodzaak» bij zowel het afnemen van wangslijmvlies als bloed. In aansluiting hierop vroegen deze leden naar de gevolgen van het laten vallen van de in het huidige 195, derde lid, gestelde voorwaarde «indien het onderzoek dringend noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid». In de wijziging op 195d staat nu «in het belang van het onderzoek» als criterium. Deze leden wijzen erop dat dit een zeer ruime uitleg mogelijk maakt, hetgeen de regering ook lijkt aan te geven in antwoord op een vraag van deze leden. De regering stelt in de nota naar aanleiding van het verslag: «voldoende is de vaststelling van onderzoeksbelang. Dat onderzoeksbelang kan bijvoorbeeld ook aanwezig zijn als de verdachte het strafbare feit bekent». Wat indien een verdachte iets bekent dat niet overeenkomt met het DNA-onderzoek? Is dat dan ondanks de bekentenis een gegeven dat hem vrijpleit? Deelt de regering met deze leden de constatering dat dit criterium de toepassing van DNA bijna universeel inpast in het wetboek van Strafvordering boven de grens die gesteld in deze wetswijziging? Wat is de visie van de regering op deze constatering?

5. De DNA-registratie

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoe in concreto over en weer aan een verzoek tot rechtshulp kan worden voldaan, indien de bewaartermijn zo uiteenlopend zijn in de verschillende landen buiten Nederland. Bovendien is het de vraag of het vergelijken van DNA-profielen mogelijk blijft indien een ander land deze niet heeft aangepast aan de voorhanden zijnde modernere technieken. Wordt in het kader van de besproken samenwerking in Europa op dit terrein ook voldoende aandacht besteed aan het behoud en de bruikbaarheid van reeds bestaande profielen? Ook voor het oplossen van in internationaal verband gepleegde misdrijven kan dit «oude» materiaal immers van belang zijn.

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de beheerder van het instituut voor het correct uitvoeren van zijn beheerstaak in belangrijke mate afhankelijk is van de informatie die hem door het openbaar ministerie moet worden verschaft. Zij vragen of inderdaad gegarandeerd kan worden dat de informatie wordt doorgegeven.

III ARTIKELSGEWIJZE BEHANDELING

Artikel I, onderdeel A

Artikel 151a

Derde lid

De leden van de GroenLinks-fractie begrijpen dat het met het oog op een doelmatige opsporing van belang is dat «zo spoedig mogelijk» wordt vervangen door «zodra het belang van het onderzoek dat toelaat». Evenwel dient voorop te staan dat hiervan sprake is zodra de verdachte op de hoogte is geraakt van de verdenkingen.

Artikel I, onderdeel Aa

Artikel 151c

Eerste lid

In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1999 vragen de leden van de GroenLinks-fractie wat wordt verstaan onder «zwaarwegende redenen» en wel in samenhang met hetgeen in het voorgestelde artikel 151b, derde lid, Sv, is opgenomen.

Tweede lid

Het is voorstelbaar dat een persoon die niet wordt verdacht van een misdrijf (te denken valt aan getuigen, slachtoffers, een hele buurt) niet wenst mee te werken aan het afnemen van celmateriaal, maar geen enkel bezwaar heeft tegen DNA-onderzoek aan ander materiaal. Niet valt in te zien waarom schriftelijke toestemming voor onderzoek aan ander materiaal niet eveneens mogelijk is en als zodanig opgenomen zou kunnen worden in dit artikel. Evenmin valt in te zien waarom bij zorgvuldige toepassing van de procedure aangaande het in beslag nemen van ander celmateriaal het resultaat van het DNA-onderzoek niet even betrouwbaar zou kunnen zijn.

Artikel I, onderdeel B

Artikel 195a

Verwezen wordt naar hetgeen onder artikel I, onderdeel A, is opgenomen.

Artikel I, onderdeel Ca

Artikel 195e

Verwezen wordt naar hetgeen onder artikel 151c is opgenomen.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier voor dit verslag,

Nava


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Dittrich (D66), ondervoorzitter, Rabbae (GL), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), O. P. G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GL), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA), Brood (VVD).

Plv. leden: Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Wagenaar (PvdA), Van Vliet (D66), Arib (PvdA), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GL), Schutte (GPV), Santi (PvdA), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Rijpstra (VVD), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GL), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), Eurlings (CDA), Kamp (VVD).

Naar boven